Sloopheimwee

Ik heb ’t vermoeden dat de uitdrukking eigenlijk niet bestaat, maar toch lijd ik aan kussensloopheimwee.
’t Voelt als een urgent verlangen terug te kunnen keren in een wereld waar alles ter ondersteuning van mijn hoofd in liggend comfort ooit eens werd omhuld door bloemetjesslopen. Liefst in een ordentelijk groene teint, maar frivool geel zal ook wel passen in mijn leven hier in ’t weloverwogen combineren van deze voorjaars-tedere kleuren gedurende reis richting dromenland.

Ik meen er last van gekregen te hebben toen ik op de Noordermarkt, ’t alhier in de maandagochtend gevierde marktwezen, een verkoopster tegen ’t lijf liep die zich blijkbaar gespecialiseerd had in ’t aankopen van stofjes uit voormalige oostbloklanden. Heimwee was geboren waar ik niet wist ooit eerder met bloemmotief onder mijn dierbaar hoofd geconfronteerd te zijn geweest.

’t Mag ‘spring’ zijn geweest, zo uitgedrukt om te beschrijven dat lentekriebels op commando hoog sprongen in onstuitbaar zonneverlangen, van sprankels & twinkels, er plots ook bij inziend, in laatste instantie, bij thuiskomst, met ong een kilo aan stof, dat dit werd veroorzaakt door een bij haar aankoop daar in ’t voormalig communistisch alternatief uitscheiden van feromonen, die mij vervolgens noodlottig behepte met een hemsjuk (zweeds) of een heimat (duits, maar subtiel anders in betekenis), mij beiden in deze hoedanigheid tot dan toe nog onbekend.

Ik wist niet dat ’t op dat moment zo werkte, gewerkt heeft, maar bij ’t zien van mijn kussenslopen, ’t hoofd van mij daar, zijn contouren er in omlijnd door de jaren heen, dat mij een beeldloos imprint geschapen werd, getekend door de verschijning van die vrouw die mij voor een habbekrats een tedere opvang van mijn hoofd heeft bezorgd.
Jaren ’50. Waar wij geen van beiden in waren geboren, maar wel blijkbaar een noodzakelijke behoefte aan hadden opgebouwd. Met bij voorkeur gekleurd in voornoemde tonen, onze vermoedelijk wederzijdse dromen waardig.

Ik meen te geloven, nee, meen zelfs te weten hoe zij ruikt & dat als ik haar naam hoor die altijd al wist. Ze heet niet als de herkomst van die ontwerpen, eerder van enkele jaren daaraan voorbij, maar een vleug van de erfenis van toen meedragend. Als Floor, Rietje, of een langslepend An-na-bel-le, zo lang mogelijk trillend na afloop van ’t moment van de-mond-uit-ge-ademd. Als een zacht ruisend zwijgen.

Ik kreeg toen nog muntgeld terug, de herinnering is gelijk een foto van polaroid, die ik nonchalant, ’t mag een zwart-witte film zijn geweest die dit klankbeeld schaapt, kon laten galmen als was ’t nagesynchroniseerd op de verschijning van m’n knokkels door de broekstof heen. & Terwijl ze rinkelden als die eerder genoemde sprankels & twinkels ik geboren werd met een nieuw geluid & een nieuwe lach om bij elk ontwaken naar uit te kijken.

Nooit meer gezien.
De kussens zijn sleets.

Mijn hoofd verzonken in steelse dromen buiten Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *