Branden

‘De komende 2 dagen ziet ‘t er redelijk uit,’ schrijf ik. ‘Kleine kans op een beetje regen, dus een redelijke mogelijkheid om naar ‘t bos te gaan.’
Ik krijg terug dat ze zich ziek gemeld heeft. ‘Vanmiddag uitslag van Corona-test.’
‘Spannend,’ reageer ik. ‘Hoop ‘t beste.’
Ja, ze hoopt negatief. Quarantaine ziet ze erg tegenop.

Ik voel me voor even de vervanger van m’n moeder. Wie je ook meenam, als ze te horen kreeg dat er een examen aankwam, een uitslag bekend gemaakt zou worden, er een belangrijke beslissing genomen moest worden, m’n moeder beloofde op dat bewuste tijdstip een kaarsje te hebben branden.
M’n moeder was goed in harten veroveren. & In haar trouwhartig- & oprechtheid werd ze door iedereen als vanzelfsprekend geloofd.
Niemand hoefde langs om te kijken of dat kaarsje wel brandde. Evenmin hoefde men zelf aan te komen met de uiteindelijke uitslag. De vraag was al gesteld als iemand de keer er op opnieuw bij ons binnen kwam. Oprecht bezorgd, oprecht geïnteresseerd.
& Stiekem, als de visite weg was, zei ze dan: ‘Zie je, ‘t helpt heus wel.’

M’n broer & ik vroegen zich afgelopen jaar af waar wij onze afwijkingen van hadden.
Veel was afkomstig van Pa, wisten we uiteindelijk. ‘t Was eigenlijk frustrerend om een boel te moeten missen van Ma.
‘t Onmetelijke geduld als ik in bed lag met hoofdpijn. Handen & polsen wrijvend (want dat hielp bij haar), nat washandje op je hoofd & een half uur later nogmaals bevochtigen met vers koud.
Dat deed ze niet alleen bij haar zonen. Schoondochters konden dezelfde behandeling verwachten (tenzij zelf gevloerd). & Als die niets probeerden te laten merken, was er altijd nog zoiets als een kaars. Of een wrijvende hand bij afscheid; met duim & wijsvinger werden diverse zones ongemerkt ‘behandeld’.
Niet omdat ze precies wist wat ze deed. Meer om haar zorg te tonen. Te laten voelen eigenlijk.

Dus ik schrijf, terwijl ik in een paar tot een boel uitgesmeerde seconden tijd m’n moeders handelingen in dit soort situaties overdacht:
‘M’n moeder zou zeggen: ik steek wel een kaarsje aan vandaag. & Dat deed ze dan ook. Ik heb geen kaarsen, maar ik help je hopen, moet je maar denken.’

Kijk, denk ik, ik heb toch iets van m’n moeder. Niet haar geloof, niet de aandacht die ze voor iedereen had.
Maar ik heb een kaarsje. Ik hoef maar kort te vertellen wat m’n moeder zou doen & ik heb een kaarsje. Je hoeft niet te zien dat ik ‘m brand. Dankzij Ma doet-ie dat vanzelf.

& Dat gelooft dan niet in een hiernamaals van Zijperspace…

Middernachtelijkochtendstrand

Meestentijds versta ik teksten niet als ze gezongen worden. Ze zijn mooi, dat voel ik meestal wel. & Als ze me middernachtelijk toegezongen worden doet ‘t er ook niet meer toe of ik ze volledig begrijp.
Nooit niet eigenlijk. Ik begrijp hun schoon.
Die bewaar ik dan.

Zo mijmer ik nog een tijdje door, terwijl ik me plots afgeleid vind van alle boeken & teksten die ik gedurende de dag tot mij nam.
Ik heb me gevangen zien genomen & me op zweefvlucht laten nemen met vogels die ik per ongeluk versta in de tekst. De zangeres trekt er gekkebekjes bij, als koekjes uit trommel, als kind op ‘t strand, als lachend op al ‘t nieuws wat haar gebeurt. Vogel in de lucht.

‘t Trekt me mee naar toen strand opeens anders was dan onschuld van zandkastelen & schuin hangen tegen de wind, schuimende golven van verborgen aangespoelde schatten & rollebolderondersteboven van ‘t duin.

‘t Lied komt op afstand terwijl ik de vriendinnen van toen hun borsten van zand zie ontdoen. Want er mag vooral geen veeg van zand hun borsten ontsieren. Juist die moesten egaal bruin in de spaarzame tijd dat ze dan toch getoond konden worden.
& Ik moet vooral m’n best doen ‘t niet te zien. Maar ‘t hupst & hobbelt zo prettig na als ik ‘t heb zien gebeuren.

De mooiste borsten begonnen midden in de nacht. Ik had een clubje meisjes van buiten de stad gek genoeg gemaakt over ‘t licht in de golven. & Hun ongeloof werd ontkracht door de andere mannen, jongens waren ze nog, die wel mee wilden hun dat te laten zien.
Hoewel zij ook nog ontmaagd moesten worden door dat licht uit zee, want dat wat ik vertelde ook nog nooit gezien.

‘t Was schemerdonker, brekend donker, toen we met 6 of 7 naakten ‘t licht tegemoet renden & ‘t ons verscheen.
Oeh’s & ah’s.
Handenspatten & lichaamsplonsen & verzoeken nogmaals en masse te rennenspetterzwemmen zodat ze om beurten ‘t wonder van een afstand konden zien.
Vroeger hadden we geen smartphone om ‘t in ons kunstmatig geheugen te prenten.

& Bij even later ochtendlicht begon ik over ‘t strand te rennen. Niemand had een handdoek. Ik piemelzwabberde mezelf sprintend droog. Ik was hier geboren & wist hoe dat moest.
Kan je beter ook doen, zei ik, anders koel je te snel af.

& Daar kwamen de mooiste borsten die tot dan onzichtbaar waren, ook in ‘t zeelicht daarstraks slechts silhouet. Die borsten volgden m’n voorbeeld.
‘t Afvegen van zand was minder fascinerend. ‘t Blonde kortgeknipte haar erboven werden een ideaal dat misschien wel jaren later nog steeds nagestreefd werd door mij.
Nooit gevonden.

Ik heb gedag gezegd nadat ik niet meer wist wat te zeggen. De zon was onderweg, m’n moeder maakte ontbijt. Ik bleef nog kort bovenop ‘t duin staan, zag de ene jongen kakelen met verhalen van alles meegemaakt. De ander had een hasjpijpje.
Ik had niets te zeggen. Ik had ze kort meegesleept mijn wereld in, maar nu was er niets meer te vertellen.

& M’n moeder zou ook niet willen horen hoe mooi de borsten onder ‘t korte haar.
Hooguit: ‘Moest dat nou?’
Kijkend naar de klok hoe laat de kerk begon.

Jaren later hoorde ik dat ze ‘t met de hasjpijp heeft gedaan. Hij zei ‘t me voldaan.
Ik kon ‘t me niet voorstellen.
Enkele jaren later was-ie dood. Zij zou vast ook niet meer bestaan.
Niet als toen. Herkennen was vast iets van verleden.

Geen stad aan zee meer in Zijperspace.

Gebeld (II)

Ik neem op: ‘Met Ton.’
In de veronderstelling dat ik dezelfde dame weer aan de lijn krijg. Een onzekerheid in m’n stem tegelijkertijd bouwend dat ‘t ook niet zo zou kunnen zijn, op een toon die dan nog net niet te horen is aan de andere kant.
Toch wel.
Ik hoor ‘t aan een vleugje verbazing in: ‘(…) van Stichting Mee.’
Voor ‘t gemak leg ik in een korte zin uit dat ik dacht voor de 2e keer dezelfde persoon aan de lijn te krijgen.
‘Nee, van Stichting Mee dus. U stond al een tijd op een veel te lange wachtlijst. & Eindelijk staat u bovenaan.’

Wel aardig, glimlacht ‘t bij mij met haar stem mee: ze doet ‘t voorkomen alsof ik voor de troostprijs ging & doordat ik geduldig bleef iets groters krijg toebedeeld.
Ik leg haar uit wie ik daarnet aan de lijn had. & Dat ‘t wel een aparte ervaring is in een half uur tijd over dezelfde zaken te gaan praten.
Stiekem waag ik te bedenken dat ‘t snel doorgefluisterd is van instelling naar andere instelling. Alsof die contact met elkaar zouden kúnnen hebben…

Ze schakelt over op een prettigere aanspreekvorm: ‘Heb je nog steeds behoefte aan begeleiding?’
Ik leg uit. Deels ‘tzelfde verhaal van daarnet. Maar hoewel 2 totaal verschillende organisaties, 2 verschillende uitgangspunten, lijkt ‘t meeste een herhaling. Ik word niet moe. Een beetje andere emotie er in: toch net wat minder reserves & wat meer vertrouwen.
Vrijwilligers, realiseert m’n hoofd.

‘Wat voor hulp denk je zelf nodig te hebben?’
‘Dan moet ik wel even kort alles proberen te vertellen.’
Ik krijg toestemming. Er is tijd. Dus krijgt ze alles, maar toch de notendop, tot net niet overstromen gevuld.

‘Dan denk ik dat we een afspraak moeten maken. Lukt ‘t jou volgende week langs te komen?’
‘Ik ben laatst heen & weer gefietst naar Nijmegen. Daar zit vast nog wel wat van in m’n benen. ‘t Is in Amsterdam toch?’
Ze geeft me ‘t adres.
‘Als ‘t dan maar niet regent.’
Gebruik van OV wimpel ik af. Ik ging toch ook naar Nijmegen zonder…
‘Als je er bent gaan we gelijk die budgetcoach bellen. Die zou allang terug moeten zijn van vakantie.’

Ze begrijpt m’n verhaal dus. M’n gebrek aan spieren in m’n daadkracht. Ze leent me die van haar uit. Hoeft er niets voor terug.
Misschien mezelf zijn. Misschien is dat een leuk bedankje. Ik waag even te geloven dat…
Ja, dat.

Geen ruimte voor twijfels hier in Zijperspace.

Nog even van de klimop afblijven!


Blinde Bij op Klimop – ©Piet de BoerOok al is niet elke klimop op dit moment al begonnen met bloeien, kan het geen kwaad alvast duidelijk te maken hoe belangrijk deze plant is. Juist omdat bloei bij klimop laat begint is het voor veel beesten die de winter willen overleven van groot belang. Insecten als vlinders en zweefvliegen (maar vergeet ook de zeldzame klimopbij niet, die zich ook in de buurt van Amstelveen laat zien) profiteren met volle teugen van de laatste kans zich nog even wat stuifmeel en nectar te eten voordat de winterstop zich aandoet.

De klimop (bij tuincentra vaak deftig Hedera genoemd) groeit, zoals zijn naam al belooft, tegen muren, schuttingen en bomen op. De klimop kan die objecten in het geheel verstoppen, wat ze aantrekkelijk maakt voor diverse dieren. Vooral omdat ze gedurende de winter hun bladeren niet verliezen zorgt het uitstekend voor beschutting. Niet alleen jouw huis blijft er warm bij, ook vogels vinden er een prettig onderkomen. Bovendien hebben ze op een gegeven moment wat te eten als de vruchten eindelijk te verschijnen.

Dat zijn alvast een paar redenen om de klimop vooral niet eind augustus te gaan snoeien. Veel soorten lijden daar onder: eten in de vorm van bloemen en vruchten verdwijnt, maar een behaaglijk winteronderkomen valt voor veel insecten weg. En dat kan uiteindelijk in het nadeel van de tuineigenaar zijn.

Tuinders en boeren komen er langzamerhand achter dat ze hun akkers het beste kunnen omheinen met een strook planten die aantrekkelijk is voor insecten. Kwekers van vruchtbomen, appel- en perenboeren; ook zij weten ondertussen dat ze beter gras wat hoger kunnen laten schieten of hagen als omheining moeten gebruiken om zodoende gebruik te maken van de honger van de insecten die zich in dat groen vestigen. Roofwantsen en oorwormen verzetten daar goed werk voor fruittelers, want de voor de oogst schadelijke bladluizen worden ijverig door hen opgegeten. Ook al beschadigt een oorworm een enkele appel, kon er aangetoond worden dat de oogst groter werd als er goede condities voor hun werden gecreëerd.

Zo werkt dat ook ongeveer met een klimop in de tuin. Er zijn namelijk enkele soorten zweefvliegen wiens larven dol zijn op bladluizen. Geef je zweefvliegen te eten en winterbeschutting in de vorm van een klimop, dan zal deze vroeg in het voorjaar nakomelingen produceren. Een grote kans dat die nakomelingen vervolgens ook wel wat te eten lusten van hun favoriete voer: bladluisparty voor de zweefvlieglarve!

& De rest van de tuin in Zijperspace viert mee.
(Bovenstaande natuurcolumn geschreven voor ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Gebeld (I)

Er wordt weer gebeld om te weten hoe ‘t met me gaat. M’n toestand moet in de gaten gehouden worden tenslotte. Van overheidswege, denk ik dan soms, enigszins wantrouwend. Maar dat soort gedachten wil ik niet door laten schemeren. Ik zet gewoon m’n beste beentje voor. De mensen die me bellen doen gewoon hun werk, is de sudderende, maar ook sussende dooddoener, waardoor ik met dit soort dingen zelden m’n geduld verlies.

Ze krijgen doorgaans een eerlijk verhaal van me. Omdat ik nou 1maal niet anders kan. Ik moet ‘t verhaal kloppend maken, dus volgen de daarmee samengaande details vanzelf.
Ik ben alleen wel afhankelijk van de juiste vraagstelling, de juiste vorming van begrip eveneens.

Ze vraagt me wat die Slatuinen dan zijn, waar ik enkele dagen naar insecten had gezocht & al 2 keer had genoemd gedurende m’n verslag van afgelopen tijd.
Ik leg ‘t haar uit, ook wat ‘t Taxon-project inhield dat met m’n aanwezigheid op de Slatuinen betrekking had. Ik vertel haar erbij dat ‘t zo onverwacht is dat als je zo’n week hebt meegemaakt opeens te voelen dat vooruitgang niet definitief hoeft te zijn. De gevoelens die terugkeren van vlak nadat ik me 1½ jaar geleden ziek had gemeld lijken zich nog steeds ergens op de achtergrond schuil te houden.

‘Wat was er dan gebeurd?’ vraagt ze.
Ik probeer nog wat duidelijker uit te leggen over een mislukte poging m’n cv visueel op te knappen. Dat ‘t de opdracht was waar ik 2 weken tijd voor had. Maar dat 3 uur achter de computer me in totale paniek slash zenuwachtigheid had gestort.
Ze begrijpt ‘t.

Maar daar kwam bij, vertel ik haar, dat er weliswaar wordt gewerkt aan een coach voor begeleiding, in die zin dat ik eindelijk op een wachtlijst ben gezet, wat erg prettig is natuurlijk, dat daar echter aan toegevoegd was dat ‘t niet een jaar zou duren, maar hoe lang dan wel, daar kon geen duidelijkheid over gegeven worden.

& Dan had ik weliswaar via Stichting Mee contact gekregen met een budgetcoach, maar die had al enkele weken niets van zich laten horen.
‘Daar moet je dan maar een mailtje achteraan sturen,’ zei ze.
Ja, dat wist ik natuurlijk. Maar daar heb ik nou een coach voor nodig die me begeleidt. Want anders doe ik niets, tenzij ‘t woordje ‘moeten’ alleen gehoofdletterd door mij uitgesproken of bedacht kan worden.

Ze stamelde net niet, ‘t kwam er nog net goed uit, dat ze ‘t door zou geven aan m’n arts, dat hij maar een nieuw gesprek moest gaan voeren met me & dat ze me in ieder geval veel sterkte wenste.
& Dat ik die stameling tussen de evengoed aaneengesloten woorden voelde, hoorde, dat deed goed. Hoewel ik wist dat ‘t zich uiteindelijk niet uit zou betalen. Dat vloeit weg in een stuk papier, of een rapport op een beeldscherm, hooguit een kleine goedbedoelde toelichting, een afspraak voor een volgend gesprek waar blijkt dat er nog steeds niets veranderd is. & Niet zal.
Maar ze bedoelen ‘t goed, als ze me weer aangehoord hebben. Steeds weer.

‘t Zal wel liggen aan de paar woorden, zinnen, die Zijperspace hebben kunnen verlaten.

Dopjesstaren

Alcohol is een noodzakelijk hulpmiddel. Ik mag dan gemakkelijk in de omgang lijken, maar niets gaat vanzelf. Er moet iets van binnenuit komen om de sluizen te openen & ongeremdheid tijdelijk wordt toegestaan. Een tikje hyper helpt op dergelijke momenten om te vergeten hoe dat anders gaat. Als er echter geen ruimte daarvoor is, kom ik al snel in een hopeloze situatie terecht.
Voor me uit staren helpt in dergelijke gevallen. Kijken naar alles wat beweegt, proberen niets daarvan te missen. Een duif die aan komt vliegen, de blikken van degenen die een conversatie voeren volgen, kijken wat een passerende fietser op ‘t kruispunt doet, hoe ik dat efficiënter had gedaan.

‘t Is als zand door je handen laten glijden & kijken hoe de beweging van de afzonderlijke korreltjes zich meten met de rest. Of de dopjes van bierflessen die de weg aflegden richting ‘t gootsteenbakje als ik die vanaf de plek waar ik de fles ontkurkte die kant op wierp.
Ik heb in ‘t verleden geprobeerd die ‘gang’ van de doppen te omschrijven. Als ik dat in m’n vingers had, de juiste bewoordingen zodat mensen de vlucht door de lucht konden meemaken, ontdaan van saaiheid ten gevolge van een koele beschrijving… Of verschoond van gebrek aan avontuur of afwisseling de route van de dop of van variatie in woorden te vangen…
Dan had ik ‘t recept voor levend schrijven.

‘t Heeft lang geduurd voordat ik door kreeg dat ik eigenlijk vooral bevangen werd door de beweging. ‘t Onder woorden brengen was slechts onderdeel van de behoefte dat aan anderen te laten zien. Kijk, zien jullie dat ook? Help ik jullie dat te zien? De schoonheid van de dop op weg naar z’n bestemming? De zwenking die hij maakt na de lichte botsing met de kraanhals?
Dat elk onverwacht woord uiteindelijk een poging is die onvoorspelbare route te illustreren.

Ik binge Jelle’s Marble Runs. ‘t Gaat een ietwat snel met een groot aantal knikkers, maar ik merk gedurende de nachtelijke uren dat ik er beter in word. De er langzamerhand extra ingebrachte gegevens die er als hulp in zijn gebracht, wie liggen er op de voorste 5 plekken, wat is de tussenstand na elke ronde, vergemakkelijken ‘t verkrijgen van inzicht in de bewegingen. Tevens moet je niet 3 favorieten nemen, maar hooguit 2.

Maar onder de mensen heb ik alcohol nodig wil ik mijn niet al te bijzondere belevenissen met anderen pogen te delen. & Veel ook van die mensen: ook een noodzaak. Als ze niet mijn kant op praten, als contact niet mogelijk is (& daar enigszins behoefte aan was), dan kan ik tenminste altijd alles wat aan veranderlijkheid onderhevig is bestuderen. Dat proces laten golven, aandacht geven, proberen te voorspellen, meevoelen & er op een gegeven moment zó in opgaan dat ik ‘t uiteindelijk zelf word.

Zou ik bijna gaan beweren dat Zijperspace beweging is, maar dat is vaak verre van dat.

Instaspaced (L)

Dit soort vliegen doodslaan is over ‘t algemeen al een onmogelijkheid, tenzij je de truc van 2 handen die klappen op de veronderstelde route terwijl ze die ontmoeting met elkaar inzetten ter hoogte van waar ‘t beest zich in 1e instantie bevindt; maar ‘m vangen binnen ‘t kader van een gepland plaatje is bijkans een samenvoeging van enkele gelijkstrekkende woorden, waarvan ieder van hen een overtreffende trap op een net iets ander vlak van ‘on-‘ beoogt uit te drukken, maar schrijf ‘t voor de zekerheid maar toe aan een handigheid (al dan niet van ‘on’ voorzien) van een trillerigheid van de gezamenlijke handen die al camera bedienend de flipflapsnelle vleugels wilden verbeelden voor hun meester ter beter & groeiend begrip van de kunst van de vlucht.

Hier blijft men liever op de grond in Zijperspace.

(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (IL)

Als ik had mogen kiezen zouden m’n benen haarloos door ‘t leven zijn gegaan, of anders iets als een dunne variant daarvan, waar ik al snel ‘t woord donzig voor kies; die op m’n rug, die 5 jaar geleden zich begonnen te doen gelden, mogen ook meteen wel mee – maar madame cicade wil daar niets van weten, zij vindt ze sieren daar, als stekels op haar benen, maar waarvan ik ‘t waarom nog niet uitgelegd heb gekregen – straks prikt ze haar neus als ze probeert te achterhalen of ze er nog zitten, bedenk me ik bezorgd, hoewel ik me ‘t volgend moment besef dat wat haar zou kunnen prikken voor mij dunner blijkt dan m’n spaarzamer wordende hoofdhaar.

Maar nog genoeg bewoning in vergelijking met de rest van Zijperspace.

(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Burn

Gedroomd dat ik een uitbrander zou krijgen. Te lang alles uitgesteld.
Misschien kwam dat door m’n zelf plechtig opgelegde voornemen er vanochtend snel na ontwaken aan te beginnen. Kop-in-‘t-zandstrategie was voorbij, deadline kwam. Dat is vragen om onrust.

Ik weet niet hoe ik ben als ik mezelf slechts vervul van leuke gebeurtenissen. Evenmin als ik alleen maar positieve aandacht krijg. Of m’n hypersensoren van herkenning, herkend & erkend worden geactiveerd.
Een mens kent pas z’n grenzen als-ie ze ongemerkt al is gepasseerd.

Maar wat is nou helemaal zo’n taak als je cv anders vormgeven? Daar zou op zich niets mee aan de hand moeten zijn. Een programma staat geopend op ‘t beeldscherm & er dienen een paar knoppen te worden ingedrukt.
Ander kleurtje was me toegefluisterd, houd de volgorde in de gaten: wat bovenaan beter staat & wat lager.
Ik werd aan de hand genomen als een kreupele die in revalidatie gaat.

Als templates niet blijken te werken, niet afgesteld op wat ik gebruik, gaan m’n donkere dromen van afgelopen nacht opnieuw van start. ‘t Lichaamsdeel waar ik al sinds m’n jeugd m’n problemen lichamelijk voel, wordt een brandende stroom die zich in alle hoeken kenbaar maakt. Wanneer ik bovendien een betaalde versie van iets moet aanschaffen met geld dat ik niet denk te hebben, wordt er vanuit diezelfde plek aangegeven dat mijn logica me bezig is te verlaten. Volgt de stroom die inmiddels in heel m’n buik brandt als een onoverzichtelijke chaos van likkende vlammen.
& Dat hele proces neemt me 3 uur in beslag. Tegen alle wanhoop in probeer ik toch te slagen in de zogenaamde strijd met een computer die niet wil gehoorzamen. Terwijl ik ‘t ben die faal & zo’n apparaat slechts de juiste input nodig heeft.

Waar ik dacht dat ik weer kon lopen, was ‘t slechts lachen & praten. De negatieve gedachten waren tijdelijk verborgen, waardoor ‘t zowaar weer overzichtelijk leek.
Ik zit hooguit in een stoeltje met wielen die door anderen moet worden voortgeduwd.
& Dan moet ik nog uitkijken dat zij geen voorkeur hebben voor zwaar begaanbare paden met kuilen & kiezels.

Misschien moet ik me maar laten trekken doorheen Zijperspace.

Bericht

Ik kijk naar een nagenoeg digitaal vel & wacht tot m’n vingers beginnen te bewegen. ‘t Moment dat ze zonder aarzeling de toetsen beginnen te beroeren. Vol van inspiratie, bevlogen van een waarheid die ergens in ‘t lichaam is ontstaan & ze aan kunnen sturen meer zwart te doen ontstaan.

Ik probeer me tegelijk voor te stellen hoe diezelfde verhouding van vulling van ‘t kale, van ‘t als een wasbeurt ondergane bedlakenwitte, zich zou verhouden tot de lucht die vervuld wordt door een plotse regenbui. Hoe nat word je daarvan onderweg naar een bestemming die niet te vermijden is & waar een lege plek is die op je wacht?

Waar ik me alweer mee laat slepen met de vraag of ik in dat geval niet beter had kunnen wachten tot Buienalarm me verwittigd had dat ‘t nu veilig is: je hoeft niet ergens te zitten straks, zo luidt de boodschap die zich door de routineuze handelingen van m’n wijsvinger via m’n smartphone aan me opdringt, in ongemakkelijk nat, want straks is (of een mogelijkheid van een meervoudig ‘zijn’) er ook iemand anders die kalmte verkoos boven een poosje te moeten stoven van nog naklevend & traag ademend vocht.

Maar ik was in ‘t geheel niet van plan m’n huis te verlaten. De gang naar m’n keuken is me al te veel, te onderbrekend, in m’n verlangen dat wat wit is zwart te wassen, al is ‘t dan in beperkte mate. Als ik ‘t zou uitsmeren over ‘t algehele vlak, zou ‘t niets meer opleveren dan een vaag beseffen van grijs, waarbij ik, even omkerend & bij terugkeer van blik, niet anders zou denken dan dat de ogen ‘t donkerte van achter m’n rug, dit teintje grijs door ontwenning van ‘t lichtgevende scherm, tot net zo fel heeft doen worden als waar beeldscherm & ik zojuist ons startpunt hadden.
Sterker, doe ik ‘t licht uit & begint de ruststand van ‘t systeem in de vorm van een zogenaamd zo min mogelijk energie verslindend zwart, dan nog kan ik onderscheiden waar in de kamer ik moet zijn voor m’n volgend verhaal.

Ook al zou dat donkere gat van al m’n geschreven letters omgevormd ter vulling van zichzelf me dan proberen te zeggen van wat er allemaal gebeurd, geschreven & aan gedachten vertaald is, ik zou er geen structuur meer in herkennen & slechts concluderen dat al dat gezever niets opgeleverd heeft behalve een gat naar niets.

& Dat moet dan de plek zijn waar al de zwaartekracht naartoe getrokken wordt in Zijperspace.