Sprankeldwang

De arts tegenover me vroeg me of ik drugs gebruikte. Of gebruikt had.
Daarna zou hij vast verder gaan met vragen over alcoholgebruik, maar ik beantwoordde vraag 1 daar al mee. Want alcohol was tenslotte ook een drug.
De 1e die me dat zo open & bloot had durven vertellen was Juffrouw Küppers, conrectrice (later zou die functie ook voor haar conrector gaan heten) & non (dat bleef eeuwig ‘tzelfde) in één lichaam verenigd. Ze bleek zelfs de moed te hebben te melden dat hasj & wiet softdrugs waren in tegenstelling tot alcohol.
Ik ben daardoor dus jarenlang enigszins voorzichtig met alcohol omgegaan, waar ik mijn softdrugsgebruik pas stopzette toen ik merkte dat daar mijn langzaam opbouwende paranoia vandaan was gekomen.

Ik vertelde de man tegenover me dat ik meer dan 25 jaar in ’t biervak had gezeten & dat bier drinken daar automatisch mee gepaard gaat. Momenteel 6 consumpties per dag; ik hou tegenwoordig de tel bij. & Dat ik vermoedde dat alcohol me kalmer maakt, socialer bovendien, maar dat tegelijkertijd de oorzaak van dit verschijnsel ’t er waarschijnlijk tevens voor zorgt dat ik er niet van houd door dronkenschap de controle te verliezen.
‘Komt ’t wel eens voor dat je zo rond 10 uur al een drankje neemt?’ vroeg de arts evengoed.
‘Nee,’ lachte ik, ‘ik zeg altijd dat de 3 in de klok moet zitten voordat ik begin.’
‘Er zit een 3 in 3 over 8.’
‘Dat was mijn grapje!’

Ik ben er in de loop der jaren achter gekomen dat een goed gesprek opgebouwd is uit momenten van onverwacht. ’t Moet je op je gemak stellen, een vertrouwde omgeving zijn, maar ’t wordt pas echt een belevenis als er 1 (of meer) onvoorspelbaarheid in voorkomt.
Een tekst evenzo.
Daarom zijn de openingszinnen zo verdomde moeilijk. Want dat is juist ’t moment dat de lezer verwacht 1st op z’n gemak gesteld te worden, een beetje licht in ’t nog onvertelde verhaal te zien gloren. Maar een goed begin dient dat tegelijkertijd tegen te spreken door een verrassing te presenteren.

Ik heb dagen dat er openingszinnen door m’n hoofd zingen. Uitschrijvend, schrappend, volgorde omgooiend, om dan uiteindelijk te denken dat ik daar wel wat mee kan.
Maar net op dat moment geen toetsenbord op voorraad. Dat uitschrijven & schrappen moet je bij mij niet letterlijk nemen.

Dus thuisgekomen achter m’n beeldscherm herbeginnen. Inmiddels de ervaring rijk dat mijn geheugen juist niet wil onthouden waarvan ik van ‘m wens dat wel te doen.

Daar komt de sprankeldwang om de hoek kijken. Vermomd in dorstig bier. ’t Beeld zat al in m’n hoofd nog voordat ik op de bureaustoel had plaatsgenomen, eigenwijs negerend dat ’t er toch van moest komen. ’t Prikkelende, verfrissende, de hop, de volheid van de mout. & M’n hoofd die voelt dat alcohol dat alles begeleidt, maar na de slokdarm een dwarsweg afslaat richting vervluchtiging, vervoering zo men wil.
Even wordt de somberheid verlaten, de verdoving ingezet, ’t niet meer kunnen voelen dat er eigenlijk niets van fantasie, originaliteit of talent aanwezig is in m’n geest.
Er daagt zelfs heel overmoedig ’t idee dat er iets is dat verteld moet worden, iets wat al een tijd in mij aanwezig was, maar dat de kaars was uitgewaaid & de tast van m’n vingers gevoelloos.

’t Optimisme doet z’n herintrede, overigens zonder dat ik ’t merk; ik ben een machine geworden gevoed met energie van enkele slokken gelegen in bier vermomde alcohol & gestuurd & gestuwd door de plots juiste woorden van van boven naar beneden richting vingers.

& Op de betere dagen, een enkele keer, heb ik niet meer dan de ochtend nodig.

& Komt ’t als vanzelf goed in Zijperspace.

Wist u dat… (Mossen)

We gaan weer eens de lezers van ’t Amstelveens Nieuwsblad echt ouderwets een reeks Wist-u-dat’s voorschotelen. Niet uit nostalgie, maar eerder omdat in deze tijd van het jaar er van het groen dat bijna iedereen zonder het te registreren bijna dagelijks tegenkomt, heel wat onbekende feiten te vertellen zijn. Maar het is haast overbodig om steeds weer te wist-u-datten, want er is over iets zó algemeen voorkomend dermate veel te melden dat je knettergek wordt van…
Ach, u weet wel.
Zet een streepje als nog onbekende informatie nieuw voor u was en daarbij onbewust ‘Wist u dat…’ heeft gedacht. Het zal u verbazen wat voor bijzonder leven de mossen leiden na afloop van het turven.

Eigenlijk zijn mossen de oudste planten. De bladeren hebben zeer ‘primitieve’ dunne wanden, miljoenen jaren geleden ontstaan, van slechts één cel dik. Er zijn soorten waarvan de dode cellen nog steeds een belangrijke taak uitvoeren. Die dienen als opslag van water.

Dus als langs de bast van een boom water loopt en daarbij mossen tegenkomt, zorgt dat ervoor dat het even duurt voordat dit daadwerkelijk de grond bereikt.
Dat vindt de boom eigenlijk wel een goede oplossing. Het zou de overvloed aan water anders weg moeten laten stromen. Via deze manier kan ze later profiteren van wat er in de mossenvoorraad zit.
Als je tijdens een behoorlijke regenbui onder een boom gaat staan, kan je dicht tegen de stam staand nog best droog blijven. De druppels vallen op bladeren, volgen daarna de loop van de takken, waardoor vervolgens een goede kans is dat ze mossen tegenkomen. Het water wordt daar op de puntjes van de mossenblaadjes, op de eventuele haren en in de cellenvoorraadkamers opgehouden op hun route naar beneden.

Mossen ‘parasiteren’ dus niet op bomen. Ze zijn epifyten. Wat zoveel wil zeggen dat ze wel profiteren van hun aanwezigheid op een boom, maar daar heeft die laatste eigenlijk meer profijt dan last van.

Waar mossen op de bast van een boom zitten, voelen schimmeldraden zich onder diezelfde bast extra lekker. Er komen meer van deze schimmelwortels onder mosbedekte bomen voor dan waar mos niet te vinden is. Mos zorgt voor een lekkere vochtige atmosfeer, wat de schimmels goed kunnen gebruiken tijdens het afbreken van boomonderdelen.

Insecten en andere kleine organismen vinden een veilige plek in mos om hun nageslacht in achter te laten.
(Bovenstaande verscheen eerder in ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Maar ook Nederland is blij met mos, ook al groeien die helden soms over de grens. Ze groeien op de weg die water aflegt richting rivieren en houden zodoende water langer vast. Daar is landbouw afhankelijk van, wat kan leiden tot een rijkere oogst.

Tel nu hoeveel u heeft geturfd.

Weer een bijdrage aan ’t natuurbewustzijn van de bevolking van Amstelveen vanuit Zijperspace.

Hoi R.

Hoi R.,

Ondanks dat ik sinds gister na 2 jaar ziektewet officieel geen werk meer heb, had ik ’t afgelopen 2 dagen behoorlijk druk. Dat komt deels doordat allerlei instanties nu aan me trekken en tegelijkertijd andere bezig zijn me daarbij te helpen. En dan is ’t ook nog eens zo dat opeens allerlei dingen op me af lijken te komen. Zoals bijv dat vrijwilligerswerk in de bibliotheek waar ik ’t eerder over had.

Ik vind jouw verhaal over je tuin in Frankrijk heerlijk om te lezen, doet me denken aan één van m’n favoriete boeken van de laatste jaren, ‘Geroezemoes in het gras’ van Dave Goulson. Hij startte ook een tuin in Frankrijk om daar te proberen van bijna uitgeput land bij een oude boerderij, een gebied te creëren dat opnieuw aantrekkelijk zou worden voor insecten. Ik ga er eigenlijk van uit dat je dat boek wel kent gezien jouw verhaal.

Ik schrijf dit in antwoord op je vraag hoe ik aan al die uitgaven kom. En ik, die door een burn-out mezelf heb laten diagnosticeren op autisme en adhd, ben dan geneigd om ’t hele verhaal te vertellen. Skip dit maar als ’t je niet interesseert van een Marktplaatsverkoper. Maar je stelde die vraag, dus moet ik wel, gezien mijn blijkbaar door die 2 ‘afwijkingen’ ingeblazen eerlijkheid.

Ik heb bijna 26 jaar in ’t bier gezeten, nadat ik op 1 of andere manier niet in staat leek om aan een scriptie voor Film- & TV-Wetenschap te beginnen. Als je m’n naam googelt kom je afbeeldingen als vanzelf wel tegen. Ondanks niet al te hoge beloningen daarvoor was ’t de tijd van m’n leven. Ik wist alles over bier en kon er goed over vertellen.
En, andermaal ondanks, ben ik samen met m’n toenmalige vriendin begonnen aan een cursus Natuurgids begonnen. Wat enigszins schorvoetend begon bleek een nieuw onderwerp waar ik me volledig in kon storten. Waarbij vooral de interesse voor insecten prevaleerde. En boeken, maar dat was me eigenlijk al ingegeven vanaf ’t moment dat ik de kinderbijbel van m’n oudere broer begon te lezen.

Gezien m’n minimale budget ben ik door m’n nieuwe hobby continu op zoek gegaan om zo goedkoop mogelijk aan interessante natuurboeken te komen. Ik kocht van alles in goedkope kringloopwinkels, kreeg ook veel van gepensioneerde natuurgidsen en wist me bovendien binnen te werken in de bibliotheek waar ik vanmiddag ondanks de lockdown weer kon komen werken. Daar hadden ze bij m’n 1e entree een overschot aan ‘dubbele’ boeken, dankzij schenkingen uit ’t nalatenschap van overleden natuurvorsers. Ze wisten niet wat ze met dat overschot aan boeken moesten op een gegeven moment en ik was 1 van de weinigen die de weg naar deze bieb wist te vinden.

Toen ik in de ziektewet terechtkwam heb ik op een gegeven moment besloten, ook omdat een mij aangewezen jobcoach van mij verlangde dat ik opnieuw werkervaring opdeed, op een ander vlak dan ’t door noodzaak gedwongen te verlaten biervak, en zodoende vrijwilligerswerk te beginnen bij die bibliotheek.
Daar hadden ze inmiddels besloten om dat teveel aan boeken weg te laten stromen door wekelijks dozen met boeken gratis af te leveren aan verkopers op ’t om de hoek gelegen ***markt. Ik heb in mijn begintijd als vrijwilliger daar voorgesteld dat ik ook tbv de instelling boeken kon aanbieden op Marktplaats, maar dat was geen mogelijkheid. Men wilde niet verdienen aan schenkingen en wist vanwege ruimtegebrek buiten de papierbak geen ander voortijdig einde voor de boeken te verzinnen dan marktkooplui te laten profiteren van ’t overschot.

Een rare situatie vond ik. Ik zat met een minimaal budget en marktkooplui kregen gratis fantastische natuurboeken aangeleverd, zonder dat ze wisten wat ze verkochten.
Dus heb ik op een gegeven moment voorgesteld dat ik ze ook zelf op Marktplaats kon zetten. Dat vonden ze een goed idee, want dan wisten ze, na mijn uitleg, dat ’t uiteindelijk op een goede plek terecht zou komen.

’t Heeft door mijn problemen mbt m’n burn-out nog behoorlijk lang geduurd voordat ik daadwerkelijk met dat project kon beginnen. Ik heb dat wel eens omschreven als dat ik ‘geen spieren in m’n daadkracht’ had. Maar iets meer dan een week geleden is me ’t op een vreemde manier toch gelukt om advertenties te plaatsen.

En daarom ben ik heel blij dat jullie belangstelling tonen. Ik heb voor ik prijzen ging bepalen rondgekeken wat anderen voor dergelijke WM’s vroegen en heb besloten om daar onder te willen zitten. Ik wil geen geld graaien. Ik wil dat mensen dergelijke vergeten publicaties opnieuw ontdekken. ’t Enthousiasme voor minuscule natuuronderwerpen en hun details. Als ik ’t gratis aanbied komen de graaiers opnieuw als geïnteresseerden bovendrijven en verliest ’t opnieuw z’n belangwekkende waarde, heb ik ’t gevoel.

Ik heb gister een gesprek gehad met een arts van ’t UWV, dit om die instelling te laten bepalen wat voor soort uitkering ik op korte termijn moet gaan krijgen. Toen ik die arts moest uitleggen waarom ik tijdens de strenge lockdown vrijwillig boeken ging bezorgen voor een nabijgelegen boekhandel, kreeg ik, voor mij onverwachts, tranen in de ogen, maar er kwam evengoed nog net uit m’n mond dat ik ’t belangrijk vond dat mensen boeken lazen.
Oók… Nee: júist nu.

Zo, nu heb je een mooi verhaal om aan de mensen die je tuin komen bezoeken hoe je aan de WM’s bent gekomen.
En ik hoop tevens dat je door bovenstaande begrijpt dat voor mij op dit moment nog niet alles vanzelfsprekend gaat. ’t Zal me moeite kosten om uit te zoeken wat de beste en goedkoopste manier is om je de WM’s toe te sturen en alles wat daar op moet volgen.
Geen excuus, maar eerder een uitdaging die ik met veel plezier aanga. Kijken of ik in een andere fase terecht kan komen. Meer daadkracht, meer spieren.
En ik hoop dat je tot ’t eind van dit verhaal kan komen en niet bent gaan denken dat ik op zoek ben geweest naar medelijden. Ik hou gewoon van natuur, van boeken, van schrijven en door m’n afwijkingen die afgelopen 2 jaar gediagnosticeerd zijn, heb ik op die vlakken momenteel niet al te veel remmingen; en buiten dat van kindsbeen af ’t gevoel dat ik volledig moet zijn in mijn verhalen.

Ik hoop morgen tijd te hebben uit te zoeken hoe & wat mbt verzending vanuit Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, Deel 17

Zwicht!

Onderweg naar de fysio gleed ik uiteindelijk toch uit. Onderaan de brug over de Amstel. Tijdens de bocht naar rechts wilde mijn voorwiel nog wat verder rechtdoor. Mijn lichaam trachtte nog een kort moment het evenwicht te bewaren door de schouder naar links te drukken, maar een oneffenheid op het fietspad veroorzaakt door opgehard sneeuw dwong mij toch tot een nadere kennismaking met de harde realiteit van stenen onder een laken van wit.

Er reden auto’s aan mij voorbij. Ik voelde blikken branden. Terwijl mijn knie aanvoelde als snel veranderend van olijk rood (ik had ‘m vanochtend nog bij het verlaten van mijn bed tevreden mogen aanschouwen) in beursblauw, gelijk optrekkend met pijnlijk paars, zette ik mijzelf ertoe weer zo snel mogelijk, nonchalant bovendien, op te krabbelen. Ik wilde geen verwijt van passanten bemerken, gezichten die afkeuring zouden tonen met een blik dat het toch écht ondoenlijk was om met dit weer de fiets te gebruiken. Trots, maar daar vooral niets van tonend in mijn uitdrukking, ijskoud zogezegd, zeker gezien mijn blozende wangen, stapte ik weer op mijn fiets en vervolgde mijn weg richting fysiotherapeut.

Bovenstaand gebeuren had ik u nooit verteld, ware het niet dat een andere patiënt in de wachtkamer de opmerking maakte dat men zich tóch goed moest aankleden met dit weer.
‘Ja, vooral de kniebeschermers niet vergeten,’ was daarop mijn opmerking.
Ik had me voorgenomen om niets van het voorval onderweg los te laten, pijn te negeren, en gewoon me te onderwerpen aan dat waar ik voor gekomen was, maar toch glipte me deze verwijzing naar wat me overkomen was me door de mond.
Het ontging de vrouw echter.
‘Ach, ben jij op de fiets?’ vroeg ze vol bewondering.
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
‘Ik vind jullie toch zo dapper,’ ging ze verder, alsof met mij een colonne fietsers het pand was binnengereden. ‘Ja, ik kan het niet. Ik heb mijn pols gebroken bij mijn vorige fietstocht. Daarvoor ben ik hier. Om weer te revalideren.’
Mijn fysiotherapeut kwam mij het volgende moment ophalen. Met gestrekte rug, in vol ornaat, als een triomfator, liep ik achter de man aan om me aan mijn pijn in de nek te laten behandelen.

Ik wil er niet mee te koop lopen, met die kleine pijntjes. Zeker niet als ik me nog normaal kan voortbewegen. Je moet eerst een reden hebben het te vertellen en dan pas mag je van wal steken met je lijdensverhaal. Als je bijvoorbeeld er raar van gaat lopen. Of aan het eind van de werkdag vermoeid de rug strekt en halverwege blijft hangen. Om enkele voorbeelden te noemen.

Hoewel een vroegere schoonpapa van mij het wel heel bont maakte.
‘Zit je weer te piepen,’ zei hij als ik hinkend van een zere knie zijn huis, waar ook een zekere schone woonde, kwam bezoeken.
Ik was enkele dagen eerder gevallen, had m’n knie bezeerd en om onverklaarbare redenen was deze gaan zweren. Naarmate de knie zich roder en dikker toonde, werd het lopen mij bemoeilijkt en het hinken op één been door mij aantrekkelijker bevonden als manier van voortbewegen.
‘Loop toch niet zo theatraal door mijn huis,’ was zijn commentaar. ‘Of ga anders bij mijn dochter op de kamer zitten grienen.’
Er mocht geen pijn getoond worden in deze familie, alle leed moest keihard genegeerd worden, de hernia waar de vader/bouwvakker aan leed zo lang mogelijk ontkent.
Toen het zweren aan mijn knie zijn hoogtepunt bereikte, kwam er een klein sprietje uitstulpen. Het schuurde tegen de binnenkant broek aan. Ik ontblootte mijn knie, zette twee nagels tegenover elkaar, sprietje ertussen en kneep het kleinood er uit. Een dunne houtsplinter van vijf centimeter lengte voelde zich vervolgens vanonder mijn knieschijf bevrijd worden.

Ik heb het tegenover mijn toenmalige schoonvader verzwegen, maar triomfantelijk liet ik het stukje hout aan mijn vriendin zien.

Als je de hele tijd over pijntjes en kwaaltjes zit te jeremiëren word je al snel niet meer serieus genomen, is mijn ervaring. Ik doe er meestal in de wachtkamer het zwijgen toe, duik in een meegenomen boek, om personen die zichzelf dit niet beseffen niet de gelegenheid te geven tegen mij uit te wijden over hun leed, dat altijd veel grootser en ondraaglijker is dan dat waarvoor ik ben gekomen.
Maar soms moet je wel. Als het verhaal achter de kommer die jou overkomen is meeslepend genoeg is om verteld te worden. Als het gebeurde een verhaal op zich is, het verdient om verteld te worden. Als het ontroerend is vanwege of dankzij jouw eigen kleinzieligheid. Als de gedachtes die jou met betrekking ermee hebben bezig gehouden het waard zijn om door anderen aangehoord te worden. Als het meer is dan alleen maar klagen en aandacht vragen. Of als je nog net een stukje moet schrijven voor je weblog. Of een cursus lijfloggen.
Dan mag je, wat mij betreft, zwichten. Voor het verhaal, niet voor de pijn.

Huiswerk: Vertel zo dramatisch mogelijk over de laatste schuiver die je gemaakt hebt.


(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15 & Dl 16 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Omgeknoopt

Morgen is m’n laatste dag. Ik ben ’t na al die jaren wel verplicht ’t aan te kondigen. Hoewel ik dus al 2 jaar op non-actief sta. Omdat ik ’t niet kan, omdat ik ergens over m’n grens heen ben gegaan.

Dus doe ik morgen wat ik afgelopen 2 jaar heb gedaan om te zorgen dat ik verder kom: niet werken. Zoals dat heet.
Maar ik hoef inmiddels niet níet te werken om te voelen wat er scheef zit. Ik hoef maar een beetje ’t idee krijgen dat ik hard m’n best gedaan heb om te voelen dat ik íets gedaan heb, & dat voelen wordt vervolgens een blokkade om tot ook maar íets te komen.
Alsof je de steeplechase 200 m hebt afgelegd, wonderbaarlijk niet bent gestruikeld, maar je lichaam. Je lichaam.
Voorovergebogen lijkt ’t zich te gevoelen.

Verder kom ik vaak niet in pogingen tot omschrijving van wat ik voel. ’t Is een gevangen zijn in een band, borsthoogte, zonder benauwdheid, maar wel met al ’t andere dat beklemt & bovendien transpireert zonder druppels.
Ik zit gevangen dan, in een lijf dat buiten z’n eigen borstkas weliswaar geen tralies voelt, maar evengoed fijngeknepen lijkt te worden.
Ik heb in m’n leven wel last gehad van hyperventilatie, maar omdat mijn lichaam die kennis in zich herbergt, lijkt dit er niet op. Want wat heeft ’t er aan als ’t zo gemakkelijk valt te herleiden?
Kennis daarover lijkt ’t begin van de bestrijding.

Ik ben ’t bos ingegaan. Mijn best mogelijke remedie.
Maar waar ik aldoor mijn trucs kon inzetten om de valse aanvallen te ontduiken, weet ’t me, zelf ook getraind inmiddels, toch te vinden. ’t Vormt zich naar talloze voorbijgangers & de daarmee gepaard gaande afwezigheid van rust.
Ik voel 1st hun stemmen, maar als ik een tijdje concentratie, ’t verdiepen in m’n vondsten in de natuur, veins, weten hun blikken mij als priemende lasso’s zich naar hen toe te trekken.

Tot een kind z’n stem laat klinken, zoet zacht van op een afstand waar z’n stem nog niet vandaan reiken kan, & bij herhaling blijkt te vragen wat ik zoek.
We zijn in ’t donkere gedeelte, waar de eiken, hoewel ontdaan van hun bladeren, nog talrijk verzameld staan aan levende zowel als dode stammen, zodat stemmen zo sierlijk onschuldig nog makkelijk verloren gaan.
Wat ik zoek?

Ik wijs ‘m op de witte vlekken aan ’t dode, ontschorsende hout, waar ik deels schuld aan heb om te kunnen zien wat er anders is aan de wereld dan wat in 1e instantie slechts aan de oppervlakte aanwezig.
‘Je mag wel even komen kijken,’ nodig ik ‘m uit.
Z’n vader neemt de aanmoediging van ‘m over. Z’n bierflesje uit ’t beeld wegmoffelend. Even later blijkt dat een aanleiding om te bekennen dat hij me van mijn werk (‘Dat eindigt na morgen,’ wordt onge-echo’t genegeerd) kent.

Ik vertel over kaas- & tandzwammetjes. Laat een eikentrilzwam zien plus een foto van de zojuist gevonden kever in net zulk dood hout.
& Terwijl ik praat over wat leeft in of ten koste van wat al overleden is, knoopt ’t jochie in zijn verlegenheid een jong takje om ’t dunne stammetje van waar ’t vandaan komt.

‘Kijk, die groeit om zichzelf heen,’ prijst hij zijn zelf gecreëerde vondst.
Vader zegt: ‘Dan moeten we daar straks over 2 maanden daar weer naar komen kijken. Hoe ’t om zichzelf heen groter & dikker is geworden.’
& Ik ga na die woorden weer verder naar dingen waar ik zelf nog geen weet van heb.

Maar ik gebruik andere woorden, want anders snapt-ie niets van Zijperspace.

Instaspaced (LXXVI)

Ze waren al iets voordat ze samen gingen bestaan, ze hadden al, hoewel minder, omvang, ieder van hun z’n weg geslecht om uiteindelijk deel van elkander te zijn: een nieuw nu, een ander ik – ze zijn door de aderen der bomen omhoog gestuwd of gecondenseerd toen ze in aanraking kwamen, geen botsing, eerder smelting samen tot nieuw volume, nieuw bestaan, voor zolang dat valt vol te houden, want alles stroomt, ook waar ’t naar de ochtendlijke koude zondagstilte ruikt.

Inmiddels maandag in Zijperspace; dat voelt toch anders.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Zwaartekracht

Soms voel ik dat ik bijna zover ben. Dan is een extra sweater voor comfortabel warm te veel of enigszins te zwaar of schuurt de trilling van m’n oogleden te droog. Ik denk te weten waar de pijnen liggen, ze te duiden, te net niet te mijden, maar er zeg maar mezelf in te leggen, een dompel, een omvatting, een opname tegelijk is nog net niet bereikt.
M’n hoofd is niet leeg, eerder gevuld van vuurvliegjes die een weg wijzen van waar de woorden liggen, de gebruiksaanwijzing voor m’n vingers te vertalen wat tintelt van stilzwijgende opwinding om er uit te mogen. De hond die kwispelt, ’t kattenluikje bepoedeld door de wens om aandacht bij ’t teken ’t huis misschien wel niet te verlaten.

Alles ligt op de overgang, nog enkele druppels & daar komt stroom-over, de voorspelling van een cohesie die vrolijk ’t loslaten vertelt van een olijke waterval van gelijk spetter & sputter. Ik ben er maar ben er nog maar net niet.
De vingers houden de toetsen aan ’t randje vast. Rechtsboven van wijsvinger links de mogelijkheid om de ‘t’ alvast de regen te voorspellen van stampen voor druppels die woest heerlijk een verticaal oprijzend gordijn gaat schapen & linksmidden de ‘d’ van ’t dreunen van hun allen tegelijk op tegels weerketsend om miniatuurtjesfonteinen te spuwen. De ‘e’ de ‘a’ de ‘o’ klaar om verwondering te schreeuwen, de verrassing van ’t nog onbestaand woord.

Zover ben ik nu, alles in lichaam & hoofd in gereedheid om tot aankondiging van een vreugde van woorden te worden die hunzelven tot kluwen verknopen, raaskallend improvisaties verkonden, van niets onmogelijk & ’t stopt pas als ’t zichzelf uiteindelijk tot onweer voorspelt.

Klatsboem, zegt de boom.

& Alice is terug Zijperspace in gelegd.

Tetter

Ik tetter rond. Want ben vol verbazing wat er met me gebeurt.
’t Is alsof ik fiets zonder handen, terwijl mijn vader me de 1e kunsten daarvan toont. & Me tegelijkertijd zonder verbiedt, nee: gebiedt om m’n handen aan ’t stuur te houden.

Ik ben ’t niet die dit allemaal initieert: ’t stormt op me af & ’t enige wat ik kan doen is ’t over me heen te laten komen als een grote golf, liggend in de plots niet meer bestaande eb-zone.
Ik ben een middelpunt. ’t Laat zich zo gevoelen. Men is bezig met mij, terwijl ik voorheen vooral met anderen bezig was. Me afvragend wat ze bewoog, wat ze gingen doen, waarom ze nog steeds bij mij in de buurt waren.
& Ik ze straks weer terugzie met een verslag van wat er is bereikt.

Alleen dat laatste is nog steeds geldig. Wat is de beweegreden dat ik een middelpunt ben: dat men zich bekommert (zonder ’t kommergedeelte van dat woord als negatief te beoordelen).

Tegelijkertijd heb ik er geen grip op. Er zijn dingen uit mijn handen genomen, omdat ik ze niet kan. M’n hoofd slaat op hol, m’n spierkracht van dingen doen is weg, ’t wordt tijd voor ingrijpen door anderen.
Niet ontmand, niet gehandicapt, niet definitief uitgeschakeld. Eerder lichtelijk onnozel, onbeholpen, & nogmaals meermaals on-, zonder de verschrikkelijke negatieve talige betekenis daarvan.
Tijdelijk uitgeschakeld. Zoals een mens kan zijn.

Mijn geluk is dat ik ’t kan vertellen. Dat ik bedreven ben m’n toetsen te roeren. Daardoor vraagtekens in hoofden kan doen vermisten & na die morgenstond van vage kennis klaarlichte dag kan tonen door mijn verhalen te vertellen.
Ik heb woorden.
Veel.
& Als ik blijf ‘praten’, komt er vanzelf betekenis.

Van losse eindjes knoopt men vangnetten in Zijperspace.

Snoer

De voortgang hangt af van een snoer. Zo doet mijn hoofd na allerlei afwegingen vermoeden. Waarbij ik daar onmiddellijk aan moet toevoegen dat genoemd hoofd geneigd is zich te laten sturen door als de onbetrouwbare golfslag aan een zandkust voordoende luimen.

Ik heb me ongemerkt laten verleiden zo min mogelijk zelf te onthouden. Volledig overgeleverd leef ik, wandel ik, adem ik voort, voorzien van die paardenmaskers die de gebruikers moeten verhoeden extra informatie uit de omgeving te halen. Zodat er geen afleiding is, geen extra bagage, er vederlicht van onwetendheid alleen nog maar vooruitgegaan kan worden.
Dus heb ik geen routes meer opgeslagen, ligt er geen plattegrond gereed voor gebruik in m’n hoofd klaar, zijn de mensen weliswaar geen telefoonnummers meer, maar zonder dat snoer zijn ze ook niet meer oproepbaar.

Help me eens, kan ik nu fluisteren, misschien wel schreeuwen, & niemand die toestroomt of een vanzelfsprekend eenvoudig advies suggereert.
Zo dadelijk, als mijn telefoon geen puf meer heeft om de informatie van de berichtenservice door te sluizen, bij gebrek aan snoer, zal men zich slechts verwonderen dat Ton’s handen even niet bereid zijn vingervlug over toetsen te scheuren om te laten weten dat hun heer nog bestaat & woorden op hun beeldscherm praat.
Ik heb ‘m in veilige quarantaine gelegd, men zou bijna zeggen; een maatregel van deze tijd, zodat-ie niet voortijdig, voordat al ’t noodzakelijke gecommuniceerd is, z’n laatste adem blaast.

Ik ben onthand, besef ik me. Ik kan nog kijken wat de wereld doet. Ik ben in staat me er in te bewegen. Maar zo gauw de klok slaat dat ’t laatste beetje energie verbruikt is, wordt een gesprek lastig. Geen mogelijkheid meer om te zeggen dat dit wenselijk is, buiten dat blijft elke zucht of desnoods luide schreeuw ongehoord.

Er waren daarstraks nog 19 streepjes te gaan, maar terwijl dit slepende typen, gestoord door allerlei overpeinzingen waar ik straks in alle opgelegde stilte me zal bevinden

Spreek uw boodschap voor Zijperspace in na de piep…
Piep.

Instaspaced (LXXV)

Ik heb al eens eerder geschreven dat men ’t woord ‘gewoon’ & natuurlijk ook ‘gewone’ af zou moeten schaffen als duiding van soorten: ’t bijzondere wordt ’t organisme ontnomen & er wordt een overdaad aan als algemeen te beleven saaiheid aan z’n bestaan toegevoegd; hoewel je zou denken dat als iets groot is ’t vanzelf de aandacht trekt, is ook dit zo’n benaming die zorgt voor een onbewuste versaaiïng- je schakelt een nieuwsgierigheid uit naar een aspect van ’t organisme als ’t de omschrijving ‘groot’ al als 1e deel van z’n benaming heeft gekregen, terwijl nadere bestudering van ’t fenomeen tot grotere verrassingen had kunnen zorgen.

Alles wat gedoemd is groot te zijn, zal iel eindigen in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)