wachtkamerloos

Ik dacht: dat heeft vast nog niemand gedaan.
Tijdens ’t gesprek, vlak voor de capsule, vroeg ik de dokter: ‘Zijn er nou veel die dezelfde behandeling krijgen?’
‘Oh ja.’
‘Ja, dat vraag ik me af als ik in de wachtkamer zit. Wie ziet er nou ‘tzelfde uit? Wie komt er nou voor ‘tzelfde euvel?’
‘We doen ’t altijd op vrijdag of dinsdag. Vandaag hadden we er een stuk of 10.’
10. ’t Is allemaal niet zo bijzonder, blijkt.

Maar wat ik deed, heeft vast nog niemand gedaan.
& Ik zette de volgende stap.

Of ik even in de wachtkamer wilde wachten tot een uur voorbij was.
Hij zei dat dit nodig was om je 1e plas kwijt te raken.
Voor mij was ’t afscheid nemen.
Niet dat ik er vaak had gezeten. Maar waar maak je wachtkamers mee zoals deze? Waar de stap die je zet net zo belangrijk is als andermans huwelijk.

Normaal nam ik de metro. Zoals op de heenweg. Snel. & Meteen weg uit de wereld.
Ze zijn even leeg, de metro & ’t ziekenhuis, mensen zijn er net zo zwijgzaam, maar daar houden de vergelijkingen op.

Nu stapte ik onder de metro door. Hij passeerde op ’t moment dat ik onderdoor de baan ging.
Dan kon ik ‘m in ieder geval niet meer missen.
Ik verwijderde me in een bijna rechte lijn van ’t ziekenhuis af, m’n weg vormde met de metro een kruising.

Je lichaam moet reinigen.
Je geest moet vrij.
Ik geloof niet in die onzin. Niet altijd. Maar nu kwam ’t goed uit.
Ik wilde kapot zijn als ik thuis was. Ik wilde weten wat m’n lichaam kon.

‘Zit je er nu nog?’ vroeg Sylvia.
Ik vertelde dat ik op leefregels zat te wachten. Maar dat ik officieel ook nog 3 minuten moest.
Ik voelde me betrapt. Nooit afscheid kunnen nemen van omgevingen. Altijd heimwee naar plaatsen waar alles altijd ‘tzelfde blijft.
‘Leefregels? Heb je die niet gehad?’
‘Nee, hij moest ze nog uitprinten.’
& Op de minuut nauwkeurig leverde Sylvia ze toen bij me af. Op de seconde eigenlijk.
‘Nu mag ik gaan,’ wees ik naar de klok. ‘Precies een uur.’
Ik zei ‘Tot ziens’, omdat ik ‘Tot de volgende keer’ niet durfde.

Roswitha luisterde naar m’n verhaal, terwijl ik tussen ’t afgestorven landschap van Gaasperplas liep. Nog net binnen de wereld waar mobieltjes nog bereikbaar zijn.
Bankjes verlaten, met uitzicht op donker water, in een plas die zich door de regenbui nog iets meer liet vullen.
‘’t Lijkt wel of ik iets voel,’ vertelde ik, ‘maar ik weet niet of ’t werkelijk dat is wat ik voel.’
& Ik liep door richting Diemen, richting Amsterdam-Rijnkanaal. Roswitha deed haar lunch met mij. Toen ging zij weer aan ’t werk & liep ik verder. Mobiel in m’n achterzak, want ’t regende te hard.
Dit heeft nog nooit iemand gedaan, dacht ik, lopend naar huis.

& De radioactiviteit vervloog in Zijperspace.
(thuisgekomen stortte ik in)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *