‘Ik heb een kruimel in m’n taart,’ zei ik tegen m’n moeder op m’n verjaardagsfeest.
Een kleine klub, zoals je dat toen nog schreef, om me heen verzameld. Van buurjongens, als Erik die handtastelijk maar ook sadistisch was als hij je overwon, naar een hip flipperende Dimitri, net als Frans (die jaren later als gevaarlijk breed wezen ’t jongerencentrum even kwam bedreigen met 2 andere mannen van ’tzelfde formaat).
Een geluk dat die Frans, in een bepaald nog moeilijk te plaatsen verleden de judo-kampioen van Noord-Holland was, me toen herkende, tussendoor zijn spierweefsels, tegelijkertijd ’t jochie van toen dat met mij gym had gedaan, een broekie, waar ik dat altijd zou blijven & hij een klerenkast werd.
Een angst kortom. ’t Opbouwen ervan. Bevreesd om wat zou kunnen gebeuren. De fantasie die zich in korte tijd een reuzenster, een giga-ontwikkeling, of wat ook groots bedreigends in mijn hoofd zich zou kunnen ontwikkelen.
Wat niet waar was, niet bewaarheid zou kunnen worden, maar wel samengeknepen werd door lastig ontkenbare fantasieën.
Ik kwam vanmiddag ’t meisje dat zwaait weer tegen. Ik herkende haar aan haar wuiven. Ze leek inmiddels, sinds onze laatste ontmoeting, minstens 2 jaar ouder.
Ik ben, door omstandigheden, wel vaker bij haar langs geweest. Als passant, maar heb haar niet aangetroffen.
Ik had haar leren kennen toen ik in de buurt wat spullen wilde verkopen. Rommelmarkt. & Ze zwaaide. Ze zwaaide contact.
Voor de rest geen woord. Slechts zwaaiend hand wuivend.
Je zou haar moeten zien, dacht ik. Een wonder op aard van contact krijgen. Spreken zonder taal dan je hand. Slechts dat zwaai, de wuif, terwijl vader of moeder haar voortbewoog. In kinderwagen van geduld.
Zij mocht haar contact doen, ’t beste wat ze had geleerd van haarzelf, wellicht met hulp van haar ouders, maar dat wist je bij de ontmoeting. & Daar moesten we ’t allemaal maar mee doen.
Zij deed nog een zwaai terug vanmiddag, ik eveneens, & ik zei tegen vader: ‘Oh, dat is ’t meisje dat zo goed kan zwaaien!’
Verwrummeld vrolijkheid om wie zij wederom was in al haar stilzwijgendheid. & Nu ietwat langer haar heeft & ze misschien een ander vervoermiddel binnenkort behoeft.
Maar dat doet mij in toekomst vertoeven, waar zij slechts in hedendaags gedag zeggen verblijft wellicht. Altijd. Met lach, maar je wordt als vanzelf in ’t nu gedwongen door haar wuivende hand.
Zo had ik een kruimel in m’n taart, als men dat nog begrijpt. Een soortement iets waar je niet makkelijk mee om kan gaan, maar wat wel daadwerkelijk deel is van wat is. ’t Oncommuniceerbare, jezelf, je taal, je herhaal, waar mensen blij van worden als ze dat voor ’t 1st horen. Uiteindelijk herhaling van jezelf wellicht. De saaiheid, ’t ermee zien te leren leven & alle andere etcetera’s.
Maar ’t betoverlijke van ’t meisje dat altijd zwaait, dat kan je nooit halen. Daar leef je voor. De pracht, de herhaling, de eindeloosheid.
Zijperspace niet althans.
