respijt

Is men wel ‘ns middernachts, of beter nog, tegen ’t ochtendgloren, of nog beter, op ’t moment dat de 1e zonnestralen ’t lichaam beschenen, nog steeds wakker geweest? & Wezen staren, met open ogen, wijd open ongelooflijk wezen staren, niet geloven, bewonderlijk observeren?

’t Lichaam lag daar. Gerold in een kronkeling zoals je niet voor mogelijk had gehouden. Een knie omhoog. Een rug hol. Een bil een bolling makend van ongekende hoogte. ’t Gezicht zijwaarts zodat je nog net kon zien dat ’t leefde. Dankzij de minieme, bijna doorzichtige snorhaartjes die per ongeluk hun eigen leven toonden. De snorhaartjes die er niet hoorden te zijn, maar daardoor juist zo duidelijk er op wezen dat je te maken had met vrouw.

Hoe dat lichaam dan schijnbaar zweefde boven beddegoed, die ’t liet zwieren op innerlijke belevingen, slechts af te lezen aan snelle bewegingen onder ’t ooglid. & Een knuist die gebald stond tegen grote gevaartes, onzichtbaar, ongrijpbaar, maar de vuist die zo duidelijk strijdbaar links naast ’t hoofd lag. Hoe de vorm van ’t lichaam bewonderd wilde worden, in al z’n onnozele schoonheid, onwetend van de hoeveelheid ogen voor vele uren.

’t Eigen lichaam stond slechts ten dienste van ’t voyeurisme. Stijf werden de spieren gezeten in continue kleermakerszit, trachtend afstand te scheppen, wakend tot de tegenovergelegen ogen zin hadden wakker te worden uit de vermoeidheid van een lange nacht.

& Je wierp al je liefde in je blik. Al ’t geduld dat je eigen lichaam nog bezat, streefde ernaar zolang mogelijk te genieten van ’t uitzicht. Elk uiterst puntje van je bewustzijn moest open staan voor ’t ervaren. ’t Zien.

’t Uiteindelijk ontwaken. De trilling in de bil. De verstoring van de holle lijn in de rug. ’t Verlaten van de perfekte boog in beide benen. ’t Begin van een beweging in de elleboog. ’t Beroeren van enkele haren die geklemd zaten onder ’t hoofd. ’t Wrijven van enkele vingers. ’t Schuiven van de heup. ’t Openen van de mond. ’t Sluiten van de mond. De geur die zich bewust werd van z’n aanwezigheid. De deken die z’n bescherming tegen de kou gewaar werd. De verontwaardigde tegenover de starende blik. De borst, ’t glimpje van de borst, die de boel nog ff op ’t laatste moment op de hak nam.
’t Verbreken van de nacht liefde.

De laatste liefde. Die zich had aangekondigd.

Maar nog enkele uren respijt had gekregen in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.