Niemandspaadje

’t Vreemde is dat ik me tot nu toe ’t gelukkigst voel op een onbestemd paadje net over de grens in Duitsland.
Vandaag kwam er een vrouw mij voorbij rijden richting doodloop waar ik op dag 1 heb gezeten & de wereld heb beschouwd. Ik zag haar hulpeloos strijden waar ik blij was dat er geen oplossing was, geen weg naar buiten dan de weg in die ik de dag ervoor ook had proberen te vermijden door door te rijden.

Ik vond ’t wel prima zo. Er stond een bankje vlak voordat ’t niet verder ging. Zo’n niet te vinden bankje als je er op geattendeerd bent dat ’t een weg met een einde is. Waarom zouden mensen immers op doodlopende paadjes hun weg voort willen zetten als ze op de hoogte zijn van hun onbestemdheid?
Ik hield wel van die symboliek. Slechts een beetje verwondering over waarom, maar daar liet ik ’t bij. Ik had m’n plek gevonden. Anderen mochten zich voor even niet met mij bemoeien, tenzij ik anders wilde. Rijk alleen.

Ik had mijn fiets vandaag op de plek van de laatste afslag gezet. Alles van ’t eindgebed, van vluchten niet meer mogelijk, van dood of lopend, daar wist ik alles al van: dan moet je niet de goden gaan verzoeken. Niet nog een keer.
Dat heb ik niet in die termen op dat moment bedacht, maar wel intuïtief zo gevoeld. Ik had er op dat moment geen woorden voor nodig. Ook geen gedachten die behoefte hadden woorden te worden.

Tot mevrouw langs kwam.
Ik dacht – knikkend van goedendag zoals je doet als je er van uitgaat dat er niet veel goedendags zullen volgen op zo’n plek – ze gaat voor de bank. Heerlijk rustig. Zelfs als ik op 200 m afstand blijf waar ik ben. Ik bij de uitgang naar de rest van de wereld & zij bij ’t doodlopend bankje van ’t eind ervan.

Ze bleek geen ervaring te hebben, net als ik de dag ervoor. Op de plek waar ’t naar stront rook, ik vermoedde gister iemand die eerder eindelijk een geheimveilig plekje gevonden had voor acute diarree, gevolgd door de strontvliegen die zich niet lieten storen door een gebrek aan doorgaande fietspaden, & zich daar in alle gehaaste rust van acuut dus had ontlast. Bij de boerenwormkruid & de bijvoet die ik op insecten wilde onderzoeken.
Maar met strontvliegen deel ik geen passie.

Zij wilde door. Ik zag haar ronddraaien op haar fiets alsof zich er een rotonde bevond. Meermaals. Waar ik wist dat keren nog best moeilijk was op ’t pad dat overal even breed bleef.
& Na 5 min reed ze terug, voorbij weer aan ’t bankje aan ’t eind van de wereld, waar ik m’n vrede had gevonden.
Vervolgens mij passerend zei ze me opnieuw gedag, nu wat minzamer & minder gehaast. Berustend.
Ze sloeg wederom niet mijn uitgang in, waar ik de wacht hield bij de brug over ’t water terug naar ’t grote, snelle verkeer, alles controlerend dat niet aangetrokken werd door stront.
Zij reed terug dieper Duitsland in, waar blijkbaar haar huis stond.

We gebruiken dezelfde munten, dacht ik, maar blijkbaar ligt ’t onbestemde toch ’t liefst aan jouw kant van de grens. Maar zwart blijft donker & stront stinkt net zo hard.

Behalve die van Zijperspace natuurlijk.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.