uitgekeken

Ik laat alles maar groeien, omdat ik niet weet wat ik er anders mee aan moet. Ik laat ’t ook verdorren. Zelfde reden.
Soms pluk ik iets, ontwortel iets, omdat ’t me in de weg zit, ’t me te veel wordt. De guldenroede is gaan hangen onder invloed van enkele stormen. Zo struis rechtop als ’t ‘t laatste jaar bleef staan, ondanks dat-ie allang dood was, grijs & kaal, zo terneergeslagen ogen de planten nu. Nog maar middenin de zomer. Ik heb enkele stengels weggetrokken om me een pad te kunnen banen naar achter in de tuin.

De bloemen bloeien, komen tot hun glorieuze hoogtepunt, verkleuren, verfletsen & gaan hangen. Ik laat ’t gaan. Soms pluk ik de bloem in die laatste fase, om de zaden te onderzoeken. Ik wil weten hoe ’t zich voortplant.
De zaden leg ik op de vensterbank & ik trek vraagtekens in m’n voorhoofd.
Ik herinner me dan ’t potje van 1 van m’n 1e biologielessen. Een boon tegen de binnenwand. Zodat je ‘m kon zien. Daarachter wc-papier. & Binnen in dat omhulsel van wc-papier aarde. We zagen de boon door ’t glas heen een voorstelling geven. Onder invloed van flinke hoeveelheden water beseften we zijn groei.
Af & toe moesten we onze boon in pot meenemen naar school. Dan vergeleken we (‘Die van mij is groter’) & de meester sprak, maakte grootse tekeningen op ’t bord. Wij werden geacht die in ons schrift te kopiëren.

De tuin wordt steeds meer een bedreiging. Ik weet niet meer wat zich achter elk blad verschuilt. Letterlijk. ’t Kan allemaal plots tevoorschijn wippen.
Wat een mens niet ziet, zou hij niet moeten vrezen.
Die wijsheid werkt bij mij niet.
Ik ga minder & minder de tuin in. Eergister voor ’t laatst de achterkant bereikt. Voor ‘t 1st in een week. Niet eens de achterkant. Bovenop enkele stenen m’n tocht daar naartoe overkeken. Me angstvallig vastgehouden aan de waslijn. Stel dat ik plots m’n voet voor steun verkeerd zou moeten plaatsen.
Ik besef me dat ik vorig jaar rond augustus m’n belangstelling voor de tuin volledig was kwijtgeraakt. Omdat ’t allemaal herhaling was. Of dat wilde ik mezelf laten denken. Vermoedelijk angst. De wildgroei verstoort m’n overzicht.
Juist dát wil ik. Ik wil niet dat de planten zich houden aan mijn regelzucht. Mijn hokjes. Mijn orde.
Ik ben bang & gerustgesteld tegelijk als ik m’n handen niet meer uit durf te steken om woekering tegen te gaan.
Hoewel meelij me ook wel eens bevangt: ‘Ach, kijk dat kleine plantje nou verstopt staan!’

’t Gaat toch wel door, denk ik dan. ’t Gaat toch wel door, tot ’t zich laat temmen door iets anders dan mij. Als ‘t 1maal te nat & koud is voor mij om elke stap verder waar te nemen. Als ik alleen nog maar ’s ochtends bij ’t tandenpoetsen verstrooid door de ramen naar de einder zit te staren. Niet echt beseffend dat ik naar ’t verloop zit te kijken. Hoe ’t was, hoe ’t wordt. Hoe langzaam de schutting aan de achterkant weer zichtbaar wordt.
& Er zich een pad baant, van 1 tegel breed. Daar is ’t veilig wandelen.

Ik moet 1 dezer dagen maar weer eens de plantenboeken terugbrengen naar ’t huis van m’n ouders.

We zijn waarschijnlijk toch al bijna uitgekeken in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.