Onbezorgd

Bij ‘t eind van de dag is ‘t zwaar. De twijfel begint, ‘t zeuren van een gepasseerde kans op continuïteit doet zich aan. Ik voel sudderende suggesties heen & weer schieten door m’n hoofd. Letterlijk van links naar rechts: ze doen zich voelen. Alsof ze door bepaalde zones van m’n hersenen reizen op zoek naar een aansluiting met woorden, zinnen, tekst…
Herinneringen bovenal.

Alsof een dag al niet zwaar genoeg was. Dat pas beseffend als ‘t gewicht pas gemeten kan worden, bij de afrekening, de ouderwetse kassa die luidop rinkelt als je met de wreef van je hand ‘t totaal aanslaat, voor ‘t slapen gaan.

Ik mag nog zo wondervroeg in actie zijn gekomen, met radioprogramma koptelefonend richting volkstuin zijn getogen, motten hebben gefotografeerd, bevrijd, benoemd, beschreven (‘t zal de vermoeidheid zijn geweest, ‘t rollend-matig overhevelen van mezelf van ‘t 1 in ‘t ander & daar pas aan ‘t eind de rekening voor moeten betalen door te beseffen dat niets vanzelf gaat), ontbijt genoten, de dag fris aanschouwd vervolgens, maar me ondertussen op dat moment al beseffend dat de dag niet compleet is zonder aan m’n plicht te hebben voldaan.

Al vaak genoeg gezegd dat ik over alles schrijven kan, waarbij me steeds weer onmiddellijk de jodenkoek te binnenschiet. Zo vaak als dat als voorbeeld heeft gediend.
‘Geef me een woord & ik gebruik ‘t als onderwerp, bijv…’
…die jodenkoek.
Waarvan ik niet weet of ze eigenlijk nog bestaan.

De kast bestaat nog steeds. De plastic precies passende ronde-kolom-verpakking, met een paars papieren omhulsel niet-plakkend licht-verhullend ter afscheiding van de verlangend kijkende kleine buitenwereld. De moeder die ‘t me verbood. De stoel die me evengoed deed reiken. ‘t Randje van dat dressoir, zoals we ‘t noemden ipv ordinair kast, waar m’n linker voet (m’n tenen eigenlijk) nog net op paste (rechts achter me op de stoel hangend). Reikhalzende vingers die onmerkbaar toch een koek scoorden, zonder kruimels geen spoor toch in de mond persend, Moe nog net op tijd te woord kunnen staan dat ik van niets wist zonder kauw nog te gaan.

Dat ik een woord nodig heb als ‘poepkakdrol’ of willekeurig anders om m’n dag af te sluiten als ik die niet meteen begonnen ben met geschreven tekst.

Ze zeiden van de week: je moet niet alles moeten. Van mezelf, zeiden ze.
Maar ik moet wel, herhaal ik dat woord, want anders staat hier straks geen verhaal, geen stuk, geen post. Dan ben ik slechts voorbij gevlogen.
Als de duiven in de Pijp, mits die er nog zijn, hun duivenmelkers, die niets meer te melden hoeven over te brengen, baas noch bode: een wedstrijd slechts wie ‘t snelste vliegt.

Wanneer er niets noemenswaardigs is geland in Zijperspace.

Verwachting

Tineke stuurt me een foto van haar ochtendwandeling in ‘t zuiden van ‘t land. Hoopvol licht brandt lichtjes door een gaatje in de wolken boven een ver huisje aan de andere kant van een plas, dat ingeklemd ligt tussen enkele tengere bomen in een verder bloemrijke weide. Je voelt de aarde vocht ademen van wat er afgelopen nacht gevallen is.

Ik schrijf: ‘Mooi hoor. Met nog al die nattigheid in de lucht.’
Terwijl ik ‘t verzend kijk ik over m’n schouder, door de leegte van ‘t 3e gordijn van 4, dat ik altijd open laat staan in de ochtend voor wat binnenvallend licht. Maar dat zorgt dat ik toch afgesloten blijf van wat buiten gebeurt & kijkt.
Op de regen na die onderwijl doet waar-ie goed in is.
Ik wil Tineke nog schrijven wat me te binnen schiet: ‘Hier weegt ‘t vocht nog te zwaar.’
Maar ik vind haar foto zo al mooi, geen ondertiteling nodig.

Ik roep de regenverwachting maar weer eens op. Merk bij mezelf tegelijkertijd op dat ik in 1 dag tijd ‘weersverwachting’ een andere naam heb gegeven. & Dat terwijl ik de buien, wat reeds gevallen is & wat nog komt, al een tijdje in de gaten houd.
De verwachting voor woensdag ziet er nog steeds niet best uit. Er is niemand bij ‘t KNMI, evenmin een andere weergod, die mij ten dienste wil zijn. Geen fietstochtje van 75 km, herhaal ik somber. Een binnensmondse verzuchting die ik minstens per weerpagina 3 maal daags slaak bij ‘t openen van slechte vooruitzichten. Elke weerdeskundige verschilt in zijn korte-termijn-toekomstvisie subtiel van de anderen, maar ik word er uiteindelijk straks even kleddernat van, voorspel ik mezelf.

Ik vind regenjassen niet werken. Je wordt net zo nat als dat je lichaam zweet. & Ik vraag me al jaren af waarom door dat verschijnsel ‘t bij mij binnen mijn omhulsel keihard klettert.
Misschien blijf ik er slank bij, zoveel vochtverlies. Dwingt me onwillekeurig te denken aan ‘t buikje dat m’n vader vlak voor z’n tocht naar Santiago de Compostella had.
Voor de 53e keer dit jaar denk ik dat hij op dat moment mijn huidige leeftijd zal zijn geweest. Ik kan er 1 of 2 naast zitten.

Weg gaan creëert barrières. Je wordt je meer bewust van vanzelfsprekende obstakels die je thuis makkelijk uit de weg kan gaan. Neem een gaatje in ‘t tentdak. Je reis in duigen want alles nat.
‘t Is nooit zover gekomen, maar ik maak de mogelijkheden alvast aan voor ik vertrek.
In werkelijkheid is wat ooit nat werd diezelfde middag nog opgedroogd.

Eigenlijk is de verandering wat mij thuis houdt. Ik probeer elke uiting daarvan in toom te houden. Maar juist verandering is de omschrijving van vertrek voor langer dan een dag.
Als ‘t geen regen was, dan was ‘t de zon.
Of een ander mijmervoorbeeld waar ik op kan zitten herkauwen: hoe kom ik aan een biertje onderweg? Hoe krijg ik die koud geserveerd? Kan ik de extra kosten voor ‘t ontberen van m’n koelkast wel missen?

Een stap buitenshuis is een reis die ik al 100-en malen heb gemaakt voordat de drempel is gepasseerd. Ik heb de weg al zo vaak afgelegd vooraleer ik vertrek dat ‘t uiteindelijk kan meevallen, maar die hobbel bij de voordeur groeit in de voorbereiding tot onneembaar.

Die dan weer krimpt bij de boodschapjes om de hoek van Zijperspace.

Instaspaced (XXXIX)

Stel nu, zij is een galante dame, polstas net op ‘t kleine hoteltafeltje gelegd, genietend van ‘t uitzicht van de diepnachtelijke bedrijvigheid van een miljoenenstad, flikkerend vervormde lichten van verwegpandjes langs de dijnende heuvels in midzomerse vochtig benauwde lucht, & dan plots moment komt ‘t bewustzijn dat ‘t ook een idéfix kan zijn van slechts een perongelukse foto met overbodige flits…

And an unexpected thunder from Zijperspace…
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (XXXVIII)

Met de regen die aanvang nam besloot ik archief te spitten, vergeten momenten, inmiddels vergane tijdelijkheden, geschoten toen nog pril in hun seizoen; kwam ik deze zonnebril dragende from outer space tegen, z’n beaming laserboem ergens onderweg verloren – weet nog dat ik dat vlak na ‘t aanschouwen van ‘t resultaat van onze ontmoeting bedacht & die lichtbeschermende glazen zijn niet meer uit m’n hoofd te bannen.

Niet dat we ooit de zon van Zijperspace opzoeken.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Instaspaced (XXXVII)

Ze hadden nooit moeten beginnen met ‘t voorvoegsel ‘gewone’: alles wat potentie van bekoring heeft verliest dan een bepaalde dosis van z’n oorspronkelijke schoonheid, want alledaags, vervangbaar & missend de sprankeling van z’n originele zelf; geef mij maar bijvoeglijkheden als harige, burpende, noeste, fantasmagorische, beperkte, afdwingende, opzettelijke, lepe & teruggetrokken om mij mee te voeren naar bijzonderheden die dergelijke beesten blijkbaar met zich dragen & ipv een veelvoud een onderscheidend individu blijken.

Evengoed is alles in Zijperspace heel gewoon.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram)

Buikcommunicatie

Dat middengedeelte van m’n lichaam heeft veel te zeggen hier. ‘t Maakt de dag al sinds jaar & dag succes of pech. In ‘t 1e geval houdt-ie zich gedeisd, in ‘t laatste weet-ie zich op allerlei manieren te uiten op enig ongelegen tijdstip.

Al vroeg in m’n leven heb ik ‘t woord ‘gastro-enteroloog’ zonder stotteren weten te produceren. Relatief vroeg. ‘t Was evengoed pas na m’n puberteit. Hoewel ik daar ook weer bij moet zeggen dat ik ‘t idee had dat ik pas laat begon te puberen.
De man die mij de gunst bezorgde m’n woordenschat uit te breiden & meer kennis omtrent dat lichaamsonderdeel dat ‘t meest onderhevig is aan verticale eb- & vloedbewegingen van de golvingen van m’n huid, heeft me zo rond ‘t 20e levensjaar behept met spastische darmen.
‘Een vrouwenkwaal,’ voegde hij er aan toe, ‘meestal.’
Ik geloof dat-ie die pauze er expres inlaste. Om me kort te laten twijfelen over m’n daadwerkelijke geslacht.

Verontrusting tot resultaat. Als die al niet allang aanwezig was. ‘t Woordje hypochonder had deze amateurpsycholoog mij niet hoeven leren. Dat had m’n doorverwijzende huisarts daarvoor al gedaan. Tijdens ‘t KRO-radioprogramma Rauhfaser had ik er al kennis meegemaakt door een treurig sprekende man die ‘t altijd geestelijk tegenzat & ‘t liefst onder tafel bivakkeerde als er aan de deur gebeld werd. Ik had ‘t gedrag van dit komisch typetje echter nog niet geassocieerd met de werkelijke betekenis, laat staan met mezelf.
Dat werd door de gastro-enteroloog even goed in m’n buik gewreven na de voorzet van m’n niet-beste vriend, de huisarts van destijds.

Die afwijking spastische darmen, dat bleek later inderdaad heel modieus (niet voor de slachtoffers, maar bij degenen die deze diagnose stelden) door veel vrouwen beleden te worden (waar ik ook ‘geleden’ zou kunnen schrijven). Ik weet niet of zij later van dat woord afgeholpen zijn, maar ik kreeg in ieder geval op een gegeven moment telefonisch van m’n huidige arts Ernst te horen dat er iets met m’n schildklier aan de hand was.
‘t Was alsof hij alarm sloeg. ‘t Was in de begintijd van de mobieltjes, ik was daar vroeg bij, dat ik ‘t Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) bezig was te passeren toen ik moest stoppen voor de beltoon in m’n broekzak. Na zijn mededeling dat mijn eerder genoemd lichaamsdeel te lijden had aan overactiviteit & ik daardoor evenzo, kon ik een nieuwe vrouwenkwaal op mijn buik schrijven. Want alles wat mijn schildklier te veel aan productie deed werd vertaald naar een snelle doorstroming door m’n darmen van dat wat m’n in mond ging. Alsof een doodgewone langlaufer plots ‘t record op ‘s wereld snelste skipiste behaalde. Waarbij de langlaufer de maaltijd is & de skipiste raadt men vervolgens wel.

Nadat ik aan dat euvel verholpen werd door een week lang radio-actief over straat te gaan door ‘t toedienen van daarmee bestraalde jodium (de ‘slok’ werd dat genoemd), was de lol van die rollebollende darmen nog niet voorbij.
Wederom in ‘t OLVG bedacht een invallende gastro-meneer dat ik maar eens een andere slok ook moest nemen. Ditmaal een overdosis vloeiende lactose. Zodoende heeft men mij de titel intolerantie bezorgd, inzake mijn darmen. Later tevens aangevuld met malabsorptie omdat ik door langdurig mezelf onwetend intolerant met lactose te mishandelen ik mijn gestel bij ‘t innemen van fructose een extra probleem had bezorgd.
Ik heb toen maar niet gevraagd of ik er weer een vrouwenprobleem bij had. ‘t Maakte mij niet meer uit welke hormonen oorzaak waren van m’n afwijkingen. Als ik er maar over kon praten.

Maar de enige die praat is dat goedje dat bij anderen doorgaans buik wordt genoemd, met al z’n ingrediënten: zowel lichamelijke onderdelen als de vorm hebbend van consumpties.
Is er een probleem, dan krijg ik dat onmiddellijk te horen. Dat hele stelsel daar benee communiceert beter met m’n bewustzijn dan dat mijn hersenen eigenlijk zouden moeten doen.

& Nu ik ‘t er toch over heb: datzelfde alles controlerende orgaan vindt ‘t wel weer genoeg geweest dat gebabbel alhier & heeft me verordonneerd me met rasse schreden richting toilet te begeven. De temperatuur bevalt niet & er moet stoom afgeblazen worden.

Fase 100 in Zijperspace.

Joodse Begraafplaats (I)

‘t Is de bedoeling dat ik hier vaker ga komen. Evengoed onwennig de mensen in oranje hesjes (alleen maar vrouwen) naar me om te zien kijken. Ik zeg ze evengoed gedag.
‘Hallo,’ klinkt wederzijds.
Ik vraag me onwillekeurig af of ‘Hallo’ de enige mogelijkheid is in dit soort 1e ontmoetingen, onder deze omstandigheden. ‘t Is vreemd om je plots te beseffen dat de begroeting in al die levensjaren dermate gefinetuned is dat ‘t in een dergelijke situatie niet tot ongemakkelijkheid leidt. Niet éxtra ongemakkelijkheid.

Ik zie Janneke in de verte. Zij heeft me uitgenodigd & haar ken ik.
‘t Duurt even voor ze me ziet. Ze staat ‘t verst weg & is ‘t diepst in ‘t werk verzonken. Maar als ze me ziet kan ik de observerende ogen van de anderen loslaten. ‘t Slot van onbekend zijn is gebroken.
‘Hansje al gezien?’ vraagt ze.
Die ken ik net een week. Daarom was ‘t grappig haar te kunnen melden dat ik al bekend met haar was. In korte tijd op 2 verschillende plekken geïntroduceerd worden bij dezelfde persoon. ‘t Geeft ongemerkt ‘t gevoel dat ‘t geen toeval kan zijn, maar wordt geleidelijk verdrongen door dat van voorbestemdheid.
Wat weer te eng is. Maar ach, wat doe je aan ploppende gedachten als toevalligheden zich snel achter elkaar opdringen…

‘t Gesprek als Hansje tevoorschijn komt volgt dat patroon. Van toevalligheid, die-ken-ik-al, & hoe-kan-dat-nou.
Maar al snel word ik losgelaten. Janneke neemt me daarvoor bij de arm. In figuurlijke zin: een korte rondleiding tussen gras & graven. Waar we al snel merken dat brandnetel de macht overneemt.
‘Nu al,’ zegt Janneke. ‘De gemeente heeft de paden gemaaid. Met grote machines.’
Grof geweld begrijp ik.
‘Snel & goedkoop,’ vertelt Janneke. ‘Kunnen wij niet. De cursus Zeis ging niet door vanwege Corona.’

Waar ze over de graven & de joden begint, val ik bij. ‘t Flevopark, waar dit een deel van is, was 5 jaar geleden voor Tineke & mij onze eindopdracht. Alle info die we andere natuurgidsen mogelijk zouden kunnen vertellen hadden we opgezogen. Die over de dode joden waren anekdotisch genoeg om historie in ons verhaal te brengen.

Ook Janneke laat me alleen. Tijdens ‘t krappe uur dat ik nog heb mag ik mezelf aan de insecten & hun terrein introduceren.
Er is echter niet veel exceptioneels dat zich aan een nieuwkomer openbaart. 2 Zevenstippeligen. 101 (zo’n getal betekent dat ‘t een schatting is) Rupsen van de dagpauwoog. 2 Gewone snipvliegen & steekmier plus pendelvlieg met dezelfde kwalificatie.
‘t Meest bijzondere is dat ik in tegenstelling tot waar ik Hansje voor had gewaarschuwd (dat ‘t lastig is libellen te fotograferen voor identificatie), de gewone oeverlibel zuiver op beeld weet te zetten. Mannetje.
Nee, niets buitengewoons.

Tijdens ons mailverkeer de volgende dag meldt Hansje dat ze aan ‘t eind van de middag iets bijzonders hadden gezien: de hoornaarvlinder. Ik kan ‘t niet ontkennen als ik ‘t plaatje zie.
Die hoort bij de wespvlinders. Daar had ik, wellicht tegelijkertijd, tijdens de insectenwerkgroep-excursie op ‘t Vogeleiland, ook een telg van aangetroffen. Die werd door onstuimigheid van 4 man sterke verwondering voor een kiekje behoed.
‘t Zal wel weer de gewone zijn geweest. Dat heb je op dagen dat je jezelf wil bewijzen.

Maar zelfs die blijkt niet te bestaan in Zijperspace.

Internaliseringsvervolg

Vervolg op Internaliseren.

Overigens ben ik een stuk soepeler dan ik van mezelf had verwacht.
Ik hanteer m’n Agenda doorgaans dagelijks. Vaak doordat ik die in m’n achterhoofd heb zitten. Dat is wellicht niet volgens de ‘afgesproken’ regels, maar ik hoef geen uitleg te geven dat ik in ‘t begin van een dag als vandaag heus wel weet wat ik gister ingevuld heb bij 23-06-2020 & wat daar al stond aan vaste routines.

Ik wilde vandaag vroeger met de dag beginnen, maar realiseerde me toen ik op ‘t moment van vandaag was aangekomen dat ‘t net zo efficiënt was om als 1e ding van de morgen de was te doen.
Dat heet dan geduld betrachten om de wasmachine z’n noodzakelijke tijd te gunnen. Maar geduld is een afwijking van de normale mens dat doorgaans niet in de wereld van mij & gelijksoortigen past.

Tenzij ik dus ga schuiven in m’n Agenda. Ik hoef daar niet daadwerkelijk te gaan zitten moffelen met de blokjes in blauw, geel, groen & rood; ik weet zo ook wel dat blauw (bijv blogpost schrijven) verplaatst kan worden of in uiterste geval afgelast. Blauw kan ik heel graag willen, maakt de dag zinvol of een leuke beleving om later aan de kleinkinderen die niet wilden komen te vertellen, maar is niet absolute noodzakelijkheid (maar dat lag niet aan de afwezigheid van de kleinkinderen).

Groen heeft ook geen urgentie.
Is natuur.
Rustgevend.
Vergeten.
Genezen.
(Ze noemen mijn behoefte daaraan een soort Mindfulness; maar dan beginnen de eikenprocessierupsplekken, die ik ondertussen voor ‘t 2e achtereenvolgende jaar her & der op m’n lichaam verzameld heb, extra hun aanwezigheid kenbaar te maken)
Maar dat kan heus wel een uurtje korter, want zo’n inkorting is heus geen levensbedreiging op de lange duur.

Aan de blokjes Geel & Rood valt niet aan te tornen. Rood (‘Huishoudelijk werk’ in dit geval, maar beter te omschrijven als iets waar ik niet meer omheen kan & uitstel tot wanorde kan leiden) heb ik al weggewerkt door de was te initiëren & m’n Agenda van vandaag in m’n hoofd af te werken.
De Gele afspraak ga ik halen als de wasmachine niet voortijdig komt te overlijden. Of ik.
Maar in ‘t laatste geval wordt de Agenda dan ook afgeschaft.

Is uiteindelijk alles opgelost in Zijperspace.

Internaliseren

Een Agenda bijhouden dus. Notitieboekje ook.
Ik heb er zelf een Afvinklijst bij verzonnen. Er werd ergens tijdens 1 van de gesprekken ‘afvinken’ genoemd. Dat dat lekker is.
Had ik ook al uitgevonden. Maar dat kon niet in de online Agenda die ik hanteer. In ‘t Notitieboek werd dat een rommeltje. Van de bomen & ‘t bos, zeg maar.
Een aparte Afvinklijst staat nu dicht bij ‘t eveneens online Notitieboek.

Ik schrijf ze trouwens met hoofdletter om ze instituten in m’n hoofd te laten worden. Ze moeten onlosmakelijk aan m’n dagelijks leven worden. Hard er in stampen met simpel hoofdlettersgebruik gaat vast helpen daarbij. Een andere benadrukking wordt vast irritant, ‘vette’ letter bijv. Of een kleurtje. Dat zorgt er ook voor dat ik extra handelingen moet gaan verrichten waarbij m’n vingers los komen van ‘t toetsenbord.
Dan heb ik er al minder zin in.

Zo klinkt ‘t alsof ik een brave leerling ben, maar allesbehalve.
Wekelijks kom ik met een uitleg waarom ik me weer niet heb kunnen houden aan m’n doelen & over de bewandeling van de weg richting ‘t niet gedaan hebben.
Ze begrijpen ‘t. Er wordt uitgelegd waar ‘t aan ligt, wat ik er aan kan doen. & Een week later komt ‘t volgende leermoment. Daar denk ik dan ook weer een paar dagen over na.
Geleidelijk wordt alles geïnternaliseerd. Stap voor stap, heel langzaam, bij dit soort mens.

Ergens onderweg tijdens m’n studie moet ik de agenda vaarwel gezegd hebben. Ze werden ook steeds kleiner van formaat, onnodiger dus. Ik weet dat ik tijdens Film & TV ‘t alleen nog gebruikte om bij te houden welke films ik dagelijks zag. Er was amper ruimte om iets anders te noteren. Bovenin de pagina, met een pijltje naar de 5 data die niet in ‘t weekend vielen.
Alsof studeren niet een 7-daagse werkweek was, met de bijbaantjes meegerekend dan. Plus ‘t sociaal onderhoud. Student zijn is een levensinstelling. Een tijd lang. Dag & nacht.

Aantekeningen maken heb ik nooit gekund. Ik zag anderen er druk mee bezig. Als ik door hun voorbeeld er ook aan begon, raakte ik al snel de draad van ‘t verhaal dat vanaf de kansel klonk kwijt.
Ik kan 2 dingen tegelijk, maar de combi luisteren/schrijven hoort daar niet bij. Ik raak ‘t spoor bijster van wat belangrijk is. & M’n geheugen slaat niet meer op.
Ik hoorde ooit iemand zeggen, ‘t was een wijs man, vermoedde ik. Hij had boeken geschreven & er werd naar hem geluisterd door een goede interviewer die net als ik van boeken hield.
Ik hoorde hem zeggen dat wat je schrijft makkelijker te vergeten is. Je geeft je geheugen toestemming de essentie van de boodschap opzij te zetten, waardoor registratie tijdelijker wordt.
Dat paste me wel. Geheel mijn straatje.

Nu blijkt dat mijn geheugen zo werkt.
Die van mij. Die anders is.
& Die van nog wat andere mensen.
Ik heb de uitleg nu even niet voor handen. ‘t Moet echter geen moeite zijn om dat op te zoeken. M’n aantekeningen kan ik daarbij overslaan, want daar staan dergelijke wetenswaardigheden over mezelf niet in.
M’n geheugen evenmin. Die heeft akelige deuren, die klemmen naarmate ouder.

Evengoed kiert & giert ‘t in Zijperspace.

Bewegingsloosheid

Voor me uit kijk ik. Een enkele keer hang ik m’n hoofd naar rechts, links daarop. ‘t Geluid is uit, nog een beetje beeld pruttelt van de webcam die radioprogramma’s tegenwoordig begeleiden.
Ik moet oppassen er niet naar te kijken, die bewegende monden, dat prikkelt. M’n vingers willen dan al die kant op om een toets voor de terugkeer van ‘t programma te bewerkstelligen. Zodat m’n niet eens zo sterke nieuwsgierigheid bevredigd kan worden.

Continu ontvang ik signalen die ik vervolgens probeer te neutraliseren. Dat besef ik me nu. Ik heb andere mensen gezien die zijn zoals ik, waardoor ik mezelf kon zien. Als ik die anderen zie verzitten, dat registreer, besef ik me nu sneller hoe vaak ik dat zelf doe. & Tegelijk weet ik dat ik een methode heb gevonden om mijn bewegingen te verhullen door ontspannen houdingen aan te nemen, waarbij een ogenschijnlijk noodzakelijk gebaar me de gelegenheid geeft om de rest van m’n lichaam onopvallend in een  andere compositie te manoeuvreren. Zodat ‘t totaal van veranderingen ‘organisch’ lijkt.

Ik ken er nog 1, besef ik me terwijl ik m’n voorbije zinnen overdenk; nog een vermomming van m’n stille geheime bewegingen waar m’n lichaam mij toe dwingt.
Neem m’n baard, dat is ongemerkt een handig hulpmiddel, want nonchalant schuift m’n hand somtijds over z’n haren. In de weg die ‘t aflegt wordt een plekje dat jeukt, afleidt of waar informatie van nodig is (zit de pukkel er nog steeds, of: kan ik met m’n nagel die kriebel weg schrapen?) aangedaan & onopvallend tijdelijk ontzenuwd. Een lichtjes wrijven onderweg of een kort hakende nagel kan al soelaas bieden.

Ontzenuwen is misschien wel ‘t juiste woord. M’n lichaam zit vol met een overdosis aan zenuwen die continu flikkeren door onrustige aan- & uitknoppen die lijken toegevoegd te zijn om zich vooral te laten gelden. Ik heb geen muggenbulten nodig om constant me bewust te zijn dat iets ergens op m’n huid tintelt & roept om geneutraliseerd te worden.

Ik weet niet wie of wat er nu 1st hyper was. Gaat de schuld naar wie ik in z’n geheel ben of naar de zenuwen, de schakels in m’n lichaam, de sensoren, die overgevoelig zijn, die veels te veel proberen te communiceren met elkaar dmv seintjes, boodschappen of opdrachten met daarmee gepaard gaande onderbrekingen & iets anders van die strekking of anders de fouten in dat systeem dat zorgt dat alles snel overprikkeld raakt?

Ik heb in ieder geval continu jeuk. Dat is ‘t resultaat.
Zeker nu ik probeer te beschrijven wat dat proces eigenlijk is, waar ik denk dat ‘t gelokaliseerd kan worden & hoe ‘t de bewegingen van m’n lichaamsonderdelen dirigeert; zeker nu ik dat in woorden probeer te vatten realiseer ik me – m’n vingers, de nagels als extra instrument, doen ondertussen druk hun best de aanvallen te neutraliseren – dat ik nooit, echt nooit ervaar dat m’n lichaam iets als een hoedanigheid van totaal stil kent.

Bewegingsloosheid bestaat alleen in de dromen van Zijperspace.