Het samentrekken

Waar soms andere lidwoorden gebruikt moeten worden. Minder definitief. Er een zweem van dat soms kan ontstaan. Niets als zekerheid omschreven. Als de somtijds van samengetrokken, de somtijds van samengeperste beleving.

Waar een enkele keer mensen passeren. Waar, daar waar ik zit, op een bank, in een park of bos, soms een hallo of gedag weerklinkt, ik mijn ogen gebruik om een uitnodiging daartoe te laten plaatsvinden, maar mijn ‘hoi’, ‘hai’, ‘goedendag’, plus varianten daarvan allang al aan vooraf zijn gegaan, in die luttele gekrompen seconde (maar men weet waarop de 100 meter Olympische Spelen op de milliseconde gewonnen wordt in enig sport). De blik ook, de opslag van de ogen, omhoog gaande wimpers, de pupillen wijzend.

De blik negerend.
Soms.
Als mijn stem niet klinkt

Meestal niet, als de letters, de gemiste interpunctie, mijn strelen van aandacht nodig hebben. Er 3 boeken tegelijkertijd in m’n hoofd zitten. Hun belangrijkste alinea’s, de nagedachtenis aan ’t hoofdstuk, dat ik lezend ben, de verwijzingen achterin de opgenomen noten, de verwijzingen, dat wat alles behelst dat ik toch niet kan onthouden, maar sympathiek dat ik ’t als naslagwerk kan meenemen.
Mocht ’t eens noodzakelijk zijn.
Maar meestal niet. Een kans van 1 op 1000. Tussen alle andere getallen verborgen.

Ik moet roetsjen door alles wat ik mogelijk nog vergeten ga voordat ik me daar nog iets meer bewust van word.
& ’t Roetsjen als een bobslee zozozo snel zorgt voor nog meer vergetelheid. ’t Is een aangename ervaring, maar ’t neigt die vergetelheid aan te stuwen.

Bovendien is ’t koud, lijkt mij, onaangenaam koud, zo’n bibberende bobberdebobslee, heen- & weergeslingerd door een ijzige massa van winters streven naar gehoorzaamheid, medestuurzaamheid, nederigheid, onderworpenheid.

Ik ben daar nog niet. Ik vrees weliswaar de kou, maar verweer me momenteel tevens tegen ’t hittegedrag van ’t veranderende klimaat.
Weet daarnaast niet waar ik aan moet gehoorzamen.

Ik dwuizel, ik stroef. Ik verbogen, ik kwark. Ik ijzer, noch blub. Ik pleur, maar soms probeer ik stuur.

Omdat ’t laatste niet rijmt & Zijperspace niet dicht, noch nog een keer poogt.

De hierzit

Hier zit ik weer. Na een prettig zwijgzaam toestemmen weer te zullen schrijven. Ernaar te alluderen, leert een woordenboek me daarnet.
Zinspelen mag ook. Maar ik hou nou eenmaal van zeldzaam. Redden wat er te redden valt, waarnemen wat rondwaart bij ’t randje van de afgrond. Waar m’n zucht naar insecten begint, waar m’n warsheid straks waarschijnlijk eindigt.

Dus zit ik hier te toetskletsen. Een wens te voldoen, 1tje van een goede vriend.
Hij zei ’t niet luid, met nog minder dwang dan dat. Maar ’t klinkt in zijn zwijgen, z’n fluisterend informeren. Z’n begrijpend schudden, amper merkbaar, maar ik neem de subtiele beweging waar, tussendoor z’n knikken van ’t eigenlijke snappen.

Ik heb blijkbaar de middernacht nodig. De slaap die me trekt, de onrust ook van de waarschijnlijk te verliezen strijd dat ’t me niet gaat lukken. Dat ik moet doorzetten, daar achterin m’n hoofd. De drank negeren, de noodzakelijke strijd tegen de uiteindelijke nacht niet willen opgeven.
Alsof, mijn grote imaginaire, door godenboeken me ingebrachte denkbeelden, ’t ervaren alsof de wereld meer is dan de platte grond onder mijn voeten; wie had er gelijk: de goden of de realiteit van de wel zeer relatieve curve die de aarde ons tentoonspreidt.

Waar god ons schiep, & ik dat maar machtig mooi vond om daarvan te lezen. Ik theoloog wilde worden zonder te geloven, dankzij dat 1e boekje, naast wat ik voorgelezen of gepreekt had gekregen (mijn vader als leek naast de priester), dat alles in verhullende, onthullende, geheime & vrije vormgevingen, talig & soms stom, dat ik las.
Zo vroeg mogelijk ook. Want ik wilde de verhalen kennen. Waar ’t rooms-katholieke lang niet voldoende was.

Ik wilde alle goden kennen, zonder ze als waarheid te beschouwen, maar wel als verwondering. ’t Imaginaire, dus de verbeelding. Wat kon als je een letter dat woord dat tekst dat boek werd schreef.

Dit is een bijna huichelachtig frubbeltje, een pen die lekt, een onmerkbaar te negeren puntje, nog geen microbe zo klein, & ik heb me als nederig daarnaar te gedragen.
Dat voelt men. Dat voelt men óók. Op gegeven moment in ieder geval. Dat wanneer ’t vlees week wordt, de benen strammen, de ogen weken, de lust verblust raakt, de blootheid naakt: u zijt daar.

Welkome, u zijt in Zijperspace.

Wondervol

Het is een wondervolle constatering dat mensen je niet vergeten zijn. Zittend in de tram, onderweg naar een concert & denken aan jou.
Terwijl de laatst geplande wandeling alweer, misschien meer dan, 2 jaar geleden moet zijn. Waar de tijd cirkelt, er vertraging daarin optreedt, een wederzijdse versnelling evenzo. Maar de beelden, de gesprekken, zijn beklijft. Tuurlijk lang niet alles; maar de gang, een route rondom Weesp, 3 vriendinnen & ik.
Maar de herhaling ging niet door.

Dat 3 radde tongen je steeds weer overtroeven. Hun slinks, hun van jeugd af op elkaar ingesteld zijn, hun grappigheid daarmee, de nonsical, de echt, de onafhankelijkheid, maar gebondenheid bovendien. Waar je je bijna stil wil houden, maar ze steeds weer ook een open plek presenteren waar je in de gevatheid mee kan gaan.
Je daar links aftroeft, er rechts overheen wordt gegaan; de lach van 4 door de coupé schalt.

De Vlieland die je proeft als je ook 1 ouderstel als je buren op de camping ervaart, daar op dat eiland.

Ik had ’t veel te heet, mijn druppeldrippend zweet was in de trein op weg naar Weesp weer eens fanatiek bezig me ongemakkelijkheid te laten voelen, in alle hoedanigheden. Alsof de zenuwen voor. Alsof 3 welgebekte vrouwen, mezelf aftroevende, alsof spitsvondigheid, gezelligheid, overblufferigdheid, mij aan banden zou leggen.
Maar ’t was maar zweet. Zonnezweet, hittezweet, van jongs af aan noodzakelijk zweet bij bepaalde temperaturen.
Maar waar de schaamte daarvoor altijd doorheen scheen.

Geen probleem echter dat ik een laagje uit ging trekken, daarbij mijn buik, m’n blote witte buik, ging tonen. Bang dat de mogelijk passerende controlerend conducteur zich zou storen.
De spitsvondigheden gingen gewoon door, maar mijn blootbuik werd even overgeslagen. De lach om elkaar juist niet.

U weet, zij weten, dat ik mij, met trage toetsen schrijvend, op m’n gemak voel. Met hun.
Zo zijn er nog wel een paar, maar je krijgt niet zomaar een plots bericht. Van een ander. Na 2 jaar, na 10 jaar.
Maar de mist van hoe hun stemmen klonken, soms schijnt een zonnetje die ’t vocht doet vervluchten. Klinkt een kuiltje in de wang, de twinkeling in de koontjes, de aftroef van eroverheen gaan. De gebondenheid, van kindsbeen af.
& Dat ze me daar ooit hebben toegelaten. Ik hun geschiedenis ben & ze me dat maar even laten weten.

Vanuit een tram, voorbij soezend langs, misschien wel nooit voorbij Zijperspace.

De boemboem

Dat hart dat klopt & blijkbaar niet te vertrouwen is.
Waar ik dagelijks niet aan denk. Behalve als er gesjouwd moet worden. Dan luidt de automatisch ingestelde tringeling van alarmbel.
Wil ik dan toch, na die rinkelingetoeterdetoet, iets langer leven, geen risico nemen. Nog ff m’n geur verspreiden, de woorden, zinsconstructies, de zijpaden van waar ik geweest ben. Een plasje heb gepleegd, soms iets te vroeg, soms iets te laat.

Boemboem zegt-ie niet daadwerkelijk, maar bij hyperventilatie, waar ik uiteindelijk tegenwoordig weinig last van heb, knalt-ie op level 10. Als 12 of hoger bestaat, dan is ’t die. Ik heb al een tijd geen volume-manager, moet u weten.

Of als ik moet poepen, probeerde ik laatst uit te leggen. Onderwegs poepen, raakte ik daarbij iets specifieker ’t onderwerp aan. Wc-papier als noodvoorraad voor te veel kilometers stil zitten op een zadel op voorraad in de voorverpakte bagage; je denkt dat houdt dat goedje wel tegen, maar dat wordt elke keer gelogenstraft. De gedachte zelf die dat tegenhoudt, de geruststelling, maar helaas werkt dat vaak tegenovergesteld.
De paniek, de kilometers nog af te leggen; waar is ’t volgende restaurant met bijbehorend toilet op bereikbare afstand? De gedachte dat je ’t wel of niet op gaat houden is ’t meest funest.

’t Spijt me dat te moeten bekennen. Maar ik ben er al jaren bekend mee.
Je moet in zo’n geval de onderwegs voorkomende toiletten plannen. Alvast een fatsoenlijk zinnetje in je hoofd geprepareerd hebben. Proberen die te onthouden voor geval van totale paniek. Ondertussen de weinig betreden hoekjes achter bomen inschatten op beschaamdheid als iemand je nood zou kunnen zien.

Je lichaam met broek omlaag achter boom proberen voor te stellen, dat vooral. Inschatten hoe goed je evenwicht zich houdt ten opzichte van ’t ronddraaien van de wereld. & Dat er dan ondanks die vooruitgedachte bekommernissen toch een mens bestaat die godbetert voorbij wil passeren, juist in zicht.

Hai, hai, zwaait je handje met excuserende wijd gespreide vingers.
Terwijl ik wens dat ik weer een oer-aap ben, zo’n mandril van rood schijnende onbeschaamde kont, die ’t helemaal niet uitmaakt.

De boemboem van poepen in Zijperspace klopt elke dag weer.

Brabbel

Een plots wrijving tussen mijn vingers, een hals die achterovergeslagen moet worden, voor enige ontspanning, een knikkend niet soepel lopende knie, waar de knie de oorsprong is, want ik zit hier, hier tenslotte thuis, de blurps van drank daarbij opgestapeld, de wil dat ’t allemaal wel weer goed gaat aflopen, m’n vader die me een nachtzoen kwam geven terwijl ik net snot aan m’n neus had hangen, de hoofdpijn, de eeuwige hoofdpijn die ik van Ma wist te kopiëren, de herinnering dat vroeger alles goed was, de melkboer die langskwam, zijn knie gekromd tegen de muur terwijl hij ’t dankbaar bak koffie dronk, de buren die de vuilnismannen onthaalden, de tweelingbroers schuin aan de overkant, die later beiden postbodes werden, net als hun Pa, de woeste honden die plots verschenen op ’t veld voor hun deur, niemand naar buiten, de poep in m’n broek, de kleinheid van mezelf, de schaam, de vrouw die ik nooit gekend heb die me achterop nam, de billen die mijn jongste tante onder handen nam, langs de singel, we noemden dat allemaal de singel, Singel, want dat was naast ons domein de Martinus van der Hamstraat, wie die man ook moge zijn die onze buurt heeft gedefinieerd, waar wij kortom ons huis hadden, waar m’n tante, hoe jong ook als kleinste zus van m’n moer, met liefde & washandjes m’n bil verschoonde, daarnaast de dame op fiets, waarschijnlijk allang weer zelf uit leven vertrokken, me met gemakkelijkheid insprak, m’n moeder inmiddels kokend, bereidend, blij dat ze tante Wil had uitgenodigd, Pa nog lang niet aanwezig want een lange vergadering op school, de scholletjes, de door m’n moeder & tante Wil gebakken scholletjes verorberend met ’t bestuur; ’t zou alleen maar ten goede komen aan de huishoudschool (zulke woorden hoor je tegenwoordig niet meer); ’t bestuur van de huishoudschool & m’n Pa, de baardmans, evengoed zonder snor, zou vast succes oogsten bij de besluitvorming, laat thuis komen, voorbij ons toentertijd kleine tv-momentjes: was ’t Fabeltjeskrant of waren we alweer een hoofdstuk verder, meekijkend met de jongste broer van 6 jaar jonger.

Waarom slurpt mijn geheugen mij op & waar laat hij mij in de steek; hoe goddelijk zag tante Wil er uit, maar toch niet al té, maar gezellig haar op zaterdagochtend te ontmoeten, kopje thee aan ’t eind van de tocht, moest slechts nog de rit richting om de hoek thuiswaarts maken, haar familie ontwakend; tante Wil net als haar maar nog verlegen brabbelende dochters, mijn gepruttel alhier.
Ik slurpend aan de nog veel te hete thee.
Dat was een teken dat ze ’t leuk vond mij daar te hebben. Te praten over niks dan hoe ’t met me ging. De herinnering wellicht van verschonen van luiers als jongste zus.
De glimlach van m’n nog naïeve nichtjes in hun ochtendjapon. Waar ik toen al pyjama had moeten zeggen, maar de zaterdagochtendkrant al was verschenen.

Een totale burbelup van de vroegere zaterdagochtend in Zijperspace

Traag

De tijd was traag gister, net zoals de dag ervoor, vanaf m’n ontwaken. Hoewel ik alles moest luisteren wat de radio (1) me zou kunnen geven.
Me rinkelerend laten doezelen, elke keer, de zinnen terzelfdertijd vergeten terwijl ze evengoed duidelijk uitgespeld werden. M’n zwijgzaamheid, m’n hoofd in sloop, de kussen nog wat neerwaartser drukkend. Dan eens m’n linkeroor, daarna de rechter naar boven richtend. Je weet wel, ’t zogenaamde zweet, de zwaartekracht uit je oor lekkend, je omkerend om daar vooral geen last van.

Vooral vergetend, weten vergetend, dat je alles wat verteld wordt van harte welkom is, als die zeldzame put die wij 2 broertjes tegenkwamen met ons Pa in België, als ’t niet al net over de grens met Frankrijk was.
Maar Pa vertelde niet zoveel. Hooguit de notities die ’t wandelboekje (GR 5), maar vooral zwijgzaam als-ie weer eens de weg niet wist. Of welke bus, voor terug naar de camping in de buurt van Luik.
Maar misschien ben ik daar in de war met mijn latere zelfstandige tochten. De tijd kruipt tegenwoordig samen tenslotte.

Die put dus, waar wij niet uit mochten drinken. Terwijl hij te weinig vocht voor ons had meegenomen. Wat wij mogelijk, 2 broers, dat niet zelf konden dragen, incl de broodjes met beleg. Of uit ’t snel stromend water van een hoe heet zo’n beek waar alles te snel gaat om water in de kuipjes van jonge handen te vangen? Waar wij kilometers gingen of al hadden gelopen, meer dan hij had verwacht. Daar waar internet nog niet bestond & een bordje bij een bushalte niet alles kon vertellen of in een verkeerde taal van een mogelijke terzelfderdaagse aankomst van ’t voertuig.
De postkoetsen van ooit waren vast beter te voorspellen dan mijn vaders goedgelovigheid in busbordjes.

Ik haal vast alles door de war. ’t Waren grootse avonturen, vooral vanwege Pa’s onhandigheid. Zijn drang naar avontuur, de drang ook zijn ene voet voor de andere te plaatsen & de verwachting dat gelukzalig zoekend gevoel over te kunnen brengen naar zijn zoons…
Hoewel achteraf niet meer voor te stellen. Z’n paniekadertjes op zijn wangen als ’t niet ging zoals verwacht; z’n 2 zonen die hij straks terug naar moeder moest brengen.
De bus die verdacht lang weg bleef.

Zijperspace had niet bestaan, zonder.

De omdat

Bijv dat ik geen hoofdletters wilde gebruiken. De omdat daarvan die ik niet meer uit kan leggen.
Daarnaast dat ik ‘gevoel’ heb dat ik niet meer schrijven kan. De letters, de woorden zijn geteld. Terwijl er elke keer wel weer een natuurcolumn uit m’n vingers komt als dat van mij wordt gevraagd. Meer of minder goed. Ook verschillende eisen, minder noodzakelijkheid lijkt ’t soms, maar voor mij niet minder belangrijk tegelijkertijd. ’t De natuur presenteren, mijn pen tegelijkertijd

De ‘omdat’ van de titel. Hierboven
De plicht die ik heb. Dat men mij niet missen moet omdat de omdat.
Ik heb altijd een omdat; talloze verlaten vriendinnen hebben mij dat verweten, voelden zich er niet zo lekker bij, maar ’t was altijd in 1e instantie mezelf niet lekker voelen met mezelf niet lekker.

Zo mag je jezelf toch wel uitleggen? Jezelf hopeloos herhalen & bang zijn dat anderen daar niets aan hebben. Dat ’t eindeloos zo doorgaat terwijl je ’t zelf niet in de gaten hebt. Waar jezelf weet waar anderen over die grens zijn gegaan.
Een veiligheidsclausule. Ik had ze ingelicht & ze wisten dat ik eigenlijk niet over hun grens zou willen gaan.

Maar de communicatie is niet altijd even goed.
Tenzij ik gelukkig ben. Er iets leuks gebeurt. Men me leuk vindt. Ik dat niet snap, maar me er evengoed in kan voegen. Wat alcohol nodig heb om ’t voegen wat soepeler te laten verlopen; zij inmiddels gestopt of anders flink beperkt, maar ik die zo simpelweg verder drijf. Zoeken naar een oplossing voor weetikwat.

Ik ben nu op zoek naar Mo. Alle hulp wordt mss wel van hem afhankelijk straks, want wat aan hulp aanwezig was sluit binnenkort af…
Dat betekent dat ik bovenstaand verhaal momenteel meermaals per dag in m’n hoofd herhaal.
Dat ik daarnaast evengoed niets durf. Geen mailtjes denk te kunnen beantwoorden, avonturen liever niet aan wil gaan, geen blogposts meer voor elkaar krijg. Ik óf spontaan op berichtjes moet reageren óf helemaal niet.

Dat betekent dat ik voor veel personen nagenoeg niet besta.

Niet ongelukkig in Zijperspace, maar wel benauwd.

Geduld

Wat ik zelden betracht heb.
Ik wilde liever gisteren al jarig zijn. Alle vriendjes vertellen dat ze allemaal welkom waren. Teleurgesteld als ze niet kwamen. Of…

Zoals Dimitri. Die wegging tijdens ’t partijtje. Ik hem nariep. Van waarom ga je weg? De deur. Ik stond in de deur, verbaasd om geen antwoord.
Maar er waren andere vriendjes, ze waren tenslotte allemaal gelijk tijdens je feestje, net zo welkom, soms was zelfs ’t aantal belangrijker dan wat je rijker was geworden. Een autootje, een fietsbel, een feestneus, slinger, wat snoep; ’t ging vooral om ’t aantal vriendjes.

Vriendinnetjes speelde nog niet in ’t gezin van ons 6 broers.
We waren apart, maar zo apart toch ook weer niet. Eerder afgezonderd van ’t weten hoe ’t was om ook zussen te kunnen hebben.
De enige vrouw was Ma.
Daarna Oma plus enkele tantes. Maar dat telde niet.

De sterkste herinnering aan 1 van m’n tantes was toen ik door de jongste tantes werd schoongemaakt toen ik broekpoep had na terugkomst van de kleuterschool. Janken; ik denk zeker te weten dat ik ’t toen als een grote vernedering ervaren heb. Achterop bij een toevallig passerende dame op fiets was ik thuis gebracht. Tante Wil heeft ’t toen afgehandeld.
Lachend, alsof ’t er niet toe deed; de geruststellach (laat dat een woord zijn). De warme natte washandjesbehandeling. Dat je altijd terug kan vallen lach. Met streepjes tussen de woorden, zodat ’t 1 woord wordt, zo gauw je weet dat ’t familie is. Dat poep poep is, gelijk je nichtje, de oudste dochter van Tante Wil, gelijk je broertje nog pril, onbekommerd in de wandelwagen, de luier verpakt, de beschaamdheid nog ver in de toekomst.

Ik wil liever gister jarig zijn, want toen is ’t al begonnen. ’t Lonken naar wat kan komen. De ijsjes van vroeger bij de 1e warme dag, dat Joop Laan met z’n ijsbakfiets bij onze school klaar kwam staan.
Of dat we anders hem er later die middag aan kwamen herinneren dat hij meer geld had kunnen verdienen. Met z’n 8-en op z’n veel te klein ijskraamterrasje.

Maar ’t seizoen is allang al begonnen. Ik moet bescheiden zijn; wordt al verwend, hoewel ik dat eigenlijk niet wil. Ik zou ’t koud moeten hebben. De uitzondering moeten genieten van een plots vroege ‘Joop’.

Joop is vast al dood. Zijn ijs, misschien zijn recept overgedragen aan nakomelingen niet, wellicht ook.

Morgen gaat de zon stralen, de warmte redelijk behaaglijk worden, hogere temperatuur dan toen. We spreken af op een lekker eenzaam, rustig veldje. Er komen enkele vrienden langs. We drinken bier, whisky, wodka; naar ’t ons uitkomt.
We eten geen ijs. Er komt waarschijnlijk ook geen ijskar om ons daarin te voorzien.
We zijn straks hier in ’t heden. & Daar doe ik aan mee.

De volgende dag vergat men in Zijperspace wat al gebeurd, dan wel geschreven was.

Hierzijn

’t Hierzijn.
’t Terug.
’t Klampen van de woorden. ’t Verlangen naar een zogenaamd lang bestaan.

Dat de wil er weer is. De Wil.
Waar te veel hoofdletters inmiddels zijn gevallen. Te veel overdrijving er overheen zijn gegaan. Je jezelf tot kalmte wilt manen. Maar als je dat doet verschijnen er misschien wel nooit meer letters, laat staan woorden.
De laatststaanwoorden.
Er nooit meer mogelijk zijn.

’t Hier zijn dus.
Waar de brabbel ontstaat. De zwijgzaamheid voorbij. De kletspraat verder gaat.

Niet over u. Ik zou dat niet willen.
Geen remming, geen bleu, noch iets om me over u te schamen.

De schaamte mezelf.
Waar ik vandaan ben gekomen. Wat me tot hier gedreven heeft. De gestunteldheid, de verklaringen van waarom ik elke avond op deze plek zit.
Toetsenbord. Beeldscherm. Flitsend flikkerende zwarte letters die me dat dan weer uitleggen. Ze worden gedreven door vingerpunttopjes, of misschien wel andersom.

De rechter doet niet zo z’n best, maar is best belangrijk bij de knop van ‘Enter’. Er is een spiegelbeeld, waar linker, hoewel zogenaamd niet dominant, zich er gemakkelijk van afmaakt.
Ik ben blij dat ik in staat ben dat te omschrijven. ’t Is een kleine test van mogelijkheid tot schrijven met een ‘pen’.
Dat de woorden niet verloren mogen gaan. ’t Heden moet blijven bestaan. Dat ’t blijft rijmen op wat komen kan gaan, voorbij is gegaan.

Zo sluimer ik. Wil allang naar bed.
Ben best blij dat ik dit heb gered. Na zwijgen. Me al te lang niet kunnen opkalefateren.
De weg niet weten vinden dergelijke woorden te kunnen gebruiken. De sprinkel, soms sprankel, van verloren woorden, verloren gevoelens te kukeluren. De haan die de morgenstond kraait, zonder wetenschap dat hij ’t is.

De onnozelheid kortom voor wat ’t is een toetsenbord te hebben, weten tegelijkertijd dat er weer een volgende morgenstond zich aandoet.

Of wellicht niet dit keer in Zijperspace, want dat is wat niet weet.

Economie

Ik heb mezelf overleefd, denk ik ondertussen. Hoewel burn-out, maar zonder wroeging jegens wie dan ook (naast lastige klanten aan de bar).
Ik was een beproeving, denk ik tegelijkertijd over mijn diverse perioden, maar daarnaast kan ’t heel fijn zijn mij te ontmoeten.
Er fleurt soms wat. Zo kan ’t zijn, als men er voor open staat.

Als in beproevingswijs:
Hoe je een etterige windbuil kan zijn & daarnaar streeft ook.
Maar dat dat een manier van overleven is tegelijkertijd. Je bent jong tenslotte: de achteraffe verklaring.
Je intelligent voordoen, zo goed als mogelijk; je niet wil conformeren ook aan ’t regime (waar Fred, m’n docent, heel erg aan was gehecht)…

Ik was tegen regime. Fred was voor.
Ik was voor vingeropsteken, vooral omdat ik vaak naar de wc moest.
Fred was tegen.
Tegen mijn vingeropsteken, tegen mijn aandacht. Trekken. Laten weten dat hij daar was.
Ik hier.

Fred wilde mijn huiswerk zien.
Ik zei: ‘Ok, Fred!’
Fred zei: ‘Meneeer Dinkla!’
Ik zei: ‘Ok, Fred!’

‘Sodemieter maar op!’

Dat was de witregel. Tussendoor bestond niets.

& Dat was tegelijkertijd een herhalende opdracht. Gebeurde nagenoeg elke les.
’t Werd een sport, ’t was een sport: zo kort mogelijk aanwezig zijn tijdens de lessen. Af & toe een ontmoeting te hebben met de conrector met de vraag waarom.
Wat niet uit te leggen was.

Fred was Fred.
Ton was Ton.
& ‘Sodemieter maar op’ klonk als een overwinning.

Daar zat ik dan, Geel Beneden, zoals dat heette, soms bij Blauw op 1-hoog, waar de leerlingenblaadjes werden geschreven.

Ik ben moe. Genoeg van onverschilligheden, discussies, gebrek aan begrip.
Fred was leuk.
Hij begreep me niet.
Ik was op jonge leeftijd op zoek naar duel. Speels. Zoals, zoals, zoals…
Niet gehoorzamend aan enigszins bevel, dat vooral. Maar Fred dacht dat bevel zou helpen mij beter te laten leren.

Ik wilde alleen maar zo snel mogelijk ’t klaslokaal uit.
Verder met mijn boeken. Lezen, daadwerkelijk lezen.

Tegelijkertijd zo min mogelijk weten van wat voor handel of economie dan ook in Zijperspace.