meel (4)

Ton weet ook nog vragen aan de dame te stellen:

Toen ik jong was dacht ik vaak dat op een gegeven moment de liedjes op moesten zijn. Ik had net iets over noten geleerd op de muziekschool, wist zodoende dat daar slechts een beperkt aantal van waren, do re mi fa sol la si do, & vermoedde dat uiteindelijk alle combinatiemogelijkheden opgebruikt zouden raken. Dan zouden er slechts liedjes gemaakt worden die reeds eerder ontstaan waren.
Vanmiddag moest ik daar aan denken toen ik op m’n werk van boven de trap een lege doos naar beneden gooide. Hoeveel dozen moest ik laten vallen voordat ik me zou kunnen herinneren dat een voorgaande net zo’n weg afgelegd had? Er lijken enkele factoren van invloed te zijn op de val van de doos: de zwaartekracht, de vorm, de manier waarop ’t losgelaten wordt, de temperatuur, de toevallige luchtbeweging door ’t openstaan van de deur. Maar eigenlijk zijn dat nogeneens zo veel factoren. Ooit moet er een doos ‘tzelfde doen. Herhalen van wat er al ‘ns is gebeurd. & Dan moet ’t ook nog zo zijn dat ik me kan herinneren dat de val gelijk aan een vorige is.
Had ik m’n meeltje aan iemand anders geschreven, dan had ik een ander antwoord gehad. Nee, ik moet zeggen: had ik van iemand anders ’t i-meel-adres bekomen, dan had ik misschien wel anders daarop gereageerd. Je moet je daarbij voorstellen dat de omstandigheid zich dan net anders voordoet dan de doos die toevallig een zijflap heeft uithangen op ’t moment van loslaten boven aan de trap. ’t Is een omstandigheid, ogenschijnlijk niet van belang, die verregaande gevolgen kan hebben voor alles daarna. Er vormt zich plots een andere melodie.
Ik las ‘Nadja’ in de trein. Op 18-jarige leeftijd. Van Amsterdam naar Den Helder. Een jongen kwam tegenover me zitten.
‘Prachtig boek,’ zei hij. ‘Je moet ook ‘De golem’ van Gustav Meijrinck lezen. Dan praten we er later over.’
Ons gesprek in de trein aldus kort samengevat. Hij gaf me z’n adres & telefoonnummer & schreef daarbij de naam & titel van datgene dat ik volgens hem moest gaan lezen.
Op mijn beurt adviseerde ik anderen dat boek te gaan lezen. Bijna niemand deed dat. Maar wel Jan Bos. Jan Bos beschouwde ‘t als ’t beste boek ooit gelezen, vertrok naar India, kwam terug & ging dood. Maar hij had in ieder geval vlak daarvoor ’t beste boek ooit gelezen. Voor zijn beleving.
Schreef Breton ‘Nadja’ niet in 3 dagen? Hoeveel variaties kan je aanbrengen in die korte tijd? Zijn de variatiemogelijkheden anders als je besluit er langer over te doen (zijn er meer parameters mogelijk)? Wat heeft ‘t 1 met ’t ander te maken? Zal ’t ooit zover komen dat een doos zichzelf kan herinneren dat een voorgaande soortgenoot zijn afgelegde weg reeds doorgaan heeft? Wat heeft ‘Nadja’ in godsnaam met ‘De golem’ te maken, behalve dat ’t omstreeks dezelfde tijd geschreven is, tot de literatuur gerekend kan worden, vooral in de tijd omstreeks uitgave veel gelezen is, & elkaar ontmoette in de trein van Amsterdam naar Den Helder in ’t jaar 1982? Heb ik die jongen ooit nog ontmoet zonder ’t zelf te beseffen? Hoeveel mensen zijn er dood?

Ik zie nog steeds wel een beeld voor me van Jan Bos. Waarbij ik ’t idee heb dat ik ‘m zou kunnen omschrijven. Z’n hangende onderlip, als-ie zweverig, zoals ’t een hippie betaamde, mijmerde over occulte aangelegenheden & hermann-hesse-boeken. Z’n lange haar, die toch ook weer niet al te lang was, maar wel misstond in de new wave-cultuur, waar hij plots middenin zat. De lange joints die hij draaide & te lang voor zichzelf hield. De stugge wollen peruaanse trui, met touwtjes aan de nek. Z’n manier van praten van ‘hé man, doe toch even relaxt’. & Ik zie ‘m ’t boek lezen van Meijrinck, diep weggedoken in de bladzijdes, weggesloten van de rest, in ’t hoekje van de koffieshop, de gehele middag niet te bereiken, tenzij roepend dat iedereen toch best eens wat stiller kon wezen.
Maar als ik ‘m zo omschrijf, zit ik me af te vragen hoeveel ‘Jan Bos’-sen er nog in andermans geheugens bestaan. Welke melodie daarbij speelt, & of ’t zichzelf herhaalt. Misschien kunnen we ‘m weer tot leven wekken. Ook al heeft niemand daar behoefte aan.

Is er al ‘ns verteld dat er te veel verhalen leven in Zijperspace?

meel (3)

Ton krijgt de smaak van ’t corresponderen met de dame te pakken:

Mag ik zo vrij zijn jouw vragen niet te beantwoorden? Ik bedoel: ik doe ’t graag, ik praat graag over mezelf, & net zo goed doe ik dat schrijvenderwijs. Ik beantwoord ook met veel plezier vragen die betrekking hebben op mijn private leven. Niets zo leuk als een open boek te zijn, denk ik wel ‘ns, & vervolgens weet ik een vrouw voor uren te kluisteren aan mijn woorden, ½e verhalen, zotte anekdotes of onnozele weetjes.
Laat ik ’t anders uitleggen. Ik was vanmiddag, zoals wel vaker, ’t hoort bij mijn vak & ik doe ’t graag, glazen aan ’t ophalen. Ik probeer zoveel mogelijk variatie aan te brengen in de manier waarop ik de klanten, gezeten op de grond, verzoek de glazen aan te reiken. Dat wil wel ‘ns verzanden in onalledaagse onzin. Ik heb er geen andere omschrijving voor. Men hoort ’t niet al te serieus op te vatten. Wat natuurlijk menigeen wel doet.
Waarop enkelen mij heden middag inviteerden een filosofische uitspraak te doen. Blijkbaar had de opmerking bij de vorige ronde glazen halen een dergelijke inslag. Ik weet van niks, men mag ’t interpreteren zo men wilt. Zolang men maar niet ’t gerucht verspreidt dat er een filosofische barman ergens in Amsterdam rondloopt. Dat zou te veel eer zijn.
‘Alsjeblieft, filosofische uitspraak nr 2,’ weerklonk ’t in de groep, terwijl ik enkele glazen aannam.
‘Oh, hmm. ’t Heeft geen zin de barman iets te verwijten, want de barman weet wat er geschonken wordt & wie gedronken heeft.’
Van dat kaliber. Waar niemand wat aan heeft. Ikzelf incluis. Ik kan slechts ter verdediging aanvoeren dat ik er toe gedwongen werd.
Doet mij overigens meteen denken aan ’t andere voorval deze middag. Klanten hadden stoelen meegenomen naar buiten de ons toegestane oppervlakte, die wij derhalve ons terras mogen noemen. Ik diende corrigerend op te treden. Of ze de stoelen terug wilden brengen naar de zone daartoe beschikbaar gesteld.
Maar ze reageerden niet. Behalve dan dat ze hard lachten.
‘Hahaha, we wisten wel dat je dat zou zeggen.’
‘Waarom nemen jullie dan evengoed die stoelen mee deze kant op?’ vroeg ik.
‘Omdat we hoopten dat jij ’t niet zou zien.’
‘Maar je weet toch dat ik alles zie?’
& Ze bewogen nog steeds niet. Dus bleef ik staan.
‘Die stoelen moeten dus weer terug naar ’t terras,’ zei ik nogmaals.
‘Ja, dat weten we.’
& Ze bewogen nog steeds niet.
‘Die stoelen moeten dus weer terug naar ’t terras.’
Eigenlijk is ’t een heel saai verhaal. Ik kort ’t derhalve ietwat in.
‘Jemig,’ zei toen 1 van de stoelzitters, gepikeerd, verbolgen, rancuneus, zo leek ’t zelfs, ‘je lijkt wel een leraar.’
Hij stond kwaad op & liep met de stoel richting terras.
‘Als jij wilt dat ik me als een leraar gedraag dan kan je ’t zo krijgen. Ik pas me aan aan wat de klant van mij verlangt.’
Niet echt filosofisch, toch? Wel efficiënt. Afdoende, zo men wilt.
Maar na 3 onzinnige antwoorden gegeven te hebben op de vraag of ik nog wat filofisch wilde oreren, had ik er genoeg van. Sta je daar met je glazen, moeilijk manoeuvrerend door de menigte die je geen cm ruimte gunt, tenzij ’t om volle glazen gaat & men een mogeljkheid ziet gratis vermaakt te worden, liefst op een nivo die een gemiddelde barman niet kan halen omdat-ie over ’t algemeen te dom is om aan iets anders te denken dan hoe de volgende chick op een zo ongevoeglijk mogelijke wijze ’t bed in te krijgen, & men vraagt om iets intelligenters dan de gedachtes die bij je opkomen die elk mens te binnen zou schieten op ’t moment dat-ie meer dan 50 vieze glazen in handen heeft, gereed voor spoelen.
Ik zei: ‘Lees dat maar op mijn weblog.’
Stom.
‘Je hebt helemaal geen weblog.’
Tuurlijk niet. Ik besta niet. Ik besta niet als persoon die glazen ophaalt, bier tapt, glazen spoelt, mensen uitlegt dat ze zich moeten gedragen, als een ballerina balanceert tussen de massa’s die perse ons bier willen drinken & onwelvoeglijk van die gelegenheid profiteren door alles rond te laten slingeren, de achtergelaten glazen door baldadige kinderen kapot laten trappen, & al ’t andere ondenkbaar gemakkelijk gedrag waar een gemiddelde consument zich aan zondigt. Ik besta niet. Ik ben hooguit een persoon die een voorstelling geeft & bij tijd & wijle iets zinnigs tussen de liters geserveerde bier oppert.
Dat is natuurlijk niet de reden waarom ik je vragen niet beantwoord. Dat is eigenlijk een aanleiding. Zoals er voor elke gebeurtenis een oorzaak & een aanleiding is. De oorzaak moet je momenteel zoeken in ’t feit dat ik behoorlijk moe ben. ’t Was druk. Ontzettend druk. Er zijn niet veel horeca-gelegenheden die op zondagmiddag een rij voor de bar hebben staan van 6 meter. Daar moet ik even van bijkomen.
Zal ik jou een vraag stellen?

Groeten Ton.

We beginnen aan ’t communicatief systeem van Zijperspace te twijfelen.

meel (2)

Ton stuurt nog een meeltje naar dezelfde onbekende dame, die ondertussen wat onbekendheid heeft weggenomen:

’t Spijt me verschrikkelijk, maar ik ben gewend om onder ’t voorgaande bericht te reageren, & niet erboven. Dus dat doe ik dan ook. Ik hoop niet dat je de hele tijd hebt zitten zoeken van: waar heeft-ie nou in godsnaam z’n beloofde reactie gelaten?
Overigens ging ik er de hele tijd van uit dat wij hier in Nederland ook dat uurtje minder zouden hebben. Iemand had enkele weken geleden gezegd dat op de 23e de zomertijd zou beginnen, maar ik kijk naar de videorecorder & de tijd op de comp & vind geen aanpassing (dit rond 7 uur ’s ochtends; dwing mij niet om na te denken over de tijd bij jou in London, want dat reken ik slechts 2 keer per jaar uit: tijdens de reis door de tunnel heen & tijdens de reis terug). Terwijl jij in je meeltje er onmiddellijk wel iets over zegt. Ik begin echter te vermoeden dat ’t een vergissing moet zijn & dat ik vandaag, want zo laat is ’t dus inderdaad, begin ik me te realiseren, gewoon nog steeds dat extra uurtje heb.
Een andere overigens: je had ’t me natuurlijk stukken makkelijker kwa reageren kunnen maken door in ieder geval een vraag te stellen. Niet dat men niet kan spreken over een reaktie als men antwoordt op een vraag (dat noemt men over ’t algemeen een antwoord; eigenlijk een nadere specificatie van ’t soort reaktie), maar vooral omdat ik dan enig richting in m’n manier van reageren had kunnen geven. Nu rest mij slechts de mogelijkheid in mijn schrijven te refereren aan de inhoud van ’tgeen hierboven staat. Nou gaat mij dat tot nu toe wel redelijk af, maar je moet wel beseffen dat ’t m’n bewegingsvrijheid in deze enigszins beperkt.
& Literatuurwetenschap: dat was eigenlijk m’n doel toen ik zelf begon met studeren, maar zover ben ik niet gekomen (behalve dat ’t als een verplicht onderdeel bij zweeds werd gegeven), want ik schakelde over op film & tv-wetenschap. De mensen bij zweeds, eigenlijk bij scandinavistiek, waren te saai. Ik kan helaas geen andere reden opgeven voor mijn omschakeling toendertijd. Waar ik maar mee bedoel te zeggen: leuk. (met die keuze van studie dus)
& ‘Ad’ betreffende jouw laatste opmerking: hoeveel heb je gister dan gelezen van Zijperspace? Want als je zegt dat je er nog een paar te lezen hebt, dan klinkt ’t alsof je ’t grootste gedeelte al achter de rug hebt. Ik heb zelf meermaals een heleboel van m’n eigen schrijverigheden moeten doornemen, op zoek naar stukjes betreffende bepaalde onderwerpen, maar dat heeft me die keren telkenmale enige dagen gekost. Momenteel ben ik bijvoorbeeld op zoek naar alle illustraties met muziek eraan gelinkt, die ik in de loop van de tijd geplaatst heb. Dat vergt inmiddels ook alweer 3 dagen vrije tijd. Ik weet dat ik inmiddels al ’t grootste gedeelte gehad heb, maar ik ben nog maar bij ‘juli’ van mijn archief. Dit om te illustreren dat je volgens mij, wil je jouw, wellicht spaarzame, vrije tijd vullen met ’t lezen van mijn stukjes, nog behoorlijk lang te gaan hebt. Of je moet net zo lezen als Boudewijn Buch: diagonaal.

Oeps, mijn reaktie begint ook alweer uit de hand te lopen. Ik geloof dat ik hier maar stop.

Groeten,

Ton.
(als je nou een vraag stelt, beloof ik nog 1 keer te reageren)(ik heb daar overigens geen motivatie voor, maar profiteer ervan, zou ik zeggen)(waarom ik dat zeg, weet ik ook niet; misschien is ’t nog de alcohol die de ochtend erna nog steeds welig in m’n lichaam tiert)(als ik zo vrij mag zijn deze uitdrukking naar m’n hand te zetten)(m’n reaktie vult m’n beeldscherm volledig)(& nu meer dan dat).

Men krijgt ’t nog wel onder de knie in Zijperspace.

meel (1)

Ton stuurt meel aan onbekende dame:

Waar heb jij gewerkt, als ik zo vrij mag zijn te vragen? Daarbij natuurlijk aantekenend dat ik na jouw antwoord misschien wel nooit meer reageer. Maar, bedenk ik me meteen, dat is tegelijk ’t meest fascinerende onderdeel van ’t versturen van een meeltje midden in de nacht. Waar ik nu mee bezig ben. & Dan bedoel ik: Heb ik morgen wel zin om te reageren op een meeltje van een onbekende dame in London? Daar moet jij je natuurlijk helemaal niet door laten beïnvloeden, dat zou zinloos zijn, want dat zou voorbij gaan aan jouw eigen vrije wil. Denk ik.
Dus ik hoop op een antwoord. Simpel als wat.
Weet je wat? Als ik nou beloof dat ik reageer op ’t antwoord dat jij geeft op mijn vraag, dan beloof ik dat ik nog 1 keer, toe maar: nog 1 keer, een meeltje zal terug sturen.
Men moet er tenslotte iets voor over hebben te kunnen communiceren. Probeer ik tenminste de laatste tijd er een beetje in te stampen: ’t is geen 1-richtingsverkeer, dat communiceren, dat contact maken met andere mensen, daar moet je wel iets voor doen. Zoals daar is: beantwoorden aan een beeld dat van je verwacht wordt.
Of zoiets.
Wat doe je eigenlijk in London? Of is dat alleen maar je i-meel-adres?

Men heeft ’t communiceren uitgevonden in Zijperspace.

elastiekje

’t Is een klein probleempje. Als ik niet zo beweeglijk was zou ik er geheel geen last van hebben gehad. De oplossing ervoor was nog pietepeuteriger dan ’t probleem zelf. Ik kan ook wel een reden verzinnen waarom ik er zelf niet opgekomen was, maar dan krijg ik de 6e feministische golf als springvloed over me heen.
Heb ik overigens hele theorieën over, over ’t verschil tussen mannen & vrouwen & hoe dat tot stand is gekomen. Ik ben geneigd dat op een puur biologische manier uit te leggen, ’t onderscheid te maken in waar de mannen in de oertijd toe dienden & wat de taken van de vrouwen waren. Allemaal gedachtes die ik natuurlijk van andere grotere geesten heb gejat, maar waar je een prettig gesprek mee kan initiëren. Als je tenminste een gewillig oor beschikbaar hebt. Gebeurt niet al te vaak, want juist de vrouwen, waar ik doorgaans die gesprekken mee poog te voeren, zijn niet gediend met een opening als dat ze geen richtingsgevoel hebben omdat ze nou 1maal niet hoeven te jagen. ‘Geef mij de plattegrond maar, schat; dan gaan we nu hier naar links.’
Overigens zou ik ’t absoluut niet goed gedaan hebben in die oertijd, is mijn stellige overtuiging. Hoewel niet gespeend van een uitstekend richtingsgevoel, redelijk reactievermogen & een zekere souplesse in mijn bewegingen, moet ik bekennen dat mijn gevoelsleven een vergissing is van de natuur. In die zin: had de mens geen intelligentie gehad, dan had-ie de wetenschap niet verkregen om creaturen als ik te laten overleven. Intelligentie heeft ervoor gezorgd dat de minder geschikte mens-achtigen de kans kregen toch een leven te leiden. Ik ben een vergevorderd gevolg van die vergissing.
Ik bedoel maar te zeggen: een man zou niks hebben aan al die mededelingen over z’n zielenroerselen in de jacht op een zebra of tijdens ‘t verjagen van een bloeddorstige luipaard. Ware de mens niet zo intelligent geweest, dan had men mij gezien als een wanstaltig product, niet geschikt om in de wrede wereld, natuur geheten, te overleven.

Waar ’t me eigenlijk om ging: m’n riem was gebroken. Ik kocht een nieuwe. Bij de Hema. Ik blijf dat dé ideale winkel voor de mannelijke vrijgezel van mijn kaliber vinden. De hordes dames aldaar wijzen je als vanzelf de weg, in de onoverzichtelijke jungle van onderbroeken, worsten, broodroosters, jaloezieën & andere parafernalia, slechts overzichtelijk gerangschikt voor ’t brein van de hedendaagse vrouw. De Hema is uitgevonden voor de vrouw, de man kan er slechts van profiteren als hij zorgvuldig alle bewegingen aldaar bestudeerd. Met mijn gevoelsleven ben ik daar uitstekend geschikt voor. ’t Vergt alleen nog onnoemelijk veel woorden wil ik dat uitgelegd krijgen.
Die riem was te lang. Die zwiepte aan m’n linkerzij. Een overkomelijk probleem; gewoon een kwestie van je nergens wat van aan trekken, maar zogauw je dit probleem voorlegt aan een vrouw, krijg je onmiddellijk gratis, voor helemaal niks een tip uit grootmoeders huishoudboek.
‘Moet je er een elastiekje omheen doen,’ zei Sas, mijn collega, ‘dan kan je dat uiteinde erachter haken.’
Zo simpel, zo getuigend van vrouwelijk vernuft, zo vanzelfsprekend ook. Ik had ’t gevoel dat ik ’t al wist op ’t moment dat zij haar mond open deed. Maar dat de oplossing zich niet in mijn hoofd wilde vormen. Doordat Sas haar suggestie onder woorden bracht, vielen de puzzelstukjes in mijn hoofd passend in elkaar. Alsof ’t zich altijd al in mijn hersens had bevonden.

& Nu loop ik over straat, of op mijn werk, onbekommerd, zonder ergens aan vast te blijven haken. Gewoon, dankzij een elastiekje bevestigd aan mijn riem. ’t Ziet er niet uit, maar voor ’t gemak ga ik er maar van uit dat mensen liever naar m’n gezicht kijken dan naar m’n middel.

’t Jachtseizoen is wederom geopend in Zijperspace.

haartjes

‘Hebben jullie ’t koud?’ vraag ik aan Ilse & haar vriendin.
Ze hebben de handen in elkaar gestoken, de mouwen zo ver mogelijk eroverheen, kraag omhoog, benen over elkaar.
‘Ja,’ zeggen ze ietwat klagerig.
‘Waarom gaan jullie dan ook buiten zitten? Want je weet dat als je buiten gaat zitten je ook rekening moet houden met de temperatuur die buiten heerst. & In deze tijd van ’t jaar verschilt de buitentemperatuur aanzienlijk van de temperatuur die binnen geldt.’
Ze kijken me allebei aan, terwijl ik pratend naast hun op de bank ga zitten, de glazen nog opgestapeld in m’n handen.
‘Ja, da’s echt zo,’ zeg ik om m’n toespraak nog wat aan te zetten.
‘Heb jij ’t dan niet koud?’ vragen ze mij.
‘Nee, tuurlijk niet. Ik ben een man,’ zeg ik stoer. Om ’t wat extra te illustreren draai ik met m’n kin een paar flinke rondjes in de lucht, lippen verbeten op elkaar. ‘Maar daarnaast ben ik ook aan ’t werk.’
‘Ja, da’s waar,’ zegt Ilse, ‘maar wij gaan nou 1maal altijd buiten zitten.’
‘Binnen is ’t warmer,’ zeg ik nogmaals, ditmaal met een wat hoger stemmetje, op wijze toon.
‘Maar we waren hier buiten aan de praat geraakt, dan verander je niet zo snel van plaats.’
‘Heeft die vriendin van je,’ ik wijs naar de vriendin van Ilse, die net iets verder van me af zit, ‘heeft die vriendin van je nog doorgegeven wat ik haar net verteld heb?’
Ilse kijkt vragend naar haar vriendin. Vriendin kijkt vragend terug. Ze weet ’t al niet meer.
‘Zo te zien niet. Ze heeft dus niet verteld over dat ik jeuk had, hier, boven m’n lip? & Dat ik toen aan ’t krabben was & dat ik vroeg of ze had gezien wat ik aan ’t krabben was?’
Ilse kijkt nog een keer naar haar vriendin. Die schiet ’t opeens te binnen.
‘O, nee, dat ben ik helemaal vergeten,’zegt ze. Ze legt ongemerkt een hand op de arm van Ilse.
‘Da’s heel netjes van je. Dat siert je. Want niet alle mannen kunnen er tegen als dit soort verhalen meteen doorgegeven worden. Sommige mannen zijn wat dit betreft erg op hun privacy gesteld. Gelukkig ben ik niet zo.’
‘Wat is er dan?’ vraagt Ilse ongeduldig.
‘Oja. Nou, hmm. Hoe zal ik ’t zeggen. Kijk. Alle mannen scheren zich, of in ieder geval bijna alle mannen. Toch?’
Geknik. Vriendin lacht op de achtergrond terwijl ik Ilse aankijk.
‘& Soms gaat dat wel eens fout. Dat verschijnsel kennen jullie misschien niet zo goed als mannen dat kennen, hoewel er tegenwoordig bij vrouwen ook behoorlijk wat verwijderd moet worden. Maar bij mannen is ’t al veel langer gemeengoed dan dat ’t bij vrouwen is: ’t verwijderen van haren. Dat was ik dus vanochtend aan ’t doen. Je kan ’t ook wel zien, want als je zou voelen, dat hoeft natuurlijk nu niet, dat zou alleen maar tot gevolg hebben dat ik een vieze oude man ga lijken; als je dus zou voelen, dan word je 1 & al gladheid gewaar. Tenminste: dat dacht ik toen ik voor de spiegel vandaan ging. Totdat ik vanmiddag, ik was al aan ’t werk, m’n onderlip over m’n bovenlip legde. Toen wist ik opeens dat ’t niet helemaal geslaagd was. & Vanaf ’t moment dat je dergelijke dingen te weten komt krijg je op die plekken jeuk.
‘Ik was uitgebreid met m’n vinger aan ’t krabben,’ ik hou onderwijl m’n vinger omhoog, de wijsvinger, om aan te tonen welk lichaamsonderdeel schuldig was, ‘toen je vriendin bier aan ’t bestellen was. Ik dacht, terwijl ik bier voor jullie aan ’t tappen was, ze heeft ’t gezien. Ze heeft die paar haartjes als een hitlersnorretje geprononceerd op m’n bovenlip zien uitsteken terwijl ik met m’n krabbende wijsvinger puntig er naar wees. Ik had net zo goed een uithangbord er onder kunnen hangen: Hier kan u de ongeschoren haartjes van Ton zien. Zo uitgebreid duidelijk was ik aan ’t krabben.’
‘Maar ik zie helemaal niets,’ zegt Ilse.
‘Ja, dat zei je vriendin dus ook toen ik haar vroeg of ze kon zien dat ik er een paar vergeten was.’
‘Als je dat al van m’n vriendin wist, dan had je dit verhaal toch helemaal niet hoeven vertellen?’
‘Jawel,’ belerend steek ik weer een vinger op, ‘juist wel. Want ik had mezelf al voor schut gezet door me niet goed te scheren. Dan kan ik net zo goed er helemaal voor gaan, me nog gigantisch meer voor aap zetten, want dan hebben jullie er tenminste nog een leuke avond van. Heb ik een leuk verhaal verteld. Want als iets al heel erg is, dan kan je ’t net zo goed nog veel erger maken.’

Wat niet gezien wordt kan toch prikkelen in Zijperspace.

geluid

Eigenlijk wilde ik nog een 2e stukje schrijven vandaag, zo vlak voor m’n werk. Maar de werkzaamheden mbt ’t opnieuw plaatsen van diverse stukjes muziek op m’n weblog vergden dermate veel tijd, dat ik er slechts aan toekwam er over te denken, & niet die gedachtes tot geschreven tekst te laten verworden.
’t Voorlopige resultaat van mijn nijver werk valt te aanschouwen & beluisteren dmv ’t lijstje ‘geluid in Zijperspace’ onderaan ’t kader aan linkerzijde. Ze zijn gerangschikt op chronologie van schrijven met als verwijzing de titel van ’t betreffende nr. Leek me handig, & (belangrijk) niet te veel ruimte innemen.
Maar bovenal, een andere reden waarom ik mij niet gedwongen zag nog een stukje te schrijven, was dat ik wil dat u voorgaande postje leest. Hier onder.
’t Is maar dat u ’t weet.

Dus gezwind spoedt men zich naar andere contreien gelegen in Zijperspace.

angst

We waren allemaal bang. Dat was 1 van de weinige dingen waar we zeker van waren. Bang voor ’t leven, bang voor een partner, bang voor de vader, bang voor de dood, bang ’t overzicht te verliezen, bang voor alles dat de mogelijkheid had ook bang te zijn. & Daar moesten we met z’n allen maar ‘ns over praten, vond Müller.
We werden in een kring gezet. In stoelen waar je in kon hangen, maar een rechte rug was er ook in mogelijk. Ze waren zacht, zonder leuningen voor de armen, hadden onbeperkte mobiele mogelijkheden, konden tezamen een bank vormen & verraden vooral binnen de kortste keren je lichaamshouding: ’t werd al snel duidelijk welke houding je aannam tegenover de groep.
We praatten. Maar als er een stilte viel moesten we ons daar vooral niets van aantrekken. De therapie was net als ’t werkelijke leven, alleen een overdreven versie daarvan. Werd er ruzie gemaakt, dan was ’t heftig; werd er gehuild, dan huilden we met z’n allen; heerste er stilte, dan kon je elkaar horen ademhalen, urenlang. We hadden elkaar maar te accepteren, zonder elkaar zouden we niet verder komen in deze groepstherapie. Wij hadden ’t in onze eigen handen, liet Müller weten, gezamenlijk konden we onze nog jonge levens ten goede keren. In zoverre we dat natuurlijk zelf wilden. & In zoverre Müller dit soort woorden in z’n mond nam. ’t Was nl steeds weer de bedoeling dat we zelf tot die conclusie kwamen.

Monique was een rots in de branding. Ze kletste veel. Ze luisterde geconcentreerd. Maar liet ondertussen niet ‘t achtereind van haar tong zien. Waarom zou ze? Ze liet al vaak genoeg haar mening blijken. Op ’t uur therapie dat we in de week hadden, had zij een ½ uur ’t woord. Ze oordeelde & veroordeelde, ze nodigde ons uit haar huis als ontmoetingscentrum te nemen in geval van afwezigheid van Müller, ze kwetterde overal tussendoor, ze luisterde niet als ’t haar zo uitkwam, ze schonk thee, & vond tussen neus & lippen door dat ik te veel suiker gebruikte. Rechtovereind gezeten in haar stoel zei ze dat. ’t Volgende moment Hank aanvallend omdat hij mensen veroordeelde slechts vanwege ’t feit dat ze intelligent waren & geen moeite hoefden te doen leerstof tot zich te nemen.
‘Kijk toch eens verder dan dat kleine wereldje van je opleiding waarvan je denkt dat, wil je er overleven, je alleen maar je boeken nodig hebt. ’t Leven bestaat uit meer dan alleen maar blokken, blokken, blokken, tentamens maken & mensen ontwijken.’
Waarna Hank 3 weken lang z’n mond hield. Maar dat was immers zijn probleem, toch?

‘Waarvoor ben jij dan hier?’ vroeg Müller een keer aan Monique. ‘De wereld lijkt eenvoudig in jouw optiek, die mening kan je niet nalaten te spuien. Je spreekt iedereen bemoedigend toe, je geeft ze steun, maar veroordeelt ze ook, lijkt de wijsheid soms in pacht te hebben. Waar haal jij dan ’t recht vandaan mensen deze raad, deze zorg, deze wijsneuzerigheid aan te doen? Wat mankeert jou dat je jezelf aan deze mensen gelijk durft te stellen & waarom vind je tegelijkertijd ze niet de moeite waard om de reden van je verblijf hier te delen?’

De wereld was beangstigend, leerde ik toen. Met z’n niet aflatende stroom van informatie, z’n kranten die bol stonden van nieuws, z’n stemmen uit de radio, z’n beelden op tv, die allemaal tezamen continu doorstroomden van de ontkenning van ’t relatieve paradijs waar wij ons in bevonden. Niets was wat ’t was, zolang men in z’n achterhoofd besefte dat alles vernietigd kon worden, mensen wreed konden zijn, dood plotseling toe kon slaan, & anders ’t einde elk moment nabij. Je hoefde de krant maar open te slaan, werd mij duidelijk, & je werd je gewaar van een mensenleven die plots, totaal onverwachts, geconfronteerd werd met ’t onnutte van zijn bestaan. Simpelweg omdat ’t beëindigd werd op een onzinnig moment, zonder reden, ineens.
Monique wilde geen kranten meer lezen, geen tv meer zien, geen radio meer horen. Ze wilde zich niet beseffen dat elk moment van de dag mensen lijden, vermoord worden, verongelukken. Ze wilde zich niet meer verplaatsen in andermans leed, dat zo knallend hard z’n verhaal deed tot in ’t diepst van haar ziel. Ze wilde niet meer de hemel voelen die de hele tijd z’n kracht op haar tere lichaam deed gevoelen. Ze wilde ontkennen. Niet op de hoogte zijn. Zich niet voorstellen. Wat 1000en mensen op 1 & ‘tzelfde moment voelden: onrechtvaardigheid, frustratie, pijn, dood. Als dat alles al voelbaar was. Ze wilde leven zonder daar deelachtig van te zijn. Anders kon ze ’t niet aan.
Ze huilde haar verhaal aan ons.

Ik volg ’t nieuws niet. 1 Keer per dag breng ik mijzelf op de hoogte. Liefst zo kort mogelijk. Ik kan me inmiddels niet meer voorstellen dat ik ’t allemaal zal kunnen doorstaan. Dus neem ik snapshots. Ik wil geen mensenstemmen horen praten & tegelijkertijd daardoor ’t mensenleed elders horen ontkennen. Simpelweg doordat de stemmen de gebeurtenissen ergens op de wereld proberen te verklaren. Ik wil niet op de hoogte zijn. Omdat ik ’t me niet meer kan voorstellen. Er gaan te veel mensen dood. Ik had er ook 1 van kunnen zijn. Dat wil ik niet snappen.

Er heerst onbegrip in Zijperspace.

wieling

Beroemde Jan wil een boek over café Wieling schrijven.
‘Claudia, jij kunt me vast wel wat interessante details vertellen.’
‘Waarover?’
Claudia zit aan de bar. Ze praat eigenlijk met haar oud-collega, tussen z’n bezigheden van glazen spoelen & voltappen in.
Beroemde Jan staat op om ’t haar nog wat beter uit te kunnen leggen.
‘Neem me niet kwalijk,’ zegt-ie tegen mij, terwijl hij langs me heen schuift om de ruimte tussen Claudia & mij in te nemen, ‘ik wil even met Claudia praten.’
Ik krijg te maken met een rug die van dichtbij stukken breder is dan gezeten in de stoel een paar meter verderop. Z’n colbert is op maat gemaakt kan ik zodoende constateren.
‘Kan ik niet ‘ns met je afspreken, dat jij me dingen vertelt die ik van anderen nog niet te horen heb gekregen. Inside information. Verhalen die de gewone bezoekers hier anders nooit te weten zullen komen.’
‘Ik zou niet weten wat ik dan zou kunnen vertellen.’
‘Marcel!’ Beroemde Jan roept de barman erbij. ‘Er hebben hier toch wel dingen plaatsgevonden, waar de vaste klanten hoegenaamd niets van weten? Liefdesscènes na sluitingstijd, van personeel onderling, of met klanten erbij.’
‘Er is wel iemand die daar bekend om stond,’ fluistert Marcel samenzweerderig, maar zo dat iedereen ’t kan horen.

Beroemde Jan vindt geen aansluiting bij Claudia. Niet genoeg informatie voor zijn boek. Toch maakt-ie snel enkele aantekeningen als hij terug gaat zitten aan de stamtafel in ’t midden van de kroeg.
‘Waar treed je trouwens op, Claudia?’ buigt-ie nog even naar achteren.
‘In ’t Podium Paradijs, diep in de roze buurt.’
‘Oh, daar ben ik geloof ik wel ‘ns geweest, in die buurt. Wanneer?’
‘Elke zondagmiddag.’
‘Dan zal ik een keertje langskomen.’
Hij pakt z’n agenda erbij.
‘6 April dus ook? Je zingt dan toch?’
‘Ja, zingen is ’t enige dat ik doe.’
‘Dan kom ik 6 april langs.’

‘Kom jij wel vaker in de Groene Olifant,’ vraagt Claudia plots aan mij. Ze buigt zich licht voorover.
‘Zie je wel,’ denk ik, ‘ik kende haar gezicht ergens van.’
‘Vroeger wel,’ is m’n antwoord, ‘maar tegenwoordig bijna niet meer.’
‘Wat is vroeger?’
‘Een jaar, 2 jaar geleden. Nu kom ik er hooguit 2 keer per jaar. Toen elke week.’
Claudia kijkt me nog ‘ns bedenkelijk aan. Ze kent me ergens van, dat weet ze zeker.
‘Jouw gezicht kwam me ook bekend voor. Misschien dat je wel ‘ns bij mij in de kroeg komt. Ik sta ook achter de bar.’
Nee, dat kon ’t niet zijn, zeggen haar grote sprekende ogen. Haar blik keert zich naar Marcel.
‘Wil je nog een biertje?’ vraagt-ie.
‘Nee, ik moet straks lesgeven.’
Ze pakt haar spullen in, trekt haar jas aan. Als ze alles aan heeft, roept ze Marcel.
‘Doeg, ik kom nog ‘ns langs.’
Ze keert zich naar Beroemde Jan.
‘Dag, Jan.’
Terwijl ze opstaat kruist haar blik de mijne. Zachtjes zeggen we elkaar gedag, met een snelle blik van haar ogen.
Ze loopt naar de deur.
Beroemde Jan roept: ‘Dan kom ik 6 april bij je langs.’
‘Moet je doen,’ zegt Claudia onderkoeld, & laat de deur achter zich dicht vallen.
Stil.
‘Nou, als ze zo reageert,’ zegt Beroemde Jan tegen z’n tafelgenoten, ‘dan ga ik natuurlijk niet bij haar langs.’
De tafel houdt z’n mond.

Ik bedenk me opeens dat Claudia me ooit eens heeft verteld dat zij in café Wieling werkte. Aan de bar van de Groene Olifant. ’t Moet een jaar geleden zijn geweest. Sindsdien wilde ik naar Wieling.
Maar Claudia is al een tijdje verdwenen. Beroemde Jan heeft ’t aan de stamtafel over zweeftieten, ’t dragen van hoofddoekjes & ’t beëindigen van ’t terrorisme. Ik reken m’n biertje af met Marcel. De tafel lacht ondertussen om een opmerking van Beroemde Jan. Zijn blik is stoïcijns; hij weet dat z’n grap dan beter aankomt.

Er vindt weliswaar beweging plaats in Zijperspace, maar we weten niet wat ’t aanstuurt.

muziek

Om mijn nacht nog even volledig te maken, & Zijperspace wat dichter tot perfectie te laten komen, heb ik m’n tijd besteed aan ’t opnieuw plaatsen van muziek die ik eerder gelinkt had. Al of niet naar ruimte van mezelf in ’t verleden; nu is de muziek geheel in eigen bezit. Hoewel…. Zonder toestemming van de artiesten helaas. De ruimte waar ik ’t geplaatst heb is in eigen bezit, ruimte zat, dus plaatsen we meteen maar de hele zooi (helaas te weinig tijd om dat in 1 keer te doen).
Ik raad eenieder natuurlijk van harte aan de cd’s te kopen van de muziek die hen bevalt na beluistering van ’t volgende:
Blauw van the Scene, Miserere van Allegri, Final Day van The Young Marble Giants, Love Will Tear Us Apart van Joy Division, Showdown van Ken Carter, I Want You van Elvis Costello & Somliga Går med Trasiga Skor van Cornelis Vreeswijk, (men dient hiertoe de plaatjes aan te klikken).

’t Is natuurlijk wel de bedoeling dat men onder begeleiding van de muziek de teksten van Zijperspace leest.

PS: binnenkort zal de gehele verzameling in de voor-geselecteerde stukjes aan de linkerzijkant terug te vinden zijn.