simon

‘Hij was er ook,’ zei Marc. ‘Na afloop van de film. Om vragen van ’t publiek te beantwoorden.’
Marc had alleen geen vraag kunnen bedenken. Daar baalde hij wel van. Nog geen kwartier geleden had-ie een vraag kunnen stellen, nu stond-ie bij mij een biertje te drinken, hij was toch in Amsterdam, maar hij had niks weten te zeggen tegen Eddy.
‘Maar godverdomme,’ verzuchtte Marc & nam een slok van z’n bier.
Dat zou hij nog een paar keer zeggen.
‘Daar moet je ook heen. Die film moet je zien.’
Om ’t nog maar ‘ns te laten volgen door ‘godverdomme’. Zodat ik wist dat ik naar die film moest.

Een week later vroeg-ie me of ik al geweest was. Ik wilde eigenlijk m’n moeder hebben, hij had haar al geroepen, maar tijdens ’t wachten stelde hij die vraag.
‘Nee, nog niet.’
‘Ah, man,’ zei Marc. ‘Hij is zó goed. Je zit & je denkt, ja, wat denk je eigenlijk? Ik moest lachen & even later weer niet. Dat je denkt, ja, wat denk je? God, man, zó goed.’
M’n moeder kwam bij de telefoon.
‘Je moet wel gaan, hoor,’ zei Marc voordat-ie de hoorn aan Ma overgaf.

Of ik al geweest was. Vroeg Marc weer 2 weken later.
Hij had ’t er over dat-ie sinds jaren niet zo’n goede nederlandse film had gezien. ’t Ging over drugsgebruik, seks, vriendschap, euthanasie, vertelde Marc, allemaal met wat zwarte humor, zonder dat ’t sentimenteel werd. Zonder over de schreef te gaan.
‘Godverdomme,’ voegde hij er aan toe, ‘daar moet je echt naar toe gaan.’

Dus keek ik elke week naar de filmladder. Welke vroege voorstelling voor mij goed uit zou komen. Dinsdag of woensdag.
Niet laat. Dan worden de zalen te vol. Dan word ik afgeleid. Dan heb ik geen ontsnappingsmogelijkheid meer.
Dinsdagmiddag. 13.40 Uur.
& Elke week kwam er iets tussen. Marc vroeg ’t me inmiddels niet meer. Die enkele ‘godverdomme’ was waarschijnlijk ergens anders voor bedoeld.

Op de fiets, de uiteindelijke fiets van dinsdagmiddag ½ 2, bedacht ik me dat ’t ook al lang geleden was.
Er hing een doem over bioscoopbezoek, besefte ik me opnieuw. Tijdens m’n laatste 2 films was ’t elke keer slechter met m’n vader gegaan. Nog maar net de bioscoop uitgekomen, m’n mobiel opnieuw aan, kreeg ik de slechte tijdingen. Ma belde of er stond iets op m’n voicemail.
Tijdens de fietstocht, diezelfde route richting bios, dezelfde gehaastheid om toch nog op tijd een kaartje te kunnen kopen, zag ik m’n vader liggen. Traag ademend, armen boven ’t bed, ingevallen wangen, binnenkort dood.
& Marc zegt ‘godverdomme’ om me toch er heen te dwingen. Ik hoor ‘m niet, maar hij zegt ’t wel.
‘Als ’t straks fout is, straks als ik uit de film kom, dan is ’t Marc z’n schuld,’ dacht ik.

Er belde niemand. Dinsdagmiddag ½ 4. M’n fiets weer van slot.

Dus belde ik Rachel.

‘Een prachtige film,’ zei ik. ‘Je blijft lachen & toch is ’t heel droevig. ’t Gaat over drugs, seks, vriendschap, euthanasie, zonder dat ’t sentimenteel wordt. Precies goed gedoseerd. Je lacht, & ’t volgende moment stromen er tranen over je gezicht. Ik durfde bijna niet naar buiten. Dan zou ik in ’t licht komen & zou iedereen kunnen zien wat ik van de film vond.’
‘Dat geeft toch helemaal niet?’ zei Rachel.
‘Nee, dat geeft helemaal niet. Maar ik wilde niet dat m’n ogen rood zouden zien. & Dat iedereen zou gaan denken waar dat nou van zou zijn gekomen.’
Godverdomme.
Dat dacht ik.

Ik zou Marc wel een meeltje sturen vanuit Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.