Gang

De onbegrijpelijkheid van de gang die een onbekommerd jochie gaat. De afslagen die als vanzelf worden gekozen, de verantwoordelijkheid die je op je moet nemen, maar de gang, de weg die je aftastend kiest, zijn zelfbestemde, soms net zo vanzelfsprekend moeilijke route. ’t Laat zich niet zo makkelijk afleiden van ’t pad dat reeds ingeslagen was. Maar een bepaald gradatie van moeite is nodig. Mss niet een pad, maar juist een gang, nauwe wanden, geen verlichting als je niet naar de lichtknop kan reiken, als dat nog moeite kost.

Ik weet me nog jeugdige vrijpartijen te herinneren. Waar liefde nog eeuwig was. De borsten van vrouwen, jonge meisjes toen, net zo onschuldig nog als ik, overdonderend naakt waren. Vaak niet volledig bloot, maar wel van een voor mij nog onvoorstelbare hoeveelheid daarvan.
Nooit daarna meer kunnen denken dat je nog aan iets anders behoefte zou kunnen hebben. De overtreffende trap van bijna onhaalbaar, hoezo voorstelbaar?
Voortijdig geneutraliseerd evengoed, want uiteindelijk deed ik altijd iets, te vroeg, verkeerd. De tedere knoppen onjuist bediend. ’t Onjuiste woord op een onjuist moment. De gekunsteldheid van elkaars lijf betasten fout geïnterpreteerd.

Zelden zelf uitgemaakt. De meisjes waren blijkbaar voor mij leidend. Misschien was ik te verslaafd aan hun borsten, aan een mogelijkheid van antwoord. Gesprek. Van wederzijdse, liefde, hoteldebotelhoofden die elkaar stootten. Waar ik de tederheid van lichamen voelde die nog niets van elkaars aftasten vermoedden.
Je kan er nog een heleboel anders aan hangen, maar in terugblik er nimmer nooit de juiste verklaring voor zien te vinden.

De verwondering dat hun lichaam op een bepaalde manier in elkaar zat, waar wel voorlichting was geweest. Weliswaar heel schielijk, met een bibliotheekboek, die we bijna op moeders schoot doornamen.
Volgens mij een te grote opgave voor m’n moeder. Er was nog te veel bleu met háár opvoeding meegekomen. Ze deed evengoed haar best. 2 Zoons aan haar zij. 1 Jaar verschil in leeftijd.

Ik geloof, weet eigenlijk wel zeker, maar durf ’t nog niet volledig te bekennen, dat ik uiteindelijk dat boek terug moest brengen naar de bieb, omdat anders de uitleentermijn verlopen zou zijn. Er staat een hoofd van schaamte in mijn herinnering getekend: mij met een mogelijk vunzig boek van vol met ‘al ’t naakt des vrouws’ & wat dies meer zij, waar ik me tegenover de bibliothecaressen ongegeneerd moest gedragen.
Als de normaalste zaak van de wereld, een boek vol seks, met een nog niet de puberteit bereikt gozertje eraan geplakt. Plus klamme handjes die je aan zijn zweterig hoofd af kon zien.
Ik twijfel of mijn schaamte de daadwerkelijke daad van terugbrengen (wellicht onder moeders begeleiding, maar zij komt in mijn herbeleving absoluut niet voor) mijn herinneringen heeft doen overwoekeren met alles mogelijk seks dat aan mijn handen kleefde op dat moment over de uitleenbalie stroomde.

Mijn moeder had me niet iets dergelijks voorgespiegeld, zo’n ontvangst bij de inleverlocatie. Voor de onnozele onhandigheid legde ik ’t boek met voorkant naar beneden op de balie.
Maar in mijn beleving vooral heftige seksbeleving dat de wederzijdse kaften omhulde. Waar een mens zich geen voorstelling van kon maken. Een mensje als zo’n jochie als ik.
Hoewel m’n moeder, zij ’t met van haar wederzijdse moeite, er traag pogend haar best voor had gedaan dat Carel & ik begrepen wat ’t was.
Een vrouw. Een man. De liefde. ’t Bed. Wat naakt was. Een kind geschapen, geboren werd. Plus de woorden die je niet zei, niet sprak noch fluisterde, je broers zinspelingen ontweek, nog jarenlang.
Waar ik nog zelden inging op opmerkingen van m’n broer vanaf zijn positie van stapelbed 2-hoog.

Waar ’t bed nimmer meer nattig zweterigheid mocht schijnen in Zijperspace.

Opstapeling

Als je alles bij elkaar optelt, de mensen die je op een dag ontmoet, de dag dat je weer naar buiten kan omdat de druppels niet overheersend zijn, ’t hooguit slechts gestaag komt, de regenjas niet nodig…
De optelsom, van tevoren ingecalculeerd. Meermaals de regenverwachtingen gecheckt, nogmaals, daarna wederom, vanaf ’s ochtends bij ontwaken, hopend op ’t vroeg sein groen, gedurende dag een continu aangepast gecorrigeerd sein groen.
Een dubbelop zekerheid inbouwend.

& Dan vrij. Een mogelijkheid te gaan & staan & uiteindelijk vooral zitten.
Fietsen dan & daarna vooral hopend een boek te kunnen lezen zo gauw op de plek van bestemming aangekomen.
Zodat de ontspannenheid terugkeert. ’t Ademhalen van normaal. De rest behalve de letters, de woorden van ’t boek vergetend. Dat laatste in de lage ‘mode’ vooral, maar die mogelijkheid is er wel als er niemand is, wellicht iemand passeert, maar niemand daadwerkelijk aanwezig is.

Maar als je de mensen optelt, die je op die dag ontmoet, de ‘hallo’s’, de knikken, de hand omhoog ter groet, de split-second-conversaties, de muzikant uit Bulgarije die altijd een sigaret komt roken als hij me ziet; als je die mensen optelt…
Dan storen ze me wel in mijn leesavontuur, & dan zie ik ze wat minder vaak dan dat ik bepaalde mensen elke dag spreek, app, lastig val & de viceversa’s, maar niet altijd in levende lijve. Maar hun dus wel.
In wisselende mate van aanwezigheid. Sterke mate van afwisseling zelfs.

Ze glimlachen als ik omhoog kijk uit mijn boek. Een wuifje, hoofdknikje, een understatementje, de vanalles van menselijke expressies, op ’t minieme af.

Ik moet in dat minieme zijn terwijl ik daar zit. Waar niemand daadwerkelijk denkt ooit eens een keertje langs te komen & er toch een enkeling een keertje per ongeluk wél wat nadrukkelijker passeert & soms nog een keer. Waar ik niet gestoord word tot ’t moment dat er wel een ontmoeting plaats vindt.
Ik een ‘verdorie’ of een ‘verdikkeme’ lekker ouderwets door m’n hoofd laat rollen als ik uiteindelijk wederom op de fiets stap, na 1st peinzend na heb zitten denken waar alles in de bakfiets hoort geplaatst. Dat ik straks niets vergeet, tijdens ’t uitpakken, alles weer op z’n eigen plek in m’n eigen huis hoort te staan of liggen, dus niet verloren gaat in mijn geheugen.
Straks de boeken op rij, de fiets op slot. De deur weer dicht.

Zijperspace gaat sluiten.

Enkelepunt

Dat je niet meer kan schrijven.
De rest van ’t tekstveld leeg blijft.
De zwijgzame angst zich laat verhullen. Waar een verzwijgen daarvan een leugen wordt. Geen grote leugen, maar een liegebelletje. & Dat mogelijk iemand dat hoort rinkeltinkelen.

De datdatdat, volgens mij heb ik dat woord al eerder gebruikt, evengoed niet wetend meer waar, maar waar je niet meer kan verzwijgen dat je niet meer in staat bent ’t te vertalen naar iets van nieuws, een nieuw verhaal & er bang voor bent dat je de grens over bent. Dat zinnen plots slechts woorden worden, straks punten misschien. Tussendoor de zelfherhalingen van diverse overbodige interpuncties.

Dat datdatdat een regelmatig tempo wordt. Een hartklop weliswaar, maar ’t een niksigheid wordt. We hebben allemaal een tempoklop van datdatdat, van als een hart dat voortstuwt, waar je in een plotse conversatie een poging moet doen ’t iets te laten betekenen, ’t bloed dat stroomt als in een gestage woordvloed. Van een belevingsgevoel die tussen zonsop tot kruipend naderbij komend middernachts traag & sluimerend bezwijkt.

Ik niet meer kan schrijven. Als in een angst. Dat er geen eerlijkheid meer uit m’n pen schrijft, er bagger uit m’n toetsenbord klopt. Er leugen naar de spaarzame lezer wordt gefluisterd.
Ik uiteindelijk nog meer woorden moet verzinnen, uit m’n lijf moet putten zodat ’t nog wel klopt, dat hart van toetsen, de dram & drang van er op rammen, de zwijgzaamheid hoor nadreunen zo gauw ik de finale punt heb aangeraakt. Met m’n pink, de rechter. Vaak zich vergissend, want hij wordt immers niet vaak gebruikt. Paniekerig aftastend waar er een goed einde aan iets van niets te maken valt.
Want hij, die kleine, heeft geen weet van wat er tussendoor zijn spaarzame, maar evengoed noodzakelijke, hulp geschreven wordt. De pink, ’t laatste redmiddel, de lichtst wegende boei, m’n hoofd boven water houdend. Juist die pink. De punt aan ’t eind van m’n rechterhand. Reikend naar rust, de kleinste deelnemer, maar een eind aan alles straks.
Duurt niet lang meer. Daar komt-ie.

Wederom  begint-ie zijn taak om Zijperspace te doen zwijgen aan ’t eind, maar wie weet komt er morgen een dubbele punt.

Nonnenparadijs

Dan wil ik liefst naar een paradijs, na wat ik eergister schreef. Dat onbenulligheid weerkeert, een suffigheid zich uit m’n neus snuit. Ik me niet herhalen mag, slim genoeg om dat te voorkomen.
Mijn ouders geloofden volgens mij nog wel in een Eden, hoewel ik dat niet zeker weet. Zij waarschijnlijk ook niet meer. De manier waarop ik toen hun geloof in twijfel trok: ik & m’n broers vooral niet meer naar kerk wilden; daarnaast de gevangenis van elke dag voor de maaltijd een gebed. Van dankujezus. Waarschijnlijk een grapje van m’n oudste broer. 1 Van de 6 moest een voortrekkersrol hebben.
Met 6 broers om de spijs des tafels zien afkoelen tot straks minder genot.
Liever een sprintje getrokken naar & voorbij ’t Weesgegroet.

Ik overdrijf. Maar probeer gedachten te verzamelen. Niet als wat goed is, waar iets fout; meer waar mijn gedachten steeds weer blijven hangen.
Beleven, herbeleven, & vooral genieten van de nonnen in ’t klooster waar Pa ons mee naar toe sleurde. We met een halfblinde non mochten patiencen & we kregen te zien wat zij kon zien dankzij een dure vergrootinstallatie.

Om wat voor reden was Ma niet aanwezig op dit uitstapje, eerdere keren wel, maar mss dit bezoek wel daardoor des te spannender: we konden nu nog meer kaartspellen leren. ’t Was een schatkist aan vergeten spellen, dat klooster. Plus stiekeme trucjes die vooral niet té stiekem moesten zijn, want anders had de andere non aan zijkant dat door. Maar andere buurvrouw zuster fluisterde dat dan ff door. Per ongeluk in 1 van broertjes oor.

Zo’n zusterhood waar je naar terug blijft verlangen. De grootvergrotende ogen van de annoterende zuster, de oudste, met haar dure vergrootlens, zodat ze dat kon doorgeven aan de bibliotheekbeheerders. Haar zusters.

De andere zusters die ons op een gegeven moment vroegen of we een boterham bliefden. We melk & pindakaas kregen geserveerd, ik geloof ook 3-kleurighagelslag desnoods. Plus een aai over je schouder. Je bol.
Een nooit vermoeiende glimlach. Je een eeuwig gemak zonder verwachtingen kreeg geserveerd. Aai over kortgeknipt bol.
Daarna een doorwandel naar volgend doel. De schuivende rokken slepend ruisend richting rustvertrek.

Maar wij kwamen toen ’t stalen hek was verwijderd. Niet slechts meneer pastoor de enige persoon was die kon komen. Toen de etenswaren, de boodschappen, doorheen een gat werden overhandigd; er niet te veel van ’t gezicht mocht worden gezien. Hun familie slechts herkenning had van hoe hun kap zich over hun hoofd vormden. Niet meer dan dat. Ze niet meer alleen door een luikje contact konden maken met de hun vroegere buitenwereld.
Dat naast meneer Pastoor m’n vader de 1e man was die hun vrouwenklooster mocht betreden.

Ik vertel ’t waarschijnlijk verkeerd. Maar ’t is me allemaal later verteld. Mss op de terugweg richting Den Helder, waar mijn vader toen een paar jaar geleden door juist hun nonnen benoemd was tot directeur van de Huishoudschool. In Den Helder.

& Voordat ik daarvan wist, van dat alles wist, was ik een kind dat altijd verlangde naar de nonnen, hun spelen van spellen, hun belangstelling voor ons. Zelfs naar de blindheid van een enkeling, een oudere enkeling, want juist die niet zagen hoorden meer, was ons verteld, bevroeden meer.
Juist zij, de oudste non die  op haar extreme vergrootglas na, nagenoeg blind was, juist zij wist dan de spelregels beter uit te leggen & ons evengoed te laten winnen.

Plus hun zacht slepende voeten, niet zo bedoeld, maar dat er gemak was, niemand werd gestoord, wij evengoed kinderen konden zijn.
In enthousiasme, omdat 1 van ons onverwachts toch gewonnen had, streken ze ons hoofd, onderweg richting de voorbereiding voor de maaltijd. Maar de troost was net zo sterk als de overwinning. M’n haar weer even strak, m’n kriebels van genoegzaam, zolang pa maar wegbleef, net zo goed.
Mss nog een rondje hoopten we dan.

Een bijna kus op soms voorhoofd daarbovenop de rust van zacht & slechts traag hoorbare adem, een ziltzacht strijken door ons haar. Toevallig waar welk zuster dan ook voorbij liep.
Daar zaten we dan van hooguit 4 broertjes rijk. Die andere 2 of 3 waren die tijd voorbij.

& We bleven maar winnen met welk kaartspel dan ook in Zijperspace.

Kaos

Ik waag te denken dat er altijd goden zijn geweest. Als dat denken al niet reeds een geloof zou zijn.
Maar ik, als in mezelf, geloof niet; niet in specifieke godendom. Waar ik tegelijkerijd wel weet dat een mens niet kan leven zonder verhalen te absorberen. Ze verder door te vertellen. Van ademhalen naar adem uit.
Spreek wordt spraak. Wordt soms preek, waar die rechterbocht dan weer tegen tegemoetkomend verkeer in ging.

’t Is ’t geloof van bepaalde verhalen ontvangen. Naar waarheid beleven. Een kruimel van mee-gang ervaren.
Hoewel ik me daar dan weer persoonlijk tegen verzet. Want ik wil geen god, geen Zeus, geen grootlettertype aanspreekvormen van verhevenheid die zeer wel mogelijk niet bestaan. Wellicht reeds overleden zijn, maar niemand meer aanwezig die dat bewijzen kan.

Evengoed zijn de verhalen mooi. God die ooit bestond, er tevens een veelvuldigheid ooit van was gecreëerd. Waar men behoefte had, uit weet ik wat achteraf verklarende (on)zinnigheid, maar aan duiding van hoe hun/zijn begrijpelijkheid. Een god, meerdere goden des te makkelijker toen.
Zonder die voor mijzelf ongeoorloofde goden zou ik geen verhalen hebben kunnen vertellen. Had ik wellicht niet bestaan. Dat hebben ze in ieder geval gecreëerd, die ik in mijn beperkte tijd eeuwig durende twijfel me afvraag of ik recht heb. Recht van bestaan.
Ben ik tegelijkertijd dankbaar voor. Zeus plus andere goden als mijn buurman. Hun zogenaamde begrip steeds op de achtergrond.
Daarbij hier elke avond, nacht, te typen. Mezelf bewust wordt van.

M’n vingers die leven, ’t contact van besturing nog steeds bestaat, de logica van letters op toetsenbord nog laat sturen in ’t somtijds lege hoofd; ik tegelijk terug moet komen bij waar ik begon: ik geloof in de goden, de griekse, de knie van m’n opa evenzo, daar waar ik begon; dat ik een tik van zijn wandelstok kreeg als ik in de weg zat van zijn aftikkende askegel van zijn sigaar, maar dat ik vooral door mocht lezen, zoeken naar ’t grote griekse godenbestaan.

Hij had natuurlijk niet kunnen bevroeden dat er een ander godendom op stapel stond, eigenlijk redelijk snel na zijn geboorte zich aankondigde tijdens die 1e films die hij kon zien in z’n jeugd, maar sterk uitvergroot toen hij al lang dood. & Ik inmiddels een andere encyclopedie had.

Daar wil ik eindigen, in dat aller uitvergrootste Zijperspace.

Meisjeskamerdeur

Onderweg in m’n jeugd heb ik op gegeven moment besloten dat ik niet meer thuis wilde komen. Dat was mijn beslissing nadat ik…
Hm, wat nadat ik?
’t Kan toch geen vergissing zijn van mijn geheugen, waar de details blijkbaar zijn vervaagd, maar waar ook steeds de woestheid van m’n vader op komt borrelen.
Er vlakke handen opnieuw fonkelen, m’n moeder net niet schreeuwde van: ‘Niek, doe dat niet!’
Never nooit niet was ik van plan, een uitdrukking die destijds nog niet bestond, zou ik terug keren.

Dus naar Mirjam. De enige waar daadwerkelijke eerlijkheid mee mogelijk was. Zei hij, de ik, in heimwee naar zwoemelende verliefdheid. Misschien dat ik daarom de deur uit was gerend. M’n fiets richting de Schooten, een relatief nieuwe wijk in Den Helder, had gestuurd.

& Haar moeder ons met rust liet, op Mirjam’s slaapkamer. Ik haar dagboek te lezen kreeg. Over gelijkzame problemen met gelijkende ouders. We uiteindelijk dagboeken wisselden, ik had die van mij, als meest kostbare eigendom, met me meegenomen op m’n vlucht van samenschrapend belangrijke spullen, slechts spaarzame kleren, lesmateriaal, dagboeken, voordat een mens besluit z’n ouderlijk huis ontvlucht. We onze verhalen, zoals dat soort verhalen zich nooit goed genoeg laten vertellen, want daar zijn dagboeken niet voor bedoeld. Maar alles wat in pennenschrift geschreven stond. Dat deelden we.

Maar…
Op een gegeven moment klopte Mir’s moeder op haar meisjeskamerdeur.
Of ik mee wilde eten, vroeg ze om de hoek.
Nee, leek me beter. Alsof m’n moeder me gebeld had, anders van moeder tot moeder; hoewel, je weet wel; mobieltjes, laat staan smartphones toen nog lang niet bestonden. Maar innerlijk moederlijk contact, vermoed ik. Stiekem via een telefoonnummer beginnend met 02230-32572.

Daar meteen besloten werd dat liefde met Mirjam niet mogelijk was, maar er nog veel mogelijk- & moeilijkheden we nog te gaan hadden.
Ik dus naar huis ging.

Er thuis niets aan de hand leek. Hoewel Ma een hand over m’n schouder legde. Een knuffel was geen vanzelfsprekendheid op deze leeftijd, maar wat ze deed was goed.
Zolang Pa maar geen vurige directeurspreek deed.
Ik evengoed een vol bord eten kreeg aangereikt. Dat had ondanks alles op me gewacht.
Terwijl m’n vader nog steeds z’n directeursmond dicht hield, tenslotte, of juist ondanks hoofd van de lokale huishoudschool, iedereen wist dat hij ontzettend hard kon schreeuwen, de echoënde gangen zijn stem tussen meisjes door kon vermenigvuldigen.
Maar hier was mijn moeder die hem deed zwijgen.
Althans soms.
De juist op dit moment soms.

Ik bevind me daar, vrij vaak, in Zijperspace, van veel stil.

Tomeloos

’t Tomeloze gevoelen van dat niets ophoudt, tegen beter weten in.
Maar m’n haar groeit nog, alleen van wat spaarzamere plekken. Wat meer vlekken tegelijkertijd voor hen die mij van voren of achter zien. Terwijl ik slechts een spiegel heb van altijd op mezelf lijken. Geen grote veranderingen want alles verandert met me mee. ’tZelfde tempo, de alledaagsheid, de opgeslotenheid in m’n mijn. Van iets te langzaam kaal, want ik zie, net als ieder andere man, mijn achterkant niet. Iets te oud, iets te onbenullig & iets van wat juist een buurjongen leuk vindt.

Ik kwam hem vanochtend tegen, samen met z’n moeder. Ik op niets af opnieuw proberen een pakketje ophalen om de hoek, zij voor ’t 1st een huurbakfiets gaan gebruiken. Of ik tips had voor ’t voor ’t 1st berijden van zo’n ding. Want ik had ervaring.
‘Vooral 1st alles rustig uitproberen, je evenwicht zien te vinden.’
Zei ik.
Onbekommereerd. Welk woord weer eens niet bestaat, maar men moet zulks woord voelen. Je buurvrouw, haar zoon, die mij samen laatst een kado kwamen geven. Een doos vol, schoenendoos groot. Tekeningen, zijn naam geschreven.
Al eerder verteld, maar sindsdien hun voor ’t 1st weer ontmoet. Ik vermoed Australië, ’t land van herkomst, de oorzaak.

Waar gaat dat verhaal dan heen, verlost van onbelangrijke details, van tomeloosheid van onvervaard toch praten gaan, van niet snappen wat je wakker houdt. Waar buurjongen evengoed op apegapen staat van wat ik brabbel. Hij proberend de bakfiets te enteren, terwijl buuv nog lang niet klaar met uitvinden hoe zo’n ding werkt.

’t Pakketje voor mij tegelijkertijd onmogelijk op te halen was, want voor de 2e dag op rij was de afhaalplek gesloten.

Dus daar stopt ’t verhaal. Niks afgesloten, maar wel even bij de terugontmoeting, zij bijna op weg, verteld dat de pakkettenlocatie afgesloten was toen ik ze 1 minuut later weer tegenkwam. Ze beiden bijna op ’t punten stonden om voor ’t 1st te vertrekken voor een nieuw groot avontuur.
Dat ik evengoed tomeloos ben. Niet perse wil, maar ’t altijd, of in ieder geval, vaak gebeurt. De willoosheid, maar waar de floep alweer uit m’n mond stroomt. & De rest van de dag niets meer durft. De dag voor de rest z’n mond houdt.
De ontmoeting niet aan kunnen gaan, maar dat niet kunnen ontwijken, me verplicht willen voelen evengoed.
Wat moet je immers anders doen met zo’n buurjochie met lang haar die je een schoenendoos met bijzonderheidjes, kleinoodjes, persoonlijkfrummels van grote waarde heeft nagelaten bij de wekenlang geleden ontmoeting.

Waar m’n mond sluit. De deur voor de rest van de dag dicht. Er geen avontuur tot ’s avonds laat meer ligt.

Slechts een tomeloos tiepend typemachien Zijperspace vlak voor slapen gaan beschrijft.

Zand

Zoals we elkaar tegenspraken. Van dat je al wist dat je iets van de ander wist, al was ’t de straks binnenkomende gedachte die zij me ondertussen zei. Er geen seconde verloren mocht gaan om te zeggen dat je ’t al had bevroed. Of te bewaren voor een onverwachte linkse aanval.

& ‘Kweet’ klinkt dan zo fijn. ’t Slijmt zo lekker, of mss is plakken wel ’t beter verklarend woord. Want slijmen wil je eigenlijk niet, wellicht ’t resultaat in ’t hoofd van haar, maar subtieler was je drijfveer; je beredeneert ’t ondertussen buiten je hoofd om. ’t Ondergraven waar de ik fout zou zijn, in haar betekenis van wat er was gebeurd, gezegd was. ’t Over & weertje, waar nou 1maal altijd verkrompels ontstaan. Bekrompigheden uiteindelijk groeien. Straks dus geen samen meer zou bestaan.

Dat nog ff uitstellen. Want je had tenslotte wel samen seks gehad.
Is immers geen vanzelfsprekendheid. Vooral niet op de manier waarop. & Waar & hoe.

Men kent wellicht de stranden van zuidelijke landen waar tijdens vakanties tijdelijke liefdes werden beleefd.
Ik weet daar als tegenover helemaal niets van. Bij mij was er niet meer dan de Helderse kust. Daar deden wij ’t. Wellicht hebben de dames later kusten elders bezocht, maar daar hebben wij leren weten wat zand tussen de onaangename plaatsen kon doen. Maar je toch niet kon stoppen. Tegen ’t ruig roesten van de huid in, ’t stug volhouden in verborgen duinpannen.
’t Had nl wel iets, ’t zuchtend zand, de zoemzoemzoemende wind door ons haar, soms ’t zinnetje ‘Hé, Zijpie,’ als zachte zwijmel in m’n oor.
’t Had wel iets, wilde ik me bij laten blijven. Waar ik haar hand plots weer voel trekken, van toen ze me mee trok tijdens bezoek van Opa & Oma, we ff gingen verdwijnen voor een wandeling.
’t Had wel iets, zo’n wandeling van Huisduinen naar de 1e strandafslag aan de noordelijke vaste kust. Waar niemand was, want inmiddels te koud voor andere dingen doen dan wat wij deden.

We pas stopten toen we ’t idee hadden dat we door 2 jochies werden begluurd.

Zand heerst nog steeds in Zijperspace, al is ’t slechts in gedachten, maar je raakt ’t nooit meer kwijt.

Doordemuurconversatie

Ik ben te vroeg aan een film begonnen, want weet dat ik me er dan graag wat te drinken bij serveer. Probeer mezelf te controleren, de mate van relaxt te doseren, want als ik 2 uur uit moet zitten, een tussendoorse maaltijd, een paar uur vroeger dan normaal voor mijn doen, ga eten om de film te overleven, uit te zitten dus, want de verslaving is daar. Behoefte ontstaat omdat je er naar binnengetrokken wordt. ’t Weerstaan niet meer bestaat tot uiteindelijk de aftiteling.

Nog enkele slokken achterover & dan beseffen dat ’t toiletgebruik opnieuw nodig is.
Waar ergens door de 3-dimensionale omgeving een man schreeuwt, een vrouw verdedigend huilt, spreekt & dat zich in echo’s herhaalt. Echo’s hun mond, echo’s de verwerking van de muren. Echo’s mijn denken van hoe alles kapot kan gaan & ik in de toendertijd slechts kon schreeuwen in m’n hoofd.

Die muren zijn dus niet zo dik. Stemmen overweldigen de zogenaamde geluidsdichtheid. Doen tegelijkertijd mijn schaamte om ’t te moeten aanhoren, die van mijzelf, dit hedendaags, mijn oren afknijpen. Een poging daartoe.
Ik zou willen dat ik niet had moeten plassen. Er geen gele urine door hun conflict zou stromen. Want zo hulpeloos als je weet dat alles door de muren heen trekt. Emotie niet meer van je/jullie zelf meer is.

Maar vooral zie ik mijn buurvrouw. Ik zie haar in haar lichaam samengekropen achterover op haar bank liggen, om haar wanhoop, onbegrepenheid, haar jank, huil, rillen of trillen, waar de woorden in m’n hoofd tekortschieten & ik tegelijkertijd m’n mond moet houden. Want dit gaat mij niet aan.

Er is echter geen schot geknald, heeft er geen geslagen klap door de muur weerklonken. Ik ben slechts getuige geweest van iets. Waar dat iets niets kan zijn maar ook heel veel.
Zo klonk ’t, vooral dat laatste.

Maar ik heb nooit ruzie kunnen maken. Heb altijd moeilijk begrepen wat dat voor geluid zou geven. Dat hebben Pa & Ma mij nooit geleerd.
Zij dansten hun dansje bij Pa’s muziek op sommige zondagen & dan deden wij als vanzelf er ’t zwijgen toe. 6 Broers verspreid over de huiskamer, ieder zijn ding doend, elk zijn eigen hoek of stoel, z’n tekening, z’n boek. Maar zwijgzaam. Toekijkend.
& M’n moeder legde haar hoofd in de nek van m’n vader. Stapje links, stapje rechts.
M’n vader had zelfs een bewegend heupje. Wist-ie vast nog van z’n eigen jeugd. Z’n 1e jazzdagen.

Waar veel geheimen nooit bekend van zijn geworden in Zijperspace.

Huisartsbezoek

Die onbehoorlijke puinhoop die ontstaat als ’t richting middernacht drijft. Niet waar ik orgies beleef, of wanstaltig gedrag vertoon, maar wel waar ik dingen wil, nog steeds dingen wil doen, maar die lijken dan weer hopeloos onbereikbaar. De dingen, de gehandicapte traagzame beweeglijkheid in m’n hoofd. De schreeuw om onverwachte, maar vooral niet frustrerende gebeurtenissen.

Tegelijkertijd is zo’n uitspraak een lichtelijk overdreven. ’t Moet tenslotte wel schrijf- & leesbaar blijven. Evengoed een geringe puinhoop ook. Ik heb tenslotte niet voor niets begeleiding, een coach, bel regelmatig de huisarts, zoek tevens naar verdere begeleiding.

Tegelijkertijdertijd: de huisartsassistente laatst aan de lijn (hoef slechts te zeggen: ‘Hallo, met Ton’); daarna doorgesluisd dmv een afspraak. 1 Of 2 dagen later zie ik dan de huisarts.
Hij heeft een erg toepasselijke naam, die ik graag gebruik. Dat ik me dan serieus genomen voel, al bij ’t hand schudden & elkanders voornaam noemen.
Daarna van nu maar eens aanpakken. Niet zwemen in veronderstellingen, maar vaststellen. Naast medicijnen ook doorverwijzen, geruststellen; dat kan-ie ook best goed, dankzij voldoende uitleg waarom. Soms waarom niet. Dat is des te beter.

Ik ben inmiddels de tel van de jaren kwijt, maar we zijn wel samen ouder geworden. Waarschijnlijk ik ouder, maar daar hebben we ’t nooit over hoeven hebben; ’t verschil in jaren was er al. & Voelde evenmin zo.
Zo’n huisarts. Zo’n assistente bovendien.
Waar dat laatste bijna denigrerend klinkt, dus onmiddellijk moet worden teruggedraaid.
Soms had ik meer aan haar dan aan de huisarts zelf. Zelfs regelmatig. Dan was hij zelfs niet nodig. Afgerond voordat ik door de deur moest.
Zo fijn, dat je al vanaf ’t begin goed opgevangen wordt. Je 1e belletje, waar je al schaamte hebt om dat daadwerkelijk te gaan doen, de telefoon oppakken. Want mss was er wel niets.

Stel je dat eens voor, denk ik dan vaak bij dit soort telefonische taferelen, dat zo’n vangnet er niet is vanaf ’t 1e moment. Dat je huisartsassistent weliswaar niet je vanzelfsprekend beste vriendin is, maar ze mijn stem herkent als ik bel (‘Hoi, met Ton’ is genoeg), waar dat evenmin geldt voor m’n eigenste eigen huisarts.

Ik laat ’t daar maar even bij, maar dat is mijn arts; hij heeft een heel dossier van mij, weet dus alles ook, zo’n beetje. & Ik weet dat hij vroeger wel eens bier bij me kwam kopen.
Lekker belangrijk. Als hij me straks maar weer een opfrissend duwtje geeft. Hij de info die hij van de assistente ontvangt serieus neemt soms. Genoteerd & gelezen zo gauw ik langs kom.
Niet altijd, dat laatste, van info verstrekken via telefoon; vooral niet altijd. Dan zou ik ‘m liever willen zien. Dat er spraak is, de assistente me meteen herkent bij binnenkomst & ik even later z’n knokige handen kan drukken ter groet. Als vanzelfsprekende uitnodiging mee te komen. Waar mijn rechterpink ook inmiddels gelijkende knokkels lijkt te ontwikkelen. We gelijkenis tonen op onze handen, vingers vooral.
& ’t Gesprek onze handen begrijpen, die bij beiden net zo veel tikkelingen van lichte pijn vertonen.
Maar we stappen er overheen, & Martien begrijpt dat.
Al bij binnenkomst.
Zwaait me als ik vertrek nog ff gedag, al zit ze aan de telefoon.

Om aan te duiden waar Zijperspace daadwerkelijk ligt, soms zwicht, maar zij beiden weten welke richting dat wijst.