Klaar

Ik ben klaar.
Niet zo belangrijk klaar waarmee. Klaar met schrijven, klaar met leven. Met twijfelen, onhandig zijn in communicatie, kriebel aan m’n kont, ’t dieet waarop ik leef, ’t water dat steeds niet op voldoende voorraad staat naast mij terwijl ik type, ’t nukkige van anderen, dat alles uitvergroot moet worden, dat liefde ophoudt, de dood zich nog harder laat roepen ondertussen. Gelijk dat mensen zich daar druk over maken. Je, een mens als ik, daar begeleiding voor krijgt & je, diezelfde je, daar een weg in moet vinden die op gegeven moment niet zo vloeiend loopt als je tot dan toe gewend bent.

Ik ben blijkbaar ook klaar, nu ben ik blijkbaar toch bezig met een opsomming, met slechte nummers die elke dag opnieuw door m’n ochtendlijke hoofd spelen, als ik m’n ritme van de dag probeer te vinden, m’n ontbijt daarbij bereid, waarbij ’t repeteergeweer wederom wordt aangezet: saaie liedjes als… (nee, ik ga geen namen noemen: dan begint ’t opnieuw).

Ik ben daar klaar mee. De herhaalknop. ’t Niet weten waartoe dat leidt, waar dat vandaan komt. Zo was ik toch ook niet als kind niet. 2 Woorden in dezelfde zin herhalen evenzo. Jezelf terugwijzen waar je daarnet iets fout doet. & Dat vervolgens, na de vorige vervolgens, opnieuw doet.

Maar dat kind was ik wel.
In al m’n onnozelheid geen last van gehad. Dansjes doen voor tantes & ooms op verjaardagsfeestjes die voor een ander was bedoeld. Mijn verjaardagsduikbril houden waar mijn neef voor smeekte. Een opdonder van m’n tante die de omstandigheid niet begreep, dat de duikbril door haar lieve zoon uit m’n handen, van m’n kop werd gerukt.
De complexiteit, waarvan ik toen nog nooit had gehoord. De suffigheid als ik dat wel had geweten & hoe dat uit te leggen aan m’n tante die mijn zogenaamd zielig neefje aanwees. Moedersbescherming uiteindelijk.

Ik ga dat klaren, zoals je helderheid in bier of wijn klaart, de tafel dekt, zorgt dat alles in orde is uiteindelijk, je een familiebijeenkomst hebt, ouders & zonen, maar ik ben bang dat ik slechts mijn eigen tafel dekken kan.

Zo zij het in Zijperspace.

Zo middernachts

Zwetend. Maar vooralsnog op m’n voorhoofd.
De zoveelste bui, ik kan ze niet van elkaar onderscheiden, laat staan de nachtelijke tijd; ik zoek naar de dag die we nu leven. Mezelf opgesloten. Deuren dicht, ramen net zo.
Ik zoek, wederom, naar meer oplossingen, dat ’t zweet m’n hoofd verlaat. De kussen straks niet nat bij ’t neerleggen ervan.

Ik hoor de donder Gods, hierbuiten; een geruststelling ’t zo te mogen noemen. Hij rommelt als een hongerige maag. Mijn zoektocht naar bed tegelijkertijd. ’t Altijd weer uitstellen. De zweep erover van sodemieter op naar jouw zo teer verlangde droomland.

Maar ik heb geen Disney’s. Ik heb slechts buienradars. Waar ik eigenlijk Viking had willen zijn. Zonder voorwetenschap. Een Jip met Janneke van onbekommerd de wereld.

Ik tik de klok, mezelf vragend hoe laat ik de morgen morgen laat beginnen.
Ik mag immers de rest van m’n leven zelf beslissen wanneer alles zich laat aanvangen.
’t Is een zware taak daar controle over te houden. Een mens raakt makkelijk verslaafd aan lethargie.

Daarom dit schrijf, deze schrijfsels, de bedenkingen, overwegingen, de twijfels van hoe ik me handhaaf, de behoefte mezelf aan te raken, m’n handen tussen m’n benen weggekropen, maar deze tekst moet 1st af, de duikeling, dat wou ik ook nog ff zeggen, de bodem die dichterbij komt; de borrel, de drank, de daaraan…
De hemel. De lust, wellicht zich niet meer herhalend. Maar de herinnering. ’t Goed. De teleurstelling. ’t Steken in de borst, terwijl die van haar zo glorieus gloorden.
Had ze dat nou moeten zeggen?

Ik blubber, ik bral. Ik probeer de juistheid te vinden in een lichaam dat…

Zijperspace heeft zich niet goed voorbereid.

De red bulb

Dat ’t minder wordt.
Maar ik wel alle woorden kwijt ben. Ondertussen.
Dat laatste woord een kwaad verwijt naar mijn hoofd. Er ff fijn instampend. U doet niet waar u voor ingehuurd was. U betaalt uw huur niet.

Terwijl ik dit schrijf vliegt er een mogelijk stekende mug voorbij. Tussendoor mijn op & neer wippende blik & daarnaast tussen denken & ’t computerscherm in.
Mijn instinctieve reactie is om zo snel mogelijk 2 handen op elkaar te doen klappen. Maar de duimnagel is enigszins te lang & scherp gegroeid. Er zit ook ietwat veel kalk in sinds ik sojamelk een vast recept van m’n dagelijks vochtinname heb gemaakt. Ze lijken onverwoestbaar te zijn geworden. Blijkbaar in dergelijke mate dat de huid de kalkvorming in m’n nagels niet meer bij kan houden. De nagelknippertjes moet ik regelmatig vervangen om die reden.
Heel onschuldig, dat kan zo’n huid, in de regionen van m’n neus, natuurlijk ook niet zomaar verwachten.

’t 2-Lapjes wc-papier (waar liggen de zakdoekjes ook alweer die ik normaliter elke dag voor andermans onbegrijpelijke redenen altijd bij de hand heb?) zijn inmiddels doordrenkt. Nou ja, ’t is moeilijk een schoon (niet rood) plekje te vinden voor de volgende dep.

M’n snor ziet vast rood. Ik ben vast ook mijn verhaal kwijt. Ik voel denkbeeldige druppels schandelijk langs (de buitenkant van) mijn neus neervallen op middernachtelijk onzichtbaar schoon shirt: probeer je nek maar eens te knikken naar beneden zodat je weer inzicht hebt over de hoeveelheid bloed dat heeft gestroomd.
Ik voel de nagel van de verantwoordelijke duim, de rechter, schrijnen. We zijn samen in gesprek hoe we dat straks op de kussen, de zwijgzaam op me wachtende slaapkussen, moeten oplossen. Hoe vaak ik nog naar de spiegel moet om te zien of ’t nog in orde komt voordat ik voor ’t 1st m’n hoofd straks omkeer. De straks in bed, waar alles betoverd wordt in niets meer weten tot de morgendauw weer schijnt.

Ik heb een rare neus de komende dagen. Supermarktbezoek zit er voorlopig niet in.
Je krijgt er maar vragen van, ook al kan je natuurlijk gebruik maken van de zelfhulpkassa’s.
Maar daarnaast zal ik evengoed nog sneller moeten fietsen. De blaas op m’n bloedneus, zo’n rond vlekje rood, net iets te groot, valt op 15 km per uur niet te ontkennen tegenover passerend verkeer.

’t Zal ze niet interesseren wellicht, maar een enkeling van al die tegemoetkomers zal er vast wel door afgeleid zijn straks.
Die man met een rode bel aan z’n neus. Aan ’t randje van de onderkant, aan de rechterkant. Vertaal dat maar eens in ’t engels: The man with a red bulb on the right side nose.
Oid. Voor de eeuwig aanwezig om zich heen kijkende toeristen.
Voor de kijkers thuis natuurlijk links.

Daarom, ook vanwege de hitte, voorlopig thuis in Zijperspace, de gordijnen dicht.

Is ’t maandag

Is ’t maandag: ja, ’t is maandag.
Of nee, de dag is alweer voorbij. De tijd vervlogen, de hitte tijdelijk voorbij.
De dinsdag luikend.

Zo wurm ik me door de dagen heen. Niets willen weten van temperaturen, ’t licht dat schijnt, ’t zweet dat hopelijk voorlopig niet gutst.

Ik had moeten wonen waar de taal woonde die ik ooit heb gestudeerd. Maar ik schrok van de zomer, dat ik daar daadwerkelijk was aangekomen.
’t Zweet dat ik dubbel zo hard over m’n lichaam voelde druipen. Waar m’n zoete dromen van verlossing…

Ach, laat ik ’t niet overdrijven, maar ’t had fijn geweest, eindelijk een zomer van matigheid. Ik was nog jong; de verandering der tijden was echter al begonnen mij, m’n beleving, te achterhalen. Halverwege richting poolcirkel & ik maakte de heetste zomer in Zweden mee.
Terwijl ik toen dus jong was. Relatief een ukkie. Ik zocht onderweg, tijdens de liftpauzes, de schaduw om de slaap maar enigszins in te kunnen halen. Van nachtelijke ritten, gratis meerijden, met geluidsmannen die koffie zopen op dezelfde gaststätte, op terugreis van concerten, waarschijnlijk op energie van de dope, wakker makende coke, waardoor de kilometerteller op een gegeven moment 240 wees.
Schuin achter de chauffeur zag ik de kilometerteller, de pijl die de snelheid van deze ooit voorbijgaande nacht aanwees.

Waar computerspelletjes, die toen nog niet bestonden, maar pacman, racespelletjes, of andere snelle reacties vragende met knuppel of snelle vingers bedienende knopjes, waar dat zelfs nog niet voorstelbaar was. De knuppel die daar niet snel genoeg voor was, tenzij je Pink heette, de eeuwig kleine, die ’t allemaal had voorzien; de vinger-, anders knuistvlugheid een weg richting toekomst een mogelijkheid zou geven je voor te bereiden op wat zou komen.

Mijn vingers, m’n wreef, elk deel van mijn lichaam dat ook maar iets leek op de overheersing van de flupvluksvliegheid dat Pink als enige leek te beheersen, kostte vele guldens, zodat ik minder kon drinken, blowen, soms een enkele keer me bedwelmde als ik wel ’t nieuwe record had op de Pacmanmachine.
& Pink er vervolgens met de volgende geleende gulden mij weer versloeg. Een gratis paar halen van een verse joint zich liet inhaleren.

Hij nog te jong om ouder te worden, ik al reeds te oud om roekeloos door ’t spel te gaan. De 1e verschijnselen van 2 – 3 jaar ouder zijn met me mee te dragen, daar al voorbij, vaker verlangend naar vroege slaap, of anders me door alcohol wakker laten schudden, zodat ik wist dat ik hier ooit zou zitten, voorbij middernacht, nog wetend wat ik wilde schrijven.
Waar Pink dat waarschijnlijk allang alweer is vergeten & hij mij bij de laatste ontmoeting liet weten dat hij zijn eigenlijke naam weer had aangenomen.

Ik meende een buikje te zien, die laatste keer. Een raar verschijnsel bij een kleine man die nooit groter is geworden, maar dus toch wel.
Ik kan niet anders dan die van mij als een bolling te voelen. Er is geen spiegel die tot onder mijn tepels gaat hier. Maar als ik mij een kwartslag keer valt ’t alleszins mee. Voor zover die kleine spiegel, boven mijn wasbak dat toelaat natuurlijk.

Ik heb geen verklaring voor hoe ik ben. Ik schrijf.

Eindelijk in Zijperspace.

Het samentrekken

Waar soms andere lidwoorden gebruikt moeten worden. Minder definitief. Er een zweem van dat soms kan ontstaan. Niets als zekerheid omschreven. Als de somtijds van samengetrokken, de somtijds van samengeperste beleving.

Waar een enkele keer mensen passeren. Waar, daar waar ik zit, op een bank, in een park of bos, soms een hallo of gedag weerklinkt, ik mijn ogen gebruik om een uitnodiging daartoe te laten plaatsvinden, maar mijn ‘hoi’, ‘hai’, ‘goedendag’, plus varianten daarvan allang al aan vooraf zijn gegaan, in die luttele gekrompen seconde (maar men weet waarop de 100 meter Olympische Spelen op de milliseconde gewonnen wordt in enig sport). De blik ook, de opslag van de ogen, omhoog gaande wimpers, de pupillen wijzend.

De blik negerend.
Soms.
Als mijn stem niet klinkt

Meestal niet, als de letters, de gemiste interpunctie, mijn strelen van aandacht nodig hebben. Er 3 boeken tegelijkertijd in m’n hoofd zitten. Hun belangrijkste alinea’s, de nagedachtenis aan ’t hoofdstuk, dat ik lezend ben, de verwijzingen achterin de opgenomen noten, de verwijzingen, dat wat alles behelst dat ik toch niet kan onthouden, maar sympathiek dat ik ’t als naslagwerk kan meenemen.
Mocht ’t eens noodzakelijk zijn.
Maar meestal niet. Een kans van 1 op 1000. Tussen alle andere getallen verborgen.

Ik moet roetsjen door alles wat ik mogelijk nog vergeten ga voordat ik me daar nog iets meer bewust van word.
& ’t Roetsjen als een bobslee zozozo snel zorgt voor nog meer vergetelheid. ’t Is een aangename ervaring, maar ’t neigt die vergetelheid aan te stuwen.

Bovendien is ’t koud, lijkt mij, onaangenaam koud, zo’n bibberende bobberdebobslee, heen- & weergeslingerd door een ijzige massa van winters streven naar gehoorzaamheid, medestuurzaamheid, nederigheid, onderworpenheid.

Ik ben daar nog niet. Ik vrees weliswaar de kou, maar verweer me momenteel tevens tegen ’t hittegedrag van ’t veranderende klimaat.
Weet daarnaast niet waar ik aan moet gehoorzamen.

Ik dwuizel, ik stroef. Ik verbogen, ik kwark. Ik ijzer, noch blub. Ik pleur, maar soms probeer ik stuur.

Omdat ’t laatste niet rijmt & Zijperspace niet dicht, noch nog een keer poogt.

De hierzit

Hier zit ik weer. Na een prettig zwijgzaam toestemmen weer te zullen schrijven. Ernaar te alluderen, leert een woordenboek me daarnet.
Zinspelen mag ook. Maar ik hou nou eenmaal van zeldzaam. Redden wat er te redden valt, waarnemen wat rondwaart bij ’t randje van de afgrond. Waar m’n zucht naar insecten begint, waar m’n warsheid straks waarschijnlijk eindigt.

Dus zit ik hier te toetskletsen. Een wens te voldoen, 1tje van een goede vriend.
Hij zei ’t niet luid, met nog minder dwang dan dat. Maar ’t klinkt in zijn zwijgen, z’n fluisterend informeren. Z’n begrijpend schudden, amper merkbaar, maar ik neem de subtiele beweging waar, tussendoor z’n knikken van ’t eigenlijke snappen.

Ik heb blijkbaar de middernacht nodig. De slaap die me trekt, de onrust ook van de waarschijnlijk te verliezen strijd dat ’t me niet gaat lukken. Dat ik moet doorzetten, daar achterin m’n hoofd. De drank negeren, de noodzakelijke strijd tegen de uiteindelijke nacht niet willen opgeven.
Alsof, mijn grote imaginaire, door godenboeken me ingebrachte denkbeelden, ’t ervaren alsof de wereld meer is dan de platte grond onder mijn voeten; wie had er gelijk: de goden of de realiteit van de wel zeer relatieve curve die de aarde ons tentoonspreidt.

Waar god ons schiep, & ik dat maar machtig mooi vond om daarvan te lezen. Ik theoloog wilde worden zonder te geloven, dankzij dat 1e boekje, naast wat ik voorgelezen of gepreekt had gekregen (mijn vader als leek naast de priester), dat alles in verhullende, onthullende, geheime & vrije vormgevingen, talig & soms stom, dat ik las.
Zo vroeg mogelijk ook. Want ik wilde de verhalen kennen. Waar ’t rooms-katholieke lang niet voldoende was.

Ik wilde alle goden kennen, zonder ze als waarheid te beschouwen, maar wel als verwondering. ’t Imaginaire, dus de verbeelding. Wat kon als je een letter dat woord dat tekst dat boek werd schreef.

Dit is een bijna huichelachtig frubbeltje, een pen die lekt, een onmerkbaar te negeren puntje, nog geen microbe zo klein, & ik heb me als nederig daarnaar te gedragen.
Dat voelt men. Dat voelt men óók. Op gegeven moment in ieder geval. Dat wanneer ’t vlees week wordt, de benen strammen, de ogen weken, de lust verblust raakt, de blootheid naakt: u zijt daar.

Welkome, u zijt in Zijperspace.

Wondervol

Het is een wondervolle constatering dat mensen je niet vergeten zijn. Zittend in de tram, onderweg naar een concert & denken aan jou.
Terwijl de laatst geplande wandeling alweer, misschien meer dan, 2 jaar geleden moet zijn. Waar de tijd cirkelt, er vertraging daarin optreedt, een wederzijdse versnelling evenzo. Maar de beelden, de gesprekken, zijn beklijft. Tuurlijk lang niet alles; maar de gang, een route rondom Weesp, 3 vriendinnen & ik.
Maar de herhaling ging niet door.

Dat 3 radde tongen je steeds weer overtroeven. Hun slinks, hun van jeugd af op elkaar ingesteld zijn, hun grappigheid daarmee, de nonsical, de echt, de onafhankelijkheid, maar gebondenheid bovendien. Waar je je bijna stil wil houden, maar ze steeds weer ook een open plek presenteren waar je in de gevatheid mee kan gaan.
Je daar links aftroeft, er rechts overheen wordt gegaan; de lach van 4 door de coupé schalt.

De Vlieland die je proeft als je ook 1 ouderstel als je buren op de camping ervaart, daar op dat eiland.

Ik had ’t veel te heet, mijn druppeldrippend zweet was in de trein op weg naar Weesp weer eens fanatiek bezig me ongemakkelijkheid te laten voelen, in alle hoedanigheden. Alsof de zenuwen voor. Alsof 3 welgebekte vrouwen, mezelf aftroevende, alsof spitsvondigheid, gezelligheid, overblufferigdheid, mij aan banden zou leggen.
Maar ’t was maar zweet. Zonnezweet, hittezweet, van jongs af aan noodzakelijk zweet bij bepaalde temperaturen.
Maar waar de schaamte daarvoor altijd doorheen scheen.

Geen probleem echter dat ik een laagje uit ging trekken, daarbij mijn buik, m’n blote witte buik, ging tonen. Bang dat de mogelijk passerende controlerend conducteur zich zou storen.
De spitsvondigheden gingen gewoon door, maar mijn blootbuik werd even overgeslagen. De lach om elkaar juist niet.

U weet, zij weten, dat ik mij, met trage toetsen schrijvend, op m’n gemak voel. Met hun.
Zo zijn er nog wel een paar, maar je krijgt niet zomaar een plots bericht. Van een ander. Na 2 jaar, na 10 jaar.
Maar de mist van hoe hun stemmen klonken, soms schijnt een zonnetje die ’t vocht doet vervluchten. Klinkt een kuiltje in de wang, de twinkeling in de koontjes, de aftroef van eroverheen gaan. De gebondenheid, van kindsbeen af.
& Dat ze me daar ooit hebben toegelaten. Ik hun geschiedenis ben & ze me dat maar even laten weten.

Vanuit een tram, voorbij soezend langs, misschien wel nooit voorbij Zijperspace.

De boemboem

Dat hart dat klopt & blijkbaar niet te vertrouwen is.
Waar ik dagelijks niet aan denk. Behalve als er gesjouwd moet worden. Dan luidt de automatisch ingestelde tringeling van alarmbel.
Wil ik dan toch, na die rinkelingetoeterdetoet, iets langer leven, geen risico nemen. Nog ff m’n geur verspreiden, de woorden, zinsconstructies, de zijpaden van waar ik geweest ben. Een plasje heb gepleegd, soms iets te vroeg, soms iets te laat.

Boemboem zegt-ie niet daadwerkelijk, maar bij hyperventilatie, waar ik uiteindelijk tegenwoordig weinig last van heb, knalt-ie op level 10. Als 12 of hoger bestaat, dan is ’t die. Ik heb al een tijd geen volume-manager, moet u weten.

Of als ik moet poepen, probeerde ik laatst uit te leggen. Onderwegs poepen, raakte ik daarbij iets specifieker ’t onderwerp aan. Wc-papier als noodvoorraad voor te veel kilometers stil zitten op een zadel op voorraad in de voorverpakte bagage; je denkt dat houdt dat goedje wel tegen, maar dat wordt elke keer gelogenstraft. De gedachte zelf die dat tegenhoudt, de geruststelling, maar helaas werkt dat vaak tegenovergesteld.
De paniek, de kilometers nog af te leggen; waar is ’t volgende restaurant met bijbehorend toilet op bereikbare afstand? De gedachte dat je ’t wel of niet op gaat houden is ’t meest funest.

’t Spijt me dat te moeten bekennen. Maar ik ben er al jaren bekend mee.
Je moet in zo’n geval de onderwegs voorkomende toiletten plannen. Alvast een fatsoenlijk zinnetje in je hoofd geprepareerd hebben. Proberen die te onthouden voor geval van totale paniek. Ondertussen de weinig betreden hoekjes achter bomen inschatten op beschaamdheid als iemand je nood zou kunnen zien.

Je lichaam met broek omlaag achter boom proberen voor te stellen, dat vooral. Inschatten hoe goed je evenwicht zich houdt ten opzichte van ’t ronddraaien van de wereld. & Dat er dan ondanks die vooruitgedachte bekommernissen toch een mens bestaat die godbetert voorbij wil passeren, juist in zicht.

Hai, hai, zwaait je handje met excuserende wijd gespreide vingers.
Terwijl ik wens dat ik weer een oer-aap ben, zo’n mandril van rood schijnende onbeschaamde kont, die ’t helemaal niet uitmaakt.

De boemboem van poepen in Zijperspace klopt elke dag weer.

Brabbel

Een plots wrijving tussen mijn vingers, een hals die achterovergeslagen moet worden, voor enige ontspanning, een knikkend niet soepel lopende knie, waar de knie de oorsprong is, want ik zit hier, hier tenslotte thuis, de blurps van drank daarbij opgestapeld, de wil dat ’t allemaal wel weer goed gaat aflopen, m’n vader die me een nachtzoen kwam geven terwijl ik net snot aan m’n neus had hangen, de hoofdpijn, de eeuwige hoofdpijn die ik van Ma wist te kopiëren, de herinnering dat vroeger alles goed was, de melkboer die langskwam, zijn knie gekromd tegen de muur terwijl hij ’t dankbaar bak koffie dronk, de buren die de vuilnismannen onthaalden, de tweelingbroers schuin aan de overkant, die later beiden postbodes werden, net als hun Pa, de woeste honden die plots verschenen op ’t veld voor hun deur, niemand naar buiten, de poep in m’n broek, de kleinheid van mezelf, de schaam, de vrouw die ik nooit gekend heb die me achterop nam, de billen die mijn jongste tante onder handen nam, langs de singel, we noemden dat allemaal de singel, Singel, want dat was naast ons domein de Martinus van der Hamstraat, wie die man ook moge zijn die onze buurt heeft gedefinieerd, waar wij kortom ons huis hadden, waar m’n tante, hoe jong ook als kleinste zus van m’n moer, met liefde & washandjes m’n bil verschoonde, daarnaast de dame op fiets, waarschijnlijk allang weer zelf uit leven vertrokken, me met gemakkelijkheid insprak, m’n moeder inmiddels kokend, bereidend, blij dat ze tante Wil had uitgenodigd, Pa nog lang niet aanwezig want een lange vergadering op school, de scholletjes, de door m’n moeder & tante Wil gebakken scholletjes verorberend met ’t bestuur; ’t zou alleen maar ten goede komen aan de huishoudschool (zulke woorden hoor je tegenwoordig niet meer); ’t bestuur van de huishoudschool & m’n Pa, de baardmans, evengoed zonder snor, zou vast succes oogsten bij de besluitvorming, laat thuis komen, voorbij ons toentertijd kleine tv-momentjes: was ’t Fabeltjeskrant of waren we alweer een hoofdstuk verder, meekijkend met de jongste broer van 6 jaar jonger.

Waarom slurpt mijn geheugen mij op & waar laat hij mij in de steek; hoe goddelijk zag tante Wil er uit, maar toch niet al té, maar gezellig haar op zaterdagochtend te ontmoeten, kopje thee aan ’t eind van de tocht, moest slechts nog de rit richting om de hoek thuiswaarts maken, haar familie ontwakend; tante Wil net als haar maar nog verlegen brabbelende dochters, mijn gepruttel alhier.
Ik slurpend aan de nog veel te hete thee.
Dat was een teken dat ze ’t leuk vond mij daar te hebben. Te praten over niks dan hoe ’t met me ging. De herinnering wellicht van verschonen van luiers als jongste zus.
De glimlach van m’n nog naïeve nichtjes in hun ochtendjapon. Waar ik toen al pyjama had moeten zeggen, maar de zaterdagochtendkrant al was verschenen.

Een totale burbelup van de vroegere zaterdagochtend in Zijperspace

Traag

De tijd was traag gister, net zoals de dag ervoor, vanaf m’n ontwaken. Hoewel ik alles moest luisteren wat de radio (1) me zou kunnen geven.
Me rinkelerend laten doezelen, elke keer, de zinnen terzelfdertijd vergeten terwijl ze evengoed duidelijk uitgespeld werden. M’n zwijgzaamheid, m’n hoofd in sloop, de kussen nog wat neerwaartser drukkend. Dan eens m’n linkeroor, daarna de rechter naar boven richtend. Je weet wel, ’t zogenaamde zweet, de zwaartekracht uit je oor lekkend, je omkerend om daar vooral geen last van.

Vooral vergetend, weten vergetend, dat je alles wat verteld wordt van harte welkom is, als die zeldzame put die wij 2 broertjes tegenkwamen met ons Pa in België, als ’t niet al net over de grens met Frankrijk was.
Maar Pa vertelde niet zoveel. Hooguit de notities die ’t wandelboekje (GR 5), maar vooral zwijgzaam als-ie weer eens de weg niet wist. Of welke bus, voor terug naar de camping in de buurt van Luik.
Maar misschien ben ik daar in de war met mijn latere zelfstandige tochten. De tijd kruipt tegenwoordig samen tenslotte.

Die put dus, waar wij niet uit mochten drinken. Terwijl hij te weinig vocht voor ons had meegenomen. Wat wij mogelijk, 2 broers, dat niet zelf konden dragen, incl de broodjes met beleg. Of uit ’t snel stromend water van een hoe heet zo’n beek waar alles te snel gaat om water in de kuipjes van jonge handen te vangen? Waar wij kilometers gingen of al hadden gelopen, meer dan hij had verwacht. Daar waar internet nog niet bestond & een bordje bij een bushalte niet alles kon vertellen of in een verkeerde taal van een mogelijke terzelfderdaagse aankomst van ’t voertuig.
De postkoetsen van ooit waren vast beter te voorspellen dan mijn vaders goedgelovigheid in busbordjes.

Ik haal vast alles door de war. ’t Waren grootse avonturen, vooral vanwege Pa’s onhandigheid. Zijn drang naar avontuur, de drang ook zijn ene voet voor de andere te plaatsen & de verwachting dat gelukzalig zoekend gevoel over te kunnen brengen naar zijn zoons…
Hoewel achteraf niet meer voor te stellen. Z’n paniekadertjes op zijn wangen als ’t niet ging zoals verwacht; z’n 2 zonen die hij straks terug naar moeder moest brengen.
De bus die verdacht lang weg bleef.

Zijperspace had niet bestaan, zonder.