Goed boerende insecten

Amstelveen staat niet bepaald bekend om de grote hoeveelheid agrariërs die er vertoeven. Maar ondertussen wordt er wel degelijk geboerd, waarschijnlijk ook in menig achtertuin. Nou ja, dan moet die achtertuin natuurlijk niet met louter steen geplaveid zijn. Een boom is ook wel belangrijk.

Het is voornamelijk veeteelt wat daar tot hoog in de boom gebezigd wordt. Waarbij men het beeld van de koe of geit moet vervangen door die van een luis. En de boer voor een legertje mieren. Die hebben namelijk, miljoenen jaren voordat de mens ontdekte dat er aan uiers gesjord kan worden om melk te bekomen, uitgevonden dat er uit de anus van de luis een lekker en energierijk goedje gewonnen kon worden. Het enige wat de mieren hoeven te doen is de luizen de boombladeren te laten ‘begrazen’. De luis heeft niet al het sap nodig dat hij uit het blad opzuigt. Een groot deel poept hij er als honingdauw uit. En dat oogst de mier. In ruil daarvoor zorgt de mier dat de luis beschermd wordt.

De mier heeft het vak boer dus uitgevonden; de mens heeft er een woord voor bedacht. Mieren zijn overigens zeker niet de enigen die het boerenvak uitoefenen. Naast veeteelt wordt er in de insectenwereld ook aan landbouw gedaan. Ambrosiakevers verbouwen bijvoorbeeld schimmels. Dat vinden zíj nou lekker! Voor die schimmels hebben ze een goede voedingsbodem nodig en dat vinden ze vaak in dood hout. Sommige soorten gebruiken levend hout, daar gedijen andere schimmels op die zij dan weer smakelijk vinden.

De schimmel wordt door de kever meegenomen naar een boom. Daar mag hij leven van de houtvezels. Daar profiteert de kever van; hout lust hij niet, maar de zich gestaag voortplantende schimmel eet hij graag. Krijgt de kever nageslacht, dan mag kindlief wat gist van de oogst meenemen om in een volgende boom een eigen tuintje te beginnen.

Iets soortgelijks doet een fruitvliegje ook, alleen is deze zich hiervan waarschijnlijk minder bewust als de ambrosiakever. De laatste tijd wordt er onderzoek gedaan wat de rol van de fruitvlieg is in het maken van spontaan vergiste wijn. De fruitvlieg zou mogelijk gist achter kunnen laten als hij eitjes in een druif legt. Net als het eitje groeit de gistcultuur in de druif en die gist is van groot belang voor de uiteindelijke smaak van de wijn.

Fruitvliegjes op druiven, © Diana Erkelens

Het zou ook kunnen dat een op fruitvliegeitjes parasiterende sluipwesp verantwoordelijk is voor het ‘zaaien’ van de gist, daar is men nog niet uit. Maar dankzij de zaaiende wesp of fruitvlieg heeft u vanavond misschien wel een gezellige avond.

In Zijperspace drinkt men liever bier, maar daar komt misschien ook wel een wesp bij om de hoek kijken.

(Bovenstaande verscheen eerder in ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Bericht aan Wouter

Met een verdagdag, speciaal met die 1e, de 10.000e verdagdag dus, gaat er vaak wat mis. Ik kan er over meespreken. Mijn verhaal gelijk aan die van jou van zo’n 5½ jaar gelee. Er was toen ook niemand, & dat lag vooral aan ‘t feit dat ik ‘t niet luidkeels had uitgeschreeuwd.
Want, zo moge de conclusie zijn: op de 10.000e verdagdag ben je nog onervaren, niet bewust van ‘t feit dat je nog steeds aandacht wil, & als je er toch naar op zoek bent, ‘t tegelijkertijd ook wel een beetje raar is dat je wil achterhalen wanneer die dag valt omdat je tegelijkertijd ‘t zoekende zelf bent. & Niemand voor jou.

Lees A.F.Th. van der Heijden, een bepaald deel van de Tandeloze Tijd. Ik vermoed dat ‘t hem zelf in werkelijkheid ook is gebeurd, of in ieder geval gedeeltelijk. Een mens schrijft literair uit ervaring van persoonlijke motieven & onoverzichtelijke gebeurtenissen die ordening verdienden.
Hij is zeer autistisch in cijfers gaan peuteren & kwam bij zijn 27e plus zoveel dagen uit.
Vroeger moest je autist zijn om dat te willen, tegenwoordig wordt ‘t je door online machines in de schoot geworpen.
& In zijn boek gaf van der Heijden iemand anders de schuld dat er schrikkeljaren vergeten waren & dat hij zodoende aan de drugs is geraakt (z’n alter ego natuurlijk).
Lees ‘t boek, zou ik zeggen. Verschenen nadat mijn 10.000e verdagdag al lang onopgemerkt voorbij was gegaan…

Derhalve mijn advies, waarbij ik er voor wil zorgen dat wat al fout is gegaan zich ten goede kan keren: zoek naar de 25e dag na je 41e verjaardag.
Dat zal veel dingen goed maken wat eerder mislukt is, mocht dat nog nodig zijn. Of anders maakt ‘t ‘t leven toch evengoed wat aangenamer.
15.000 Dagen oud klinkt & is onbenulliger, heeft minder lading derhalve. Men wordt geacht meer wijsheid in huis te hebben inmiddels & een mislukking van toen is in de tussenliggende jaren door de rijzende wijsheid der jaren verdoezeld. Een uitstekend moment dus om goed te maken wat eenieder gemist heeft 5.000 dagen eerder.
‘t Is geen geneuzel meer, er is daadwerkelijk rijpheid ontstaan & de geselecteerde groep van vrienden die je inmiddels om je heen hebt verzameld zullen iets uitzonderlijks als ‘t berekenen van de verdagdag als een aangenaam onverwacht moment van feest weten te ervaren.
‘t Is niet ver meer, niet lang meer lopen door de zichzelf opvolgende dagen voor jou, nog minder dan een 8 jaren liggen nog voor de boeg voor een feest waarin je je ooit vergeten verdagdag, ‘t getal doet er niet meer toe, extra luister bij kan geven door iets onbenulligs dat een markering kan betekenen voor wat nog komen gaat.

Gegroet vanuit ‘t midden van de nacht,

Zie ondergetekende tot je komend vanuit Zijperspace.

Backspace

Ik heb er een 3e beker thee plus toetsenbord bij gehaald. Gordijnen mogen nog wat langer van de zon genieten; mij zou ‘t alleen maar afleiden. De lichaamsonderdelen die de toetsen moeten beroeren heb ik een korte warming-up gegeven bij de social media (m’n typediploma praat bijkans sneller dan m’n mond die bij tijd & wijle twijfel over z’n onderdaan tong krijgt uitgestrooid).

Een gesprek dus gister. Nog dezelfde middag volgt ‘t rapport.
Ik vroeg bij afscheid met de dame: ‘Gaan we elkaar na vandaag nogmaals zien?’ Zoals ik gewend ben van zorginstellingen, begeleiders, controleurs, huisartsen, diagnosten, etc… Je komt altijd terug voor rapportage of vervolgonderzoek.
Tenzij er niets viel te constateren & ik hooguit nog een doorverwijzing voor behandeling aan m’n hypochondrie kon verwachten.

Zij zei ‘Nee.’
& Drukte een beslissende hand.
Ze liep met ons mee & gebruikte ‘tzelfde middel om m’n werkgever te verwelkomen, die zijn zelfde hand 1 à 2 tellen ervoor gebruikte voor een vanuit de verte groet naar mij.

Dat zijn de contacten van die dag.
(ik heb Tineke op de fiets nog wel ff een plakkus die ik op m’n hand had gelegd op haar handschoen van de rechterhand gedrukt terwijl ik haar bedankte dat ze mee was gegaan, kikker in keel)

Van m’n cardioloog kwam ‘t 1e verdict, 2½ jaar geleden eigenlijk al. Maar hij deed ‘t nog even dunnetjes over afgelopen jaar. Wat strenger evenzogoed: ‘Je mag niet meer tillen.’

& Zij, daarnet nog onwetend, ze stond er voordat we begonnen blanco in, verwerkte mijn woorden, nam die van een zekere werkgever plus bedrijfsarts mee & (zou ze ook 10 vingers hebben want toch tamelijk snel?) liet mij weten dat wat ik al wist nu stond geschreven.

28 mei as zit ik 25 jaar in ‘t bier. Als ik ‘t traject van ‘t 2e spoor weet te lengen tot die datum. Als ik mijn enthousiasme voor een onverwachte droombaan zal weten te temperen (met veel priemelig kleine beestjes & boeken & diep voorovergebogen neuzen & mensen met lessen hoe ik de pietepeuters beter kan ontwaren tussendoor de bomen & daarmee al dan niet gepaard gaande bos).

25 Jaar.
Ik hou van getallen, ook al zal ik dat altijd enigszins willen relativeren.
Maar ik moet toegeven dat ik spijt had dat de 10.000e verdagdag door anderen onopgemerkt voorbij ging. Dat ik ‘t compenseerde door op de 5 x 5 x 5e dag van 2005 (5 mei), 25 dagen na mijn verjaardag (de 100e dag van ‘t jaar), mijn 15.000e verdagdag vierde.

Ik heb nog een speech klaar liggen, voor op de komende 100e dag. Tekst ligt al jaren klaar, van de week tussen de paperassen terug gevonden.
‘t Gaat over niets, zullen mogelijke toehoorders die dag wel denken.
Maar voor mij gaat ‘t over woorden die niet te beteugelen zijn, die zingen & dichten & wemelend wervelen, met ollekebollekes & toetsen als gereedschap die uiteindelijk pas worden gestopt met hun getik door een mooi getal.

De thee is koud, de backspace moe in Zijperspace.

Vertweet (IV)

Ik vind ‘t heus niet erg hoor, een haar op m’n neus. Kijk, ik praat er zelfs over.
Als men zou wagen op te merken: ‘Tsja, ‘t komt met de jaren’, heb ik m’n reactie al sinds 1987 klaar.
Maar ik word zo afgeleid als op een dag als deze de zon er op schijnt.
Gelukkig maar 1.

Zijperspace kromp met 0,0001 %, bij benadering, maar ‘t groeit weer net zo snel aan.

Tuin (II)

‘t Is even omschakelen. We leven nu op powerbanks als we op de tuin zijn. Want we maken ‘t altijd te laat om ‘t zonder te kunnen doen. ‘t Wordt langzaam beter, naarmate de wintertijd verstrijkt.
Straks een ‘big leap’ van een uur, waardoor je plots nog een uur langer door kan gaan. Dan wordt ‘t tijd om warm eten te kunnen maken. Een salade, een diepvriesmaaltijd die je overdag hebt laten ontdooien.
We hebben eigenlijk alleen nog maar de winterperiode meegemaakt, zo vers lijkt de tuin nog. Alles wat kapot was aan ‘t huisje is nog steeds kapot. Paar gaatjes extra in de vloer.

Ik stap elke dag, de dagen dat ‘t niet op de verkeerde tijdstippen regent, net aangekomen op de tuin, over in werkschoenen van de buurman. Hij had alweer nieuwe gekregen van z’n werkgever.
Maar 1tje lekt er al modder naar binnen; ‘t valt niet tegen te houden door de minuscule kieren, zie ik als ik m’n steunzolen er weer uittrek.
Dan moet ik altijd aan m’n vader denken, m’n opa ook. We zijn verdoemd tot ondersteuning, heeft 1 of andere duivel ons toegefluisterd. We vervullen tot mijn generatie die voorspelling.
Dat is niet waar, natuurlijk, dat is wat ik bij elkaar fantaseer als ik in de modder sta te scheppen. Daar word je hard van, waag ik mezelf te bedenken, dan kom ik dichter bij wat echt is. Zogenaampjes, hoopgevertjes & doordouwertjes. Geen grootse woorden; jezelf bezig houden.

Terwijl er ondertussen de meest saaie nummers door m’n hoofd spelen. ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken…’ wilde van de week niet uit m’n hoofd verdwijnen. ‘t Tureluurt als de fietspomp van ‘t koolmeesje 2 bomen verderop.
Ik vraag me af hoe ze ‘t vroeger deden, zich wapenen tegen herhaling van dezelfde liedjes.
Wellicht hadden ze daar geen behoefte aan, waren ze erger gewend.

Ik vind ondersteuning in de zanglijster, hoewel hij elke keer wat laat op gang komt. Ik ondertussen bezig met afsluitbier & in te pakken wat verborgen of mee moet.
‘t Is er niet zomaar 1tje, die lijster, er zijn er wel 3 op een afstand van ieder hooguit 20 meter. Duidelijk verstaanbaar elk: 3 maal een reportoire van verschillende deuntjes 3 keer snel achter elkaar. Verschillend dus, andere geluiden gekopieerd ook, zodat ze niet op elkaar lijken voor ‘t passerend vrouwtje met een toevallig luisterend oor.
Ik verzoek haar de keuze nog een tijdje uit te stellen, zodat Rotterdam zelf uit m’n hoofd vertrekt & niet de mensen die ‘t maar laten blijven zingen.

Wachten op ‘t moment dat er niet meer gereisd hoeft te worden in Zijperspace.

De berk

Ik ben de laatste tijd een beetje bezeten van alles wat dankzij iets anders leeft. Nou is de wereld opgebouwd uit dergelijke structuren van ecologisch evenwicht, eten doet leven en piramidemodellen van voedselketens, etc.., maar ik doel eigenlijk meer op organismen die dankzij een ander (groter) organisme een ‘riant’ leven kunnen leiden.

In ‘t geval van de berk, want daar moest ‘t tenslotte in dit stuk over gaan: Engels onderzoek heeft uitgewezen dat zo’n 334 soorten insecten en mijten genieten van ‘t blad van de berk. Jammer dat mijn bron daarbij niet aangeeft over welke berk dat gaat, de zachte of de ruwe, maar interessant blijft ‘t.
Meestentijds blijft de berk in goede staat onder de aanwezigheid van zijn gasten. Slechts zo’n 40 ervan richten daadwerkelijk schade aan. Dat vreten aan zijn bladeren doet ‘m blijkbaar niet echt veel. Sterker, als de ruwe berk ‘t op een zomerse dag te warm krijgt, ontdoet ‘t zich zelf van een deel van zijn bladeren, om zodoende een teveel aan verdamping te voorkomen. Is-ie misschien wel gelijk van een zooitje profiteurs af die zich in dat gebladerte genesteld had.
Ik bedoel maar te illustreren dat de berk wel tegen een stootje kan.

Bij z’n bast heeft de berk over ‘t algemeen minder te lijden van visite. Er zit nl betuline in de schors van de boom. Dit is een harsige stof met een sterk conserverende werking. De mens profiteert hiervan door er olie van te maken waarmee juchtleer bewerkt kan worden. Denk aan wandelschoenen die bij aankoop zo lekker kunnen ruiken dat je meteen je rugzak om wil trekken voor een 5-daagse wandeltocht.
Maar betuline heeft een nog belangrijker functie voor de mens. ‘t Wordt nl ingezet bij de bestrijding van kanker. Ditmaal wordt ‘t echter niet rechtstreeks uit de berk gewonnen, maar uit zwammen die parasiteren op de boom. De Berkenweerschijnzwam (Inonotus obliquus), zeldzaam in NL, en de Berkenzwam of Berkendoder (Piptoporus betulinus) herbergen nl naast de betuline en ‘t daarvan afgeleide betulinezuur, nog wat andere stoffen die kankerpatienten kunnen helpen.
Nadeel van die zwammen is dat ze de berk dood wensen, want dan smaakt-ie blijkbaar ietwat malser. Parasieten zijn ‘t, om bij overlijden van de berk de functie van saprofiet op zich te nemen. Wat zoveel wil zeggen als dat de moordenaar zichzelf bevordert tot uitvaartverzorger.

‘t Is zeer waarschijnlijk dat de Echte Tonderzwam (Fomes fomentarius) dankzij de betuline die ‘t uit de berk wint eenzelfde kankerbestrijdende kracht heeft als de 2 bovengenoemde. Aziaten trokken er 2 jaar geleden in de Veluwe op uit om 100-en van die zwammen van de berken los te hakken. In China fungeren ze als middel tegen oa hartproblemen en kanker.

Er zijn nog een aantal schimmels die de berk wel aardig vinden, waarbij de bekendste de Vliegenzwam (Amanita muscaria) is. Eetbaar zijn oa de Hanenkam (Cantharellus cibarius) en de Gewone Oesterzwam (Pleurotus ostreatus). Giftig (net als de Vliegenzwam overigens): de Kastanjeparasolzwam (Lepiota castanea) en de Viltige Maggizwam (Lactarius helvus). Er zijn er nog veel meer, de berk lijkt zich tot 1 van de grootste delicatessen in dit aardrijk te mogen rekenen; ik heb de lijst echter maar beperkt tot de namen die ‘t meest tot de verbeelding spreken.

Laat ik ‘t ook nog even over wantsen hebben. Er zijn er twee die vaak door elkaar zijn gehaald, de Berkenwants (Elasmucha grisea) en de Berkensmalsnuit (Kleidocerys
recedae). Die laatste heeft z’n naam pas kortgeleden toegekend gekregen. Noodzakelijk, want regelmatig werd de Berkenwants op sites vermeld met een plaatje van de Berkensmalsnuit.
Wat beiden buiten hun geliefde boom gemeen hebben: ze ruiken. De Berkenwants echter alleen als je ‘m dood slaat. Dat gebeurt echter nogal eens: ze kunnen in grote getale op berken voorkomen en dan, vooral op terrassen, de mens lastig vallen met overvloedige aanwezigheid. Een spontane pets op ‘t beestje verspreidt een heerlijke stank over ‘t terras.

En dan heb je ook nog gallen. Sinds ik ‘t Gallenboek (herziene versie) van W.M. Docters van Leeuwen in huis heb, zijn dat m’n grootste vrienden. Nou ja, totdat de uitleentermijn van ‘t bibliotheekboek is verlopen, daarna doet zich vast weer iets nieuws fascinerends voor.
Zoals ik al eerder vermeldde: de berk is populair. Dus ook onder de galproducerende bacterieën, schimmels en insecten. Maar eigenlijk moet ik niet zeggen dat die beestjes de gallen maken; ze nodigen slechts de boom uit dit te doen door op een of andere plek van de boom op een of andere manier een onderdeel van z’n gastheer te irriteren.
Niet dat de berk ‘t er heel erg van op z’n heupen krijgt. Over ‘t algemeen ondervindt ‘t niet al te veel last van zijn galbezoekers.
Dit lijkt niet ‘t geval bij de bacterie Agrobacterium tumefaciens die zich bij de berk aan de wortel hecht en dikke, onregelmatige knobbels veroorzaakt. ‘t Verschijnsel wordt Kroongalziekte genoemd. Hoeveel de berk er onder te lijden heeft is mij onbekend, maar dat ‘t als ziekte wordt beschouwd heeft wellicht te maken met ‘t feit dat deze bacterie ook andere planten aantast, waardoor de verbouwing van dergelijke gewassen minder oplevert voor de mens.
Naast deze genoemde wortelgal zijn er knopgallen (Berkenknopmijt – Acalitus calycophthirus), bladgallen (Berkenbladnerfgalmug – Massalongia ruber, Berkenbladblaargalmug – Anisostephus betulinus en Groene berkenbladmijt – Eriophyes leionotus, alsook nog enkele anderen), vruchtgallen (oa Berkenzaadschubgalmug – Semudobia skuhravae en Late berkenzaadgalmug – Semudobia tarda) en takgallen (Berkenspruitvreter – Lampronia fuscatella), onder welke categorie zich ook de beroemde heksenbezems mogen rekenen (Berkenheksenbezem – Taphrina betulina).
Als ik ‘t allemaal goed geteld heb, zijn er zo’n 20 verschillende soorten gal mogelijk te
ontdekken op de berk.

Maar er is meer, er is veel meer, zoals onze voormalige Ombudsman dat altijd op tv
wist te beweren.
Er is meer, want van wat leeft op de berk in de vorm van een gal, kan ook vaak geprofiteerd of gegeten worden.
Galmuggen (Cecidomyidae) behorende tot ‘t geslacht Dasineura maken gebruik van de gallen die galmuggen van ‘t geslacht Semudobia hebben helpen creëren. Deze Dasineura worden wel inquiline genoemd. Oftewel: koekoek. Ze vreten de eiwitrijke gal aan, waardoor de Semudobia-larve in de gal niet aan voldoende voedsel komt.
Op zijn beurt kan de larve van de Dasineura weer slachtoffer worden van de galmug. Een echte carnivoor. De koekoek in galmugkleren wordt opgevroten.

Jaja, er leeft nogal wat in die achtertuin van mij. En ook al neemt-ie dan veel zon weg, ik zou m’n berk niet meer durven snoeien, laat staan kappen.

Voor afsluiting van dit verslag nog eenmaal kijkend naar m’n berk bedenk ik me dat ook mossen en korstmossen vriendjes met hem willen zijn. Maar helaas zijn de twee veldgidsen die ik op Marktplaats op de kop heb weten te tikken nog niet hier gearriveerd en zal men ‘t moeten doen met de hierboven verworven wijsheid.

Er is al genoeg informatie gespuid in Zijperspace.
(Bovenstaande is enkele jaren her geschreven tbv de cursus tot Natuurgids IVN)

Hoe de bij, uiteindelijk, een volgende bij wordt…

In april van afgelopen jaar is in het kader van de Nationale Bijentelling Nederland voor de tweede keer massaal bijen geteld in de achtertuin. Erg belangrijk dat we op deze manier beter op de hoogte raken van de huidige bijenstand; bovendien raken de mensen wat meer betrokken bij het wel en wee van de bij. Want laten we nou eerlijk zijn, hoeveel bewoners van Amstelveen wisten daadwerkelijk dat er naast die alom bekende honingbij nog 358 andere bijensoorten in ons Nederlands luchtruim rondvliegen?

Waar veel mensen ook niet al te veel stil bij staan is dat er nog andere dieren kunnen bestaan dankzij de bij. Het is wellicht een minder populair verhaal hoe dit soort parasieten werken aan hun voortbestaan, maar ook zij hebben hun functie binnen het ecosysteem waar bijen en bloemen het middelpunt van vormen. En vaak spreken de verhalen die je over parasieten kan vertellen meer tot de verbeelding dan de brave verhalen van de bij en hommel.

Hoewel, onder de bijen komen ook gevallen van luiigheid en profijt van andermans inzet voor.
Koekoeksbijen gedragen zich net als de vogel met die naam: ze leggen hun ei in ‘t nest van een ander, waarna de larve de oorspronkelijke bewoner doodt en het voedsel dat door de moeder was achtergelaten consumeert. Ook een favoriete hobby onder knots- en hongerwespen.
Niet in alle gevallen doodt de larve een medebewoner: hij kan ook gewoon eerder beginnen met het eten van de voedselvoorraad, waardoor degene waarvoor dit oorspronkelijk bestemd was uiteindelijk van honger sterft.


Rosse metselbij – ©Piet de Boer

Graafwespen vangen en verdoven andere insecten en leggen de prooi bij het nageslacht. De verdoving zorgt er voor dat de maaltijd niet te snel bederft en de larve er lang over kan doen. Ook roofvliegen volgen deze methode, maar het volwassen insect lust ook wel een dergelijke hap.
Nog een mogelijkheid: moeder wesp legt een ei ín de bij, zodat het nageslacht het beest van binnenuit kan opeten. Die methode bestaat ook in een externe vorm, waarbij het slachtoffer van buiten uit wordt opgepeuzeld. En zo bestaan nog wel meer vormen van parasitisme waar de bij last van heeft.

Vindt u dit maar zielig voor de bij? Dan moet men zich maar bedenken dat deze parasieten zelf ook ooit sterven, misschien worden ze wel gevangen door een insecten-etende vogel. En die heeft ook niet het eeuwige leven en ligt ooit een keer zelf in een verborgen hoekje bij een boom te vergaan, voer voor bacteriën en andere microben, waarna al die stoffen omgezet worden in voedsel voor de boom, die in het nieuwe seizoen kan gaan bloeien en daarbij maar wat graag een bij aan ziet komen, ten bate van een volgend nageslacht.

Zo doen we in Zijperspace ook iets met recycling.

(Bovenstaande verscheen eerder in ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Tuin (I)

Om verwarring te voorkomen een kleine toelichting mbt de titel (die, heb ik me bij aanvang mezelf voorgehouden, onderhevig is aan verandering mocht de luim daartoe neigen; dat moet echter niet te lang duren, want dan kan ik alle oude posts, ‘t moet een serie worden tenslotte, zeker als je er een romeinse 1 aan toevoegt, handmatig aan gaan passen): dit gaat niet gaan over mijn achtertuin (hoewel ik daar aan mag refereren, vind ik zelf; ‘t is mijn leven, mijn ervaring & alles wat mij kan helpen om ‘t verhaal van tuin & alles wat daar mee te maken heeft is geoorloofd, wel zo makkelijk ook om af & toe iets in perspectief te zetten & niet eindeloos rond te dolen in ‘tzelfde krappe universumpje van een volkstuin die groot lijkt, als je daar maar een beperkte aantal organismen tegenkomt, de mens incluis).
Dat gaat niet gaan is natuurlijk een verkeerde uitdrukking, bedacht vanuit de voorkeur voor enige stilistische poging tot vervoering, maar ik stoor me daar niet aan. Ik hoop de toevallige voorbijganger ook niet. Ik heb me niet zo lang geleden laten vertellen dat mijn soort mensen een bepaald talent (lees, eventueel: afwijking) heeft om ‘out of the box’ te denken & sindsdien hou ik me daar dan ook enigszins aan. Mocht ‘t me dit op enig moment uitkomen dan.

Dit moet dus gaan over m’n volkstuin, die ik samen met Tineke sinds augustus deel.

Ik spit, knip takken, zaag, ben de stratenmaker, pis de tuin vol als ik geen zin heb om modderige schoenen uit te trekken (bovendien hebben we geen water om door te trekken momenteel), kijk op als er een andere tuinder voorbij komt & zeg altijd gedag als me dat wordt gegund, drink bier als ‘t einde van ‘t klussen in zicht komt, maak een houtstapel van ‘tgeen ik knip, ben eeuwig in overleg met Tineke, zij maakt foto’s waar ik een hekel heb aan mensen fotograferen & alleen maar insecten, vanaf vandaag wormen erbovenop, op de kiek zet & verder wordt ‘t natuurlijk fantastisch, want al binnen 2 weken had ik een wants in de tuin ontdekt die nog niet eerder zo noordelijk was waargenomen in NL.
Daar volgt vast meer.

Deze serie in oprichting wordt mijn versie van de foto’s van Tineke.

Vastleggen wat anderen niet kunnen zien van de laatste uitbreiding van Zijperspace.

Vertweet (III)

Dat wordt weer ff wennen. In deze broek zitten geen gaten in de linker broekzak. Dat wordt straks geheid paniekerig zoeken naar m’n sleutels die zojuist hun oude plekje hebben teruggewonnen.
Dat ze nog geen pasje voor mijn voordeur hebben uitgevonden. Zo’n klik-deur-springt-open-pasje als ik ermee naar mijn woning wijs.

Zucht…

Ff tellen.

…Dan had ik nu ten volle kunnen profiteren van alle functies die ze in zeker 4 andere broeken van mij verwerkt hadden.

Allen zijn eender in Zijperspace (behalve de plek waar de slijtage zich voordoet).
(Incl correcties & een ietsiepietsie oog-wil-ook-wat-aanpassing in de vorm van witregels.)

Overkomsel

Ik begin mezelf wel een beetje te leren kennen.
Waarom ik van die pietluttige dingen doe & denk, bijv. ‘t Zou best kunnen dat andere mensen dat ook hebben, maar aan hun merk ik ‘t nooit zo. Of ze gaan er gewoon niet in op.
‘t Is ook niet perse dat ik de hele tijd vraagtekens zet bij elk ding dat me ‘overkomt’ (ik zet dat tussen aanhalingstekens omdat ik ‘t vermoeden heb dat anderen bij zoiets niet aan overkomen denken als ze zouden hebben meegemaakt wat ik had meegemaakt; ze zouden ‘t ook niet als ‘meemaken’ omschrijven, dus zouden ze er ook al niet over beginnen, want ze wisten niet dat er iets gebeurde, omdat er gewoon niets was dat aan ‘t gebeuren was)(maar voor mij dus wel).
Er is natuurlijk nog wat meer aan de hand naast ‘t feit dat  ik ‘t kleinste uitvergroot. Enige toelichting is wellicht noodzakelijk.

Neem de boterhammen van vanochtend; ik zal daarbij proberen ‘t simpel te houden, zodat ik bijv niet hoef uit te wijden over ‘t moment dat ik van de 2 boterhammen ong gelijke stukken afsnijd om daar een gedeeltelijk andere boterham van te maken. Een mens mag wel eerlijk willen zijn, maar moet ook af & toe z’n mond kunnen houden, tenslotte.

Er overkomt me dus een boterham, of eigenlijk wel twee…

Die boterhammen krijgen nadat de humus, de chilli pickles & plakjes vlees er op zijn gelegd, de plakjes kaas vervolgens toebedeeld.
Daarbij moet ik niet vergeten te vermelden dat de plakjes vlees me al een beetje moeite oplevert, omdat ik eigenlijk ze volledig binnen de randen van ‘t brood wil laten liggen & liefst zó dat de hele boterham erdoor wordt bedekt (die andere boterham komt aan ‘t eind erbovenop te liggen: een doorgaans normaal verschijnsel bij ‘t beleggen van ‘t brood door een doorsnee NL-persoon; ik kan mij dus met hen meten in deze).

Soms denk ik: hé, ik kan die plak ook laten liggen zoals-ie er op terecht is gekomen., maar dat soort spannende gedachten worden geloochenstraft door een soortement wandelende schaduw die de rest van de dag met mij oploopt & niet veroorzaakt wordt doordat míjn silhouet de lichtval tegenhoudt.

Maar dan komt de kaasschaaf er aan te pas. ‘t Ligt niet aan dit instrument dat hier regelmatig een kink in de kabel komt: ‘t is de kaas die aan de zijkanten af wil brokkelen (de goedkoopste Extra Belegen ligt bij Appie altijd op de onderste plank van de zuivelkoeling; een aan mij geleerde les die me al enkele jaren begeleid).
Goed, om ‘t toch weer niet te laten verzanden in ellenlang: 1 van de 3 stukken verkreeg door dat afbrokkelen hedenmorgen een schuin randje. Die bleek miraculeus precies te passen aan de zijkant van de snee, waar ‘t brood bij mij altijd een uitstekend randje heeft (als in: ‘t steekt uit, dat randje, om precies te zijn: richting bovenkant van de liggende snee).
Mooi hoor, nu hoefde ik me niet meer te bekommeren over de uiteindelijke totale bedekking van de kaas op ‘t brood. Wat ik over zou houden stopte ik gewoon in m’n mond.

Zie daar! Dat is dus wat ‘t is: ‘t geheel moet kloppen, er mogen zich geen onevenwichtigheden in bevinden, er moet een bepaalde perfectie nagestreefd worden, want anders ontstaat er alleen maar onnodige onrust.

Vraag ik me echter wel af wat me ertoe gedreven heeft om te gaan schrijven, want eigenlijk is dat bij vlagen ‘t toelaten van een totale chaos, want veel regels ben ik daarin nog niet tegengekomen naast die zijn opgelegd door de taal die men spreekt.

Verder mogen sambal-olijven niet ontbreken op de Zijperspace-boterham, komkommerplakjes zijn facultatief.