Hoek

We staan daar op de hoek van een fietspad.
Komt zij: ‘Hé, woon je hier in de buurt?’
‘Nee joh, ik ben onderweg naar huis. Maar we staan ff te praten.’
Vraag ik me gelijk af of ik ‘joh’ wel had kunnen gebruiken. Ze is een vrouw.
Of ben ik nou te ouderwets.

Dus praten we verder. & Zij fietst.
Hoewel we dat gesprek toch eindelijk toch moesten stoppen. We hadden al veel besproken. Een groot gedeelte zou niet meer onthouden worden.
Patrick wel, een klein gedeelte. Ik ook, maar veel kleiner deel.
Misschien moesten we ’t later bij volgend bier bij elkaar puzzelstukken.

Ik wist trouwens niet dat dit de kortste weg was voor hem. Dat dit de hoek was van voorbij van de middag. Wreed verstoord door een vrouw die ik kende.
Een burpsje kwam als vanzelf. ’t Koolzuur van 5 bier plus een maag die z’n eigen leven leidde & z’n eigen route volgde. & Dat op omgekeerde volgorde maar wederzijds beïnvloed.

Weet je, we raken elkaar nog steeds niet aan. We vinden dat normaal. Niks geen nieuw normaal, of nieuw moraal. We denken dat ’t momenteel gewoon moet zijn.
Ik vertel dat m’n broer afgelopen vrijdag z’n 1e prik heeft gehad, dus op m’n verjaardag kreeg ik een hug. Wat tegelijkertijd klinkt alsof je een verkoudheid hebt. Hug, hug, hug.
Je moet maar net de ‘h’ verkeerd uitspreken & je bent besmettelijk.

Ik fiets door. ’t Gesprek is afgelopen omdat zij wilde weten of ik hier woonde. We verloren onze à propos.
’t Plan is haar bij te benen & dan er overheen. Een Mathieu van der Poels.
Ik ben een held als ’t me lukt, de dag voor de Amstel Gold Race. 2 Jaar na dato (ach, men moet maar ’t filmpje tevoorschijn toveren). Dat ik een vrouw inhaal, die niet wist waar wij ’t over hadden. & Die ik afgewimpeld heb door te zeggen dat we aan ’t praten waren.

Maar wat is praten nog, zegt m’n fiets. Die geen fluisteringen meer geeft, niet weet van mensentaal, behalve de spieren die ik hem als voeding geef.
Ik fiets om haar in te halen, maar weet dat ’t beter is dat niet te doen. Maar ’t lichaam wil, de drank, de ontnuchtering die zij veroorzaakt heeft.
Weg was bier, weg was een uur of 4 om me te kunnen herinneren.

Maar ’t moest geschreven zijn, voor ’t voortbestaan van Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, deel 18

Raak!

Mijn schoonzus, de eerste echte schoonzus die bij ons de familie inkwam, las voor het slapen gaan verhaaltjes voor. Op verzoek van m’n twee jaar jongere broer. Hij wilde wel naar bed, maar dan moest Leny een verhaaltje komen voorlezen.
‘Ga jij dan ook maar mee,’ zei mijn moeder die eerste keer.
Ik ging mee vanwege de spanning. Er was een vreemde vrouw opgenomen in de familie. En die zou zomaar eens gaan voorlezen terwijl mijn broertje in bed lag. Nog nooit vertoond, nog niet eerder meegemaakt. Hooguit een tante die op ons kinderen had gepast en ons daarbij ‘s avonds had toegestopt. Dat was ons nog niet gebeurd met een jong knap meisje.
Leny ging naast het bed van mijn broertje zitten op een kruk. Zij las voor, mijn broertje maakte grappen. Hij kietelde aan haar oor, terwijl zij dapper verder probeerde te lezen. Hij wreef in haar nek; zij hikte lachend het verhaal verder. Hij wroette met zijn vinger onder haar oksels en toen hield het verhaal plots op. Mijn broertje kreeg als beloning de kieteldood.
Ik keek vanuit de hoek van de kamer toe. Giechelde hooguit een beetje mee.

De zondagen erna moest Leny steeds weer komen voorlezen. Ik mocht er elke keer bij zijn, maar durfde niet altijd. Ik kon zien hoe de grote schoonzus naast mijn kleinere broertje drong, waarna ze samen in bed liggend het boek gingen lezen. Hij tegen haar aangeklemd. Geheel tegen haar aanleunend, over haar schouder meekijkend naar het verhaal.
Terwijl ik niet dichter bij durfde komen dan dat hoekje naast de deur, een meter of 2 van zijn bed verwijderd. De deur nog half op een kier, zodat ik snel weg kon.

De titel hier bovenaan zou de toevoeging ‘aan’ best kunnen gebruiken. Omdat ’t deze aflevering nu eenmaal over aanraken gaat. Tegelijkertijd zou het dit artikel geen goed doen. Want een aanraking hoeft nog niet te beroeren. Iemand aanraken hoeft niet direct te betekenen dat iemand daardoor bewogen raakt, verschuift, op een andere plek komt te staan.
Het duidelijke ‘Raak!’ van de titel impliceert veel meer. Het klinkt meer als een speldenprik, recht je arm in. Je wordt even wakker geschud, men haalt je uit je concentratie, omdat iets zich recht naar binnendringt.

Zelf ben ik me er altijd zeer bewust van als mensen me aanraken. Een aanraking is voor mij vaak al een speldenprik. Het kost me moeite iemand toe te staan me bij de arm te houden terwijl deze persoon iets tegen me zegt. Ik heb in zulke situaties al snel de neiging mijn arm terug te trekken. Mijn fysieke radius, de afstand die mensen zich tot mij mogen bevinden om mezelf op m’n gemak te voelen, is in vergelijking met anderen erg groot. Als je iets tegen me wilt zeggen, kan je dat het beste op een afstand van een meter doen, dan je hoofd helemaal tot naast mijn oor te bewegen.
Dat dit bij mij anders was dan bij anderen werd me duidelijk toen mijn schoonzus en broertje geheel op hun gemak in het bed van m’n broertje lagen om verhaaltjes te lezen. M’n broertje dicht tegen zijn pas verworven schoonzus aan en ik op een veilige afstand van 2 meter.
Ik heb te gevoelige sensoren, heb ik me op een gegeven moment mezelf maar voorgehouden, waardoor ik me er te bewust van word. Er kan een schok door m’n lichaam gaan als iemand mij plotseling aanraakt.

Dat betekent niet dat mensen mij dus maar niet aan moeten raken. Zeker vrouwen niet. Het mag mij iets meer doen dan anderen, het wil niet zeggen dat ik er niet van kan genieten. Een aanraking doet me huiveren, in eerste instantie, ik ben me er van bewust, hyperbewust, maar ik heb de ervaring dat zogauw ik het toucheren heb aanvaard, ik er ook extra in meegaan. Een zoen is voor mij niet zomaar een zoen.

Op zo’n manier zou je ook moeten schrijven. Niet een algehele massa aan informatie over wat er met je aan de hand is, wat je gedaan hebt en hoe je het de volgende keer gaat doen. Daarmee raak je de willekeurige lezer niet. Familie en vrienden lezen je wederwaardigheden heus wel; de toevallige passant van jouw bestaan op de hoogte stellen kost veel meer moeite. Je krijgt ‘m niet vanzelfsprekend mee in jouw belevingswereld, niet voor de lange duur.
Je zou moeten doseren, om de hete brij heen draaien en dan plots in het voorbijgaan je hand uit moeten steken, de voorbijganger op de schouder of bij het oor moeten raken, een speldenprikje, waarvan hij niet meteen weet waar die vandaan komt, maar waar zijn lichaam een kort moment van opleeft, schrikt, schokt, zodat hij zich realiseert wat er in jouw leven omgaat, en nieuwsgierig wordt naar wat daar nog meer in te beleven valt. Door een korte, snelle aanraking, niet door keihard in zijn oor te fluisteren, onder het mom van besloten intimiteit.

Huiswerk: beschrijf wanneer je voor het laatst iemand effectief hebt aangeraakt, welke lichaamsdelen erbij betrokken waren & waarin het uiteindelijk resulteerde.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16 & Dl 17 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Instaspaced (LXXIX)



’t Is wel eens lastig om bepaalde symboliek op een gepast subtiele wijze te verwerken in een uiting, een plaatje van medeleven of een teken dat je er stil bij staat, maar ’t vreemde blijft dat sommige gebeurtenissen moeilijk anders in woorden zijn te vinden dan met iets als dat op klaarlichte dag, waar anderen de hergeboorte van ’t jaar denken te vieren, enkelen datzelfde moment ervaren als ’t bevriezen van de doorgaans ook voor hun voortschrijdende klok: deze is voor jou, Connie; ik hoop je straks nog even te kunnen groeten.

& Dat jouw echo (’t gelijknamige bos was om de hoek van ’t kerkhof waar ik ’t nieuws hoorde) zal blijven weerklinken in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Groots

Ik denk ondertussen dat ik vooral kleine dingen meemaak. Al in de tijd dat ik nog barman was. M’n hoofd maakt ’t groots, veelomvattend & velerlei aspecten waar anderen gemakshalve aan voorbijgaan. ’t Zou te veel ruimte kunnen innemen of tot onnodige stress kunnen leiden.

Daar ben ik zelf niet zo van. Niet met opzet, niet op zoek naar meeslepend of dergelijks. Meer dat er zoveel aspecten bij gehaald dienen te worden. Dat als je gezamenlijk op een terras zit, of laten we in dit geval ’t momenteel wél toegestane park nemen, zelf blikjes meegenomen, een omgeving met velerlei bankjes, in de schaduw of randje zon, prullenbak in de buurt, etc… Dat als ik dus in een park half in de zon half in de schaduw zit, vooral niet met tegenlicht, ik bij een toevallige voorbijganger denk: ‘Wat doet zo’n man nou als hij ’s avonds bij ’t tandenpoetsen merkt dat hij een zwelling op z’n linkerwang heeft?’
Of: ‘Ligt z’n hond nou naast hem op de bank als hij een film kijkt? & Mag-ie dan ook mee op bed? Hoe vaak wast híj z’n beddengoed?’

’t Zijn merendeels efficiëntie-vragen die ik mezelf stel. Niemand die er een antwoord op hoeft te bedenken. ’t Heeft slechts tot doel overzicht te krijgen, van mogelijkheden, van wat naast mij kan bestaan, me een voorstelling kan maken van onbegrensde mogelijkheden & dat gevoeglijk zo te laten.
Hoewel dat ‘gevoeglijk’ wel betekent dat ’t me evengoed minutenlang kan bezighouden. Als de vraag die ik mezelf stel geen antwoord met zich meedraagt & m’n fantasie te kort schiet.

Gister zag ik op een kerkhof 2 vrouwen. Ze leken zich comfortabel te voelen in hun niet alledaagse houding. Camera’s bij zich, spullen herschikkend, waardoor ik bij dat laatste in 1e instantie dacht dat ze ’t graf van hun gemeenschappelijke ouder aan ’t kuisen waren (camera’s nog niet opgevallen).
Maar toen ik om de hoek van de kerk hun weer in ’t vizier kreeg, zag ik een witte paraplu, standaards klein & groot & verstond ik een conversatie over de lichtval & of er in een hoek van ’t kerkhof nog iets te vinden was.

& Hoewel deze gebeurtenis me had kunnen uitnodigen tot urenlang met mezelf zitten delibereren over wat & hoe mbt hen, bleef ik onverstoord doorgaan met me bedenken wat ik de dag ervoor allemaal in de pan had gedaan wat sinds vanochtend m’n lichaam alweer grootdeels had verlaten.
Dát hield me op dat moment bezig, was ik aan ’t verwerken, dieper aan ’t opslaan, veilig, voor herhaling vatbaar. Dat zelfverzonnen recept dan, bedoel ik bij dat laatste.
& Nu dringt de vraag pas tot me door, die zich wel voordeed, maar nog niet ergens een landingsplaats had gevonden: waar waren zij mee bezig?

Niet dat ’t iets oplevert voor Zijperspace, behalve de vraag.

Typefouten

Nadat er aan de andere kant van de lijn nog even doorgenomen werd wat voor talen ik sprak – nou ja, hij noemde er 2, dus voelde ik me gedwongen dat zelf aan te vullen – constateerde de arbeidsdeskundig ambtenaar dat ik ook nog een typediploma had staan.
‘Ja, dat is uiteindelijk ’t diploma waar ik in mijn leven ’t meeste aan heb gehad,’ vulde ik de vruchtbaarheidswaarde ervan aan. ‘Ik ben nog steeds elke dag blij dat m’n ouders me dwongen die cursus op de middelbare school te volgen.’
‘Ja,’ klonk er minder enthousiast aan de andere kant, ‘ik weet niet of ’t veel toevoegt aan je cv, maar ik laat ’t er maar staan zoals ’t is.’
Terwijl ik ongedeerd gelukzalig zat te denken aan alle kostbare tijd die ik daardoor in m’n leven gewonnen had.

Typex bestond volgens de cursusleiders niet, meen ik me te herinneren. Maar ’t wil me niet meer te binnen schieten hoe wel al de noodzakelijke fouten die ons verder moesten brengen richting type-perfectie dan mochten corrigeren. Lieten we die gewoon staan of typten we de juiste letters door de foute heen & werd dat dan niet bij de puntaftrek meegerekend (in de wetenschap dat er in de ‘echte’ wereld inmiddels een witte inkt bestond ter verdonkeremaning: ’t zwarte witwassen)?

Verder heb ik een hekel aan hedendaags autocorrect. Maar ik geloof dat ik daar geen uitzondering in ben. Hoewel de millennium-kids daar waarschijnlijk anders over denken. De taal is dankzij ’t 2-duimig typesysteem ook al druk doende te veranderen. Met als hoogte/dieptepunt de vermissing van een afsluitende punt aan ’t eind van een bericht.
Men is verontwaardigd als je die wel gebruikt. ‘Bedoel je daar iets mee?’ schijnen huidige niet-kinderloze mensen tegenwoordig naar hun hoofd geslingerd te krijgen.
Dat heb ik me laten vertellen door een radioprogramma met presentators die mijn leeftijd minstens 5 jaar overstijgen.

Mijn overgang naar de computer ging daarentegen soepel. Ik had ’t idee dat ik daar voor geboren was. Die nare 5 kleuren van de Scheidegger blindtypecursus kon ik achter me laten & schijnbaar achteloos op de toetsen rammen, zonder dat m’n polsen last kregen van gekrenkte spiertjes rondom ’t draaigewricht aldaar.
Kwestie van de muis zo veel mogelijk ontwijken, leerde ik op een gegeven moment.

Bij een afscheid of een begrafenis, op een bepaald punt in je leven lijken die bijeenkomsten de memorabele momenten in je leven te gaan vormen, alsof er zich niets anders heeft voorgedaan (…of eigenlijk natuurlijk: na afloop van een begrafenis…), ontmoette m’n vader de voormalige directeur van een andere school. Ze waren elkaar vaak aan de vergadertafel tegengekomen in de tijd van interscholair overleg.

‘Ja, gepensioneerd.’
‘Jij natuurlijk ook gepensioneerd.’
‘Ja, ik zit tegenwoordig niet meer aan de typemachine.’
‘Raar dat je zo’n ding kan missen als kiespijn.’

Terwijl de man praatte, m’n vader knikte, met z’n bovenlip z’n vroeger slechte gebit verbergend zoals hij dat 25 jaar gewend was geweest, maar wat sinds zeker 5 jaar niet meer nodig was, luisterde ik mee, want eindelijk een onderwerp waar ik over mee kon praten, m’n vader aan kon vullen wellicht.

‘Maar ’t vreemde is,’ zei de oud-directeur tegen de man met ‘tzelfde beroep naast me, ‘dat ik nu veel meer fouten maak op de pc.’
‘Jajaja,’ humde & knikte m’n vader, z’n glimlach perfectionerend waar ondanks die poging starheid toch zou overwinnen, ‘ja, precies.’
Hij keek evengoed beminnelijk. Ondanks de niet-bestaande frustratie van typefouten maken, aangezien hij beiden toch niet meer kon bedienen (hij zou ’t ontstaan van de smartphone niet bewust mee gaan maken), plus een gebrek aan emotionele golfbewegingen in z’n aangezicht, was hij de aandoenlijkste man geworden, die zich zijn correctief gebruik van ’t platte pannenkoeksmes op de kinderbil niet meer voor kon stellen.

We zitten voor ’t toetsenbord van Zijperspace; geen pijntje of correctie niks.

Filmförbundet

Ik begon er aan om iets met literatuur te kunnen gaan doen. Al was ’t maar om een reden te hebben nog meer te lezen. Prettige bijkomstigheid was dat ik de taal erbij zou leren.
De professor dacht dat men sneller aan de taal, hoe die uitgesproken werd, dagelijks gebruikt, als je documentaires, maar vooral films zou zien. Er werden veel films gemaakt daar & ze stonden in internationaal aanzien.

Dus ipv luister- en spraakoefeningen, wijdde ik me vooral aan de videocollectie van de prof. Sommige opgenomen van de zweedse televisie zelf, op VHS toegestuurd door vrienden in ’t vaderland, maar liever nam hij films op van de BBC, zodat je kon in de ondertitels kon lezen wat er gezegd werd.
Toen wist ik nog niet dat luisteren niet m’n sterkste kant was. Horen wel: ik nam in me op hóe iets gezegd werd, maar kon m’n woordenkennis (vele lijsten met woorden op de terugweg in de trein geconsumeerd & opgeslagen) niet koppelen aan de conversatie in beeld. Ik volgde de titels & welke woorden gezegd werden konden amper door mij worden geregistreerd.
Net als met muziek: de stem is een instrument die iets toevoegt aan de sfeer. Teksten dringen niet letterlijk tot me door.

De meeste anderen waren er jaren achter elkaar op vakantie geweest of hadden er deels hun jeugd doorgebracht. Ik moest ’t hebben van 3 weken met m’n ouders in ’t land met de caravan rond tuffen in de periode dat ik niets durfde & oxazepam in m’n dagelijkse bagage zat. & Van elk vertaald boek dat ik tegenkwam zo snel mogelijk tot me nam.

Maar toen bleek dat de literatuurgeschiedenis niet uitputtend werd behandeld & de extra info summier was, wendde ik me tot de film.

Tijdens m’n 1e liftvakantie trof ik in Karlstad een filmmuseum aan. Met m’n reeds verworven taalkennis maakte ik de vrijwilliger met moeite duidelijk dat ik graag films van Victor Sjöström wilde zien in de blijkbaar voor mij alleen beschikbaar zijnde zaal. Sjöström had Bergman beïnvloed met z’n oeuvre uit ’t stille tijdperk. Die films zou ik wel kunnen volgen, want ’t lezen van ondertitels ging me tenslotte goed af.

Ze wist niet wie Sjöström was. De hoofdrolspeler van Smultronstället, probeerde ik haar uit te leggen, maar waarschijnlijk legde ik na 1 jaar taalstudie de klemtoon verkeerd. Met m’n vinger in de catalogus van videobanden aanwijzen wat ik wilde hielp beter.

Z’n gedaante moet me veel hebben gedaan, de paar keer dat ik de film Wilde Aardbeien (NL-titel) heb gezien: gister verscheen hij kort als cameo aan ’t eind van Klockorna i Gamla Stan, die ik aan ’t kijken was op Netflix.
’t Zweedse filminstituut heeft de rest van de wereld een groot blik geconserveerde films beschikbaar gesteld. Speciaal voor ons NL-ondertiteld nog wel.
Maar ik ben waarschijnlijk 1 van de weinigen die Sjöström heeft herkend.

Voorlopig slechts zweeds geroezemoes in Zijperspace.

Bram

Samen met m’n neef was ik bevriend met Bram. Hij zag er net zo saai door moeder aangekleed uit als wij. Alleen droeg ik geen pullover, behalve op zondag. Maar zondag was ’t moment dat alle kinderen gemarteld werden.

M’n moeder droeg nog maar spaarzaam een hoofddoek. Waarschijnlijk alleen tijdens de schoonmaak, als m’n tante langskwam om te helpen. Ze deden ’t huis grotendeels op hun knieën. Dan werd tenminste alles goed schoon, hadden ze van hún moeder geleerd.
Dat ze een stofzuiger met lange stang konden gebruiken deed daar niets aan af.
Zodat men weet in welke tijd ik leefde.

Bram leek geen moeder te hebben. Ik heb haar evengoed wel op een foto gezien. Met vader op de achtergrond & haar 2 kinderen aan haar zijde. ’t Had reclame voor tandpasta kunnen zijn. Slechts ’t sterretje vanuit de tandspleet ontbrak.
Voor de rest heb ik haar nooit gezien.
Bram’s tanden stonden nog meer naar voren als op onze klassenfoto. ‘Blinkblink’ zou overdreven zijn, maar ze waren wel aanwezig.

Zo onzichtbaar als z’n moeder was z’n vader ook. Behalve dat hij verantwoordelijk was voor de tv met afstandbediening.
M’n neef & ik waren dolenthousiast. We maten wat z’n bereik was. Te beginnen vanuit de achtertuin, die zeer modern helemaal betegeld was. Daar leek de afstands, die toen nog voluit werd aangeduid, geen bereik te hebben. ’t Testbeeld bleef op 1 staan. Maar ’t zou ook kunnen dat Nederland 2 toen overdag alleen maar ruis vertoonde. Ik kan niet alles meer uit m’n geheugen opdiepen.

We hebben ’t ook geprobeerd vanuit de keuken, vanachter de glazen wand. Blijkbaar aten ze daar. Er stonden 4 krukken aan ’t barretje, schuin achter die 20 cm dikke glazen afscheiding.
Je kon er Bram zo zien zitten, precies zijn hoogte. Of z’n jongere broer tot aan ’t barretje reikte, dat konden we niet afleiden uit de tandpasta-reclame.
Maar nee, de straling had volgens ons vanuit de keuken, door ’t dikke glas, geen bereik. Na 12 min nog steeds Nederland 1. Die toen ook nog geen Hilversum 1 gaf als begeleidend geluid.

Daarna gingen we tafeltennissen. Want dat wilde Bram. De prijs ‘Kampioen Regio Noord-Holland, Jeugdklasse’ stond op de schorsteenmantel te prijken.
M’n neef & ik moesten er dus ieder minstens 10 minuten aan geloven om na ingemaakt te zijn op tv te mogen pingpongen.
Maar zelfs daar wist hij effect te geven.
Wij dachten dat dat onmogelijk was. Maar Bram won iets te vaak om dat te blijven ontkennen.
De versie die m’n broer & ik van ons bollepelgeld (dat schreef je toen nog zonder tussen-n & zo sprak je ’t ook uit) kochten, kon dat na de zomer nog steeds niet.
Maar wij waren tenminste al relatief vroeg gestopt met ’t dragen van een pullover. Die vrijheid hadden wij dan toch.

Bovendien hadden wij een tandarts in Zijperspace, die ervoor zorgde dat we fatsoenlijk op de familiefoto kwamen.

Instaspaced (LXXVIII)

Ze komen los te staan, als derwisjen dansen zij de nacht & de mogelijkheid tot vrijdom, terwijl ik zit te gluren hoe hun krullen dermate krioelen dat ik er geen wijs meer uit word, want waar beginnen de 1-cellige wanden & onderscheidt ’t zich van z’n buur; ik zou ook wel zo’n minimale oneindigheid willen bereiken met geen drukte van waar is voor & achter & m’n nageslacht die zich slingert in een minimale zucht van de volgens mij niet-bestaande wind.

Zwijgzaam zucht klinkt in Zijperspace, als betreding van onhoorbaar mos.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Instaspaced (LXXVII)

’t Is eigenlijk alsof ik er ingezogen word, een gat, een draaikolk, een gesproken woord van een stripfiguur waarvan de rotte tanden de tralies vormen die me doen bedenken dat ik ’t toch liever niet wil, weggesleept worden van waar anderen normaal vertoeven, maar onderwijl weten dat ’t te laat is: 20 km ervoor gereden, lege handen voor de terugreis geen optie, dus mijn van kou roodgloeiende vingers, tot aan m’n armen is ’t inmiddels al aangetast, tasten de smartfoon te voorschijn om te bewijzen dat ik de mogelijk buitenaardsen heb gesproken; u herkent de tekstballon.

Die hebben we ook in Zijperspace, maar zijn doorgaans niet toereikend in dit medium.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Conversatie VIII

‘Mijn onderbroeken zijn een indicator.’
‘Waarvan? Dat ’t aantal strontvliegen in de buurt is toegenomen?’
‘Hahaha, ja. Dat zou ook kunnen. Maar ik kan er eigenlijk niet zo goed tegen ze rond te zien darren in de stront. & Moet er niet aan denken met een stokje er in te moeten wroeten.’
‘Je mag ’t me evengoed vertellen, hoor, wat jouw ondergoed je doet vertellen dat er iets aan de hand is.’
‘Nou, ’t is vooral als ik de was net uit de wasmachine heb gehaald & in de aanslag sta om ’t aan de lijn te hangen.’
‘De pas gewassen was.’
‘Eigenlijk is dat ook een indicator. Goed dat je dat zegt.’
‘Je moet toegeven dat ik je af & toe heus wel aanvoel.’
‘”Pas gewassen was” zingt altijd door m’n hoofd als ik de wastrommel leeg haal. & Dat kan een tijdje voortduren. ’t Hele zinnetje “De pas gewassen was die pas gewassen was” kan er voor zorgen dat ik de zin probeer te verlengen, variaties er op verzin, die allemaal met de was te maken hebben. Soms word ik er gek van, andere keren maakt ’t me juist rustig.’
‘& Dan kijk je naar je herenslips, netjes op een rij: & zingt ’t lied zacht sussend zichzelf voorbij.’
‘Was ’t maar zo. ’t Kan gebeuren dat ik vervolgens tijdens een fietstocht de verzonnen zinnen aan 1 stuk door m’n hoofd voel zigzaggen. Ergens op de achtergrond, maar ’t voelt alsof iemand 3 deuren verder 100 gaatjes in de muur aan ’t boren is. ’t Is ver weg, maar ’t is er wel.’
‘Maar nu over die indicatorfunctie van je pas gewassen was.’
‘Niet al m’n onderbroeken zijn groen.’
‘Dat is toevallig: die van mij ook niet.’
‘De meeste van mij wel.’
‘& Niemand die ’t ziet.’
‘Klopt. & Toch voel ik me er prettig bij.’
‘Ik vond je er de laatste tijd al gelukkig uitzien.’
‘Ze zijn al jaren groen.’
‘Je hebt er eerst aan moeten wennen, maar nu je ’t als een constante in je leven beschouwt, merk je dat er zich minder onrust buiten jezelf voordoet.’
‘Je bent erg grappig, maar je zit er niet eens zo ver naast.’
‘Nou vertel ’t maar. Je hebt heus wel door dat ik op randje stoel zit in afwachting van de onthulling.’
‘Sommige zijn niet groen.’
‘O, was dat ‘t. Nou, dan ben ik op de hoogte. Volgende keer hebben we ’t over de vogeltjes die in je tuin fluiten, maar voor nu bedankt voor de thee & koekjes.’
‘Ik ben er bijna, maar als je je eigen grappen leuker vindt, dan gaan we daar gewoon mee verder.’
‘Dat doe ik evengoed wel, dat weet je.’
‘Nou, als ik die was ophang, dan moeten de onderbroeken bij elkaar gegroepeerd worden.’
‘Niet tussen de sokken.’
‘Nou, vooral op kleur & op patroon. Maar ik mag niet bewust kijken naar wat ik uit de stapel pak.’
‘Anders is ’t spel niet leuk genoeg?’
”t Is geen spel. Eerder een dwangneurose. Nou ja, dat is misschien overdreven.’
‘Maar dat maakt ’t wel leuker.’
‘Dus groen bij groen, zwart bij zwart, maar als ik de 1e onderbroeken verkeerd heb opgehangen, dan passen enkele die later uit de stapel komen niet meer op een goede bijpassende plaats. Mag niet, maar dan ga ik vals spelen.’
‘Kan je me die indicator-clue nu eindelijk duidelijk maken? Ik weet ondertussen genoeg van hoe jij dankzij onderbroekenlol de dag overleeft.’
‘Ik merk de laatste tijd dat ik ze kriskras door elkaar kan hangen.’
‘Dus morgen wordt ’t mooi weer?’

Maar de engeltjes bleven lekken op de hoofden in Zijperspace.