pulk

Ik zat vorige week met een dame te praten. Of eigenlijk moet ik zeggen: ik kwam een stel tegen, waarvan ik de man kende, & daar maakte ik een praatje mee. Maar m’n aandacht werd getrokken door de dame. Niet om sexuele redenen. ’t Was best een aardige dame om te zien, alles zat bij haar wel op de juiste plek. Op sommige plekken tamelijk meer dan ’t ideale beeld ons mannen wil doen laten geloven dat perfekt is, maar ’t leek in orde.
Misschien klinkt ’t alsof ik haar aan ’t keuren was, maar ook dat was er niet aan de hand. Ik zat doodgewoon naast haar, besefte me terdege dat zij de vriendin was van de man tegenover me, die ik reeds kende, & maakte een praatje. Zoals iedereen wel ‘ns een praatje maakt met mensen die hij/zij toevallig ontmoet.

De 1 praat in zulke situaties wat meer dan de ander, voelt zich vrijer & heeft gemakkelijker gesprekstof voor de hand. Ik wil mezelf niet als prater omschrijven, maar op dat moment had ik geen moeite m’n mond te laten bewegen. ’t Onderwerp was toevallig net van m’n gading. De man vulde de leegtes aan & de dame hield over ’t algemeen haar mond. Ze stelde zo nu & dan een vraag & voor de rest keek ze vooral geïnteresseerd. Wist die houding in ieder geval goed voor te wenden.
Op zich een vanzelfsprekende situatie: de man & ik kenden elkaar, weliswaar vaag, maar in den vreemde nodigt dat als snel uit tot een gesprek. Zij zat noodgedwongen naast een wildvreemde, waarvan ze tot op dat moment niet wist dat ze iets gemeen met ‘m zou kunnen hebben. Dat heeft invloed op je spontaneïteit. Waar ik volledig begrip voor heb, & ook op dat moment.

Hoewel ik me ogenschijnlijk er niet door liet afleiden, werden m’n ogen vanaf ’t begin af aan afgeleid. Dat kwam door haar. Zij had in haar neus een pulkje zitten. Ik keek er recht tegenaan, elke keer als ik tijdens de conversatie haar in de ogen wilde kijken. ’t Is toch een gesprek tussen 3 personen, dus eenieder heeft recht op een blik in de ogen. Maar elke keer werd m’n blik dat hele kleine stukje omlaag getrokken naar dat snotje in haar neus.
& Zoals ik al zei, ’t was best een aardige dame om aan te zien, maar op dat moment vond ik haar neusgaten wel erg wijd opengesperd staan. Ik kon recht in 1 van haar, toch zeer private, lichaamsopeningen kijken. Om me daar geconfronteerd te zien met zoiets afschuwelijks als een snotje.

De gedachte schoot me ff te binnen dat ik haar op de hoogte moest brengen van haar euvel. Want zo zag ik ’t op dat moment. ’t Stelde mij in ieder geval niet toe in staat nog een normale conversatie met haar te voeren. Elke keer werd ik afgeleid door dat dingetje in haar neusgat. Haar linker, overigens. Voor mij rechts, voor haar links.
Ik kon me er niet toe zetten haar er op te attenderen. Dat zou alleen maar nog genantere situaties veroorzaken, dacht ik. Ik was bovendien de mening toegedaan dat haar vriend dat maar moest doen, zogauw ik ’t terrein verlaten had. Daar had ze immers niet voor niets een intiemere relatie mee.

Toen ik eindelijk m’n glas bier leeg had, heb ik gezegd dat ik toch echt verder moest. Nee, nee, ik hoefde geen biertje terug. Ik moest echt weer ‘ns gaan.
& Per ongeluk liet ik een papieren zakdoekje liggen op tafel. Die heb ik altijd bij me. Was toch ’t minste wat ik kon doen.

In Zijperspace verlangt men naar een snotvrije horizon.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *