Tetter

Ik tetter rond. Want ben vol verbazing wat er met me gebeurt.
’t Is alsof ik fiets zonder handen, terwijl mijn vader me de 1e kunsten daarvan toont. & Me tegelijkertijd zonder verbiedt, nee: gebiedt om m’n handen aan ’t stuur te houden.

Ik ben ’t niet die dit allemaal initieert: ’t stormt op me af & ’t enige wat ik kan doen is ’t over me heen te laten komen als een grote golf, liggend in de plots niet meer bestaande eb-zone.
Ik ben een middelpunt. ’t Laat zich zo gevoelen. Men is bezig met mij, terwijl ik voorheen vooral met anderen bezig was. Me afvragend wat ze bewoog, wat ze gingen doen, waarom ze nog steeds bij mij in de buurt waren.
& Ik ze straks weer terugzie met een verslag van wat er is bereikt.

Alleen dat laatste is nog steeds geldig. Wat is de beweegreden dat ik een middelpunt ben: dat men zich bekommert (zonder ’t kommergedeelte van dat woord als negatief te beoordelen).

Tegelijkertijd heb ik er geen grip op. Er zijn dingen uit mijn handen genomen, omdat ik ze niet kan. M’n hoofd slaat op hol, m’n spierkracht van dingen doen is weg, ’t wordt tijd voor ingrijpen door anderen.
Niet ontmand, niet gehandicapt, niet definitief uitgeschakeld. Eerder lichtelijk onnozel, onbeholpen, & nogmaals meermaals on-, zonder de verschrikkelijke negatieve talige betekenis daarvan.
Tijdelijk uitgeschakeld. Zoals een mens kan zijn.

Mijn geluk is dat ik ’t kan vertellen. Dat ik bedreven ben m’n toetsen te roeren. Daardoor vraagtekens in hoofden kan doen vermisten & na die morgenstond van vage kennis klaarlichte dag kan tonen door mijn verhalen te vertellen.
Ik heb woorden.
Veel.
& Als ik blijf ‘praten’, komt er vanzelf betekenis.

Van losse eindjes knoopt men vangnetten in Zijperspace.

Eén reactie op “Tetter”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *