Puntenslijper

Men moet ’t niet raar vinden, een bos van liggende pennen. Stiften gemengd, een zeldzame potlood die me aan m’n vader herinnert.
Ze liggen daar rechts voor m’n schouder, een halve meter.
Ik zal ’t nog steeds eens gaan uitzoeken wat nog schrijft. Een erfenis gedeeltelijk van een happening, verkiezing, m’n vader dus ook, plus werk. ’t Zijn bijna vergeten herinneringen.
’t Verlaat me traag.

Evenmin m’n medicijnen, m’n traag ademende neus, zo laat op de dag, ’t tijdstip dat hun aanwezigheid bevestigt.
Ik ga daar oud mee worden. M’n droge ogen evenzo, waar de druppelflacons voor staan.
& Op de printer de pillen die ik door de dag heen slik, verspreid. Ik had de 15e eeuw niet lang overleefd, denk ik dan soms.

’t Is een decoratie. Een op- & neergaand landschap. Ze vertellen blijkbaar wat m’n leven momenteel is. Hun heuvels, de toppen van doppen die elke dag van hun pennen of potjes geschroefd worden.
2 Laag deinende toetsenborden om ’t de wereld te vertellen.
Of eigenlijk 3, als ik de doorgaans vlakke helling van de laptop open. Waar meestal de muziek uit klinkt. Om me stil te houden. Weg te houden. Stijf doen staan van rugrecht, afhankelijk waar ’t me anders brengt.
’t Valt me mee, rugwijs; An al een tijdje niet hoeven zien. Haar versleten handen van olie & wrijven, masseren & waarschijnlijk de kou doorstaan als ze de schaatsbaan weer aan kan. Ik zie haar thuis zitten, pogend zich te warmen aan ’t vergeten van de kilte.

Ik wrijf die van mij. Dan vooral de bovenkant. Heet dat niet de huig? Of geldt dat slechts voor de mondholte?
De bovenkant, die ongemerkte windvleugen opvangt van hier in huis stilstaande wind. De aanrakingen die voorbij gaan, alsof slechts niets meer dan een gedachte. Terwijl de rest van daadwerkelijk niets schijnt te weten.
Een afwezigheid.
Een potlood die ik in m’n vaders handen terug moet geven. De punt afgebroken.

Maar er was altijd een slijper in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.