mijn vader (deel 4)

Een oude legende vertelt dat de apostel Jacobus de Meerdere het evangelie verkondigd zou hebben in Galicië, in het noordwesten van Spanje. Zijn prediking had weinig succes en hij keerde terug naar Jerusalem, waar hij in het jaar ’44 de marteldood stierf. Twee leerlingen namen het lichaam van de apostel met zich mee in een bootje zonder roer en lieten zich op de zee afdrijven. Na enkel dagen spoelde het bootje aan in Galicië. Daar werd Sint Jacob (Santiago) begraven en later vonden de twee leerlingen daar ook hun laatste rustplaats.
Eeuwen verliepen en niemand wist nog van het graf, tot het in de loop van de negende eeuw werd ontdekt. Een kluizenaar, Pelagius genaamd, zag op zekere nacht een groot licht, dat straalde boven een bosje struikgewas. Het verschijnsel herhaalde zicht verschillende nachten en Pelagius bracht de plaatselijke bisschop hiervan op de hoogte. Deze liet de plaats onderzoeken en men ontdekte er de sarcofagen met het gebeente van de apostel en dat van zijn leerlingen. Weldra gebeurden daar wonderen en boven het graf van Sint Jacob bouwde men een kerkje. Als herinnering aan de hemelse lichten welke de kluizenaar gezien had, kreeg de plaats de naam “campus stellae” (vel van de ster) of Compostela.
Algauw werd Santiago de Cmpostela door pelgrimsbezocht en groeide uit tot een bedevaartsoord, dat in belangrijkheid en populariteit de reeds bestaande pelgrimsoorden, namelijk het Heilig Land en Rome, overvleugelde. Gedurende de elfde en de twaalfde eeuw bouwde men de huidige kathedraal, groot genoeg om de talloze pelgrims te kunnen bevatten. In genoemde periode namen de tochten naar het graf van Sint Jacob gestadig toe en de hele middeleeuwen door trokken talloze lieden uit heel Europa van huis naar het verre Galicië.
In de tweede helft van de twaalfde eeuw schreef Aimery Picaud, afkomstig uit de Poitou, een gids voor de pelgrims. Deze gids impliceert dat er in die tijd reeds een betrekkelijk vaste route naar het Galicische heiligdom bestond. Inderdaad worden in het boek van Picaud de voornaamste wegen door Frankrijk beschreven. De belangrijkste vertrekpunten waren: Parijs, Vézelay, Le Puy en Arles. Drie wegen voegden zich tezamen voor de Pyreneeën. Men stak dit gebergte over vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port naar Roncevalles (Navarra). De weg uit Arles liep via de Col du Somport naar Jaca (Aragon). Bij het stadje Puente la Reina kwamen de zogenaamde Navarrese en Aragonese wegen samen en tot Santiago volgden de pelgrims éénzelfde weg, de camino de Santiago.
Langs de camino, zowel in Frankrijk als in Spanje, bouwde men kerken, kloosters en hospitalen waar de pelgrims konden overnachten.
In de loop van de eeuwen is de weg naar Santiago het belangrijkste religieuze en culturele fenomeen geworden, dat nergens in Europa geëvenaard wordt. Vanaf de zestiende eeuw, mede als gevolg van de veranderingen in politieke en kerkelijke omstandigheden, taande de bloei van de bedevaarten. De laatste jaren is echter de belangstelling voor de middeleeuwse pelgrimsroute zeer sterk toegenomen.

Rond 1980 las ik tijdens een bezoek aan Oma Zegers een krantenverslag over iemand, die lopend heen en terug naar Santiago de Compostella was geweest. Dat boeide mij en het leek wel iets voor mijzelf. Maar ja, toen leek mijn pensioen met veel vrije tijd wel erg ver in het verschiet. Een jaar later kwam het reisverslag van deze pelgrim , Hans Annink, in boekvorm uit. Ik las het een paar keer door. Zo’n tocht bleef de jaren daarna steeds in mijn gedachten. In 1986 waren er twee oorzaken om die wens in de nabije toekomst toch mogelijk te maken. Er werd in Nederland het Genootschap van Sint Jacob opgericht. Ik was één van de eerste leden. Ik raakte wat overwerkt en hoefde niet meer naar de Lichtbaak. Bovendien kwam de vervroegde VUT in zicht. Uiteindelijk ben ik in het voorjaar 1988 begonnen met eerst enkele korte tochten van een paar dagen, steeds verder van huis. Ik kwam toen tot de Franse grens. Omdat er nog wat zaken betreffende de VUT nit in orde waren, kon ik niet samen op stap met enkele andere pelgrims, met wie ik al samenspraak had. April 1989 waren alle schoolzaken voorgoed achter de rug en het grootste deel van de pelgrimsroute lag nu voor me. 30 Juni daarop volgend stapte ik Santiago de Compostela binnen. Het einddoel was bereikt. Ja, het einddoel, maar wat toch veel belangrijker was, dat was het op weg zijn, Santiago hoort erbij, maar het is niet het hoogtepunt van de tocht.
Waarom was ik nu zo geboeid door zo’n grote tocht, grotendeels alleen, te maken. Dat is moeilijk onder woorden te brengen. Allereerst had het op-weg-zijn voor mij een geestelijke inhoud. Het was een soort retraite, een terugtrekken in je eentje. Je staat op de grens van twee levensfasen: werken voor je beroep en daarna bezig zijn, maar dan als “liefhebberij”. Het is ook boeiend het rustige levenstempo aan te nemen van 5 kilometer per uur. Alles om je heen kan je dam rustig bekijken en in je opnemen. Langs de weg ontgaat je dan ook niet veel. Spannend is het ook om de miljoenen pelgrims uit de middeleeuwen, die mij voorgingen, na te doen. Je loopt op dezelfde wegen. Net als vroeger loop je meestal over de niet-verharde paden. Je zweet, zucht, loopt, bibbert ’s nachts, bent dorstig en hongerig en zoekt naar een slaapplaats net zoals zij. Er zijn natuurlijk ook verschillen. Zij hadden geen wegenkaarten, geen zwaarbepakte rugzak, geen tent, geen telefoons, geen girobetaalkaarten, geen noodrantsoen en ga zo nog maar even door. Het is ook fijn om eens geheel andere, onbekende mensen te ontmoeten, een eenling, een pelgrim, wordt overal gemakkelijk aangesproken. Natuurlijk trok ook de vrije natuur, door dagelijks allerlei bloemetjes, vogels en andere beestjes tegen te komen. Eigenlijk wisselde het motief om zo’n lange tocht te maken met de dag, of eigenlijk ieder uur. Terugkijkend is de wandeling goed verlopen. Waren er dan geen minpunten? Ja, natuurlijk, thuis trek je altijd veel met elkaar op. Met Anny praatte ik veel over werk-gebeurtenissen. Nu was dat contact, alleen op stap, helemaal weggevallen. Menigmaal dacht ik: dat hadden we met ons tweeën moeten beleven. Wat wel echt tegen viel waren de hoge temperaturen in Spanje. Deze liepen soms zo hoog op, dat je wel eens wanhoopte het einde te halen. Bij aankomst in Santiago de Compostela nam ik het voornemen, nooit meer naar Spanje te gaan. Maar ja, na enige tijd begin je dat weer te vergeten. Nu denk ik wel eens: zou ik nog eens zo’n tocht maken????

Dagelijks noteerde ik wat belevenisjes op losse blaadjes. Om de paar dagen stuurde ik die op naar het thuisfront. Dit boekwerkje is een meer uitgebreide uitgave hiervan. Het origineel met foto’s is voor Anny. Een kopie ervan bied ik mijn jongens Jan, Theo, Carel, Ton, Quint, Marc en mijn lieve schoondochters aan.

Den Helder, najaar 1990
N.J. Zijp

Aldus sprak mijn vader ooit, in een alweer ver verleden, zo schijnt ’t in Zijperspace, maar ’t lijkt steeds dichterbij te komen naarmate ’t verder weg gaat.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.