schaven

Ik kijk naar wat ik doe.
Schaaf er weer een plakje af. De kant die naar m’n buik is toegekeerd vertoont een wipje. Een skischans.
Vind ik ’t meest irritante. Alleen al daarom wil ik niet te jonge kaas. Doe je zo je best. Komt er toch een wipje. Een skischans.
Mensen die hun kaas vanaf de zijkant aansnijden, aanschaven, vermijd ik. Daarom woon ik nog alleen, bedenk ik me.
Ik ben waarschijnlijk nog de enige die ’t van boven doet. Die de plastic zijkanten er 1st vanaf haalt. Met dezelfde kaasschaaf, niet met een mesje. Voorzichtig, want ’t gevaarlijkste moment; zorgen dat je duim buiten schot blijft.
Ik zie een uitgeholde kaas voor me. Van de mensen die ’t van de zijkant doen. Groezelig vind ik ’t staan. Armoedig. ’t Zijn van die mensen die hun peuk ook tot ’t eind op roken & daar bruinig gele vingers aan overhouden. Mensen met boter aan hun mes, & die dat mes dan evengoed naast hun bord neerleggen. Boter op tafel. Dat soort mensen. Waarbij klodders jam in de pindakaas drijven.
Ik ben blij dat ik geen pindakaas meer lust. Jam is ook al sinds lang saai & zoet. & Mensen met zijkant-kaas kom ik niet tegen.

Ik werk de skischans weg. De kaas dient daarvoor gedraaid te worden. Zodat je de skischans weg schaaft, & er 1 aan de andere kant ontstaat. Altijd aan de kant van je buik. Waarna de buikkant de verre kant wordt. Voor even.
& De plakken worden steeds breder. Want ik wil altijd een puntje.
‘Wat voor stukje wil je?’ vroeg de kaasboer.
‘Een puntje,’ zei ik professioneel.
Alsof ik vaak kaas bestel. Om zodoende m’n twijfel te verbergen over ’t feit of ’t echt wel een puntje heet. Zo’n puntje.
De klant voor me vroeg een plat stuk. Ik vraag me kort af wat daar ’t voordeel van kan zijn, terwijl ik verder kaas snijd. Schaaf. Maar ik blijf er niet te lang bij stilstaan. Ik wil niet nadenken over mensen die anders doen dan ik. Die denken dat platte stukken efficiënter zijn.
’t Was zo’n oude man. Een aardappelneus. Hij bestelde wel 4 soorten kaas. & Bleef ondertussen praten. Vlak naast de verkoper. Die murmelde ‘Ja’ & ‘Hmm’. & De laatste kaas wilde hij als plat stuk. Waarop de verkoper opnieuw ‘Ja’ zei.
Toen begon ik na te denken hoe ik mijn kaas moest noemen. In een punt, dat wist ik zeker. Maar moest ik dan om een ‘puntje’ vragen?
Nare oude man. Met aardappelneus. Ik wilde dat-ie z’n mond ‘ns hield.

7 Plakken. ’t Kunnen er ook 8 zijn. Ik weet nog niet hoe ver ik ben in de kaas om in te kunnen schatten of 7 al voldoende is. Naarmate je vordert worden de plakken breder. Da’s ’t verschijnsel bij puntjes. Maar eigenlijk weet je nooit of je genoeg aan 7 hebt, of 8. Ik leer ’t in elk geval nooit.
Toch maar 8. Dan stop ik ’t plakje dat eventueel overblijft in m’n mond. Als beloning voor ’t goede snijden. Schaven. Geen skischans meer bij plakje nr 8.
1st De kaas opruimen. Proberen ‘m precies in de vouw van ’t papier te leggen. De vouwen van de verkoper opnieuw gebruiken. Dat ruimt ’t mooist op. Dan zie je tenminste dat ’t kaas is. Zie je ’t niet alleen aan de verpakking, maar ook aan de vorm.

Ik leg een boterham klaar. Midden op de plank. Vlak naast de plakjes.
De lengte van de boterham 1st. 2 Plakken. Gebroederlijk naast elkaar. Bijna dezelfde breedte. Dus ’t hadden broers kunnen zijn. Je ziet bijna geen verschil. Behalve dat ’t gaatje op een andere plek zit. Bij die ene net een navel.
Nu heb ik ruimte over aan de bovenkant. Een plakje dwars. Liefst niet een al te brede, want dan overlapt-ie de 2 voorgaande. Dan heb ik niet overal evenveel kaas.

Dit vind ik altijd de moeilijkste overgang. Nu moeten de overige plakken ook allemaal overdwars. In de breedte van de boterham. Terwijl ’t eigenlijk niet klopt. Want je zou aan de bovenkant van de boterham ook net zo goed in de lengte kunnen leggen. Maar daar is de boterham krom. De korst.
Dus gaan ze dwars. Plak voor plak, van boven naar onder.
Wat niet past, scheur ik weg. Wat buitenboord hangt. Dat wordt ’t restantenstapeltje van kleine stukjes kaas. Dan heb ik nog iets te verspreiden nadat de 2e laag op m’n brood ligt.
Dat moet chaotisch, maar toch gestructureerd. Ik mag niet ’t ene moment een dikke hap kaas in m’n mond hebben & ’t volgende bijna niets. Dan is de boterham niet lekker. Evenwicht maakt lekker. Dus redelijk rommelig leg ik de restjes kaas verspreid over de 2e laag heen. Evenredig verdeelde chaos.
Ik voel me net Mondriaan. Maar dan met niet al te veel kleurtjes.
Ik leg er een 2e boterham op & snij ze vervolgens doormidden. Meteen daarop hap ik een 1e stuk af, kijk naar de tuin achter ’t raam & bestudeer of de planten al bezig zijn te groeien.

Kijken of er nog wat te beleven valt in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *