wandeling (dl 5)

M’n moeder zit al in De Kamer, ’t eetcafé van m’n broer.
‘Hoe was ’t wandelen?’

Ik houd de hele weg de voeten van m’n vader in de gaten. Kijken of-ie ze wel bijtijds optilt bij stoepen; of z’n benen nog soepel genoeg zijn om ze over ’t ½e meter hoge hekje te bewegen; of ze niet de neiging tot struikelen zullen vertonen bij de afbakening wegens werkzaamheden. De lichaams-coördinatie is nl niet meer in orde. Terwijl-ie al pratend kijkt naar een boot, verliest-ie die coördinatie bijv & wijkt-ie plots een meter van z’n route af.
‘Ik moet wel op blijven letten. De wind waait me zo weg.’

M’n vader is een flapuit tegenwoordig; ik lijk ’t niet van een vreemde te hebben.
‘We struikelden over dezelfde trede.’

We moesten 1st de trap op om bovenaan de dijk te komen. M’n moeder was al weggereden. Nu was ik verantwoordelijk voor ’t welslagen van ’t uitje.
‘Kan-ie nog wel zoveel tredes beklimmen,’ denk ik nog. Waarop ik struikel, omdat ik niet kijk waar ik loop. Ik kan nog net m’n evenwicht bewaren door de trapleuning te pakken. Pa valt echter tegelijkertijd voorover, met z’n handen op de ruwe stenen.

‘Was ’t een ongelijke tree?’ vraagt Quint.
‘Denk ‘t. We struikelden precies tegelijkertijd.’

Voordat we de steigers van de Texelse boot bereiken dalen we de steile dijk af over ’t gras. Dat is korter.
‘Gaat ’t wel, Pa?’
‘Ach, als ik ’t maar rustig aan doe.’
Hij loopt net zo snel als ik.

Een mooie dag in Zijperspace, voor wie weinig eist.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *