stromen

De film ‘Billy Elliott’ moest op video opgenomen worden & later bekeken, had ik besloten. Ik zou immers niet thuis zijn. Meer iets voor de rustige avond; later. Ongemoeid door de druk weer aan ’t werk te moeten.
Dus dreef ik mezelf tot tranen, die niet bestonden, tijdens ’t verlaat kijken van de nieuwjaarsavondfilm van BBC 1. Ze bestonden niet, die tranen, of anders werden ze snel weggewreven.
Er zit ergens in m’n achterhoofd verstopt, ik weet niet waar ’t vandaan komt, de gedachte, de veronderstelling dat ik niet mag huilen. Tranen moeten geweerd worden. Zeker als je onzinnige tv zit te kijken.
Alles is onzinnig zogauw tranen zich tonen, maak ik mezelf wijs.
Misschien is ’t ’t man-zijn. Misschien de opvoeding. Temidden van louter mannen. Jongens eigenlijk. Hoewel ik ze niet verdenk van ongemeend stoer gedrag. Wel ‘ns een enkele keer, vroeger, maar ik voelde mezelf toendertijd op dezelfde manier gedwongen tot een dergelijke houding.

Ik zat op de rug van m’n oudste broer, onderweg naar school. We liepen met z’n 4-en. Carel & ik op weg naar de kleuterschool, Jan & Theo inmiddels richting lagere, die vlak ernaast lag. Jan liep wat langzamer dan de rest, omdat-ie mij als xtra ballast had.
‘Hé, daar heb je die vervelende gozer,’ zei hij, terwijl hij de zijstraat in wees.
Ik keek de aangewezen richting op, langs de bosjes op ’t kleine pleintje ging m’n blik. Daar liep een vervelende gozer. Inderdaad. Hoewel ik ‘m niet kende. Maar oudere broers hebben altijd gelijk.
‘Als we dichtbij ‘m zijn, dan geef jij ‘m een trap,’ zei Jan.
Jan riep ‘m. Precies midden op z’n gezicht kwam mijn schoen vervolgens terecht.
De jongen droop luid jankend af. Geen brutale mond te horen, zoals we eigenlijk verwacht hadden. Terwijl-ie eigenlijk net als wij naar school moest, liep-ie terug richting huis.
Janken als hij zouden wij nooit doen. Ik & m’n broers.

Ik word ouder. Of ik krijg last van m’n hormonen. Als die ook bij mannen enige invloed kunnen uitoefenen op ’t verliezen van vocht.
Ik vertelde over m’n vader. Aan ’t eind van de dag. Een lange dag die was verlopen als in een roes. We hadden de pizza’s nog maar net op. Ik vertelde dat ’t belangrijk was te schrijven over hem. Alles moest beschreven worden, voordat ’t te laat was. Ik had al veel te veel tijd verloren. Alles dat ik nu over ‘m opschreef zou zodoende bewaard blijven.
Op ’t moment dat ik wilde vertellen dat ’t schrijven daarom zo belangrijk was, voelde ik m’n neus richting ogen trekken. M’n lip pruilde dezelfde kant op, met schijnbaar, voelbaar ook, meer souplesse, geen wil die de bovenlip tegen kon houden. Er ontstonden spastische neigingen in m’n gezicht. Neigingen waarop ik een verbod had gelegd. Al jaren geleden. Maar welk verbod steeds weer overtreden wordt. Ik voelde een soortemet afdruk van een schoen in m’n gezicht.

Er bestaan weliswaar geen rivieren, maar toch zeker wel smalle stroompjes in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.