Cursus Lijfloggen, deel 35

Dicht!

Het is toch elke keer weer een vreemde zaak
Dat zogauw ik aan een sinterklaasgedicht begin
Ik geleidelijk aan in een andere rol geraak,
Eigenlijk al vanaf de eerste volledige zin.

Terwijl ik slechts twee eindes laat afstemmen op elkaar,
Niet eens van een zin, maar vaak slechts een deel ervan,
Twee delen die aan ‘t eind dan lijken op mekaar,
Niet meer, niet minder ook, want dat is not done.

Vooral bij die laatste vroeg u zich af misschien:
‘Wat doen die Engelse woorden erbij?’
Dat moest men ook niet lezen, dat was niet te zien,
Dat klonk wellicht beter als men die zin zei.

Het gaat om het eind,
Ik zei het reeds.
Waarbij eenzelfde uitspraak zeer verfijnd
Vóór een korte pauze terugkomt steeds.

En terwijl ik met al die woorden bijna vecht,
Als een puzzel waarbij slechts één stuk op de ander past,
Kom ik dan in een vreemde gemoedstoestand terecht
En word ik geleidelijk aan een andere gast.

Het laat zich raden wie dat zal zijn,
Tuurlijk groeit aan m’n kin pardoes een baard
En heeft het mijns inziens alle schijn
Dat ik er uitzie als zwaar bejaard.

In mijn hoofd verandert mijn lijf,
De jaarlijkse taak gaat met mij aan de haal,
Terwijl ik niet meer doe dan dat ik opschrijf,
Op steeds dezelfde uiteindes, een kort verhaal.

Ik word de Sint,
De Sint wordt mij.
Zijn geest voert over mij ‘t bewind
En over die geest heb ik de voogdij.

Ik voel me wijs,
Voel ook m’n kennis aanzienlijk groeien,
M’n haar wordt grijs,
En ik wil deez aard met m’n eruditie bevloeien.

Dat duurt niet lang;
Ik stel u gerust.
Na afloop van die rijmendrang
Is de oude man in mij geblust.

De bedoeling van dit verhaal,
Dat wil ik nog wel even kwijt,
Zet dat bij uw maandelijks huiswerk maar centraal:
Wanneer was bij u voor ‘t laatst persoonsverandering een feit?

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16, Dl 17, Dl 18, Dl 19, Dl 20, Dl 21 & Dl 22 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

De wegmier & de bochelvlieg

Het is bijna winter. In ieder geval koud genoeg voor tal van insecten om zich terug te trekken. Zo ook de wegmier, die zich misschien wel in elke tuin van Amstelveen bevindt. Ook, of misschien wel júist, in tuinen met tegels, want daaronder is het veilig vertoeven voor deze mier die de moderne mens is achterna gegaan in zijn verstedelijking. De tuintegel is vaak het dak van de wegmierwoning, liefst met bij de uitgang aan de oppervlakte fraai uitzicht op de vuilnis- of compostbak.
Maar of deze wegmieren daar onder de tegels werkelijk zo veilig zijn is maar de vraag. Er zijn zat organismen die belangstelling hebben voor de leefomgeving van mieren. Deze zogenaamde myrmecofielen hebben verschillende manieren om van de mier te profiteren. De een heeft belangstelling voor het afval, de ander probeert de winter warm door te komen en er zijn er natuurlijk ook die parasiteren op de mier. Van schimmels tot pissebedden en van sluipwespen tot bochelvliegen.

En die laatste groep, de vliegen met een aan het torso laag hangende kop, waardoor het lijkt alsof ze een bochel op hun rug mee moeten sjouwen, díe groep heeft wel een heel grote variëteit van overlevingsvormen. Bovendien zijn ze vaak dermate klein dat ze niet al te vaak waargenomen worden, laat staan dat bekend is wat hun leefpatroon is. En er zijn er zo veel dat nog lang niet alle soorten ontdekt zijn. Wel is inmiddels duidelijk dat iedere soort zijn eigen specialiteit heeft, dat een bepaalde familie mieren aantrekkelijk vinden en dat er eentje in Nederland voorkomt die zeer gesteld is op de wegmier.
Misschien zit er wel eentje onder een tegel, wat dieper gelegen nu (want warmer daar), in het winterverblijf van een wegmiervolk.

Deze Pseudacteon formicarum heeft nog geen Nederlandse naam. Ze worden niet al te vaak gevonden. Hooguit specialisten die weten hoe ze te vangen zijn en microscopisch kunnen achterhalen om welke soort het gaat.
Het blijkt uit onderzoek dat deze bochelvlieg pas op de wegmier afkomt als de laatste verstoord is geraakt en daarop zijn mierenzuur als wapen heeft ingezet. Bochelvieg weet hierdoor renmier te localiseren, steekt in haar lichaam om zodoende daar eitjes achter te laten.

Na de winter wordt het lente, het lichaam van de wegmier barst open en de volgende generatie bochelvlieg treedt aan.
Maar of er in Nederland al iemand hiervan getuige is geweest is maar de vraag. De bewuste bochelvlieg waart hier rond, maar men is nog niet bij de geboorte aanwezig geweest.
Aan de andere kant is er in 2018 een nieuwe bochelvlieg bij de mergelgrotten van Valkenburg gesignaleerd. Men weet dat deze gespecialiseerd is in reuzenmieren.
Men heeft deze reuzenmier echter nog niet in Nederland gevonden.

Weer wat organismen tot leven gewekt in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Ornithomycologie

Ornithomycologie lijkt een nieuwe tak van sport binnen de biologische wetenschappen. Een klein takje nog, want er zijn nog niet zoveel biologen gedoken in de materie waar vogels (‘ornitho-‘) schimmels (‘-myco’) tegenkomen.
Dat spechten kunnen profiteren van schimmels is ondertussen wel gemeengoed. Ze beginnen niet altijd gaten te maken in door zwammen aangetaste bomen, maar vaak bespaart het ze behoorlijk wat werk als het te doorboren hout al enigszins zacht is gemaakt door bijvoorbeeld zadel-, tonder- of vuurzwam, om enkele bekende voorbeelden te noemen. Een specht blijft slechts een seizoen in zo’n gat bivakkeren met z’n kroost, waarop de jaren daarna andere vogels of vleermuizen mogen profiteren van het voorwerk van spechten en schimmels.

Daarnaast is het niet ongewoon gebleken dat schimmeldraden of bundels daarvan (rhizomorfen) door diverse in de grond wroetende vogels worden gebruikt voor versteviging van hun nesten. Wereldwijd zouden er 176 vogelsoorten rhizomorfen gebruiken bij de nestbouw. Er is een kans dat in Nederland de boomkruiper dat ook doet; bij zijn verwant de Amerikaanse boomkruiper is dat reeds vastgesteld.

Soms heeft het gebruik van die schimmeldraden tot gevolg dat een vruchtlichaam, oftewel de paddenstoel, zich gaat vormen in het nest. Daar heeft de vogel nagenoeg geen last van. Wellicht wordt dat door de vogel wel als lekkernij gezien.

En dat laatste trekt sinds kort wat meer aandacht. Want waar de maaltijden van zoogdieren inmiddels uitvoerig zijn bestudeerd waar het gaat om paddenstoelen – maar liefst 260 soorten maken ervan gebruik – weet men van vogels pas sinds kort dat tenminste 54 soorten het in hun dieet hebben staan. Daar heeft de paddenstoel zelf voordeel van, want het levert een goedkope manier van transport op, want net zoals de vruchten van de lijsterbes door vogels worden gegeten, waardoor de uiteindelijk uitgepoepte zaden op een volgende plek zich tot boom kan gaan vormen, kunnen de sporen van paddenstoelen evenzo vervoerd worden. Dat heeft veel voordelen: de meeste sporen (zo’n 95%) raken namelijk niet verder verwijderd van zijn paddenstoel dan één meter. De vogel kan enkelen meenemen naar andere horizonten en nieuwe kansen voor de soort.

Maar ook de vogel heeft baat bij de consumptie van paddenstoelen: ze bevatten o.a. ijzer, calcium, proteïne en alle soorten aminozuren. Veel stoffen waar vogels wat aan kunnen hebben, hoewel daar nog lang niet alles van bekend is. Men weet ondertussen wel dat het aminozuur tryptofaan bijvoorbeeld bij de mens positieve invloed heeft op emoties, slaap en stemming. Wie weet is een vrolijk rondvliegende boomkruipertje in Amstelveen dus net bezig geweest met knabbelen aan ‘t randje van zijn nest, waar een paddenstoeltje de kop op had gestoken.

Nog veel onderzoek zal moeten plaatsvinden voordat we daar meer van gaan weten. De ornithomycologen zijn in ieder geval van start gegaan.

In Zijperspace eet men hummus om genoeg tryptofaanvrolijk van te worden.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Cursus Lijfloggen, deel 22

Bedek!

Er werd iemand aangewezen die een kuil moest graven. Minstens een meter diep. Het moest toereikend zijn voor vier patrouilles van ieder minstens zes jongens. Plus dan nog drie volwassenen als leiding. Een week lang huishoudend in het kamp. Om de kuil werd een canvas zeil gehangen, omhoog gehouden door enkele stokken. En voor de kuil kwamen twee palen te staan, waar tussenin met mastworpen een derde paal werd bevestigd, zodat je daar op kon gaan zitten. Overhangen, zogezegd. Je billen moesten boven de kuil gesitueerd kunnen worden. Een beetje handige assistent-patrouilleleider kon er nog een constructie van touwen aan bevestigen, zodat de kleintjes met behulp van hun hakken het evenwicht daar in die hoogte van ongeveer een meter boven de grond en twee meter boven de bodem van de kuil konden bewaren.

We noemden het de hudo. Dat zou een afkorting zijn van ‘Houd Uw Darmen Open’. Dat sprak tot de verbeelding. En het zorgde ervoor dat het niet te veel moeite kostte het woord te gebruiken.
‘Wie is er aan de beurt om de hudo schoon te maken?’
Want ook dat moest gebeuren. Ondanks dat het een primitieve vorm van een latrine was, diende men toch te zorgen dat de hoeveelheid strontvliegen tot een minimum beperkt bleef. Dus werd er voor elke dag door de hopman een patrouille aangewezen die hudo-dienst had. Waarop de verantwoordelijke patrouilleleider de taak op zich nam de jongste van de troep aan te wijzen om die taak te gaan volbrengen. En deze padvinder trok er op uit met een heet sopje en een schep.
De schep was eigenlijk het belangrijkste onderdeel van het schoonmaakgereedschap. Door het graven van de kuil was ernaast een zandhoop ontstaan. Die was ook onder het afdak van de tent terechtgekomen. Met opzet. Want na elk bezoek diende er een schep zand in de kuil gegooid te worden. Om hetgeen dat was achtergelaten te bedekken. In het donker van de canvas tent was men echter niet altijd even zuiver in het richten. Daarnaast was het een groot genoegen om verdergaande schoonmaak te kunnen verrichten in de verzekering dat men er alles aan had gedaan stankoverlast te voorkomen. Dus bedekte men het voor aanvang van het karwei nog even wat extra. De zeilen van de opening werden zo ver mogelijk open gezet om de boel voor een kort moment te laten luchten. En bovendien om te kunnen zien hoe ver de diepte van de kuil nog reikte. Zo nodig moest aan de hopman gerapporteerd worden dat het noodzakelijk was een nieuwe kuil te graven. Dan was men te ijverig geweest in het bedekken.
Ik leg niet alles open op tafel. Men hoeft niet meteen te weten wat er met mij aan de hand is. Als ik m’n huisarts bezoek, dan kom ik in omtrekkende bewegingen bij ’t uiteindelijke onderwerp terecht.
‘Het jeukt een beetje hier,’ wijs ik dan naar halverwege m’n lichaam.
‘Oh, trek je broek maar uit,’ zegt hij dan laconiek.
En terwijl hij met plastic handschoenen bepaalde delen onderzoekt, bestudeer ik de naar beneden steeds kleiner wordende letters en tekens die aan de muur hangen. Kijken of ik ze nog allemaal kan onderscheiden.
‘Niks aan de hand,’ pleegt hij op gegeven moment te zeggen. ‘Gewoon minder strakke broeken dragen.’
Niet alles hoeft plompverloren op het internet geplempt te worden. Men hoeft niet alles van zichzelf kenbaar te maken.
‘Mensen hoeven toch niet meteen alles van je te weten te komen,’ zei mijn moeder altijd. ‘Er moet ook nog iets te raden overblijven.’
Dan had ze het weliswaar over een totaal ander onderwerp, maar gelijk had ze wel. Door middel van omtrekkende bewegingen, niet alles expliciet in de mond te nemen, blijft er nog iets over om over na te denken, wat niet in eerste instantie als zodanig te herkennen is, maar bij nadere overpeinzing wel te achterhalen valt. Je kan naar iets refereren zonder het daadwerkelijk in de mond te nemen, het ergens over hebben zonder het beestje bij de naam te noemen en in bedekte termen iets bespreken zonder dat omstanders kunnen vermoeden waar het gesprek over gaat.
Niet dat ik mezelf een fatsoensrakker wil noemen, een moraalridder die aan wil geven waar andere mensen zich aan zouden moeten houden, maar het maakt het allemaal net even wat aantrekkelijker, wat spannender, prikkelender zo men wilt, als niet alles meteen als zichzelf te herkennen valt.
De hopman sprak ons toe bij het kampvuur, nog diezelfde avond.
‘Er is ofwel een te kleine kuil gegraven,’ begon hij enigszins vervaarlijk mild zijn donderpreek, ‘ofwel jullie hebben busladingen wc-papier gebruikt. Wat ook mogelijk zou kunnen zijn is dat er te veel aarde over de hopen stront is gegooid, of het moet zo zijn dat jullie afgelopen weken alle poep in jullie lichamen hebben opgespaard om tijdens kamp de darmen eens flink open te kunnen zetten.’
Wat hadden we een hekel aan die vent. Niet alleen omdat hij opnieuw vrijwillig mensen aan zou wijzen die de volgende hudo zouden moeten graven en bouwen.
Huiswerk: beschrijf je laatste stoelgang zonder de vanzelfsprekende woorden te gebruiken.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16, Dl 17, Dl 18, Dl 19, Dl 20 & Dl 21 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Bochels

Terwijl ik verder lees vandaag, div boeken, div daarmee gepaard gaande bedoelingen om er uit te halen wat ieder daarvan in zich heeft, slaat toe waar ik jaren geen last van had.
Misschien staan de kussens in de verkeerde stand. Plus de shirts, lange mouwen allen, die, er achter weggepropt, hun stand moeten versterken. & Ik, de zonderling, die z’n manier gevonden dacht te hebben m’n nek te behoeden voor stijfheid met bijkomende schele hoofdpijn. Weliswaar tijdelijk, maar niet meer tot lezen in staat.

Bijkans misselijk, duizelige misselijkheid, ga ik dan maar achter de pc zitten, waar nou juist mijn benen, m’n knieën & hielen, eerder weerstand tegen boden.
Ik herinner me ondertussen, de strompelweg van 2 meter richting bureaustoel, de teiltjes waar m’n moeder mee aan kwam zetten terwijl ik hún 2-persoonsbed, gordijnen dicht, als enig veilig toevluchtsoord over had. M’n hoofd & nek in ‘t donker bij buiten volle zon ontspanning toedienend door draaien & knikken, daarbij m’n oren te laten horen dat er nog enige soepele beweging in zat. Een kleine krrkrkrr, een bescheiden knik & tik, m’n schouders me overtuigend dat rechte stand nog steeds mogelijk was.

Maar weg was boek. Voorlopig geen dromen van wat ‘t leven buiten dat van mezelf allemaal behelst. Ik laat de relaties tussen wespen & mieren, nog fascinerender: van die laatste met de bochelvliegen (‘the phoridae’, zei ‘t boek, & pas een halve dag later wist ik wie ze waren, wist ik dat ik dat al had moeten weten).

Ik nam een hapje brood. Een veel te klein gedeelte van wat ochtend- & middagmaaltijd had moeten zijn.
Temporiseren. Zorgen dat ik de tijd nam. Genieten van wat nog aan geheimen komen zou als ik weer de euvele moed had.
Een slok zwaar bier, dat zou vast ook goed helpen. & Daarna de fles leeg.

Er staat altijd een medicijnkast gereed in Zijperspace.

Afgedekt

Terwijl ik lees dek ik met m’n vingers, aan weerszijden, de paginanummers af.
Soms raak ik zo in ‘t boek verdiept dat ik ‘t vergeet. ‘t Laat…, zoals ‘t gaat.
Maar ik word niet veel later gestraft door m’n heen & weer schietende pupillen. De links links, de rechts rechts.
Daarnet was ‘t 70 & 71.

Dat zet m’n hoofd op hol. In relatieve zin, dat wel, maar ‘t is uiteindelijk wel onnodige afleiding.
Soms ga ik dan naar de laatste pagina van ‘t verhalende gedeelte om te zien wat ‘t percentage ong is. Al gelezen tegenover nog niet gelezen van ‘t totale geheel. ‘t Zorgt er dan vooral voor dat een minuut, of langer, niet meer tot me doordringt wat er geschreven staat. De klik wordt niet meer gemaakt.

‘t Wordt erger als ik daar rekensommetjes van ga maken. Met ongevere schattingen van wat ik aan tijd verdoe door ‘t niet afdekken van de paginanummers, ‘t voor de zoveelste keer bladeren naar ‘t eind, ‘t dankwoord, de aantekeningen en de notities daar valselijk bij negerend (een deel lees ik uiteindelijk evengoed) en daar als slotconclusie bij bedenk hoeveel tijd ik bij benadering daardoor verloren heb & hoeveel boeken ik op zeg maar 10 meer gelezen had kunnen hebben als ik me niet aan dergelijk gedrag bezondigd had.

Tegelijkertijd besef ik me dan ook des te meer dat ik me vooral met onbenulligheden bezig houd. M’n hoofd moet tot kalmte gemaand worden. Alles gecheckt, een goed gevoel over van wat correct is & wat ‘t eindresultaat daarvan is of zou kunnen zijn.
Een vlaag van vermoeidheid zucht dan voorbij. Ik schud m’n hoofd van wapperdewap (ingebeelde orenflap) & vervolg de tekst. Tot ong 2, misschien wel 10 blz verder.
M’n hoofd is dan alweer vergeten wat hij zichzelf beloofd heeft.

Evengoed bedenk ik me, ben ik bezig met te begrijpen, dat ik dit geschreven moet hebben. Er is een eindigheid & er is daarnaast niemand anders die ‘t voor me kan doen.
Ik ben de man van kleinigheden & ‘t zou zonde zijn als juist die niet geboekstaafd staan. Want ‘t grootse plus ‘t niet onopgemerkt voorbijgegaan is al opgetekend.

Paginanummers zijn echter niet wel besteed aan Zijperspace.

Demjoe

Damn you, Burnout.
Momenteel zit je in m’n nek te hijgen, waardoor die gloeit, verstijft, me snoert aan 1-zijdige blikvelden.
& Dat is slechts 1 van je metamorfoses. Want weet je nog van de zolder? Waar je jezelf nog Overspannen noemde. & Je je manifesteerde in kokerview door ‘t kantelraam, daar bovenop ‘t dak. Je liet slechts auto’s voorbij rijden, zonnen schijnheilig me teisteren tot ik met m’n zweet afdroop van ‘t matras dat tijdelijk de rol van traptree had. Weg van m’n kokerkijk de wereld in, zo klein, beperkt, & zelfs daar nog bedreigend dat ik niet wist of ik er weer deel van uit zou maken.
Ooit, ooit, ooit, echode je na in m’n oor. Want herhalen slaat harder, definitiever. Waar herhaling vast niet zou betekenen dat de 20 jaar zichzelf nog zou vermeerderen. ‘t Was als beuken met een hamer, om de groei er uit te nemen, de kanten er af te slaan, de weerstand verpulveren.

Nu heet je burnout, al dan niet met een streepje er tussen. Zodat ‘t wel of niet tot op ‘t botje verbrand zou worden wat nog over was.
Steeds weer denk ik je verjaagd te hebben. Hier is niets meer te zoeken, geen ziel te koop.
Maar juist dan knijp je opnieuw in m’n nek. Zoals vriendjes, waarvan ik dacht ‘vriendjes’ daar op ‘t schoolplein, verstoppertje-lang, trefbal-onbetast, tikkertje-gemist, me bij verveling met een onverwachtse greep verlamden, hoofd achterover adem snakkend, handen wapperend als een drenkeling die stikken zou.
M’n hoofd durft niet bewegen & zwijgt de woorden, want die lijken juist daarlangs getranporteerd te moeten worden.

Of anders, als een kapstok waar al je huiden hangen heb je een nieuwe vermomming gevonden, beneem je me de adem. De kans te kunnen lachen, al is ‘t van glim zo klein.
Je doet m’n vriendinnen twijfelen, & mij bij ‘t zien daarvan doen oreren dat hun eigen gehooroorganen zich dichtknijpen zodat ze slechts jou inwendig kunnen verstaan.
Anders je zenuwentruc: een lichtflits, een scheut, een overdosis van wat er zowiezo al niet meer bij kon. Met de hemel die valt & mij als enige zal pletten, zoveel als er op mij afkomt.

Je knijpt me, butst me, doet me overlopen van verlangen tegen beter weten in, je stemt me, tot ‘t uiterste, naar toppen, zodat de val daarna langer duurt, je scheurt, in partjes al naar gelang de delen zich laten scheiden, je heimweent, je sluit, tot ‘t kubusje te klein is om te beseffen dat ‘t leeft.

& Na een nacht van duister slapen ontwaak je me, met ‘t gevoel dat ik niet zonder kan & dat ik altijd blijf.

Zijperspace-oneindig.

Meel als mottenwieg

Een grote bedreiging voor de mens zijn insecten die mee willen eten met wat hij graag op zijn bord wil hebben. Ze moeten niet zomaar dezelfde smaak hebben als het mensenvolk; meeëters dienen zodanig bestreden te worden dat verlies aan voedsel niet uit de hand loopt.

Dat zorgt ervoor dat de Indische meelmot zeg maar de fruitvlieg onder de lichtmotten is. In die zin dat deze mot net als de fruitvlieg enigszins als model fungeert bij wetenschappelijk onderzoek. Niet zulk breed onderzoek als bij de fruitvlieg, maar met behulp van deze microvlinder kan men veel te weten komen over wat de ideale omstandigheden zijn voor het beestje om ons van eten te beroven.

Een aantal wetenschappers is derhalve bezig uit te vinden wat de precieze samenstelling is van wat de Indische meelmot daadwerkelijk consumeert. Hoeveel suikers krijgen ze binnen tijdens hun maaltijd en hoe zit het met de aantallen eiwitten, koolhydraten en suikers? Daarbij wordt meteen gemeten hoelang de groei van de larve duurt onder bepaalde omstandigheden, met welk voedsel, bij welke temperatuur, en in welke fase van hun leven gaat het met welk binnengekregen voedsel het groeien het snelst.
Vooralsnog hebben de huishoudens van Amstelveen daar niet al te veel aan. Zeker niet de huishoudens waar veelvuldig gebruik wordt gemaakt van meel, bijvoorbeeld om pannenkoeken te bakken, zelf brood te bereiden of omdat eigen fabricaat pizza nou eenmaal lekkerder smaakt dan die van de pizzakoerier. Dit soort huishoudens kunnen vroeg of laat te maken krijgen met voornoemde Indische, dan wel de grauwe of de grote meelmot: alle drie zijn ze dol op de gewoonte van mensen om hun granen te malen: hun bordjes staan in de keukenkastjes propvol geserveerd. Als die meelvoorraad niet hermetisch onbereikbaar is gemaakt is er ook een grote kans dat de graanmot een keer aan komt schuiven, want het is ook voor deze kleine vlinder mooi meegenomen dat ze geen kaken hoeven te gebruiken voor het verorberen van hun favoriete lekkernij.

De graanmot behoort echter niet tot de lichtmotten, maar tot de tastermotten; misschien dat daarom bij de Nederlandse naamgeving afgezien is van de meelmot-toevoeging.
De volwassen motten hebben blijkbaar een groot vermogen om met hun antennes meel te vinden. Na de voortplanting wordt dat gebruikt om de eieren in te leggen, zodat de latere larven zich daar goed in kunnen verstoppen en zich groot kunnen eten.
Je bent dus vaak al te laat als je een van de vier genoemde motten in je huis rond ziet vliegen: hun gebroed zit bijna onzichtbaar te genieten van het eigenlijk voor de mens bedoelde eten.

Het motje kan er eigenlijk niets aan doen: ze vindt haar tafeltje gedekt. Of eigenlijk dat van haar kinderen. En haar instinct vertelt haar dat ze ervoor moet zorgen dat ze zo snel mogelijk groot zullen groeien op een dieet van dat o zo fijne meel.

De meelmotten hebben inmiddels Zijperspace bereikt.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Thujon is gewoon te lekker

Je hebt twee liter wodka nodig om boerenwormkruid lekker te maken. Hoewel ze met hun felgele pracht momenteel ook al heerlijk uit hun bloemen geuren in veel perken van de natuurgebieden rond Amstelveen. Je hoeft je hand maar langs die knoppen (het lijken wel de manchetten van een clownskostuum) te laten strijken, je neus richting hand bewegen, maar dat kan ook andersom, en je realiseert je dat je hand misschien nooit eerder zo lekker geroken heeft.
Een blad in je handen kneuzen zorgt er ook voor dat die geur vrij komt. Maar ja, daar zit minder thujon in. En dat is een van die giftige stoffen die de mens nou eenmaal lekker schijnt te vinden.
Maak je geen zorgen, in salie zit ook thujon. Vrijelijk verkrijgbaar in de Super. Jeneverbes en marjolein evenzo. Het gaat om de hoeveelheid thujon die in het uiteindelijke product verwerkt zit.
Dat is de reden waarom veel landen het gebruik van het drankje absint vorige eeuw verboden hebben, waarvoor in die tijd het hier zeldzame plantje absint-alsem gebruikt werd. Een plant zo rijk aan bitterheid dat je na het kauwen van een blaadje voorlopig geen thee of bitter bier meer lust.
Goed, absint mocht niet meer verkocht worden, terwijl vermout, waarvan de muntachtige geur veroorzaakt wordt door dezelfde plant, nog wel vrijelijk over de plank van de slijterij mocht gaan. Maar ja, er waren in Parijs al wat toonaangevende artiesten aan absint onderdoor gegaan, werd gezegd, of ze hadden niet genoeg oren om nog goed naar nuttig advies te luisteren. Men weet wel: alles waar ‘te’ voor staat, etcetera…
Het vreemde is dan altijd dat er bepaalde beesten zijn die nergens last van lijken te krijgen. Neem nou de boerenwormkruidblindwants; zijn wereld is niet groter dan de maximale lengte van de plant, zo’n 1 meter 20. Het is zijn huis en tegelijkertijd zijn eettafel. Dat kleine beestje eet dermate veel van de thujon en andere stoffen waar de plant rijk aan is, dat hij net zo geel schijnt als de eerdergenoemde knoppen. Terwijl je er een omgekeerde paraplu onder houdt moet je de plant flink schudden om enkele exemplaren te zien te krijgen.

Om het voor ons lekker te maken heb je naast drie ons bloemknoppen dus twee liter goedkope wodka nodig (dure proef je met dit recept niet), plus een pond suiker, een theelepel engelwortel, van de volgende kruiden een halve: karwij, venkel en koriander, een halve citroen, twee takken munt, plus een pan en lepel om het door elkaar te kunnen roeren. Dan nog twee weken geduld terwijl je af en toe nog eens roert. Vervolgens doe je met een zeef de rest van het werk en is het vervolgens zaak dat je je inhoudt en hooguit één glaasje per dag proeft.

Geen mogelijkheid voor thujoonse valtaferelen in Zijperspace.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Lent (II)

Ik sta voor een open deur. De hor houdt een verre blik tegen. Slechts de stenen die in gras overgaan, een dun strookje plant er achter, zijn mijn horizon. & Ik denk dat ik denk niets te denken.
M’n waterige ogen proberen me te bekeren tot een ander oordeel over mezelf.

Wie ben ik & hoe ben ik hier gekomen, doemt op. 1 Vriend, of moet ik maat zeggen, is op de voorspelde tijd vertrokken. De ander klopte een paar uur eerder aan op m’n slaapkamerdeur & toen hebben we maar een ziekenauto laten komen.
Zo gaan die dingen. Daar moet je helder bij zijn. Een stoel klaar zetten voor de garagedeur. Vragen of hij wel water bij zich heeft. Maar ‘t kan best zijn dat ik dat vergeten ben. Op z’n gemak stellen; dat kon ik evengoed wel.

Weet je, denk ik tegen de open deur aan (ik denk ondertussen dat de leegte opgevuld wordt): een mens kan dan opeens blanco zijn. Er is plots geen voor & geen achter. Alles wat er normaliter toe doet is even in ‘t huis hiernaast gaan slapen. Net geen verstoppertje, gewoon een standby-knop die ingeschakeld staat op ‘wachten op betere tijden’. Of wat voor tijden, getijden, dan ook.
De deur knikt met de wind mee. Niet van nee, want dan zou hij slechts 1 antwoord, 1 medeleven tot zijn beschikking hebben.

Ik heb Tineke op een gegeven moment gebeld. Toen hij was afgevoerd. Zij was de ziekenwagen voor mij 2 jaar gelee. Van Lent naar Radboud. Om daar aangekomen te horen te krijgen dat we dat nooit meer moesten doen.
Dat daalt nu in. Die waarschuwing, dat goed bedoelde verwijt. Dat ‘t ooit gaat stoppen. Ons misschien wel stom gedrag, ons gelukkig gedrag. Van wat de wereld ons kan maken, of god, mocht-ie onverhoopt toch bestaan, & macht hebben over ons.

Dat denk ik allemaal tegen de deur. De deur met beperkte horizon, maar wel groen gras in ‘t vooruitzicht. Een plantje nog net in bloem.

Hij stuurt bericht dat de terugweg dit keer een taxi is.
Ik zal ‘m straks vragen of de fiets er nog in zit waar we mee weg kunnen vluchten uit Lent, ‘t plaatsje dat nu 2 mensen ongerust heeft gemaakt.
& Pas bij Tineke zal ik m’n waas van voor de deur durven tonen, vrees ik.

Toch hopen we volgend jaar Lent te kunnen herhalen in Zijperspace, want we willen voelen dat we leven.