passanten

De 1e kat vandaag liep traag. Hij had de winter achter de rug, dacht ik. Zo liep-ie in ieder geval. Een vermoeiende winter van binnen zitten bij de kachel, zo veel mogelijk slapen & op de schoot van de baas kruipen als die aanwezig was. Hij liep zwaar, z’n buik vol van wintervet, z’n poten sloom van een seizoen lang zo min mogelijk bewegen.
Via de achterkant van m’n tuin, zoals de katten allemaal doen tegenwoordig. Ik heb ze in toom, voor een groot gedeelte. Traag werkte hij zich bovenop de stapel stenen, om zo dicht mogelijk bij de schutting te blijven, inspecteerde vervolgens de grond eronder op passeerbaarheid, wilde blijkbaar zuinig omgaan met de zachte kussentjes onder z’n pootjes, & plaatste zich behoedzaam op de zwarte aarde. Van de week door mij ontdaan van overtollig dovenetel, een pad langs de vele obstakels, tussendoor ’t opkomend groen.
Hij zag mij niet. Wilde mij niet zien. Was er misschien te moe voor. Ik kon bewegen wat ik wilde, achter ’t raam, maar ’t beest had niet de lust zich te verwaardigen mijn kant op te kijken.
Vermoeid trok ’t zich op, omhoog over de balken, die ik enkele zomers geleden heb proberen op te stapelen tot barricade. Daar waar de schutting met m’n buren plots te kort leek, toen de scheiding met m’n achterburen ons 1 meter extra tuin opleverde. De kat trok zich omhoog, verdween uit mijn beeld, zonder een blik mijn kant op.

Een uur later de siamees van enkele deuren verder. 2 Of 3 deuren. De buurman stond er van de week mee in z’n handen toen wij over ’t balkon van 2-hoog hingen.
Ik had net met een harde appel uit mijn tuin op 2-hoog een raam ingegooid. Suze verontwaardigd. Nienke, die ‘m op 3-hoog had willen vangen, giechelig. We inspecteerden de schade, verontschuldigen ons. Ik vooral. & Keken vervolgens de tuinen in.
Buurman stond daar met de kat.
‘Wat voor kat is dat?’ vroeg Suze, zelf eigenaresse van een siamees-gerelateerd exemplaar.
(‘Jij houdt niet van katten, hè?’ had ze me vlak daarvoor gevraagd.
‘Mwah, ik heb geen hekel aan ze,’ had ik geantwoord, ‘maar ze moeten niet bij mij in de buurt komen.’
Waarna we de verrichtingen van de kat van 2 of 3 deuren verder bekeken).
Buurman schreeuwde boven de passerende trein uit: ‘Een cornish rex.’
Of iets dergelijks. Hij moest ’t tot 3 maal roepen. Toen besloot ik dat ik een kattennaam toch niet zou kunnen onthouden.
‘Komt-ie ook wel ‘ns bij jou in de tuin?’ vroeg de buurman aan mij.
‘Ja, dan jaag ik ‘m weg.’
Ze lachten, blijkbaar in de veronderstelling dat ik ’t niet meende. Ik had misschien te veel droge humor in m’n stem gestopt. Maar in ’t vensterbank van de keuken staat m’n plantenspuit altijd gereed om toe te slaan. De kat van 2 of 3 deuren verder heeft er al enige malen mee kennis gemaakt.
‘Heb jij 2 tuinen?’ vroeg ik, enigszins jaloers constaterend dat-ie zojuist over ’t oppervlak van 2 tuinen de bomen had staan snoeien.
‘Nee, ik heb ook de bomen van m’n buurvrouw gesnoeid.’

Die siamees liep dus voorbij. Een cornish rex, of iets dergelijks. Ook langs de achterkant, bang als-ie inmiddels is voor m’n plantenspuit. Hij onderzocht alle boomstammetjes & struiken vandaag. Zette z’n poten ertegenaan & besnuffelde ze op reuksporen. Misschien wel van z’n voorganger vandaag. Hij volgde in ieder geval dezelfde weg. Jong als-ie was steeds er op verdacht iets nieuws tegen te komen. Neus gespitst, lichaam lang gerekt. Vandaag pasten ik & m’n tuin niet in z’n ontdekkingsreis.

& Een uur later. Ik keek per ongeluk weer m’n tuin in. ‘t 3e exemplaar. Geschrokken van ’t feit dat-ie m’n lichaam zag bewegen. Vanachter de ramen.
Een oerhollandse cyperse, constateerde ik. Hoewel ik niet wist of die benaming ook bedoeld is voor een kat die zwart met wit gevlekt is. Dat interesseerde me echter niet. Dit was de zwart-witte kat. Vorig jaar vaak genoeg weggestuurd. Daarna hopelijk bang van mij geworden.
Geschrokken keek-ie mijn kant op. Dat had ik in ieder geval bereikt. Z’n lichaam tegen de stenen ophoging gedrukt, zo plat mogelijk, ogen strak vooruit, groot, op mij gericht.
Ik keek terug.
Zullen we dat spelletje spelen, dacht ik, wie ’t langst de ander aan kan blijven kijken?
Ik maakte mezelf tot standbeeld. Armen over elkaar. Dat ik naar de wc moest negerend. Mijn strengste ogen op de kat gericht.
Hij wint, dacht ik, hij is een kat.
Een trilling door ’t lichaam van de kat. Alsof er een windvlaag van achteren kwam.
Ik win, dacht ik.
Om vervolgens ’t ongeduld in mijn lichaam te proeven. Ik ben geen kung fu-fighter, zoals die in m’n jeugd op tv verscheen, die eeuwig stil kan staan. & Zeker geen kat.
Kat gaat winnen, dacht ik dus. Stomme kat.
Waarop de kat plotseling bewoog. Bevangen door angst, want snel schoot ’t dezelfde vluchtweg op die z’n 2 voorgangers al hadden gekozen. Toen was ’t echter nog geen vluchtweg.
Ik heb gewonnen, dacht ik, gewonnen van een kat.

We slaan de avonturen in Zijperspace van gepaste afstand gade.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.