vecht (2)

‘We zullen moeten doorlopen tot Vreeland,’ zeg ik, ‘er is geen brug richting Nederhorst den Berg.’
‘Dan gaan we daar wat drinken,’ zegt Rachel.
‘Blijken daar straks ook, net als in Nigtevecht, alle cafés gesloten te zijn.’

We lopen & praten door.
‘Ik vind ’t de laatste tijd een beetje zinloos,’ zeg ik, ‘heb je allerlei dingen in je leven gedaan, maar aan ’t eind weet je je er niks van te herinneren.’
‘Alles eindigt uiteindelijk in niets. In een moment dat er niets over is van alles dat daarvoor heeft plaatsgevonden. Maar dan vind ik nog wel dat ’t zin heeft om ’t meegemaakt te hebben.’
‘Maar wat heeft ’t dan voor zin dat ik een keer over prikkeldraad ben geklommen, maar me dat alleen maar kan herinneren als ik voorbij datzelfde punt loop?’
‘Nou, je hebt ’t meegemaakt. Dat is genoeg.’

In Vreeland steken we de Vecht over, op zoek naar een café. ‘t 1e Dat we tegenkomen is een snackbar annex cafetaria. Op de deur prijkt de mededeling: Alleen op vrijdag geopend.
‘Hoe verdienen de mensen hier hun geld, als ze alleen maar op vrijdag tot leven komen?’
We lopen door een smal straatje, waar, aan ’t eind, een dame haar goed staat uit te kloppen. Ze staat enkele meters boven ons, in de raamopening op de 2e verdieping.
‘Mevrouw,’ vraag ik, ‘is er hier in ’t dorp misschien ook een café dat open is?’
‘Als je hier naar rechts gaat & dan de 2e weer naar rechts, dan kom je bij ’t Pannenkoekenhuis. Daar kan je misschien wat drinken. Als je perse een café wilt hebben, dan moet je die 2e rechts negeren.’
‘Dankuwel.’
We lopen de hoek om.
‘Ik vond haar wel iets van een bediende hebben,’ zegt Rachel.
‘Ik moest onmiddellijk denken aan Saartje, van Swiebertje,’ zeg ik.
We horen nog wat achter ons. We kijken om. ‘t Dienstertje uit Swiebertje steekt boven de zojuist gepasseerde struiken uit, nog steeds in de raamopening met ’t beddengoed.
‘’t Pannenkoekenhuis is in ieder geval open,’ zegt de dienster vanuit ’t raam, met lichte stemverheffing.
‘Jemig, wat reikt ’t geluid hier ver,’ zegt Rachel.
‘Dat moet ook in een dorp waar nooit wat gebeurt, & cafés zelden open zijn.’

Even verder staren meisjes vanuit hun kamer naar ons als we passeren. Op ‘t open raam zit nog een poster van Jamai geplakt.
‘Waren jullie voor Jamai?’ roep ik.
‘Jaaah,’ roepen ze enthousiast.
‘Ik vond Jamai niks. Ik vond Jim veel beter.’
Hevige consternatie in de meisjeskamer. Ze roepen ons dingen over Jamai na. Dat Jamai veel beter was. Wij lopen verder. Ze blijven roepen totdat we de hoek van ’t Pannenkoekenhuis om zijn gegaan.

‘Zullen we ook maar een pannenkoek nemen dan?’ vraagt Rachel.
‘Dat heb ik al jaren niet gedaan.’
‘Ik trakteer.’
‘Een pannenkoek is wel groot, hè?’
‘Ik neem een kinderpannenkoek met kaas.’
‘Da’s wel een goed idee. Neem ik een kinderpannenkoek met spek. Meer kan ik waarschijnlijk toch niet op.’

‘Eten kinderen zo’n hele pannenkoek op?’ vraag ik na afloop aan de serveerster.
‘Ja, hoor,’ antwoordt ze, ‘misschien niet met kaas; die vult wel heel veel.’
‘Oh, maar dan eten zij dat natuurlijk als maaltijd. Wij eten ’t als tussendoortje.’

We lopen via de brug over ’t Amsterdam-Rijnkanaal naar Loenersloot. De serveerster heeft uitgelegd dat ’t nog minstens 2 km lopen is voordat we daar een bushalte zullen vinden. Onderweg laten we omstebeurt een boer.
‘’t Was wel lekker, hè,’ zeg ik.
‘Heerlijk.’
‘Volgende wandeling duiken we meteen een pannenkoekenhuis in als we er 1 tegenkomen.’
Een uur later herinnert een oprisping van pannenkoek met spek & stroop me nog aan onze avonturen in Vreeland.

& Zolang Zijperspace blijft bestaan, herbeleven we avonturen.

vecht

‘Je moet bij honden altijd maar denken, van die honden, bedoel ik dan, die van ’t erf wild blaffend op je af komen rennen; je moet bij dat soort honden altijd maar denken: ze gaan niet verder dan hun eigen territorium. & Hun territorium gaat meestal niet verder dan ’t hek. Waar de oprit ophoudt, zeg maar. Da’s wel belangrijk als je aan ’t wandelen bent in een gebied waar je veel boerderijen passeert.’
‘Oh, wat schattig,’ zegt Rachel iets later.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Dat hondje.’
Ik kijk even wat beter de woonboot in.
‘Vind je ’t niet schattig?’ vraagt Rachel.
Inderdaad ligt ’t kleine witte hondje er heel mooi voor pampus bij, midden op de fauteuil van de grote baas.
We zijn nog niet uitgekeken op ’t snoezige hondje of er weerklinkt woest geblaf voor ons. Op ’t erf van een boerderij tegenover de Vecht staat een hond ons wild toe te blaffen. Als we ondanks ‘t afschrikwekkende effect ervan toch door blijven lopen, besluit-ie op ons af te stormen.
‘Dit is een hond die niet echt een territorium heeft,’ leg ik uit. Opofferend steek ik m’n hand uit, zodat de hond verkennend m’n hand kan betasten met z’n neus. ‘Waarschijnlijk zwerft deze hond veel meer over ’t terrein rond de boerderij.’
Tot m’n grote opluchting steekt de hond z’n neus in m’n handpalm & loopt-ie vervolgens voor ons uit. Alsof-ie ons de kortste weg van zijn terrein af wil wijzen. Bij de brievenbus van de volgende woonboot aan de Vecht ruikt-ie hoe ’t met de buren gaat & laat-ie ons in de steek.

‘Kijk, als je dit soort wandelingen maakt, moet je heel vaak over stukken weiland waar koeien in staan. Ik heb ‘ns een wandeling om ‘t Naardermeer gemaakt, tenminste, dat was de bedoeling, toen moest ik ½erwege plots door een stuk land waar een 10-tal koeien stonden te grazen. Ik ben teruggekeerd & heb dáár,’ ik wijs naar de andere kant van ’t water, ‘aan de overkant van de Vecht, de tocht naar Weesp gemaakt. Ik had geen zin om via die koeien nog in Bussum terecht te komen.’
‘Ik denk dat ik ook niet langs koeien zou durven lopen,’ zegt Rachel.
‘Ik ben er zelf ondertussen geloof ik wel overheen. Afgelopen zomer in Engeland moest ik een paar maal langs koeien & met een stok in m’n hand durfde ik ’t wel aan. Koeien zijn banger dan de mens, dacht ik de hele tijd maar. & Ondertussen scheet ik in m’n broek.’

‘Maar ’t is vooral een kwestie van weten waar je loopt. Je moet eigenlijk op 3 dingen letten. Ik let in ieder geval op 3 dingen als ik loop. Anders houd ik ’t niet vol.
Ten 1e moet je zorgen dat je zoveel mogelijk op ’t midden van ’t pad loopt. Want in ’t midden is ’t pad ’t meest vlak. Da’s beter voor je voeten. Als je de hele tijd langs de zijkanten loopt worden je voeten onevenredig belast. Krijg je last van.
Dan moet je zorgen dat je altijd zoveel mogelijk afsnijdt. Afsnijden is een sport. ’t Gaat er misschien om dat je de hele wandeling maakt, maar dan wel via de kortste route. Nooit een stap te veel afleggen.
& Vooral als ’t heet is, je weet dat ik niet zo goed tegen de hitte kan, als ’t heet is & de zon schijnt fel, dan moet je zorgen dat de zon zo min mogelijk op je lichaam schijnt. Altijd in de schaduw proberen te lopen dus. Elke keer zoek ik dan naar de meest schaduwrijke kant van de weg. & Die probeer ik te vinden via ’t midden van de weg, liefst op een manier dat ik een zo groot mogelijke afstand van de gehele route afsnijd.
Moet je allemaal om denken.’
‘Ik heb ’t allemaal precies andersom,’ zegt Rachel.
‘Wat?’ vraag ik.

& Men liep door in Zijperspace.

gebakken

Ik heb ’t gebakken eitje herontdekt. Ik wou ’t gister nog aan Jeroen van m’n Delicatessen bekennen, dan had ik kunnen verklaren waarom ik niet zoveel bij ‘m kocht, maar m’n hoofd deed ’t me niet herinneren toen ik daartoe de gelegenheid had. Dat heb je soms wel ‘ns. Zal je zien dat ik volgende week door hem verwelkomd word met de mededeling: ‘Zo, dus jij hebt ’t gebakken eitje herontdekt.’
Ik weet van mezelf dat ’t iets tijdelijks is. Ik ben nou 1maal afhankelijk van vernieuwing, zeker als ’t mijn ontbijt & lunch betreft. De dagen mogen niet te veel op elkaar lijken, zeker niet in de vorm van dat wat ik in m’n mond stop. Daarom eet ik er ook altijd maar 2 met gebakken ei. De overige 4 boterhammen worden met paté of salami belegd. Of iets anders, als ’t maar afkomstig is van m’n Delicatessen.
’t Is een heerlijk ritueel, heb ik ontdekt. ’t Is niet alleen dat de gebakken eieren redelijk vet (al ’t vet is lekker, is 1 van m’n deviezen, dit telkens weer tot grote ontsteltenis van mijn darmhuishouding) m’n mond in schuiven, ’t is ook de rust die over me komt als ik plakjes ontbijtspek afsnijd, boter laat smelten, eieren breek, plakjes kaas schaaf. Onderwijl bedenk ik dan of een gebakken tomaatje er wellicht bij past, misschien wat extra peper, een teentje knoflook, of anders wat bieslook. Ik laat de zon door ’t keukenraam schijnen, observeer de takjes verzamelende merels, mors gloeiend heet theewater over m’n sokken, ik maak er een kliederzooi van, ruim ’t ook weer op, hoewel de koekenpan 3 dagen later met gestold vet teruggevonden wordt, & vermaak me kostelijk. Dat is: in alle rust laat ik alles over me heen komen, maar dat slechts op dagen dat ik er ook de tijd voor kan nemen.
& Wat ’t ook is: ik heb ’t idee dat je minder uit je mond stinkt als dat je een gekookt eitje tot je genomen hebt.

Zodat men ’t idee krijgt dat iedereen met graagte luistert naar wat er gezegd wordt in Zijperspace.

flaming (2)

We mochten meezingen, zo probeerde hij ons duidelijk te maken vanaf ’t podium. We moesten ons eens lekker laten gaan. Want ook al speelden zij ‘tzelfde repertoire avond aan avond, ze probeerden er toch een feestje van te maken. Een feestje voor ons, hier in Amsterdam, hier in de Melkweg.
Ze hadden ballonnen meegenomen & in de zaal rond laten gaan; de zanger gooide regelmatig met confetti, zwaaide met een looplamp om z’n hoofd; & bovendien hadden ze zeker niet onaardig ogende meisjes aan beide flanken geplaatst, gekleed in levensgrote dierenpakken.
We zouden mee moeten zingen. Dat werkte bevrijdend. We zouden zien hoe heerlijk ’t gevoel zou zijn als we met z’n allen hardop met de tekst meezongen. Luid. Luidkeels. Ook al zouden we de regels niet allemaal uit ons hoofd kennen (de buurman zou dat toch niet merken door ’t lawaai), dan nog zou ’t bevrijdend zijn om met z’n allen de zaal te vullen met ons gezang.
Iedereen lachte. Nog nooit zo’n leuke preek gehoord om de mens te bewegen tot zingen, leek men te denken.
& De muziek begon. Op de achtergrond speelde een clip; de ballonnen werden ijverig door de zaal heen & weer geslagen; de olifant, de haan, de eend, de kat, de aap: ze begonnen allemaal te dansen.

Klik maar op 't plaatje, dan gaat de muziek vanzelf wel spelen (mits men in 't bezit is van de juiste programma's). & Als er genoeg verzoeken hiervoor zijn, wil ik dit nr desnoods wel vervangen voor de allermooiste van the Flaming Lips. Maar 1st zal men 't enkele dagen moeten doen met deze uitvoering.
(link niet meer beschikbaar)

Ik zong niet mee in de kerk. Net als m’n broer. Dat wilden we niet meer. We schaamden ons dood als iemand ons zou zien zingen. Stel je voor dat iemand ons betrapte op een valse noot. Of de baard die in de keel zat.
Stijf zaten we in de kerkbank. ’t Misboekje naast ons. Ook daarvan mocht niet gezien worden dat we die in onze handen namen. We kregen af & toe een stoot van Pa of Ma om ons ertoe te bewegen met aandacht bij de mis te blijven. Kregen we ’t boekje weer in onze handen gedrukt. Een vinger wees naar waar we gebleven waren.
‘Zing nou toch ‘ns mee,’ siste m’n moeder zacht.
We knikten nurks, hielden ’t boekje even vast, om ’t weer opzij te leggen zogauw de ouders zelf de mis probeerden te volgen.
Als we in de gaten gehouden werden, bewogen we onze lippen licht. Alsof we geluid uit onze monden probeerden te laten komen. We hoopten dat Pa of Ma niet in de gaten had dat ’t slechts lucht was. Dat was ook de reden dat we niet naast ze wilden zitten (’t liefst stopten we een jonger broertje ertussenin); dan hadden ze de schertsvertoning eerder door & kon je een knijp in je zij verwachten. Soms pakte Pa de dichtstbijzijnde hand vast & kneep ‘m fijn. Dan moest je wel zingen. Met een chagrijnige kop deden we mee met de rest van de kerk. Zo’n kop zou God vast niet goedkeuren.

Ik hoorde 2 plaatsen van me vandaan een jongen hard ‘Yoshimi’ meezingen. M’n beide buren op ’t balkon deden niets. Ze lachten wel, maar daar bleef ’t bij. Ik had geoefend afgelopen week, maar dat mocht niet baten. Buiten ’t feit dat ik de tekst me allang niet meer wist te herinneren, was ’t schaamtegevoel nog veel te groot. Ik stond als vroeger in de kerk naar lucht te happen, de schijn op te houden, maar wel op zo’n wijze dat zelfs de mensen naast me niet konden zien dat m’n lippen bewogen (de zanger had dit van te voren als ‘mumbling’ afgedaan).
Ik lachte, dat wel, dat mocht iedereen zien. Tenslotte lachte iedereen.

In Zijperspace is men afhankelijk van de kudde.

gewoon

De schade die ik mezelf de dag ervoor heb toegebracht voel ik meestal pas als ik de deur uitga. & Zelfs dan voel ik weliswaar dat m’n benen niet zo graag willen fietsen als normaal, maar besef ik nog niet dat die loomheid veroorzaakt is door de overmatige alcoholconsumptie. Zogauw ik ‘onder de mensen’ ben, doet ’t zich daadwerkelijk gevoelen.

De dame van de bakker is ‘t 1e slachtoffer van mijn lusteloosheid. Lamlendig sta ik te wachten op m’n beurt, ik bestel m’n brood & in totale onoverzichtelijkheid overhandig ik 100 muntjes van 2 cent. Daar zal ze ’t mee moeten doen.
‘Dat zijn allemaal muntjes van 2?’ vraagt ze.
‘Ja, ik had alleen dit in m’n kassa zitten. Geen muntjes van 1. In ieder geval niet genoeg.’
Onzin. Ik had gewoon geen zin om te tellen. & Nu heb ik geen zin om na te denken hoe ik dat met een simpel zinnetje uitleg.

Op naar ’t volgende slachtoffer: Jeroen van m’n Delicatessen Berkhout. Uitgeput van 300 meter fietsen stap ik z’n winkel binnen. Hij stelt me enkele vragen met betrekking tot wat ik zou willen hebben. M’n automatische piloot voert ’t woord.
‘Ik geloof dat ik een beetje onder invloed van de dag van gister sta,’ excuseer ik me, ‘dus als er een walm van alcohol om me heen hangt, dan weet je waarvan ’t komt.’
‘Da’s grappig,’ zegt Jeroen, ‘ik heb net je stukje over geur gelezen.’
‘Geur?’ vraag ik apathisch.
‘Over die vrouw die zei dat je naar vanille rook.’
‘Oja,’ zeg ik plots wakker, ‘die dame die haar neus in m’n oksel stak.’
‘Juist, ja,’ zegt Jeroen licht gnuivend.
‘Ik had erg veel lol in ’t schrijven van dat stukje.’
‘Dat kon ik zien.’
‘Maar ik ben bang dat ik vandaag niet naar vanille ruik.’
Jeroen lacht. Ik laat ook even een glimlach over m’n mond glijden, maar weet ondertussen al niet meer waarvoor ik in deze winkel sta.
‘Oja,’ bedenk ik me, ‘ik moet ook nog iets van Amuhado hebben.’
Ik wijs naar een gerookte salami.
‘Hoeveel wil je daarvan hebben?’
Zulke vragen stelt-ie me anders nooit. Hij solt met me.
‘Oh, gewoon. Gewoon. Of gewoon gewoon. Wat doe je anders altijd?’
‘Om & nabij een ons.’
‘Doe dat dan maar gewoon. Sorry hoor, ik moet over alle vragen 10 minuten nadenken vandaag.’
We rekenen met elkaar af.
‘Prettige weekend,’ zegt Jeroen.
Altijd leuk als iemand weet dat mijn weekend op dinsdag begint.
‘Dank je. & Tot volgende week,’ roep ik door de deuropening terug, terwijl ik de fiets van iemand anders van slot probeer te halen.

Gisteren duurt nog wat langer in Zijperspace.

weggewist

Ik begin me steeds vaker af te vragen wat voor zin ’t eigenlijk heeft. Vooral als ik m’n vader zie die steeds minder vaak op zoek lijkt naar door hem vermiste woorden, maar ’t steeds vaker gewoon helemaal niet meer weet, alles kwijt is. Als ik m’n vader zie die grote gaten in z’n geschiedenis heeft zitten. Misschien is er wel meer gat dan dat er opvulsel van herinnering zit, durf ik af & toe te denken.
Als-ie ’t maar naar z’n zin heeft, hoor ik mensen zeggen, als ze ’t over m’n vader hebben; ’t is belangrijk dat hij zich nog vermaakt. Maar in hoeverre blijft vermaak prettig als je ’t moment waarop ’t plaatsvindt ’t moment daarop alweer vergeten bent?

‘Kan jij je nou nog herinneren hoe ’t was toen Frank uiteindelijk optrad, afgelopen vrijdag?’ vroeg ik Fret.
‘Hm, nee. Toen hadden we al zolang zitten wachten & zoveel gedronken dat ’t eigenlijk langs me heen ging.’
Ik had ’t gevoel dat ’t achteraf allemaal gecomprimeerd was. Een optreden van minstens 15 minuten is bij elkaar gevoegd tot slechts enkele plaatjes die ik nu slechts met moeite bij mezelf kan oproepen.
Een band die speelde. Vriendinnen die ze aanmoedigden. Fret & ik die de jassen aantrokken & ’t schip verlieten.
Niet meer.
Voor die beelden had ik zo m’n best gedaan. Ik weet dat ik over een maand nog meer m’n best moet doen om me stante pede te herinneren dat ik op een bepaalde avond bij die gelegenheid aanwezig was. Over een jaar is misschien een enkel plaatje nog in m’n geheugen aanwijsbaar aanwezig.

& Dan: als ik op vakantie ben & landschappen zie, uitzichten ervaar, bestaan die ervaringen nog zogauw ik m’n rug ernaar toe heb gekeerd? Teruggekomen van vakantie, zonder foto’s, zonder ansichtkaarten, maar slechts beelden in m’n hoofd die langzaam worden verdreven door ‘t leven van alledag. De beelden van de mooie vakantie zullen zich moeten vestigen in m’n lichaam als een gevoel van tevredenheid ipv oproepbare eenheden in beeld & kleur, geur & geluid.
Als je een leuke periode hebt meegemaakt, maar je weet je de situatie niet meer voor de geest te halen, zit de lol dan evengoed nog in je lichaam? Net als dat een weggestopte vervelende gebeurtenis kan blijven hangen als een steeds terugkerend trauma.

Waarom heeft m’n vader die hele reis gemaakt van jong kind, langs volwassen vader, verantwoordelijke directeur, naar vergeetachtig hoopje mens dat geholpen moet worden als-ie naar de wc moet? Had-ie de tocht ook ondernomen als-ie van te voren wist dat ’t eind alles wat daarvoor had plaatsgevonden doet vergeten? Als uiteindelijk alles waarvan hij getuige was is weggewist.

Misschien is ’t wel de bedoeling dat men aan ’t eind van ’t leven ’t wegvagen meemaakt van alles wat vroeger heeft plaatsgevonden, zodat ’t minder moeite kost afscheid te nemen van ’t verhaal dat iemand zelf heeft helpen schrijven. Opdat men dan niet meer beseft dat men er onderdeel van is, bij gebrek aan ’t begrip van tijd in ’t hoofd, bij gebrek aan de geschiedenis van toen die zich steeds weer laat herinneren.

Als zelfs Zijperspace er niet meer is.

beachy head

‘t 1e Wat me opviel was dat Beachy Head zoveel met de dood te maken had. Bankjes kwam ik tegen, met gedenkplaatjes erop.
‘Hier zat Emma elke avond, 25 jaar lang, te genieten van ’t uitzicht dat ze had over haar geliefde stad, Eastbourne.’
‘Totdat hij niet meer de weg naar boven kon maken was dit de favoriete plek van James Winniter. Tot z’n 80e jaar bleef hij de tocht maken. We missen nog elke dag onze vader, grootvader, overgrootvader.’
Ik was op dat moment nog niet ½erwege de tocht naar boven. De dood had z’n eigen weg gebaand via bankjes & stenen, & legde daar nog steeds getuigenis van af voor de toevallige passanten, op hun weg naar de bovenkant van de bult.

’t Was een prachtig uitzicht, op de bank van Emma, over de stad Eastbourne. Ik dacht nog dat ik langer wilde kijken, maar m’n wandelende benen, de balans van mijn lichaam & rugzak, ’t zweet dat toch door zou blijven stromen, de belofte aan mezelf van een slok water zogauw ik boven was, dreven me verder omhoog. & Steeds weer trok een nieuw herdenkingsteken m’n aandacht. Ik sprak de teksten in op m’n voicerecorder, van plan ze later uit te schrijven, schichtig om me heen kijkend of niemand ‘t geheimzinnig in m’n vuist praten gadesloeg. Hijgend, zo hoorde ik ’s avonds op de camping, verwoordde ik de groeten van nabestaanden aan hun doden.

’t Werd steeds drukker. De paadjes breder, hoewel nog steeds smal, de mensen ouder & strammer. Hele gezinnen liepen tot mijn verbazing bovenop de heuvel die Beachy Head vormde. Ik vroeg me af hoe ze daar gekomen waren, niet op de hoogte van de drukke verkeersweg die nog geen 20 meter, soms minder dan 5 & toch voor mij niet storend hoorbaar, van me vandaan lag.

’t Contrast van heldergroen gras, dat vlakken vullend over de rug van de ‘downs’ glooide, met ’t letterlijke krijtwit dat dwars steil naar beneden donderde, plots ’t ogenschijnlijk oneindige leven afbrekend, was fascinerend. Je wilde dichter bij ’t eind van ’t leven komen, daar aan de rand van de steile wand, & toch zo snel mogelijk ver ervan vandaan.
Dit was de grens van Engeland; dit was ’t einde van de wereld zoals mensen zich ’t in vroeger tijden hadden voorgesteld. Een plotse afgrond, die slechts met onmiddellijk neerstorten was te beslechten.

In de verte stond een vuurtoren. ’t Baken, ’t teken dat ’t allemaal niet zo verschrikkelijk vervaarlijk was als dat ’t er uitzag. Je kon ‘m op ’t uiterste hoge uitkijkpunt verderop zien staan, uit de kust stekend. Alsof ’t op ’t punt stond ’t hoekje om te duiken van de klif die nog net niet zo ver reikte. Ik gebruikte m’n 1-ogige verrekijker om te kijken of er misschien leven in de vuurtoren huisde.

Ik liep verder. ’t Was te druk. Ik schaamde me als ik m’n verrekijker of voicerecorder tevoorschijn haalde. Ik voelde me bespied door 100-en toeristenogen. Op jacht naar iets bijzonders. Fototoestel gereed om ’t vast te leggen. ’t Moment van z’n beweging te beroven.
Ik liep verder, met m’n rugzak. Ik was de enige die z’n eigen slaapplaats met zich meedroeg.

Je mocht niet te dicht bij de rand komen. Daartoe had men gaas gespannen op een afstand van 2 meter van de afgrond. De krijtrotsen brokkelden langzaam af; ze moesten beschermd worden tegen de vernietigende voeten van de mens, zo stond er aangegeven op borden die op de afscheiding waren aangebracht. Deze tralies voor de diepte maakten de afgrond nog afschrikwekkender. Ook al kon men er zonder moeite overheen stappen.

Ik hoorde vanavond pas dat Beachy Head een zelfmoordplek is. 10 Maanden na m’n wandeltocht daar. Een documentaire deed me dat verhaal. De meest populaire natuurlijke zelfmoordplek zou ’t zijn. Door de natuur gecreëerd, niet door mensenhanden.
Ik zag mezelf weer lopen, maar nu langs onmetelijk lange rijen lijken. Beneden hadden die allemaal gelegen, beneden, ver onder mijn voortstappende voeten, die de grond beroerden waar de lichamen zich ooit afgezet hadden. Ik, onwetend, had niet eens bedacht dat men juist hier graag naar beneden stortte.

Een mooie plek, Beachy Head, waar groen, blauw & wit bij elkaar komt. In de verte zag ik toendertijd een zeilboot dezelfde kant opgaan als ik. Langs de kust, door de windstilte ong 5 km per uur, ’t tempo van mijn wandelen volgend. Maar hij zag wat ik niet kon zien. & Ik nam waar wat hij niet waar kon nemen.

Nog is ’t beeld niet volledig in Zijperspace.

samensmelting

Ik bel m’n moeder. Inmiddels traditie voor momenten dat er een redelijke rust in de winkel heerst. Ze blijft hangen als er een klant snel afgehandeld kan worden of we beëindigen ’t gesprek als dat niet mogelijk lijkt.
‘Hoe is ’t met Pa?’
‘Och, gaat wel.’
‘U geeft ‘m nog wel die medicijnen?’
‘Ja, dat nog wel. Ik heb wel vast een afspraak gemaakt, om te gaan informeren of ’t ook anders kan, maar dat kan pas van de week. Dus heeft-ie die pillen al 1½ geslikt als we daar uitsluitsel over hebben.’
‘Hij is dus nog steeds in de war?’
‘Ja, nog steeds. Ik heb gevraagd of de dokter van z’n dagopvang mij wilde bellen. Dat zou gebeuren, maar vrijdagmiddag had ik nog steeds geen telefoontje gehad. Ik weet dus niet hoe Pa daar is.’
Er komt iemand de winkel in. Ik kijk op.
‘Ha, Boekenman,’ groet ik.
‘Is Boekenman bij je?’ vraagt m’n moeder. Ze kent ‘m omdat ze over ‘m leest.
‘Ja. Blijft u even hangen?’
Ik leg de telefoon naast me op de toonbank.
2 Werelden komen bij elkaar. Ze kwamen altijd al bij elkaar in mijn persoon, maar opeens lijkt de ontmoeting tastbaar te worden, doordat m’n moeder via de telefoonhoorn getuige is van de aanwezigheid van Boekenman. De waarheid kan gecontroleerd worden, getoetst.
‘Dag, Ton,’ zegt Boekenman. ‘Ik kom ‘t 1e biertje bij je halen.’
‘Je weet dat je bier 5 cent duurder is geworden?’
‘Jaja. Er moet verdiend worden, omdat andere mensen moeten drinken. Maar er zal altijd gedronken blijven worden, zeker door mij. Want als ik niet drink, dan draait ’t niet; & als ’t niet draait, dan voel ik ’t niet. & Daar moeten jullie aan verdienen, dus gooien jullie er een prijsverhoging op.’
‘Nou, ik niet. Dat is m’n werkgever.’
‘Dat zijn de brouwerijen,’ weet Boekenman. ‘Maar ze hebben ’t ook goed van mij. Ik heb ’t wel ‘ns proberen te tellen, maar gaande de dag ben ik de tel kwijt geraakt hoeveel bier ik gedronken had.’
‘Laatst zei je dat je soms wel 14 flessen op een dag dronk.’
‘Ja, als ik probeer te slapen, dat lukt vaak niet. Dus kan ik beter een flesje bier snel drinken, want dan zie ik heel snel niets meer. Maar ik mag niet te veel ’s avonds drinken, want dan voel ik niks meer van m’n methadon. Ik drink overdag, dat is beter. Ik ga nu deze fles drinken. Voor € 1,05. & Dan kom ik later dat flesje terugbrengen & dan is ’t nog maar € 0,95. & Dat moet ik dan nog 13 keer doen. Daarna ga ik slapen, maar dan moet ik wel 1st gewerkt hebben, want ik ben niet zoals die lapzwansen voor de Albert Heijn.’
‘Oké, Boekenman. Tot straks dan maar.’
Hij doet de deur achter zich dicht. Ik pak de telefoon weer op & praat verder met m’n moeder.

De werelden zijn weer gescheiden in Zijperspace.

misdruk

Ik heb me laten uitnodigen. Vandaar deze korte mededeling. U kunt mij elders lezen, ziet u. Als een soort misdruk. Een vroege lente.
Ach, u begrijpt vanzelf wel wat ik bedoel.
Ik hoop dat velen zullen volgen, bij afwezigheid van de kat.

& Een misdruk geen verkeerde indruk van Zijperspace zal achterlaten.

open haven podium

‘Ken je mij nog?’
Hij stond plots voor me. Ik had m’n geld aan de bardame gegeven. Zij was druk bezig m’n 2 biertjes op de kennelijk ingewikkeld werkende kassa aan te slaan. Ik keek de man aan terwijl ik wachtte op m’n wisselgeld. Hij had de plaats van de bardame ingenomen, dus stond recht tegenover me.
‘Ja, ik ken je nog,’ antwoordde ik, hoewel ik niet wist waarvan. De dreiging die uit z’n blik sprak deed echter een vermoeden rijzen.
‘Ik werk nu hier,’ zei de man, terwijl hij z’n kin naar beneden trok. Hij keek me daardoor vanonder z’n wenkbrauwen aan. Dreigend. ‘Zou jij ’t leuk vinden als ik zei dat je hier niet meer mocht komen?’
Ik glimlachte. Probeerde die glimlach meteen in te houden. ’t Kon zijn dat hij die zou interpreteren als minachtend. Dan zou hij er niet eens ver vanaf zitten.
‘Nee,’ zei ik, ondertussen m’n wisselgeld aannemend. Ik pakte m’n 2 flesjes bier.
‘Dan weet je tenminste hoe ’t voelt om ergens niet meer in te mogen.’
Hij keerde zich om & ging bij de wasbak met z’n collega z’n net verrichte handelingen verslaan. Ik wendde me tot Fret. We gingen zitten om naar de voorstellingen te kijken.

‘Die vent achter de bar heb ik er een keertje uitgestuurd,’ vertelde ik tussen 2 optredens door aan Fret, ‘& nou vroeg-ie aan mij of ik ‘m nog herkende.’
‘Hoe lang is dat geleden?’
‘Oh, 4 jaar denk ik. Ik weet allang niet meer hoe ’t is gebeurd. Hij vroeg ook of ik ’t leuk zou vinden als ik door hem weggestuurd werd.’
‘Wat zei je?’
‘Ik zei dat ik dat niet leuk zou vinden. Weet je wie ik bedoel?’
‘Die man met dat lange haar?’
‘Nee, hij heeft kort haar. Een beetje een krul erin. Met een snor.’
‘O ja. Ik denk dat ik weet wie.’

De man kwam glazen ophalen. Hij manoeuvreerde zich tussen de tafels & stoelen door. Hij leek ons niet te zien. Toch leek-ie mij te zoeken.
Ik stootte Fret aan. Gaf een kort seintje de kant van de man op.
‘Is ‘m.’
‘Belachelijk,’ zei Fret, ‘’t is al 4 jaar geleden. Dat zijn wij allang al vergeten als-ie weer langs komt.’
De man liep ons voorbij. Hij ging weer richting bar.

Fret was vertrokken richting wc. Ik verveelde me met een stand-up comedian die geen humor had.
Ik zag de man weer aankomen. Hij droeg een dienblad in z’n linkerhand. Met z’n rechter pakte hij glazen van de tafel.
Op een gegeven moment zag-ie me in m’n hoekje. Weer dezelfde blik vanonder z’n wenkbrauwen.
‘Vind je ’t leuk hier?’ vroeg-ie.
‘Ja, hoor.’
Hij stak z’n hand uit. Ik schudde ‘m met die van mij.
‘Goed zo,’ zei hij.
Ik gaf ‘m een tik tegen de schouder. ‘Is goed, joh.’

Men is vaak vergeetachtig in Zijperspace.