ruis (1)

Ik weet nog wel wat. Ik weet nog een beetje wat er gebeurd is. Er zijn nog wat beelden. Gevormd door de gebeurtenissen, of vervormd door er aan te denken. Je schift, je schuift weg, overtollige balast, om ’t in efficiënte bits & bytes op te slaan, compact, zo min mogelijk ruimte innemend, om later weer ‘ns tevoorschijn gehaald te kunnen worden. Voor later gebruik beschikbaar.
Daarbij vergetend dat opslaan ruis betekent. Beïnvloeding door andere factoren. Emoties, spanning, angst, heimwee, liefde.
Veel ruis dus. Niets van wat ik denk is echt waar. Niets van wat ik me herinner.
Maar tussendoor de ruis. Tussen de grote stukken ruis door. Als je grote lijnen bekijkt. De kleuren weg wrijft. Blijft er nog iets over..
Dat heet dan herinnering. Meer kan je er niet van maken.

Ze zette haar fiets op slot voor de sporthal. Ik zat in de kantine. Was al enkele wedstrijden aanwezig. Had me mee laten sleuren te gaan zitten. In afwachting van de volgende belangrijke wedstrijd voor onze school. We dronken fris & praatten wat.
Tot zij haar fiets op slot zette.
Door de grote ramen overzag ik ’t plein voor de sporthal. Ik was bijna lijfelijk aanwezig bij haar & haar fiets. Ze deed iets onhandigs, zoals zij altijd iets onhandigs deed met haar fiets. Fietsen deden bij haar nooit waar ze voor dienden.
Ik zag haar de entree binnengaan. Speuren naar mensen.
’t Was herfstvakantie. & De sportievelingen onder ons deden mee aan een basketbalcompetitie. De rest keek toe, als ze tenminste kennissen hadden onder de spelers.
Ik klopte op ’t raam. Dacht aan de dag ervoor. Een lang gesprek. Verteld dat ik verliefd was. Onomkeerbaarheden.
Dus klopte ik op ’t raam. Ze zou zo wel komen als ze mij zou zien zitten.
Over de rest valt niets met zekerheid te zeggen.

Ik weet ook nog een gillend meisje. Dezelfde zij.
Een gillend meisje op haar kamertje in Amsterdam. Krijsend in de hoek. Tegen de plinten aan. Ons wegslaand.
Weg, weg, weg, moesten we.
Een gedichtje op de muur. Van toen ’t nog beter was. Een punaise had m’n regels aan de muur geplakt. ’t Papiertje zag ik over haar rug heen fladderend hangen. Ik wist toen al niet meer welke woorden ik had gebruikt.
Haar borstkas schokte eronder. Bereid om weer te gillen.
Ik weet dat we weg, weg, weg zijn gegaan. & Zij bleef.

Dan een telefoontje. Ik was terug bij ouders thuis.
‘Ton, ’t is haar vader,’ werd er gezegd. ‘Hij wil je spreken.’
Gestuntel. Dat was de zelfverzekerde vader. De rechtlijnige man. Nu hopeloos verloren door z’n dochter.
‘Heb je ’t dan niet gehoord?’ vroeg-ie.
Alsof ’t vanzelfsprekend was. Alsof zij me 1st op de hoogte zou stellen & dan pas tot actie over zou gaan.
‘Ze is gister overgebracht. Ze ligt in Den Helder.’
Ze wilde niet praten. Vertelde hij. Niet met hem. Ze wilde niet zeggen wat ze wou.
Hij maakte net zo veel contact met haar als ervoor. Alleen wilde hij haar nu plots begrijpen.
‘Kan jij bij haar langsgaan? Misschien weet jij wat boeken die zij zou willen lezen. Als ’t maar niet te zwaar is. Ik zou niet weten wie ik anders moet vragen.’

Ze liet me de krassen zien die onder ’t verband uitstaken. De verticale krassen. Verticale krassen hadden zin, krassen in de lengte. Ze had me al eens eerder verteld hoe een veiligheidsspeld genoeg kon zijn. Zolang ze ’t maar niet horizontaal deed. Dat had ze de vorige keer uitgelegd. Met bijbehorende plaatjes.

Plaatjes in kleur, waar zwartwit zou volstaan in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *