waarom maak je je bed niet op?

Hé, zachtjes. Niet iedereen hoeft te weten dat ’t er al 2 weken onopgemaakt bij ligt.
Maar ik slaap er goed in. ’t Dekbed ligt over me heen, met tussen ons in ’t dekbedovertrek. Ik neem niet de moeite de 1 over de ander te trekken. Dat is waar ’t eigenlijk voor dient; ’t heeft niet voor niets een naam die de lading dekt.
& Ach ja, de sloop. De sloop naast de kussensloop. Die hoort over ’t matras gespannen te worden. Ik hoor niet op ’t molton te liggen. ’t Voelt lekker zacht aan, die stof. Ik heb daardoor geen last van ’t ontbreken van de sloop, houd ik mezelf voor. Hoewel ik weet dat ’t niet hoort.
’t Zal wel iets vrijgezellerigs zijn. De luiheid. De nonchalance wat betreft de plek der dingen. Zoals de afwas die blijft staan. ’t Me niet kunnen bewegen tot ’t zuigen van ’t stof in de gang & de hal. Hoewel de motivatie groot is, vind ik zelf. Of ’t laten hangen van de was. Altijd net even een dag te lang.
Ze hebben wel ‘ns gezegd dat ik een lijst moet opstellen van alle activiteiten die in huis moeten gebeuren. Die geregeld in huis moeten gebeuren. & Nav die lijst zou ik dan elke dag 1 van die taken moeten volbrengen. Dan blijft ’t huis vanzelf schoon & onderhouden.
Ik kan me er echter niet toe zetten zo’n lijst te maken. Luiheid misschien, wederom. Misschien te weinig tijd. Er zijn te veel andere, veel belangrijkere zaken, die me elke dag bezig houden.

M’n moeder zei ’t vroeger al: ‘Waarom kan je nou niet even je bed strak trekken?’
Met de ouderwetse dekens kostte ’t toentertijd nog veel meer moeite. Laag over laag moest weer geordend worden, als laatste ’t laken om niet de kriebel van de dekens op je huid te krijgen. ’t Moest netjes, anders sliep ik niet van de kreukels boven me, waardoor enige aandacht & moeite noodzakelijk was. Maar met ’t moderne dekbed, waar ook de Fam Zijp op een gegeven moment toe overging, moest ’t geen moeite zijn alles weer te kuisen.
‘Je stapt uit bed,’ zei m’n moeder, ‘je kijkt even om, pakt een punt met de ene hand, met de andere hand de punt ertegenover, je wappert alles omhoog, & legt ’t vervolgens neer; stukje schuiven & alles ziet er als nieuw uit.’
‘Ja, Moe,’ zei ik dan.
‘Ja-moe zeggen & nee-moe doen, zeker,’ zei m’n moeder.
Moeders hebben er verstand van. Ze hebben in ieder geval verstand van hun kinderen.

Ik stap ’s avonds m’n hoogslaper in, om te bemerken dat ik ’t weer een dag heb uitgesteld.
Niet nu, denk ik dan. Niet nu, want ik ben te moe om nog iets te doen.
Misschien ligt ’t er wel aan dat ik pas naar bed ga als ik écht moe ben. Als ik als een blok in slaap zal vallen.
Ik leg alles over me heen. De 2 kussens stapel ik, zodat ik met die in m’n nek nog een blz uit m’n boek kan lezen. & Na die blz val ik in slaap. ’t Lukt me nog net ’t onderste kussen weg te trekken & ’t licht uit te doen.
’t Zou toch zonde zijn als ik die laatste energie zou besteden aan ’t opmaken van ’t bed.

Ik hoor m’n moeder zuchten: ‘Je wilt toch dat je huis er mooi uit ziet. Je wilt toch dat visite zich op z’n gemak voelt & zich niet stoort aan allerlei rommel.’
Daarom ga ik als een gek tekeer zogauw die er aan dreigt te komen, de visite. ’t Huis gaat ondersteboven. Plots vormen zich stapels van opgeruimde boel, plots gaat alles aan de kant, kan men zich normaal voortbewegen, is er ruimte te over in de keuken. & Is deze laatste bovendien blinkend schoon.
Maar de slaapkamer verstop ik achter de gordijnen. Bang dat ’t een muffe slaapgeur zal verspreiden. Of dat ’t onopgemaakte bed zal worden gesignaleerd. Ook bang dat men de stapels t-shirts aan al treffen. Wat echter een inferieur probleem is. Iedereen weet dat ik te veel t-shirts heb om even in een middag op te vouwen.

Waarom ik ’t niet doe? Ik weet ’t eigenlijk niet. Ik kom niet verder dan dat ik weet dat ik lui ben. Lui in dit ene specifieke geval. ’t Staat me tegen. ’t Komt niet uit. ’t Doet zich steeds op ’t verkeerde moment voor.
Ik ben de enige die er last van heeft, zou ik kunnen zeggen, maar ik heb er geen last van. Maar daar wil ik ’t niet mee afdoen. Er is iets vreemds met me aan de hand. Ik maak m’n bed niet op. Dat verschijnsel is chronisch. Elke avond, bij ’t aanschouwen van wat los overhoop liggende stukken stof, bedenk ik me dat weer.

Maar ’t verstoort gelukkig niet de nachtrust in Zijperspace.
(Deze serie wordt u gebracht dankzij ’t initiatief ‘5 vragen, 5 antwoorden’, zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *