morgenstond

Als we naar school moesten, waren we rond ¼ over 8 op straat. Op z’n vroegst. Liefst kwam ik op ’t laatste moment ’t klaslokaal binnen. Vooral in ’t begin van ’t jaar. Dan leerden m’n medeleerlingen me wat sneller kennen was de gedachte daar achter. De jongen die altijd op ’t laatste moment, of te laat, binnenkwam. Tegen de tijd dat de docenten ’t te laat komen niet meer leuk vonden, wist iedereen wie ik was.
Voor ’t vakantiewerk, bollenpellen, moesten we wat vroeger opstaan. M’n moeder riep ons al rond ¼ voor 6 dat we uit bed moesten komen. Om 7 uur uiterlijk zouden we toch moeten beginnen met pellen, hield zij vol. & De rit naar de bollenschuur was wat langer dan die naar school.
’t Ochtendgloren was net achter de rug als we op onze fiets zaten. Restjes rood zagen we nog tussen enkele vergelegen wolken door glimmen. Daar hadden we geen belangstelling voor. Met slaapomrande ogen, met een geest die zich nog ergens tussen bed & badkamer bevond, & niet 3 km verder op een fietspad, waren we onderweg naar de gebroeders Pijnacker, de bollenboeren aan de Rijksweg. De nimmer aflatende zin ruzie te maken met broers deed ’t leven ontwaken in onze lichamen. Of anders de voortdurende strijd eerder aan te kunnen komen dan de ander. Er heerste altijd een hevige concurrentiestrijd tussen ons broers; we moesten altijd beter sneller meer zijn dan de ander. Ruzie & wedstrijd was daarbij onontbeerlijk.
M’n broer had echter een racefiets. Ik kon ‘m niet bijhouden. Ik moest wel in m’n eigen tempo doorfietsen, terwijl hij in de horizon van de lange doggersvaart verdween.
Ik fietste langzamer dan m’n broer & andere racefietsen, maar ik fietste sneller dan bollenpellers zonder een dergelijk luxe vervoermiddel. Waardoor ik de kans had een vriendinnetje onderweg tegen te komen. Was altijd prettiger. Dan konden we samen de Rijksweg nemen. Dan konden we samen proberen zoveel mogelijk slakken te ontwijken.
’t Vergde veel concentratie. Elke paar meters kon je er 1tje voor je wielen krijgen. Vooral in ’t geval de fietspaden wat vochtiger waren door de ochtenddauw of een nachtelijke bui. Je kon de slakken in allerlei vormen & maten tegenkomen. Zwarte tot lichtbruine, grijze tot beige-kleurige, platte uitgestrekte, die reeds enkele banden over zich heen hadden gehad, of exemplaren die nog maar net doormidden gereden waren. Met diverse gradaties aan slijm terzijde van ’t levenloze lichaam. Slakken vonden ’t fietspad blijkbaar zeer aantrekkelijk bij ’t licht van de opkomende zon. Wij probeerden er tussendoor te fietsen, er net langs, of, als ’t dan toch moest, over de reeds platte lichamen. Anders hield ik er een slapeloze nacht aan over.

Vannacht, ’t was tegen de morgenstond, kwamen er vanuit de tuin 2 levensgrote slakken naar mijn huis toe kruipen. Levensgroot is ong 20 cm lang. Ze pletten enkele planten in ’t midden van de tuin, hun gewicht was te veel voor de doorgaans stevige guldenroede. Ik stond in de opening van m’n 2 tuindeuren. Ik overwoog of ik naar m’n keukenkastje moest rennen om ’t zout tevoorschijn te halen. Of ik ’t nog wel zou halen. Of dat de 2 ertegen bestand waren. Ze kwamen steeds dichterbij, terwijl ik besluiteloos bleef staan, totdat de droom mij te eng werd om te blijven doorgaan met slapen.

’t Was lang geleden dat slakken de morgen in Zijperspace in dergelijke mate hadden beïnvloed.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.