Zuigmacht

Ik zal ‘t over de fruitvlieg moeten hebben. ‘t Is tijd.
Ontkennen heeft al een paar dagen geen zin meer: klappen in de handen levert te weinig resultaat. Daar staat minstens 1 nieuwe tegenover. Want wat gemist wordt heeft kans zich voort te planten & ik hoef geloof ik niet uit te leggen waar de fruitvlieg beoogt wereldrecordhouder in te worden. Ze zal dat natuurlijk nooit worden, maar ze gooit wel hoge ogen op dat vlak. In een poging niet ‘t wereldwijde web hier te gaan herhalen zal ik ‘t daarom daar verder niet over hebben. Ik heb ‘t weliswaar opgezocht, maar de foutieve info die ik tegenkwam deden me besluiten dit verder te negeren.

Hoewel ik wel even moet waarschuwen dat er niet ‘slechts’ 6 soorten fruitvliegen bestaan, mocht men de neiging hebben dat te gaan checken.
Er zijn er veel meer (ook alleen al in NL).
In mijn bestrijdingsdrang heb ik reeds opgemerkt dat er hier minstens 2 soorten rondwaren (of: tussen mijn klaphanden terecht zijn gekomen; zelfs in die korte flits kon ik onderscheid ontwaren).

Proefondervindelijk heb ik ooit mogen constateren dat de stofzuiger tot 1 van de beste bestrijdingsmiddelen behoort. Bovendien wordt je huis daar eens een keertje redelijk stofvrij van. Want tijdens een korte fruitvliegabsentie krijg je toch de neiging om de zuigfunctie ten volle te benutten. Ledigheid is des duivels oorkussen tenslotte.
Wat dat betreft is ‘t eigenlijk zonde dat ik zelf thuis nog niet te maken heb gehad met overmatig gebruik van mijn onderkomen door de fruitvlieg. ‘t Vindt altijd elders plaats.
Maar ik heb dan weer andere plagen.

Ik ben hier verantwoordelijk voor ‘t enigszins zindelijk achterlaten van dit huis straks. Zoals ik voor alles op moet draaien, want ‘t is hier net zo ‘rustig’ als in ‘t Amsterdamse, op 3 katten & 2 konijnen na dan (hoewel ik wel kort voor vertrek van huis heb geconstateerd dat er een pad in de kelder leeft & zo af & toe een muis boven ‘t systeemplafond, een enkele keer in een slof).
Dus zuiger ik ‘t stof hier, maar vooral ontvlieg ik ‘t fruit & andere zoetigheden.

Daar wordt een mens achterdochtig van. Bang dat ze de achteruitgang nemen, bijv. Want je denkt je best gedaan te hebben, alles langs te hebben gelopen, maar als je dan 5 min poogt te ontspannen van de aangerichte armageddon komt zo’n geluksvogel zichzelf even melden bezijdens mijn hoofd.
Dus zet ik de stofzuiger buiten. Onder een tafel. Ondanks die geïmproviseerde afdak evengoed niet als ‘t regent. Dit zijn nl niet mijn spullen. Een zekere verantwoordelijkheid dus.
Maar als de fruitvlieg dus een achterdeurtje tijdens de veelvuldig vallende regen weet te vinden verlies ik die andere verantwoordelijkheid uit ‘t oog.

Verwoed sla ik dan weer toe: ik & de stofzuigertuit met zuigkracht gericht & op volle kracht.
Wat er al voor heeft gezorgd dat ik een pen & een boterham- &/of vrieszaksluiter heb zien verdwijnen in ‘t gapend gat dat eigenlijk voor stof & vlieg is bestemd.
Dus als de bewoners straks terugkomen zal ik hen uit moeten leggen dat ‘t pennenparadijs ondanks de verdigitalisering nog steeds bestaat.

Hopelijk ver weg van Zijperspace, verweggistan voor fruitvlieggebroed.

Grensrust

Vlak over de grens richting Kranenburg ligt een onbestemd pad. Daar waar ik ga zitten is er geen weg verder meer. Hooguit 20 meter. Als ik die kant op kijk herinner ik me altijd de mensendrol die ‘t einde in geur markeerde. Verder moest je niet gaan, kon je niet gaan; de stank was overweldigend. Slechts een mens kon zo stinken. Maar dat wist ik pas toen ik ‘t wc-papier ontwaarde.

Toch kom ik er sindsdien steeds weer. Om op dat bankje te zitten, in de schaduw van wat overhangende elzen. Waar de Elzenhaantjes me als 1e insecten begroeten. Waarop ik vol hoop m’n telefoon pak om te zien wat er nog meer op de bladeren & bloemen leeft.
Aan zitten kom ik dan niet meer toe, als ik geluk heb. Af & toe loop ik terug naar de bank om een slok van m’n bier, ingeslagen bij de Rewe Getränkemarkt, te nemen om vervolgens 20 meter verderop nog een blaadje om te keren om te zien of die kromming in ‘t groen mogelijk een gal is waar een beestje huist.

‘t Is er saai. Vooral veld tot aan de einder, waarbij die is ingeperkt door rijen bomen aan elke zijde, zo te zien 1 rij dik. Geen bosschages te noemen.
Slechts zelden waagt een fietser tot hier te komen. Vorig jaar heb ik een stel heen gezonden die misnoegd hún vaste stek bezet zagen.
‘Sorry, 1 keer per jaar zit ik hier,’ in m’n beste duits.
Ze bleven ontevreden kijken, maar staakten uiteindelijk die strijd & keerden om richting hun balkon, parasol of misschien wel hun buren. ‘t Kon in ieder geval niet opwegen tegen deze plek, gespeend van passanten.

Nou ja, achter me, achter mijn rugleuning, voorbij ‘t watertje met beboming aan weerszijden, plus nog wat laag groeiend groen, daar rijden de auto’s. ‘t Verkeer dat de grenseconomie staande houdt. Brandstof & alcohol voornamelijk. Op de parkeerplaats in Kranenburg worden hele boodschappenwagens volgeladen met leeggoed, die je voor moet zijn als je niet een kwartier bij ‘t ‘Pfand’-apparaat wil staan wachten.

Eergister kwam er weer een fietsend stel terwijl ik voorovergebogen met m’n toestel in de aanslag stond.
‘Hé, verder kunnen jullie niet, hoor!’ liet ik hun weten.
‘Oja, ‘t stopt hier!’ zei de vrouw tegen haar achterop komende man.
In een oogwenk had ik mijn verleden verteld van mijn verblijf hier. 1 Keer per jaar. Dat ‘t een raar doodlopend pad was. Waarom ‘t hier zo rustig is. 4 of 5 Jaar geleden ontdekt. Dacht ik ook: ‘Hé, ‘t loopt dood.’ Maar sindsdien dus.
Maar dat van die drol de 1e keer, dat had ik niet hoeven vertellen. De mensendrol. Dat alleen mensendrollen zo konden stinken. Zo erg.

Ze keerden om.
‘Maar onthoud deze plek,’ voegde ik snel nog toe. ‘Een rustiger plek vlak over de grens zul je niet vinden.’

Ze namen een tot leven gewekte geur mee, weg uit Zijperspace.

Tepelvocht

Kiwi is van mij afhankelijk. Aandacht van de reeds langer aanwezige katten hoeft ze niet te verwachten. Zo zijn katten niet, zeker niet als ‘t niet de natuurlijke ouders zijn.
Bovendien tonen die 2 al geduld. In beperkte mate, zeker als we ‘t over Snoet gaan hebben, maar verder doen katten ‘t gewoon niet: geduld hebben of aanhankelijkheid tonen op volwassen leeftijd als ‘t niet voor eigen gewin zou zijn.

Dat zegt de niet-katliefhebbende mens in mij. Die tegelijk wel een beetje te doen heeft met de kreten van aandachtvragen van Kiwi.
Die dan natuurlijk vooral gericht zijn op mij, al moeten we ‘t geluid dan vooral vertalen naar ronken of spinnen. Ik ben haar plaatsvervangende soortgenoot. Misschien haar plaatsvervangende moeder.
Hoewel ik ook aan dat laatste twijfel, want ik ruik doorgaans niet zo poezerig. Met bovendien een geringe dosis vrouwelijke hormonen.

Maar Kiwi doet haar best mij poezerig te laten ruiken. Ze bespringt me, ze bijt me, ze zet haar nagels in m’n huid (heus, ‘t doet allemaal niet al te zeer, tenzij ik er van schrik), zodat ze nu een reden heeft om me plaatsvervangende moeder te noemen.
& Met dat instinct, de moederzoekende met sporen van haar eigen reuk over mijn lichaam verspreid, heeft zij mijn tepel gevonden. Dwars door mijn T-shirt heen.

Ik had ‘t pas door toen ‘t te laat was: haar pootjes met elk bijbehorende 5 nagels begonnen zich te spannen, te ontspannen, uit te strekken, in te trekken, etcetera, terwijl haar mond zuigende bewegingen maakte.
Ik had dat overigens te laat door. Was druk bezig met een boek. Zoals je doet als je op vakantie bent, ook al is ‘t dan een oppasverblijfplaats (met 3 katten plus 2 konijnen), waar geen huur voor betaald hoeft te worden. Verandert niets aan ‘t concept ‘vakantie’, toch?

Maar toen ik enigszins afgeleid was door wéér die nagels in die toch ook bij mannen enigszins gevoelige zone, toch even naar beneden keek, ietwat lager dan de horizon van met letters gevulde boek, bemerkte ik dat mijn tot matige proporties geschapen tepel aan rechterzijde (kijkers links), als ik ‘t vergelijk met de vrouwen die ik zoal meegemaakt heb met naakt torso redelijk klein geschapen genoemd kan worden, doorschijnend nat omgeven was door een zuigvlek op mijn shirt.

Toen heb ik dat kleinood met 1 hand weggesmeten. Nou moest ze ophouden met haar adoraties. Ik moest ook een normaal leven kunnen leiden op dit vakantieadres, gespeend van zuigvlekken die me nog meer van straat zouden houden.

‘t Is al nat genoeg in ‘t buiten van deze tijdelijke Zijperspace.

Coachtalk

Ze zei me dat ik dat dan maar eens moest proberen.
Ik knikte amechtig, vertwijfeld, niet krachtig. Maar was vooral druk doende alles te onderdrukken dat de vorige keer bij ‘tzelfde onderwerp boven was gekomen.

Kort & goed: dat onderwerp is dít! Waar men nu naar kijkt, wat geschreven staat, & niet verloren mag gaan. Dat ‘t onherroepelijke definitief grenzeloos lang blijft. ‘t Onoverzichtelijke in mijn hoofd geordend wordt, op wat voor discutabele manier dan ook, als er maar een vorm komt, ergens ingegoten wordt & substantie krijgt.

– Hoe of ik dat dan zou doen…
– Er een vorm aan geven, een onderwerp.
– Mensen die je ontmoet… Gesprekken die je hebt…
& Nog wat meer stimulans mij te laten antwoorden, antwoorden te vinden.

Ik zei dat ik niet kon navertellen wat ik had meegemaakt, conversaties van mensen, mijzelf incluis, kon citeren. Dat ik er achter was gekomen dat mijn geheugen niet op die manier werkte, hoe graag ik ‘t ook wilde.
& Ondertussen kwam de conversatie terug na een avondje Kolonisten met mijn collega’s. Hoe ik Fret uitlegde hoe een slipje werkte dat lusjes als een tanga had. Waarom ik ‘t toen wel had gekund.
Ik liet dat achterwege. Weer uitweiden, verhalen lang maken, weg van de essentie.

Ik zei dat ik bij onbenulligheden moest beginnen. Wat me overkwam, waar ik me mee bezig hield.
Niets bijzonders. Dat niets bijzonders vanzelf zichzelf zou ontstijgen. Als je jezelf maar blijft herhalen & daar variatie in probeert aan te brengen. Niet te groot, noch klein, maar m’n denkende typevingers weer moest trainen in ‘t onverwachte, in de hoek om lopen, de trap op gaan, een slechts voor blinden zienbare glimlach tonen.

Dat alles zei ik niet. Niet zo.
Maar m’n coach lachte haar lach van begrip. Dat moest ik dan maar doen.

Ziedaar, dit is Zijperspace, waar men toch al niet meer weet welke woorden zijn gezegd.

Colditz

Ik weiger structureel Nijmegen te zeggen, hoewel er een stijgende lijn zit in ‘t gebruik van de naam van de stad. Uit angst dat men mij niet begrijpt. Dat kruipt soms in de kleine dingen. & Ik verlies mijzelf soms in me verbeelden misschien wel te weten wat andere mensen denken, weten of op prijs stellen. Wat er uiteindelijk toe leidt dat ik me conformeer.

3 Weken zit ik hier. 3 Poezen, 2 konijnen.
De laatsten doen momenteel de gevangenen in Colditz na. Tenminste, die de mislukte ontsnapping via een tunnel probeerden. Ik heb de overtuiging dat ‘t de konijnen hier in Lent ook niet gaat lukken. Ik zie immers wat ze aan ‘t doen zijn. Ze doen wel stiekem, maar dat komt allerminst overtuigend over. Ook gezien de grote hoeveelheden zand waar hun verblijf ondertussen mee is opgehoogd.

Van de 3 poezen is er 1tje nog heel jong. De naam Kiwi past ook wel bij haar. Niet omdat ze er groen & fruitig uitziet (de mogelijkheid dat de normale bewoners daarom voor deze naam hebben gekozen komt me plots heel plausibel voor), maar meer omdat ‘t gevoelsmatig iets springerigs & onverwachts voor mij heeft. Woorden, namen, kunnen soms iets anders uitstralen dan waar ze oorspronkelijk voor bedoeld zijn.

Kiwi heeft dat. Ze wil bijvoorbeeld weg uit dit huis. Kijken wat de grotere wereld is waar haar 2 soortgenoten zo veel mogelijk in verblijven. Hier, in dit huis, doen ze niets anders dan eten & slapen. Maar zelfs dat proberen ze zoveel mogelijk buitenshuis te doen.
Des te meer ‘t me lukt om ze superplus voedselrijk katteneten te voeren, des te meer vogels ik hier waarschijnlijk in de buurt zal horen kwetteren.

Toch wil Kiwi ooit worden zoals zij. Ze zit nu op de smalle rugleuning van een stoel te staren naar ‘t grote hemelsblauwe luchtrijk gat dat boven ‘t schot schijnt in een poging haar te verleiden tot een leven dat ik nog niet wil laten.

Ik doe ondertussen een plantenspuit na, heb ik gister de normale bewoners laten weten. Niet erbij verteld dat dit dient om haar af te leiden van mijn dure veters in kwaliteitswandelschoenen, haar rondbanjeren over de eettafel waar ze alles interessant vindt ruiken, haar te behoeden van giftige planten & bovenal haar te weerhouden van een verder groeiend verlangen ‘t ‘buiten’ te verheerlijken. Dat gat boven ‘t schot (dat doorgang aan de grote katten geeft & haar gevangen houdt), die blauwe buitenlucht dat daarmee interessant schijnt, waar plots iets eetbaars voorbij zou kunnen vliegen, waar ze nu gelukkig nog geen weet van heeft.

Al boeken lezend wieg ik haar op m’n deinende borst straks met mijn ademhaling wel weer in slaap.

Voor de rest niets slaapverwekkends in Zijperspace.

De Roofvliegen van het insectenluchtruim


Foto: Piet de Boer

De vroege Roofvlieg was de mens ver vooruit toen hij misschien wel zo’n 120 miljoen jaar geleden de uitkijktoren uitvond. Het in Brazilië gevonden fossiele exemplaar bezat al veel van de kenmerken van de huidige vertegenwoordigers en had derhalve wel een goed uitzicht nodig om zijn maaltijd in de omgeving bij elkaar te vangen. Maar zijn nazaten, vooral diegenen die zich niet gingen specialiseren in de overzichtelijke zandgronden, hadden nog wel miljoenen jaren geduld nodig om van de schouders van mensachtigen te kunnen profiteren bij het scannen op prooien in de omgeving.

Niet dat deze insecten zich daar bewust van zijn: ze vinden zo’n boven het landschap rechtopstaand uitstekende gestalte, doodgemoedereerd druk bezig om in deze tijd van het jaar in de hitte een zonnescherm in het hete Amsterdamse Bos (de enige plek in de buurt van Amstelveen om enkele soorten te kunnen spotten) op te zetten, gewoon vanzelfsprekend handig om overzicht te krijgen over welke lekkere hapjes het niet kunnen laten in zijn nabijheid te gaan bewegen. Gewoon laten zitten die Roofvlieg, mocht het je tenminste opvallen in zo’n situatie: zo’n vlieg doet geen mens kwaad (hooguit als je hem bedreigt en mogelijk lastig gaat vallen kan het uitlopen in een akelig scherpe steek). Terwijl het beestje daar zit, vol in de zon, laadt het zich op en krijgt weer genoeg energie om een volgende vlucht te ondernemen als er een vlieg de euvele moed heeft te gaan bewegen. De onnozelaar kan in die actie plots onderbroken worden doordat de Roofvlieg het met een zekere accuratesse en timing uit de lucht plukt.

Ze houden van deze tijd van het jaar. Heet, en dan liefst nog wat heter op zonovergoten vlaktes. Vandaar dat veel soorten zich hebben gespecialiseerd in zandvlaktes. Dan hebben ze weliswaar lage oneffenheden als graspolletjes, takken of koeienvlaaien als uitzichtpost tot hun beschikking, maar weinig schaduw levert extra veel zonne-energie op. Enkele soorten gedragen zich als moderne versies van zonnepanelen: ze kantelen hun lichaam met de stand van de zon mee. Ook met die innovatie was de mens rijkelijk laat.

Roofvliegen zijn de piraten van het insectenluchtruim, waarbij het vrouwtje er ook niet onderuit komt een baard te moeten dragen. En waar je bij een zeerover een stereotiepe pijp zou verwachten, zit bij de Roofvlieg zijn steeksnuit. Daar zuigt het zijn slachtoffers helemaal mee leeg. Waarna een volgende sessie wachten volgt op zijn uitkijkpost hoog in de nok van misschien wel een onbenullig mens.

Altijd een zwak voor Roodbaard gehad in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Beddenpislikeur

Sinds 1906 is de Paardenbloem een waardeloze plant. Dat is te danken aan Hendrik Heukels, die bekend staat als de man achter de Beknopte en de Geïllustreerde Flora voor Nederland. Toen hij bezig was een boek met Nederlandse plantennamen samen te stellen moest hij uit de overdonderende hoeveelheid aan benamingen een ‘officiële’ kiezen. Daarbij koos hij om deze in Nederland wijdverbreide plant gelijk te stellen met ‘Paarden’kastanje: ‘niet eetbaar’.
Blijkbaar had hij de benaming Molsla overgeslagen, verwijzend naar de geelgekleurde bladeren die men onder molshopen kon vinden en goed, want niet té bitter, eetbaar bleken. Maar goed, dat was armenvoer en wellicht werd van deze maaltijd niet gebruik gemaakt als men rijk en geletterd was. Ook in Leningrad werd tijdens de Tweede Wereldoorlog de Paardenbloem ingezet om bij gebrek aan groenten het vitaminetekort te bestrijden.
Men zou kort door de bocht kunnen zeggen: de Paardenbloem heeft er gedurende de eeuwen voor gezorgd dat armoe kon blijven bestaan en dat er tegenwoordig nog steeds veel Russen zijn. Wat betreft vitaminen scoort Paardenbloem anderhalve keer zo hoog als de nummer twee op de vitamine-A-topscorelijst van groenten.

Maar aangezien we in Nederland over het algemeen rijk genoeg zijn, kunnen we net zo goed minder gezonde dingen doen met deze plant. Wat zou je zeggen van het maken van koffie (die er niet als koffie uitziet, maar wel lekker naar noten kan smaken) door de wortel te drogen, te roosteren en vervolgens te vermalen. Dan zal men wel tot de herfst geduld moeten betrachten met het opgraven ervan en tegen die tijd is men dit verhaal alweer kwijtgeraakt in de krantenbak.
Het maken van bier met behulp van de bloemen is veel gedaan in Engeland (Dandelion Stout) en in België werd de microbrouwerij Fantôme onder liefhebbers beroemd door zijn jaarlijkse Pissenlit (Frans voor ‘beddenpisser’ oftewel: Paardenbloem). Ook dit is echter niet iets om thuis in Amstelveen te doen.
Mocht men echter nog een veldje dat welig tiert met Paardenbloem weten te liggen, schaf dan twee vrienden en twee lege flessen plus één fles wodka aan. Schenk in elke fles een gelijke hoeveelheid van de drank en vul de rest op met de bloemen. Zo min mogelijk groen: dat maakt het bitterder. Als bij het bloemenproppen op een gegeven moment het vocht de fles uit wil draait men de dop er op. Vervolgens thuis de fles goed schudden en donker wegzetten. Eventueel kan men ook nog wat sinaasappelschil toevoegen, maar de daadwerkelijke afwerking vindt plaats na twee weken als de smaak van de bloem de wodka in is getrokken: zeef de bloemen er uit en voeg zo’n 100 gram suiker toe en roer tot de suiker is opgenomen.
Nodig vervolgens uw vrienden weer uit voor een gezellig avondje Beddenpislikeur.

Als ze maar niet komen pissen in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Dennenprocessierups

Ondertussen weet heel Nederland wel dat brandharen van vlinders niet bepaald iets is om naar uit te kijken. Menigeen heeft inmiddels kennis gemaakt met de jeuk die de Eikenprocessierups daarmee kan veroorzaken. Om nog maar niet te spreken over andere overlast, zoals bijvoorbeeld ademhalingsproblemen, die een gevolg van die haren kunnen zijn.
En dan is de Dennenprocessierups ook nog in de aantocht: die nadert ondertussen de grens tussen Frankrijk en België. Met nog meer haartjes (miljoenen!) op z’n rupsenhuid een nog jeukender vooruitzicht dan de eikenversie.
En dat zijn niet de enige brandhaardragende rupsen in Nederland.

Van de Bastaardsatijnrups valt echter in Amstelveen niet veel te vrezen. Veel van de jeuk veroorzaakt door deze vlinderlarve ziet men vooral in de omgeving waar duindoorn groeit. Dat plantje, die men veelvuldig aan de kuststreek kan vinden, schijnt deze rups lekker te vinden tot het moment dat hij besluit zijn vleugels uit te slaan. En tijdens die tocht richting volwassenheid, weg van zijn oude stek, vindt de ontmoeting met badgasten plaats met niet alleen door zon gebrande huiden tot gevolg.
Dan is er ook nog de Plakker, die vooral van loofbomen en struiken houdt. Ook van deze vlinder zouden de rupsharen jeuk kunnen veroorzaken, maar dat zou nog best mee kunnen vallen, want dit komt zelden in het nieuws. Hooguit wanneer mensen de rups verwarren met de Eikenprocessierups.

Recent is een natuurlijke vijand van drie van bovenstaande vlinders (plus de net in Limburg gearriveerde Bruingemarmerde stinkwants) ontdekt in eitjes van een Eikenprocessierups: het kleine bronswespje Anastatus bifasciatus, helaas nog zonder Nederlandse naam. Daarbij is geconstateerd dat het alleen maar om mannetjes van deze ei-parasiet ging. Aangezien mannetjes minder groot zijn dan vrouwtjes van deze soort, wordt vermoed dat vrouwtjes van deze wesp alleen geboren worden uit geparasiteerde eitjes van de Bruingemarmerde stinkwants dan wel de Plakker.
De hoop voor Amstelveen is dus dat de in het zuiden des lands wonende Plakker net als de Bruingemarmerde stinkwants langzaamaan richting Noorden trekt. Daarbij worden deze plus dat kleine bronswespje waarschijnlijk vergezeld van de Dennenprocessierups die net als de Eikenprocessierups kan zorgen voor de kleine bronswespmannetjes. En vervolgens kunnen die mannetjes de vrouwtjes bevruchten die uit de Plakker- dan wantseitjes tevoorschijn komen.

Een ingewikkeld verhaal wellicht, met vier verschillende organismen die op trektocht naar het Noorden zijn, maar misschien dat men er minder jeuk van krijgt nu men weet hoe dat hopelijk bestreden gaat worden door kleine helden en heldinnen uit het zuiden.

In Zijperspace begint ‘t al te kriebelen bij ‘t gebruik van ‘t woord jeuk.

(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Daslook- of Look-zonder-looktapenade?

Wil men weten waar een belangrijk ingrediënt te vinden is voor het bereiden van tapenade met zelf geplukte daslook, dan zou men heel simpel kunnen kijken waar twee verschillende zweefvliegen in Nederland worden waargenomen. Het zijn beiden zogenaamde ‘Gitjes’, kleine zweefvliegen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van dezelfde plant. De ene, het Vroegste gitje, verraadt wel heel gemakkelijk de groeiplaats van de plant, op loopafstand van Amstelveen: in het Amsterdamse Bos, waar de officieel in Nederland nog steeds zeldzame Daslook op veel plaatsen welig tiert.
Je zal het Vroegste gitje niet makkelijk op de plant zelf vinden, tenzij je het voedselspoor van de larve in het blad aantreft: witte vlekken op/in verder groene bladeren. Dat gaat er meteen minder smakelijk uitzien.

De andere zweefvlieg, het Daslookgitje, wordt verder weg van Amstelveen waargenomen en deze larve geeft de voorkeur aan de wortel van de plant. Dat is de reden waarom deze zweefvlieg in net wat warmere tijden actief is: het blad is rond die tijd namelijk al aan het verwelken. Maar als je op Waarneming.nl een kaartje tevoorschijn haalt van haar verspreiding weet je evengoed waar de plant groeit.

In Duitsland kan je Daslookbladeren in winkels kopen, in Nederland kan je niet anders dan plukken wil je lekkere daslooktapenade bereiden. Naast een goede mixer heb je dan ook nog wat op laag vuur bruinig gebakken pijnboompitten (kan je ook vervangen door bijvoorbeeld walnoten) nodig, wat olijven en een beetje zout en peper. Maar laat de knoflook vooral zitten: de bladeren hebben genoeg lookgehalte.
Maar, en dit is een hele grote ‘MAAR’, dit kan je beter niet in deze tijd van het jaar doen, ook al ziet de Daslook er nog zo verleidelijk uit met haar prachtig witglanzende bloemen. Zo gauw de plant namelijk gaat bloeien worden de bladeren giftig en dat kan vervelende gevoelens in de darmen veroorzaken met bijbehorende langdurige stoelgang.
Nee, dan kan je beter voor de plant Look-zonder-look kiezen. De naam zegt het al: het mag dan wel naar knoflook ruiken, maar dat zit er niet in. Het groeit ondertussen volop, vaak langs de kant van paden en wegen in de buurt van Hondsdraf en Gewoon nagelkruid. Pluk niet te veel bladeren van één plant, maar van gezond ogende planten 1 of 2, zodat ze jouw lekkere trek kunnen overleven. Voeg voor de smaak ditmaal wél knoflook toe, bij gebrek aan de veel zeldzamere look van de Das.
En voor het consumeren nog even een gebedje voor de nog zeldzamere twee Gitjes.

De voorraad is ondertussen alweer lang op in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Drempel

Ik ben bezig de keuken te betreden, geheel in gedachten met mijn doel, & heb bij 1 plus een kwart (een ‘¼’ zou ik dat ‘t liefste schrijven schiet mij een moment later te binnen; wel… beter gezegd 2, misschien wel 3 momenten erna komt de realiteit van m’n gedachtenstroom mij te binnen) ontwakend realiteitszin door dat ik bezig was te onderzoeken hoe lang ‘t duurt voordat ik er nou eindelijk eens gewend zou zijn dat ik de lichtknop voor de aanfloep van de tl zou kunnen gebruiken om mij te distantiëren van een 3-dimensionale braille-loop.
Dat laatste: alles aflezen uit wat je weliswaar niet kan zien, maar wel met de rest van de zintuigen kan ervaren om te weten waar je bent & wat & waar ‘t hoe ligt in welke geestelijke toestand dan ook, al dan niet in woord uit te drukken beschrijvingen.

Dat is genoeg verantwoording ter verdedeging van een mogelijk zelf ingebouwde valkuil.

Om de leesbaarheid dus wat te vergroten: 1½e stap dus & voor ik me realiseerde dat ik, wellicht onbewust, aan ‘t bijhouden was dat ik moest wennen aan de lichtknop die weer een helder zicht in de keuken kon veroorzaken.
De dag na de installatie van een minstens 20 jaar op zich laten wachtende vervanging van de lamp beweerde ik al stoer dat ik wel even moest wennen, maar aan ‘t eind van de avond er gelukkig, schijnbaar routineus, aan gewend was geraakt.
De volgende dag wist ik dat ik een oude conservatieve eikel was geworden die zich met dogma’s, routine’s & nog een 3e reden (want als je iets zegt kan je dat beter in een trio oplepelen, als voor de luisteraar of lezer goedbedoelde & aandachttrekkende stijlvorm & tegelijkertijd een handreiking om de aandacht makkelijker vast te houden) mezelf had proberen te overtuigen dat ik nog net zo jong was van geest als…
Ach, men weet wel.

De volgende dag moest ik weer bij nul beginnen.
Ik dacht bij die opfloepende (hoor de echo van een eerder gebruikt woord) gedachte nog: dat aantal had ik liefst als ‘0’ geschreven, maar van dat streven uit mijn (schijnbare) jeugd snapt momenteel toch niemand iets. Want de jeugd is oud geworden & vindt vousvoyeren hun allerliefste hobby om voor mij onbegrijpelijke redenen.
Ik was inmiddels alweer vergeten dat om de hoek van de keukendeur een knop zat die zijn oude functie aan ‘t heruitoefenen was. Mijn onderzoek dat ik gelijk daarmee had ingesteld incluis. Dat duurde tot halverwege mijn keuken.

Ziedaar ‘t 1e onderzoeksresultaat. Aan ‘t eind van de dag aangevuld met een continue balkendiagram met slechts een enkele uitzondering omhoog & na 3 bier des avonds plots een uitzonderlijk dipje toen mijn dorst zo groot was voor nog een 4e dat de balk slechts de drempel van de keukendeur wist te vinden, maar zich daardoor niet liet weergeven in mijn denkbeeldige balkenstatistiek.

Dit is inmiddels al iets meer dan 2 weken geleden. Wilt u op de hoogte blijven van verdere ondervindingen, gelardeerd met aannemelijke conclusies van iemand die tijdens de studie een semesteruitstapje met daarbij een stukje verplichte psychologiestatistiek had besloten nooit meer iemand behalve zichzelf in cijfers te zullen uitdrukken, dan zult u even geduld moeten hebben wellicht. Ik heb nl inmiddels gemerkt dat ‘t onderwerp, wil ik ‘t naar waarheid kunnen staven, uitzonderlijk veel woorden nodig heeft. Dit zou er zomaar voor kunnen zorgen dat ‘t minder over ‘t gebruikelijke onderwerp zal gaan, in casu: mij, maar slechts afleidend over die drempel die mij & mijn lichaamswarme prettige leefomgeving (huiskamer) doet scheiden van mijn ‘s avonds zeer aantrekkelijke bierreservoir.

Ik hoop derhalve dat ik later een volgend stuk voor zal kunnen leggen over hoe de knop van de in herbruik zijnde tl-locatie z’n oude functie in mijn ondanks disfunctioneren van mijn brein in de loop der tijd heeft weten te hervinden & dat dit inzicht zal geven over de verloedering van de menselijke geest, hoewel, dat moet ik eerlijk bekennen, de staafdiagrammen van de jongere jaren reeds zijn vervluchtigd.

Dat men weet wat de stand van staven momenteel is in ‘t altijd verlichte Zijperspace.