Vlakervoor

Ik realiseer me, vlak voor slapen gaan, dat ik de drang om te schrijven achter me gelaten heb. ’t Is niet noodzakelijk: ik heb toegelaten dat ik er zonder leven kan.
Terwijl daar rechtsachter, voor de kijkers links, hoog in ’t schijnbaar aanwezig knobbeltje in m’n schedel, iets bezig blijft te zeggen dat zoiets niet mogelijk is. Er spijt zal komen. Routine noodzakelijk.
Links knobbeltje terzelfder hoogte fluistert verslaving aan achterover leunen in een hoge fauteuil van eindelijk verdiende landerigheid. De merites, de miskenning & de tegelijkertijdshalve mislukking die daartoe dwingen.

Ik voel tijdelijk dat m’n verlangen m’n leven schrijvend te verantwoorden, of juist m’n schrijven te verantwoorden door er op te wijzen dat ik een ‘is’ is, z’n doel voorbij is gegaan, m’n paar stappen richting tandenpoets-wc, weg van m’n dagelijkse routine in m’n privé-afsluitcafé achter ’t toetsenbord – wordt die gebruikt voor een zogenaamd hoger streven of juist ’t doolhof van afleiding daarvan? – waardoor ik door datzelfde tegenstrijdige op de vingers wordt getikt (ik heb zojuist een artikel gelezen over hoe Goodreads ervoor kan zorgen dat je er méér naar gaat verlangen een boek uit te hebben, dan te ervaren hoe mooi de vervoering van ’t lezen ooit voor iemand kon zijn) & ik vlak voor de gang door de holte tussen woonkamer & toilet, om de overdag verzamelde viezigheid in mond op te schonen voor een morgenochtend fris begin, dat dat verlangen vervangen is door schuldbewust weten dat juist schrijven mij bevrijd heeft van de noodzaak van andere wasbeurten.

Ik zoek plots de woorden weer. ’t Is te complex om ’t alleen maar te voelen. De wirwar van voor- & achteruitberedenering, slippen, remmend corrigeren, gas geven, achterover tuimelen door de druk van de vooruitgang & tegelijk zoeken naar een parkeerplek die comfortabel & achteraf ook bereikbaar voelt.
Woorden die op zich niet zo ingewikkeld hoeven te klinken, maar vind ze maar eens op de juiste volgorde van oprecht & in de betekenis van ‘mijn’ zelf.

Ik ben de routine beu, maar weet tegelijkertijd dat regelmatigheid, ’t binnenrijm der woorden streelt al typend m’n gemoedsrust, m’n vingers zal behouden voor slepende, versaaiende, vermoeidheidskramp de juiste volgorde der letters te vinden.
De wandelende jood & de nog vroeger door mij gevonden held, misschien wel de oorsprong van een gefingeerde, Odysseus, schieten me te binnen. ’t Zwerven, dwalen, niet weten waar de ziel zich bevindt, een huis van woorden om te laten blijken blij te zijn eindelijk daar opnieuw te zijn aangekomen, maar stom te zijn zolang 1-oog koning is.

De woorden zijn moeilijk, ze bereiken ondoenlijk traag hun voorheen gemakkelijk gevonden tekst. Ze liggen niet op ’t voorheen routineus te bereiken randje van de tong, vertaald door 10 vingertipjes. Ze zijn al vermoeid bij ’t strekken van hun benen tijdens ’t opwarmrondje.

M’n tanden snakken, m’n slaapzin evenzo, naar hun beloofde opschoonbeurt, een wasstraat waar je languit kan liggen & af mag wachten tot de zon schijnt achter de regen die alles gewend is schoon te spoelen richting wonderlicht.

Maar Zijperspace is slechts een woord, waar weliswaar meer uit kan vloeien, de belofte in de naam.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.