overblijven

Nou moet ik zeggen dat ’t geen onaardig uitzicht is. Een tuin waarin een groot gedeelte inmiddels bruin tot lichtelijk zwart ziet, een verdere verrotting tegemoet; nog een restant roze springt eruit van een late roos; voor de rest slechts groengele tot gele bladeren die zich laten wapperen door ’t ongure weer.
Ik moest opeens bij mezelf bekennen dat 15 minuten onafgebroken er naar kijken misschien een ietwat overdreven was. Ik heb dwarrelende gedachtes, zei iemand laatst tegen me. Zo dwarrelend als wat nu buiten gebeurt, zeker, dacht ik daarnet.

Kijk, weer zo’n vallende wind. Enkele staken die daarnet nog overeind stonden trillen nu bijna verticaal op nog geen 20 cm van de grond. De laatste bladeren aan de struik in de hoek lijken er afgerukt te worden, zich te vermengen met ’t losse gebladerte in de lucht. M’n tuin ziet er bij dit weer zo troosteloos uit, dat zelfs de vogels zich er niet in wagen. Ze hebben ook bijna geen tak meer om op te zitten. Slechts een enkel overblijfsel van afgelopen lente/zomer steekt nog boven de meter hoogte uit.
Ik moest misschien maar ‘ns een wandeling gaan maken.

Do pakte me bij dit weer vast bij de schouder, gaf een ruk aan m’n trui & met een gebarend vingertje zei ze dat ’t tijd was om naar de dijk te gaan. Hup, in haar autootje tuften we de wind tegemoet. Naar de plek waar ’t allemaal vandaan leek te komen.
Bovenop de dijk bij Huisduinen, er stonden altijd wel auto’s op uitkijk, werd ’t karretje geparkeerd. 1st Acclimatiseren & kijken of we ’t aandurfden. Nou ja, Do dan. Ik stond al buiten voordat zij ’t idee had dat ze de zee kon zien. ’t Kon mij niet ruw genoeg.
Als Do bereid was, de situatie kon overzien & mij dapper genoeg achtte om in te grijpen zogauw zij op de wind wegvloog, stapte ze uit & maakten we een ommetje onderaan de dijk.
Waarbij niets gebeurde. Tot grote verbazing van Do. Er waren slechts 4 voeten die stap voor stap hun 2 lichamen voortduwden. Op de natte dijk, tussen de natte spetters van de zee, & onder aanmoediging van natte vette druppels die als hagelstenen de wangen striemden.

2 Jaar geleden maakte ik een wandeling langs de Gein. Er was gewaarschuwd dat er windstoten van orkaankracht konden plaatsvinden, maar dat bericht was totaal aan mij voorbij gegaan. Om me heen vlogen de takken van de bomen. Om de 100 meter lagen er lange takken over ’t smalle weggetje. Als er geen takken lagen, was er geen beschutting van bomen die aan de oever stonden & kon ik me met moeite staande houden. De enkele auto’s die mij passeerden konden niet anders dan stapvoets vooruit.
Bij een boerderij kwam er een jongetje van een jaar of 8 naar buiten.
‘Ik moest u van m’n moeder waarschuwen dat er om de hoek een boom over straat ligt. Straks komt de brandweer. Die hebben we net gebeld.’
Ik bedankte de jongen. Wierp een vriendelijke blik naar z’n moeder die lekker warm voor ’t raam stond. Ik ging verder. Met moeite liep ik om de boom heen. Ook al omdat ’t leek alsof de wind me met klappen van de weg probeerde te vagen.
De auto’s die ik onderweg tegenkwam attendeerde ik op de verderop gelegen obstakel door met m’n armen een boom te imiteren die omviel. Ze reden meteen wat langzamer. Ik voelde me als ’t jongetje dat trots was mij gewaarschuwd te hebben. Ik keek ze na zoals hij me daarstraks nakeek.

Dit zijn van die dagen dat ’t van binnen lijkt alsof er buiten heel wat aan de hand is. De natuur lijkt druk in de weer te zijn met de herinrichting. Alles wordt gesloopt om ruimte te maken voor ’t ontwerp van volgend jaar. Eigenlijk heeft de natuur daar geen pottenkijkers bij nodig.
Op de kleuterschool mochten we bij dit weer overblijven.

Eigenlijk zou ik naar buiten moeten gaan om te kijken hoe ’t werkelijk is.

Maar liever leeft men in een illussie in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *