niet storen

Als ik op ’t meetingpoint sta heb ik ‘r eindelijk te pakken.
‘Hoi, Ma. Waar ben je nu?’
‘Bij Sloterdijk.’
‘Oh, dan ga ik nog even m’n fiets wegzetten in de fietsflat. Dan kan je straks ’t beste bij ’t meetingpoint gaan staan.’
‘Is goed.’
‘Nee, wacht. Ga maar buiten bij de hoofdingang staan. Dan sta je tenminste in ’t zonnetje te wachten.’
‘Tot zo.’

Ik ben toch eerder terug. Ik ga in de schaduw van de metrohalte staan. Nog veel te veel zweet druipt van m’n voorhoofd. Een donkere man naast me fluistert iets naar me, maar ik schuif verder. Alsof ik niets door heb.
Zie ik er uit als een stomme toerist of zo? Toch maar goed dat m’n moeder er niet eerder was.
Ik wil al bijna weer bellen als m’n moeder uiteindelijk buiten komt.
‘We vertrokken een beetje laat.’
We zoenen & vragen ons af wat we zullen doen.
‘Jij hebt vast een plan gemaakt,’ zegt m’n moeder.
‘Nee, juist niet. Daar had ik ’t te druk voor.’
Dus besluiten we alvast te lopen. 1st Ergens een bak koffie.
‘Zeker in de Bijenkorf?’ vraag ik.
Dat deed m’n moeder immers altijd. Met Pa. Altijd linea recta naar de Bijenkorf. Vorig jaar was dat voor ’t laatst. Ik geloof dat ik er nog bij was. Toen heeft Pa ook nog bij de cd’s gekeken. Maar al niet meer zo op z’n gemak. Bang dat-ie m’n moeder uit ’t oog verloor.
‘Nee, hoor. Hoeft helemaal niet.’
Dus stel ik voor naar de Nieuwmarkt te gaan. Dan kunnen we van daar de metro nemen naar m’n huis.
‘Wat loop je raar.’
‘Ja,’ zegt m’n moeder, ‘opeens zat er vanochtend iets raars in m’n linkervoet. ’t Doet pijn.’
Gelukkig is ’t niet definitief. Geen ouwevrouwtjesloop. Maar de passen lijken zich wel aan ’t krimpen op deze leeftijd te hebben aangepast. Korte trippelende pasjes om mij bij te houden. Ik probeer zo langzaam mogelijk & lijk nog te rennen.

‘Wat wil jij, Moe?’
‘Doe maar koffie verkeerd. Maar ik moet 1st naar de wc.’
’t Meisje & ik wijzen allebei de wc aan.
Ik krijg m’n moeders tas aangereikt. Met die tas slungelig in de hand doe ik de bestelling bij ’t meisje. Koffie verkeerd & thee. Ze gaat aan de gang, terwijl ik me nestel in de zon.
M’n moeder komt terug & de koffie & thee worden uitgeserveerd. Ik reken meteen af.
We praten. Hoe ’t met Pa gaat. De laatste belevenissen. Den Koogh. De familie.
‘Heb je gister dat programma gezien bij de NCRV?’ bedenk ik me opeens. ‘Over euthanasie.’
Moet ik toch met iemand delen.
Ik vertel de inhoud. Over de dokter die luistert naar & praat met mensen die euthanasie willen. Over de vrouw die uiteindelijk niet gaat. Over de man die wel gaat. Dat-ie samen met z’n vrouw vertelt dat ze een mooi leven hebben gehad.
Ik zeg: ‘& Toen zei die vrouw: “We hebben 40 jaar lang een prachtig leven gehad.”’
& Ik besef me weer dat ’t me emotioneert. M’n moeder luistert. Haar blik op mij gevestigd. Snel schieten mij beelden van tranende migraine-ogen te binnen. De emoties zijn van m’n moeder altijd af te lezen. Maar ze houdt zich in. Ook al vertel ik beeldend van wat ik gezien heb.
Ik praat langzaam. Ik vertel hoe de man met slokdarmkanker de dokter vertelt waarom hij er genoeg van heeft. Dat hij waardig wil sterven. Want hij heeft waardig geleefd.
Ik herinner me ’t papiertje op de deur van de kamer. Op de achtergrond de stem van de dokter die de man zo dadelijk z’n uiteindelijke prikken zal toedienen. Op ’t papiertje staat met een stift ‘Niet Storen’ geschreven. Daar hebben ze geen bordjes voor in ’t ziekenhuis.
Dat stukje vertel ik niet, want ik moet steeds langzamer praten. Anders komen de woorden niet.
‘Hoor je dat?’ zeg ik tegen m’n moeder. ‘Door die verkoudheid valt m’n stem een beetje weg.’
‘Ja, inderdaad.’

De mooiste moeders komen toch echt alleen maar uit Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.