telefoongesprekjes

Ik miste m’n moeder.
Ik miste de mogelijkheid haar te bellen.
‘Hoe gaat ‘t?’
‘Gaat z’n gangetje.’
Niet veel bijzonders, die gesprekken van ons.
Ergens halverwege de vraag hoe ’t met Pa gaat. Dat ik dan van haar te horen kreeg hoe ’t met z’n blaasontsteking ging. Waarschijnlijk zou ik dat alweer vergeten zijn, maar ’t telefoongesprek is voor mij een soort geheugen. Ik raak weer op de hoogte van wat zich elders afspeelt. Waar ik aan voorbij ben gegaan.
Den Helder is ver weg, besef ik me vaak.

Ik kwam er maandag al achter, dat ik haar miste. ’t Telefoontje tussen m’n werkzaamheden door.
‘Ja, ik heb even geen klanten,’ zeg ik dan altijd.
Om te besluiten met: ‘Ma, er is nu een klant die me een vraag wil stellen. Dan laat ik wel horen wanneer ik naar Den Helder kom. Doeg!’
M’n moeder heeft daar nooit problemen mee. Ze laat ’t zich aanleunen.

Ik zou ook op rustiger momenten kunnen bellen. Thuis. Maar ik denk te veel aan mezelf. Denk ik. Ik vergeet te bellen als ik ’s avonds thuis kom & m’n eten op moet warmen.
Er is altijd een excuus te vinden, achteraf.

Ze heeft er nooit over geklaagd. Ze opent ’t gesprek wel ‘ns met de opmerking dat ze al een tijdje niets van me heeft gehoord. Waarop ik pareer door te zeggen dat zij mij ook nooit belt. Of dat ’t nog maar net een week geleden is. Of dat ik toch had gezegd dat ik een drukke week zou hebben.
Dan is ’t al snel goed. Voeren we een gesprek van een minuutje. Zodat we weer op de hoogte zijn. Van de meest belangrijke zaken.
Vaak weet ik niet eens of er wel wat te melden valt.
Zit ik op de trap van de winkel & zeg ik: ‘Ik weet ’t eigenlijk niet. Voor de rest is er geloof ik niks.’

Af & toe benadrukt m’n moeder tijdens dat soort gesprekken dat ik vooral niet de verjaardag van iemand moet vergeten.
‘Even een kort belletje kan toch geen kwaad?’ zegt ze dan.
‘Nee, ik weet ‘t, Moe. Ik zal er aan proberen te denken.’
& 2 Dagen later blijk ik ’t toch vergeten te zijn.
‘Wat kost ’t nou voor moeite om 1 telefoontje te plegen?’ zegt ze ’t gesprek daarop.
‘Ik weet ‘t, Moe, maar ik was blijkbaar met iets anders bezig. Ik moest die dag werken.’

Ze verwijt ’t me wel. Ze laat ’t af & toe merken. Een enkel zinnetje.
‘Zo hebben we jullie toch niet opgevoed?’
Blijkbaar hebben m’n broers er ook last van, want ze praat dan in meervoud. Ik weet wie ze bedoelt als ze ‘jullie’ zegt.

Ik wist niet eens hoe ’t met m’n vader ging, tijdens dat weekje Griekenland van m’n moeder. Ik wist niet dat-ie lag te slapen. Een week lang. Met slechts enkele uurtjes in de gezamenlijke huiskamer. Waar-ie in z’n dribbelstoel ook in slaap viel.
Marc liet ’t me donderdags weten. Of ik wist dat ’t niet zo goed ging met Pa.

Ik wilde m’n moeder bellen. Maar ze was er niet.

Maandag was ze terug. Ik wist niet hoe laat zij & ’t gezin van m’n broer aan zouden komen. Dus belde ik dinsdag naar Carel, waar ze was blijven logeren. Tijdens de verjaardag van m’n nichtje.
Ik wist niet veel te zeggen. Ze was nog niet bij Pa langs geweest. & Ik wilde haar niet ongerust maken. De blaasontsteking was immers al over.

M’n moeder belde me gister. Pa sliep de hele tijd. Hij had de hele dag niet gegeten.
‘Morgen komt de dokter,’ zei ze, ‘dan vraag ik of ik ‘m moet laten bedienen.’

Ik mis m’n vader, hier in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.