toetsenberoerd

Geen excuus.
Behalve Nieuwjaarsdag.
Met een hoofdletter.
& Roswitha. Vanaf Oudejaarsdag bij mij. Die dan ook in ’t groot.
Tot aan gisteravond.
Ik wilde haar nog wegbrengen. Tot met de metro mee, tot bij de trein.
Ik keek op m’n strippenkaart, op een moment dat zij niet keek & zag dat er bijna niets meer op stond.
Er is nog geen geld om een nieuwe te kopen.
Er is nergens geld voor. Morgenochtend ontbijt voor 5 dagen. Dat gaat nog lukken.
Hopelijk genoeg kleingeld gespaard om morgen treinkaartje naar moeders te kopen. Of dag later.
Misschien is ’t loon dan al gestort.
Maar geld mag ook geen excuus zijn. Zeker niet omdat ik Roswitha uiteindelijk slechts tot aan de metrohalte bracht.
Meteen in de stoel gaan zitten & schrijven. Denken & schrijven.
Hoewel ’t een andere manier van denken vraagt.
’t Is meer een storm die woedt. Elke gedachtegang voor enkele secondes koesteren, laten stromen, om te kijken wat er uit komt.
’t Is een wirwar, ’t lijken tentakels die elkaar van voren & van achteren, overal waar ze maar greep kunnen hebben vastpakken, zich verwijderen, uiteen groeien, plots weer vastklampen & een volgende streng gedachten dichterbij laten komen.
Dat kan ik meestal alleen op de bank. Liggend op de bank.
Of struinend. Tussen stoel & raam.
Wie was die gek die zei dat een mens ’t beste kon denken terwijl rondjes om de tafel heen gelopen werd?
M’n sloffen zouden ’t niet halen. € 4,50 Bij de Hema. Maatje te klein, maar een onmisbare luxe, z’n prijs 10-voudig waard.
Hoewel ik ’t dan niet zou hebben kunnen kopen.
Sloffen, of ’t gebrek er aan, mogen ook geen excuus zijn.
Momenteel zit ik toch met slechts 1 groep tenen, die van de rechter, over 2 minuten is de linker weer aan de beurt, te steunen op de grond.
Zou ik ook zonder sloffen doen. Steunen als een ballerina.
In stilstand dan wel. In stilstand.
M’n ander been er bovenop.
Geen ballerina. Maar die wordt in ieder geval niet al te snel koud. Zeker niet met sloffen aan.
’t Zal ook wel niet mooi zijn, zoals ik er bij zit. Schouders recht, rug recht, m’n nek bij tijd & wijle heen & weer schuddend om de spanning uit m’n lichaam te halen, vingers op ’t toetsenbord, een glazige uitdrukking richting scherm.
Hooguit af & toe een frons. Vanwege de zin die niet wil.
Zinnen mogen ook geen excuus zijn. Daar moet ik streng zijn.
Die willen vanzelf wel. De zinnen zijn een direct gevolg van de inhoud. & De inhoud die bestaat eigenlijk al. Hij moet alleen gevonden worden.
Tussen die tentakels. Tussen de chaos zoals ‘t godendom die ooit verzonnen heeft.
Ik bof eigenlijk dat ik me er tussen begeven mag.
& Zo ondankbaar dat ik niets van me horen laat.
(Zie je. Dit is een voorbeeld. De vorige zin. Waarin ik steeds blijf twijfelen of ik de juiste volgorde moet verkiezen boven die van de ritmiek. Dit soort gevallen zijn de frons. ’t Moment dat de achterbuurman zal beginnen denken dat ik leef in m’n computer, leef in m’n scherm. Hij mag dat denken. Want vaak heeft-ie wel gelijk. M’n buurman, die ik nooit spreek. Wel vaak zie. Peuk in z’n hand. Blik op m’n schouder gevestigd. Tot ’t moment dat ik me omwend.)
Niets van me laat horen terwijl ik me tussen die tentakels & hun chaos leef.
Een uitzonderlijke positie & ik profiteer er niet van.
De slaap. Misschien dat slaap een excuus mag zijn.
Als ik lig. Men weet ondertussen waarom.
Dat als ik lig, de gedachten hun eigen leven gaan leiden. Ze maken hun eigen keuze. & Ik word iets te gewillig.
Want vannacht was ’t weer slechts 4 uur. De nacht ervoor 5 uur slaap.
Zo probeer ik me te excuseren. Wegens gebrek aan inhoud.
Terwijl ik weet: ik hoef m’n toetsen slechts met durf te beroeren.

& Zijperspace staat vol.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *