streetcar

Ik sta buiten. Zij staat buiten.
’t Is haar deuropening.
Ik denk nog: ‘Ik zou bang zijn dat de deur dicht gaat slaan.’
Op sokken. Of blote voeten. Zoals mij ‘ns is gebeurd. Binnen komen via de buren, klauterend over een hekje. Naar beneden zakken vanaf 1-hoog.
Maar dat gebeurt niet. Dat zijn kwade dromen die in ’t echt van haar gezicht niet bestaan.
‘Dag meneer,’ zegt ze.
‘Dag mevrouw,’ zeg ik.
Nog 1 keer kusje dan. Onderdoor de samengeknepen ogen van ik-voel-me-fijn beweegt m’n mond zich.
‘Meneer, wat doet u nou?’ zegt ze.
& Toch schrik ik. & Toch die kus.
Vluchtig.
Vluchtiger dan ik van plan was. Schichtige ijle lijntjes raken nog net haar lachkrullen.
Dan volgt de realiteit van de dingen om ons heen. De zon die schijnt. Een spreeuw die in de bomen kwettert. Een auto die passeert. Trams in de verte van de halte. De deur die nog open staat.
‘Misschien is de tram net geweest,’ zegt ze.
Ik kijk naar de tramhalte. Zij de andere kant op, van waar hij komen moet.
Ik zeg: ‘Er staan nog allemaal mensen, dus moet-ie nog komen.’
Zij zegt: ‘Daar komt-ie.’
Niet meer dan een tel ertussen.
Dus keer ik me om. Handje zwaaiend. Van weet-je-nog-mamma, toen ik voor ‘t 1st in m’n 1tje naar school toe ging.
Ik doe ’t expres. Om te laten zien dat ik niet weg niet wil. Niet, nog niet, toch niet. Niet.
& Terwijl de zon op haar hoofdje schijnt, zo bleekjes van de ochtend te lang met mij in bed, ik m’n hoofd alweer ga keren naar de weg die voor mij ligt, m’n ogen nog even wendt naar de tram die de haast verkondigt, zwaait zij ‘tzelfde handje.
Ik zet resoluut m’n ene voet voor de andere. In een tempo waarvan ik denk dat de tram mij niet bij zal houden. Kijk nog even om.
Dan weet ik niet waar ik m’n aandacht op moet vestigen. De hand van haar, of de tram die komt.
Dag, dag, zegt m’n hand.
Daaaag, daaaag, zegt haar hand, gebruik makend van de tijd die voor haar nog niet vol is.
Ik ren. Nu ren ik.
Ik denk: ‘Als in een film. Op een strand. Elkaar tegemoet komende lichamen. & Dan andersom.’
Maar ik word verstoord door ’t kruispunt waar plots van alle kanten spitsuur dreigt van trams uit verschillende richtingen.
Nog harder. Zodat ik voor de ene langs, achter de andere, nog net op tijd op ’t perronnetje zal arriveren.
& Terwijl ik omkijk of ik ’t nog wel haal, zie ik haar staan, voor haar deur. Op sokken, misschien wel blote voeten, een hand geheven, klaar voor nog een keer de tijd uitbuiten. De tram waar ik in moet stappen verstoort ons uitzicht op elkaar, een kruisende er achter langs benadrukt ’t verbod van een laatste blik.
Ik wurm me binnen, strip een kaart, wankel tussen de volle zitjes, mezelf aan stangen steunend als de tram optrekt.
Ik kijk om.
Nog steeds in ‘tzelfde heldere zonlicht staat zij nog.
Ik wil terugrennen in de tram om mezelf nog 1 keer kenbaar te maken. Dat ik er ben, dat ik er niet meer ben, dat ze me weg kan zien gaan.
Maar ’t is te laat. Ik ga op in de massa van een volle tram.
Ik zie haar keren. Haar handen zakken langs haar lichaam. Haar voet doet die ene stap.
’t Zijn sloffen, zie ik. Hoewel ik dat niet kan zien vanuit een tram die wegtrekt.

& Een Zijperspace die almaar dichterbij komt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *