onherkenbaar

Ik sta naar mezelf te kijken.
Kom net thuis.
M’n pet afgedaan. M’n haar zit verkeerd. Links rechtovereind, rechts plat.

‘Ben ik dat dan?’ vraag ik aan mezelf.
Bril op. De roodwitte schaduw van m’n pet op ’t voorhoofd. Frisse lucht, maar dan écht fris, op m’n wangen afgetekend.

Ik fietste daarnet Ramon voorbij. Ik dacht, hem herkennend vanuit de verte: ‘Ik zal ‘m maar vroeg groeten. Anders heeft-ie geen tijd om te weten te komen wie ’t is.’
Pet.
Bril.
Capuchon bovendien, om m’n oren te verwarmen.
Slechts een cm² die mijn neus verraadt.
Maar ’t kostte hem geen moeite. Ik heb andere fysieke kenmerken blijkbaar dan ik zelf zie.

Hier voor de spiegel denk ik dat ik ’t wel weet.
Ik zal vast niet de barman zijn die mensen denken dat ik ben, nu ik hier in m’n eigen huis anoniem sta uit te hijgen.

’s Ochtends ligt alles plat. Dan durf ik niet onder de mensen te komen zonder in ieder geval m’n pet opgezet te hebben. De winkelmeisjes krijgen daar een voorproefje van.
Als ’t even tegenzit hangen de wallen. Dan heb ik zowiezo geen zin. Niet vanwege de wallen overigens. Vanwege geen zin.

Ik moet niet te lang blijven kijken. Dan weet ik ’t helemaal niet meer. Niet meer wie ik denk dat ik ben & niet meer wie ik denk dat anderen menen te herkennen.

‘Oehoe,’ zwaai ik. ‘Oehoe.’
Maar heel zachtjes hoor. Je weet nooit of de bovenbuurman op dat moment ook in de wc staat & z’n oor dichtbij ’t onluchtingskanaal houdt.
Dan denkt hij ook: ‘Dat is niet de buurman die ik dacht dat-ie was.’

Weten we dan ook niet meer waar ’t werkelijke Zijperspace ligt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *