punt

Op een gegeven moment ga je je afvragen waar bepaalde personen moeite mee hebben. Wat heb ik ze aangedaan dat ze zo hardvochtig moeten zijn? Ongenuanceerde uitspraken. Steek onder de gordel. Afbekken. Beledigen.

Dat ik hypochonder ben, dat wist ik allang. Daar kan ik mee leven. Ik doe dat al langer dan dat bepaalde personen weet hebben van ’t woord dat ervoor bestaat. Ik kan er mee leven als mensen de conclusie van hypochondrisch trekken over mijn gedrag, mijn schrijven, mijn houding, mijn gebrek aan durf. ’t Kost me al te veel moeite om bij tijd & wijle een beslissing te nemen, waarom zou ik me dan druk maken als mensen die indruk van me krijgen? ’t Is immers waar wat ze denken. Ze mogen ’t van mij meedelen aan anderen. Ik zal m’n zwakke punten moeten accepteren, ook al worden ze uitgesproken door een andere mond, om sterker te kunnen worden. Zo heb ik altijd gedacht. Weet waar je achilleshiel is, dan zal men je minder snel kunnen raken.

’t Is niet mijn gewoonte om via dit weblog actualiteiten naar voren te brengen. Dingen die spelen binnen weblogland. Dat is iets van ’t verleden; dat doen andere mensen wel. Ik ben beter in ’t schrijven over mijzelf, verhaaltjes, stukjes, columns. Net zoals men ’t wil noemen. Daar heb ik in de loop van de tijd een vorm in gevonden. Waarin ik mijn persoonlijkheid naar voren breng. Overdrijf, verzwijg, benadruk, blootleg.
Er zijn vele boeken die nog geschreven moeten worden. Ik schrijf een klein hoofdstukje. Een alinea over mezelf. De rest van ’t reeds geschrevene, dat wat voor zich spreekt als men mij ontmoet, zal men zelf moeten willen openen. De witregels, dat wat volgt achter een punt, wat tussen de zinnen door wordt gezegd, zal men zelf moeten willen opvullen.
Mij te kennen in ’t dagelijks leven kan daarbij helpen.

& Dat juist iemand die ik in ‘t ‘echte’ leven ken, iemand waarmee ik in ieder geval 1 keer per jaar op een bierfestival in Canterbury bier sta te verkopen, een weekend lang mee omga, mij perse kwetsend moet bejegenen, me zonder argumentatie moet neerzetten als een ‘neuzelaar’, daar kan ik met m’n hoofd niet bij.
Ik heb ’t nooit begrepen.
Ik heb Pieter van de middelbare school nooit begrepen, die altijd ten overstaan van al z’n vrienden mij in de zeik moest zetten als ik van de wc afkwam, daarbij opmerkend dat ik waarschijnlijk weer naast de plee had gepist. Brian niet, in ’t jongerencentrum, die kleine Bas z’n keel toekneep, omdat Bas teveel toenadering tot de meisjes zocht. Etterbuiltje, met z’n stinkende parfum, werd Bas genoemd. Bekius niet, m’n docent, die mij klassikaal voor schut wilde zetten, omdat ik drukker was dan de rest & telkens naar de wc moest als ik zenuwachtig was. Nog enkele anderen niet.

Ik heb een kwaaltje. Daar schrijf ik nu over. Ik kan niet tegen mensen die van zichzelf vinden dat ze een grote bek op moeten zetten tegen mensen die hun zwakheden durven tonen. Dat ze daar over heen moeten walsen. Anderen daarbij willen betrekken, om gezamenlijk ongenuanceerd zo’n persoon uit te kunnen lachen.
Ze noemen hem ‘neuzelaar’ & blijven er in hangen.
Want verder komen dat soort personen blijkbaar niet. Iemand ‘iets’ noemen. Denken dat ’t daarbij blijft.

Maar er is een weg verder in Zijperspace, niets stopt na een punt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *