zurück

Ik zet thee met 1 zakje. Beweeg ‘m heen & weer. & Dat moet ’t zijn, voor toch zeker 3 kopjes. Bij echte dorst 4. Daar kan ik tot in de middag mee doen.
Heel wat anders dan 2 zakjes in een potje gepropt te zien om zodoende ‘schwarze Tee’ te kunnen genieten. ‘t 1e Wat ik bij servering deed was beide zakjes er zo snel mogelijk uithalen. Niet uitlekken. Niks van de inhoud van de zakjes mocht nog de thee versterken. Uit ’t potje kon ik dan 2 kopjes voor bij ’t ontbijt halen. Dat werd er uiteindelijk slechts 1, want ik was niet tegen de sterkte van die 2 zakjes opgewassen.
Wit brood met jam is nu weer een bruine boterham paté geworden. Van bolletje ben ik weer overgegaan op een snee. Ik stop alvast wat happen in m’n mond terwijl ik er enkele besmeer. ’t Is nu ½ 12, ipv vlak voor douchen ½ 9. Ontbijten deden we om weer warm te worden.
‘Zo,’ zei ik vrijdag vlak na ontwaken tegen Fret, ‘vannacht had ik ’t écht koud.’
Alsof de nachten ervoor niets hadden voorgesteld. Tussen 5 & 7 wakker liggen vanwege de kou. Af & toe in de slaapzak ademen, om ’t daar in ieder geval weer op temperatuur te laten komen. De kop van de mummie strak aangetrokken om m’n hoofd. Geen zuchtje lucht mocht uit de slaapzak verdwijnen.
‘Ik keek daarnet naar de ruiten van de auto,’ reageerde Fret op m’n woorden. ‘Ik dacht dat ze beslagen waren aan de binnenkant. Maar dat bleek allemaal ijzel te zijn.’
Hij liep naar z’n tent. Schudde een beetje aan de luifel. De ijsklonten vlogen ervan af.
We ‘tjemig’-den & ‘poeh’-den.
Daarop haalden we zo snel mogelijk onze handdoeken tevoorschijn om in de doucheruimte van de camping onszelf weer enigszins op te warmen.
Onderweg zeiden we tegen elkaar: ‘Maar vanaf nu wordt ’t elke dag beter.’
Waarbij we voor de zoveelste keer om de woorden van de campingbazin lachten, op dinsdagochtend geruststellend tegen ons uitgesproken. We hadden ’t sindsdien nog niet warm gehad, behalve tijdens onze wandeltochten.
Nu zet ik de kachel lager. Ik overweeg een t-shirt uit te trekken. Schuif de was wat dichterbij de kachel. Dan heb ik straks weer wat schoons & droogs om aan te trekken.
Ik ga straks wel douchen. Later. Vlak voor werk. Ik wil even een tijdje niet bewegen. Weer beseffen dat ik thuis ben. Mezelf m’n gewoontes weer aanwennen.
Hoewel dat vreemd voelt. De dag is opeens niet meer met niks gevuld. Een grote hoeveelheid niks. Van hoe laat we een bus kunnen pakken, of een trein, om te bepalen waar we gaan wandelen, welke brouwerij we kunnen bezoeken, waar we later op de dag wellicht kunnen eten. Zo’n grote hoeveelheid niks dat de dag al voorbij was voordat we alles hadden kunnen doen. In ieder geval reden er geen bussen meer om de dag nog even langer door te laten duren. Zodat we niks zeggend voor ons uit konden staren in een klein dorpje, plaatselijke brouwerij, 1 van de 2, tussen starende lokale bewoners & op elke tafel diverse pullen bier.
‘Zum wohl,’ zeiden we dan.
& Lachten ons een kwartier later onder de tafel om ons onderlinge steenkolenduits. Wat dus niet te lang mocht duren, want de laatste bus. De laatste bus.
‘Das ist wirklich unglaublich,’ zei Fret dan over de duitse openbaar vervoersproblematiek, in zoverre deze ons beperkte in onze bewegingsvrijheid.
‘Das is doch nicht zu glauben!’ reageerde ik daarop met veel overgave.
Onze gesprekken waren gevuld met zelf verzonnen duitse one-liners, ein-satzers, tot ’t moment dat er een duitser zich in ons nabijheid begaf. Vervolgden we in fatsoenlijk nederlands vakantie-overleg. Was minder gezellig. We lachten meer & vaker om onze duitse fratsen.
Nu is ’t stil. Ik denk voor me uit. Er is niemand die luistert. Er is niemand die met Fret meekijkt naar de weg die voor ons ligt.

Zijperspace is weer dicht bij huis.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.