terugkeer

De angst gaat terug komen. Ik voel dat-ie langzaam weer binnen sluipt.
De angst was opgeschrokken, wilde toeslaan toen ’t moment daar was. ’t Ultieme moment. Maar op 1 of andere manier heb ik toen alle toegangspoorten gesloten & kon-ie niet terug.
Elke dag krijgt-ie weer wat meer grip op m’n lichaam.
Angst zit niet alleen tussen je oren. ’t Kruipt overal. ’t Gaat waar ’t niet gaan kan, waar niets anders gaan kan.
’t Zijn de zwarte bloedlichaampjes. ’t Doet ’t gehele lichaam stollen. ’t Bevordert ’t proces van afbraak.
M’n stappen zijn al minder zelfbewust. Of moet ik zeggen: meer zelfbewust.
Ze gaan traag. Ze worden ingetoomd door alles wat om de hoek te voorschijn kan komen.

Ik luister gedwee naar wat de cardioloog te vertellen heeft. Tot ik zelf mag.
‘Vanaf ’t moment dat m’n broer overleed, zo rond dat moment, je moet weten: daarvoor was ik altijd bang, er kon altijd iets met mij gebeuren, als er een ziekte was, dan dacht ik al dat ik er aan dood zou gaan, als ik over een ziekte hoorde, dan had ik die ook, ik was lichtelijk hypochondrisch zou je kunnen zeggen, maar vanaf ’t moment dat m’n broer overleed werd ik laconiek. ’t Deed er niet meer toe. De angst was verdwenen, de reden om bang te zijn, er was niets meer om bang voor te zijn, dus kon geen enkele ziekte me kwaad doen. Ik had geen behoefte mezelf te laten onderzoeken, vond ik niet belangrijk. Bovendien was ik gewend dat m’n hart bonkte, dat deed-ie al een tijdje, ik wist niet anders. ’t Was daar, ’t hoorde daar & als ik van die emoties nog wat extra bonken te voelen kreeg, dan zou dat er ook wel bijhoren. Niets anders gewend. Dan kan je aan me vragen: wanneer heb je die kloppingen dan? Dan zeg ik, dat weet ik eigenlijk niet, dat zit er altijd, ’t hoort daar, ’t hoort bij m’n ziekte & ik haal ’t alleen weg als ik er niet aan denk. Ik denk er niet aan ook omdat m’n broer dood is. M’n broer heeft een deur open gezet & m’n angst is er per ongeluk doorheen gelopen. ’t Zal wel een reactie zijn geweest, een manier om mezelf te beschermen, zodat ik weer overzicht kreeg, zodat ik m’n rug kon rechten.’

’t Was niet alleen de cardioloog. Ook de zuster die de afspraken met me moest regelen zat met open mond te luisteren. Ze zeiden niets. Ze keken me aan. Ze slorpten m’n verhaal op, m’n angst die weg was, m’n rechte rug aanschouwden ze, m’n laconieke houding, enkel van ene been steunend op de knie van ’t andere been, lichtelijk gebaren met m’n rechterhand, een open hand, open houding ook, ik was toegankelijk, zo vertelde ik, ontvankelijk, mij kon alles overkomen.

& Toen ik uitgepraat was, pakte die ene van de afspraken de pen ter hand, schoof ’t toetsenbord naar zich toe & zei: ‘Een donderdag, schikt dat?’

’t Zijn nu de muizen weer, ’t worden de muizen weer, die langzaam uit hun hol gekropen raken. De slakken, die straks in de lente slijmerig op zout zitten te wachten, op hun doofpot, zodat ze er dan even niet meer zijn. De legioenenschare spinnendochters, die uit ’t nest hun moeders draad volgen naar oorden waarvandaan ze me straks onverwachts kunnen aanvallen (ik heb ’t gezien, ik heb dit beeld ooit gezien). ’t Is ook de koe, die zich niets aantrekt van m’n wandelpad, van de weg die ik moet gaan, die zich nieuwsgierig, onwetend, barricadeert, m’n weg stopt, m’n angst binnenhaalt.

Met angst is ’t leven ook zoveel mooier.

Ik zie alle dingen weer die spelen in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *