Verlatingsdagboek XIII

Ze zeggen dat ’t straks minder wordt.
Dat zeggen ze niet daadwerkelijk, maar ik zie ’t ze zeggen. Een mond is groot die zwijgt. Ik zie ’t ze beginnen te zeggen, zoals ik zelf al vaak genoeg ook ben begonnen te verzwijgen.

Minder wordt alles. ’t Laat zich aankondigen dat ’t zo gaat gaan. ’t Geheel, ’t overgrote geheel van waar ik nu aan blijf denken, waar ik niet van afgeleid kan worden, wordt straks vergeten als ’t daar tijd voor is. Ik ben straks niet meer dezelfde als voorheen. & Ik word weer meer zoals de omgeving verwacht van mij.
Zoiets.
Dat ze me straks weer kunnen velen. & Ik niet meer steeds weer dezelfde verhalen vertel.
Ik weet dat eenieder dat eerder heeft meegemaakt, maar ik ben me er ietwat te veel van bewust.

Ik hou m’n mond, heb ik me van begin af aan voorgenomen.
& Dat doe ik ook wel, maar tegelijkertijd ook niet.
Ik zeg dat ik niet wil storen, een normaal beeld wil scheppen van de situatie, eerlijk ook. Maar daar stroomt die vloed alweer, waar ’t eb had moeten zijn.

Ik wil dijken, ik wil dammen. M’n mond houden, de stroom woorden regulerend. Sst, sst, sluipzachtend stil laten kabbelen, niemand pijn.

Ter voorkoming van dijkdoorbraak in Zijperspace.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.