trek

‘Ik wist niet wat ’t was. Dus dan ga ik me zorgen maken.’
(…)
‘Ja, dat weet ik.’
(…)
‘Ja, inderdaad. Dat weet ik al jaren. Dat probeerde ik me ook in m’n hoofd te prenten. Als er iets aan de hand is, dan ga ik meteen ’t ergste denken. & Doordat ik over ’t ergste na ga denken, worden de verschijnselen vanzelf erger. Ik slinger ’t als ’t ware aan. Daar heb ik geen extra energie voor nodig. Dat gebeurt vanzelf.’
(…)
‘Weet ik ook wel.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Maar ja, je zit in je 1tje thuis. Niemand die even tegen je komt zeggen dat ’t absoluut niet ’t hart kan zijn. Daar moet ik allemaal zelf achter zien te komen. & Als je met spoed naar de huisarts gaat, dan loop je ’t risico op de zwarte lijst van hypochonders te komen. Want dan blijken ’t toch de darmen te zijn geweest ipv ‘t hart.’
(…)
‘Ik vind ’t lullige altijd dat je blijkbaar niet je eigen lichaam kent. Alles lijkt er voor geschapen je op een prettige manier door ’t leven te laten wandelen, maar hapert er iets, dan weet je niet als vanzelfsprekend welk onderdeel dat is. Daarvoor zijn we te ver van ons instinct afgedreven. Vind ik best wel jammer. Dat als je linkerpink pijn doet, dat je dan weet dat je een beetje aarde in je mond moet stoppen. Zo’n vanzelfsprekendheid.’
(…)
‘Ja, maar ontspannen is dan juist ’t laatste wat ik kan.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Ja, maar…’
(…)
‘Ja, maar ’t enige waar ik aan denk is dus dat m’n hart ’t zodirect gaat begeven. & Ik weet heus wel dat ik er niet uitzie als iemand bij wie dat zomaar kan gebeuren, dat ik daar genoeg voor beweeg & te weinig lijd aan obesitas, maar iets wat tussen m’n oren is gaan nestelen wil dat warme huisje met weinig tochtgaten niet snel weer verlaten. Dat is ‘t! Dat is ‘t! Ik heb te weinig tochtgaten.’
(…)
‘Weet ik. Weet ik. Tuurlijk is ’t mooi weer. Ik zat ook de hele tijd buiten. Tenminste, ik was van plan de hele tijd buiten te gaan zitten. Ik had me net geïnstalleerd.’
(…)
‘Ja, de zon is heerlijk in mijn tuin. Maar ik had me dus net geïnstalleerd, boek erbij, pet op om niet verblind te worden, krukje voor m’n voeten, toen ik wat zag bewegen.’
(…)
‘In de tuin, ja, maar geen vogel. Ja, die waren er ook wel. Daar genoot ik ook wel van. Er kwam nog een stelletje staartmezen voorbij, dat was wel leuk. Maar er bewoog iets anders. Dus ik ging staren naar de plek waar ik in m’n ooghoek iets had waargenomen. & Tegelijkertijd zie ik in m’n andere ooghoek weer wat bewegen.’
(…)
‘Nee, ’t waren padden. 1tje Kwam steeds verder naar me toe.’
(…)
‘Ja. Dus ik pak de stok van de bezemsteel. Probeer ‘m weg te jagen. Gooi ook nog een lege plastic bloempot op ‘m af. Maar juist daardoor komt-ie nog dichter naar me toe. Kijkt me echt zo aan van: ‘Hé, met jou zou ik wel een nachtje willen doorbrengen.’ Zo zijn padden. Lees ik dus later ook op een website: ’t enige waar die padden in deze tijd van ’t jaar aan denken is zich zo snel mogelijk voort te planten. & Met die pukkel op m’n neus zag ik er reuze-aantrekkelijk uit natuurlijk. Dus dat beest wilde me bespringen. Ik zag ’t al voor me. Toen heb ik snel de plantenspuit gepakt. Dat hielp. Toen droop-ie af, letterlijk. Vond me blijkbaar geen aardig mannetje dat ik ‘r ondergespoten had.’
(…)
‘Nee, toen heb ik de deuren dichtgedaan natuurlijk. Maar goed ook, want om de paar minuten kwam er weer een pad langs om voorbij te trekken. Dat bedacht ik me ook opeens: dat ze aan ’t trekken waren. De grote paddentrek was begonnen. Ik heb ’t gelijk gecontroleerd op die website & m’n vermoeden bleek te kloppen. ’t Geile-padden-seizoen was aangebroken. & De grootste trek vond plaats in mijn tuin. Nou gingen ze er natuurlijk van uit dat ik ze in een emmertje op zou vangen, zodat ze goedkoop & snel verplaatst konden worden. De luie donders. Nee, zo ben ik niet.’
(…)
‘Nee, ik ben geen held. Ik durfde gelijk ook niet meer naar de aarde in de tuin te reiken om een beetje in de mond te stoppen, zodat ik m’n linkerpink niet meer zou voelen. Nee, dat hele instinct van mij was gelijk teniet gedaan. Dus ik heb die deuren gesloten & m’n hart begon gelijk nóg onregelmatiger te kloppen. Kwam doordat ik m’n eigen ruimte had ingeperkt, dacht ik.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Ja. Goed, als ik er straks niet meer ben, dan laat ik ’t je wel weten. Ok. Doei.’

& We begonnen weer met staren naar alles dat voorbijkwam aan Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *