Ommetjes

Ik doe aan ommetjes. Dat kan een mens beter eerlijk bekennen. Zeker als je ’t vooral doet om de punten, er geen probleem mee hebt vals te spelen om die te halen & er bovendien profijt van trekt.

Patrick kwam er mee aan in de app-groep (een woord waarvan je over 10 jaar denkt: ‘Pff, waar waren we mee bezig?’, waarbij dan waarschijnlijk ook genoteerd moet worden dat tegen die tijd ’t woord ‘ommetje’ een andere lading heeft gekregen dan tot op heden).
We (dat heet ‘ons team’, die elkaar ondertussen beconcurreert & belazert om vooral de beste van de club te zijn) hadden er al over gehoord & gelezen & wisten dat ’t een rage was.
Maar ondanks mijn ingebakken anti-hype-instelling ging ik mee.

Gister leek ik achter een vrouw aan te lopen, hoewel ik haar 500 m eerder had ingehaald. Ze stond echter plots bij een zij-ingang van ’t Oosterpark kort met iemand te praten & stopte daarmee vlak voor ik haar opnieuw kon passeren. ’t Was vreemd te constateren dat ze nu opeens sneller dan mij liep & telkens ’t pad koos waar ik ook wilde gaan.
Dat zet een mens aan ’t denken. Achter vrouwen aan lopen, daar moet je eigenlijk wel een reden voor hebben.
Aangezien ik daar geen logische verklaring voor zag, bedacht ik dat ze ook bezig was om punten te scoren. Mensen die ommetjes doen, lopen andere routes dan mensen met een ander doel & komen zo elkaar tegen. Of lopen onbedoeld achter elkaar aan.

Ik ga straten in waar ik anders nooit kom. De straatnamen probeer ik op te slaan. Wie weet heb ik daar nog iets aan.
Want alles kan efficiënter dan zoals ik m’n leven tot nu toe leid, bedenk ik mezelf dan bestraffend toe. De hersenweetjes die je met de app krijgt voorgeschoteld, de wetenschap dat je gezond bezig bent, daar moet nog een nuttigheidslapje aan gehangen worden. In dit geval straatnamen, die mijn 56-jarig lichaam al ras weer verlaten. Maar je moet je hersens bezig houden om ’t verlaten te vertragen.
Dat weetje nog niet gekregen als beloning voor 20 min wandelen.

De gedachten zijn anders tijdens de wandeling, is me opgevallen. Net zo onnozel waarschijnlijk, maar ze lijken vaak over andere onderwerpen te gaan dan voorheen.
Waarom bepaalde mensen wel hun stoep ontdoen van gladde sneeuw, maar waar de verklaring ligt dat hier in ’t stadse dat er slechts weinigen zijn. Men is deel van de massa & wil er met een sneeuwschuiver of schep niet uitspringen.
Of hoe een lekke regenpijp opeens opvalt nu ’t vriest.
& Als je naar de deuren kijkt die je passeert, gaat ’t opvallen hoeveel mensen defecte deurbellen hebben, vanwege opgeplakte zinnetjes als: ‘Bel defect: kloppen ajb’.

Dat soort onbenulligheden constateren is om je hersens op te ruimen. Dat weet Meneer Scherder van de Ommetjes-app waarschijnlijk ook wel, maar ik heb ook dat hersenweetje nog niet weten te scoren, als die er al tussen gestopt is.
’t Functioneert waarschijnlijk net als dromen tijdens slaap. Alle verbindingen in je hersenen worden even nagelopen, waarbij de boel een beetje opgeschoond wordt & zodoende beter gaat werken.
Dat is natuurlijk ook iets dat ik bedacht heb terwijl ik onderweg was. Had ik even geen aandacht voor passerende voordeuren.

Ik moet nu wel op een bepaald tijdstip opgestaan zijn. Elke ochtend sinds ik begon te ommeren gaat de wekker om 8.15. Snel alle pillen slikken, neus poederen, ogen druppelen & winterwarme kleren aan. Thee als ik last heb van naweeën van ’t snurken: een droge keel, die overigens ook veroorzaakt kan zijn door ’t laatste biertje.

Dan kom ik vlak na 9-en thuis. & Heb ik nog een hele dag met een lichaam die bereid is om dingen te doen.
Dus voer ik vogels, ruim ik wél sneeuw, neem een nieuwe mobiele telefoonprovider, neem contact met de verhuurder op om te zeggen dat ondanks corona er wel reparaties moeten plaatsvinden.

& Tijdens ’t middagommetje kijk ik of er weer een vrouw is die expres voor me uit loopt.

Maar niet elke ommetje is ‘tzelfde in Zijperspace, ook al lijken ze wel.

Mossenvergelijkingen

Ik ben bezig met een boek over mossen. Ik doe ’t rustig aan; ’t is ’t boek dat ik doorgaans meeneem om op de wc te lezen. Dat betekent 2 tot 3 blz per keer.
Maar tegelijkertijd is ’t een niet al te dik boek. Met de momenten dat ik ’t boek meeneem naar de bank, languit, hoofd tegen een stapel bijna rechtopstaande kussens, zorgt ’t ervoor dat ik binnen 2 weken voorbij halverwege ben.

Ik moet me echter concentreren. M’n engels is goed, maar ik raak nog iets sneller afgeleid als ’t niet vertaald is in ’t nederlands. Er zijn zoveel dingen waar ik me druk over kan maken, dat gedachten huppelend van zoveel activiteit van hot naar her schieten.

Na hoofdstuk 1 dacht ik dat Robin Wall Kimberer me wel zo’n beetje alles over mossen verteld had. In beeldend proza had ze me van alles verteld, & ik was overweldigd door ’t feit dat er zoveel aan ze te ontdekken was.
& Toen moest hoofdstuk 2 nog komen. & Een 10-tal andere die daar vast op zouden volgen, te voelen aan de overgebleven dikte wat ik nog te gaan had.

Robin werd beeldender dan dat ze al geweest was. Ipv kleine vergelijkingen die makkelijk op te pikken waren voor de beginners aan ’t boek, breidde ze haar vergelijkingen uit tot alinea’s, tot hoofdstukken zelfs, daarbij een bepaalde mostype erbij slepend waar ze in haar studietraject tegenaan gelopen was. Ze introduceerde haar privé-leven, haar familie, de opvoeding van kinderen, haar buurvrouw & vriendin de boerin & wist dat allemaal in verband te brengen met ’t groeien, ’t bestaan van bepaalde soorten mossen.

Terwijl ik nog steeds in m’n achterhoofd had dat ze in hoofdstuk 1 al alles had verteld.

Nu werden de mossen echter levende wezens. Door de vergelijking van de buurvrouwboerin die er diverse manieren van boeren op na hield (koeien melken, kippen, verbouwen van verschillende soorten groenten, fokken met stieren) om er al gokkend op de verschillende producten ‘save’ te kunnen spelen, als in een casino, dat te vergelijken met een minuscuul mosje dat zonder seks zich voortplantte, maar ook een enkele keer wel mannetjes bij de voortplanting betrok.
Buurvrouw (mbv nieuw opgetrokken casino in de buurt) werd een mos die door ongeslachtelijke & soms geslachtelijke voortplanting bleek te kunnen overleven.

& Ik vroeg me af hoe ik ’t beeld moest schapen van hoe ik vandaag in de steek gelaten werd, alsof ik deel was van dat tapijt van mossen waar allerlei dieren overheen lopen, tussen schuilen, waarvan gegeten wordt, waar zij juist door hun specialisatie uiteindelijk alleen maar van profiteren. Want ze wisten van tevoren dat er platgetrapt zou worden, daar waren ze op gebouwd, daar was hun voortplanting van afhankelijk.

Nou, de mijne niet dus.

Behalve dan dat er een tekst uit gevolgd is in Zijperspace.

Beeld

Als ik ’t m’n jongste broer vraag, dan weet hij me z’n naam zo voor te schotelen. Mijn herinneringen werken zo echter niet.
Maar misschien komt ’t doordat heeft hij hem langer gehad. & Ik slechts ter vervanging van Meneer van Garderen, toen die ziek was aan iets anders dat hier vergeten is.

Meneer van Wijk klinkt wel ok. ’t Zou nog best eens kunnen dat hij werkelijk zo heette. Wellicht nog steeds. Want hoeveel ouder zou hij zijn geweest: een jonge man, net geronseld voor ’t leraarschap. Uren pakken die hij pakken kon, want na eind studie geld nodig. Een goedkoop pullovertje, misschien nog door moeders gehaakt, als lesgeef-uniform. Plus een ribbroek toen dat al niet meer kon.

’t Zou kunnen dat hij informatie van van Garderen heeft gekregen over wie is de wie in de klas. & ’t Moet wel zijn dat er dan gesproken is over mij.
Want van Garderen (in de tijd van conrector) had me gesnapt toen ik buiten de godsdienstklas toch nog gekke bekken trok naar wie binnen had mogen blijven van Leppink. Dat was de rest.
Ik weet niet meer hóe erg, maar ik was wel erg in een bepaalde mate.
‘Wat moet dat daar?’ vroeg van Garderen van achteren aan mij.
& Ik werd rood & bleek te kunnen stotteren & desondanks in staat te vertellen wat mij de klas had uitgedreven.
Van Garderen had een bulderende lach die olijk klonk.

Een paar jaar later stond hij weer vaker voor de klas & kreeg de inmiddels door MAVO-instroom anders samengestelde klas van hem de vraag de boeken te noteren die men de laatste tijd had gelezen.
Daar waren we een tijdje zoet mee, waarna hij de lijstjes ging bespreken.
Monique las veel, vooral ook bouquetrommanetjes & Ton las daarentegen een hoop moeilijk.

Die informatie moet bij van Wijk terecht zijn gekomen toen van Garderen tot ’t eind van dat leerjaar niet op school kwam. In plaats van dat ik, zoals bij andere vakken, onder de duim werd gehouden, was er belangstelling voor welke boeken ik las voor m’n leeslijst. Werd de literatuurgeschiedenis besproken, dan werd er geluisterd naar m’n opmerkingen & vragen buiten de leerstof, want ik had de boeken al uit voordat we er aan begonnen. ’t Was zomaar eens makkelijk om ’t hoogste cijfer te halen. Van Wijk was enthousiast dat ik voor ’t tentamen poëzie uit 5 gedichten de enige was die voor Paul Rodenko had gekozen, niet eens verbaasd toen ik na een half uur die van literatuurgeschiedenis verliet.

Hij stond er een beetje slungelig bij, op ’t eindfeest, was duidelijk niet gewend om bier te drinken met de jongelui. Z’n lichaam was er ook niet voor gebouwd. Te lange armen, te smalle vooruitstekende neus. & Z’n kont die raar gevormd werd door z’n ribbroek, nog steeds donkerbruin.
Maar hij lachte me toe toen ik voorbijkwam. Hij vertelde me dat weetje over Rodenko, hoe andere docenten dat moeilijke gedicht er niet in hadden willen hebben. Dat was 1 van de redenen waarom ik zo’n hoog cijfer had gekregen.
Ik zag z’n trots & wipte daarbij glimlachend op m’n benen, waar verlegenheid me normaal alleen bezocht in ’t aangezicht van m’n mogelijke onmogelijke liefdes.

Na een paar minuten van ongemak van geen onderwerpen hebben om met een leraar aan te snijden behalve de cijfers op je diploma, schoven we gestaag uit elkaar, zodat de afstand ’t mogelijk maakte om gedag te kunnen zeggen. De laatste keer.
‘Ton,’ begon van Wijk in z’n laatste zin tot aan de jaren later reünie, ‘als jij door gaat met taal, dan wordt ’t vast iets met jou.’

Dus als ik me verplicht voel te schrijven, de drang van ergens vandaan voel komen, dan is er dat beeld van een ongemakkelijk lichaam dat ergens op de verre achtergrond in een hoekje van een donkere kamer als een piepklein kaarsje op een krukje brandt.

M’n broer, 6 jaar jonger, kreeg hem als vaste leerkracht Nederlands, een paar van de 5 jaren HAVO aan dezelfde school.
‘Ik ga je niet meer de groeten doen,’ zei hij na een paar keer gedurende die jaren. ‘Hij kent alleen maar jou, terwijl ik in 4 jaar nooit om iets anders van hem persoonlijke aandacht heb gekregen.’

& Dat kaarsje heeft ’t vuur in Zijperspace ontstoken.

Na-vertelling

Zijn we niet verplicht, in deze omstandigheid, om ’t allemaal op te tekenen? Bijv dat de stuifsneeuw net een wolk was die aan ’t achterraam voorbij trok, licht waarneembaar, zo zonder verafbril vanuit de stoel.
Of de rook die uit de flat richting spoor tevoorschijn spookt als schimmige geesten zoals ijl samenhangende veders, zo licht dat ’t zich kan laten golven door de wind.

We hebben bijna een jaar gerond van bewust meer aanwezig zijn in eigen huis. Dat gevoel van ‘binnen zijn’ wordt nu nog meer versterkt door een witte mat voorbij de voor- dan wel achterdeur. Vlak voorbij de drempel ligt door de warmtestraling van binnenshuis ’t als vocht die de sokken of sloffen zullen pogen te absorberen, een stap verder gloort een glibberpartij voor de schoenen zonder deugdelijk profiel.

Over enkele dagen zouden we gewend moeten zijn aan de gladheid, ’t doorpakken terwijl we lopen, ’t oplettend aftasten of ’t wel kan zonder vallen. Dan is ook ’t zout dermate in de wegen getrokken, op schoenzolen verder verspreid & heeft de sneeuw & ijzel in grauwbruine vervorming van modderdonkere blubber, uiteenvallend bij betreding, grootdeels ’t slechts kort durende rijk van ’t sprookjeslandschap veroverd.

Hier.
Dat is: in mijn uitzicht vanuit m’n stoel.
Hier, zucht nog de adem van noordelijke geesten die dit land al enkele jaren niet meer wist te bereiken. Veilig beschermd door gordijnen & ruiten plus een cv die de verwarming opport. Ik zie ’t stuifdunne sneeuw als een ouderwetse tv-storing verticaal voorbij flikkeren; als ik te lang kijk, worden m’n ogen moe van de continue verandering van een schijnbaar stilstaand beeld. Als ik opsta voor een blik wat dichter bij, ontwaar ik sporen van een vogel die blijkbaar zeer dicht bij mijn venster op zijn wereld voedsel heeft bespeurd. Datzelfde geldt voor de kat die via mijn 1-tegelig brede pad de tuin heeft gerond omdat hij die 1e sporen als alternatief voor de dagelijkse kattenbrokken zag. Of als uitoefening van z’n grootste hobby, de jacht.
Alles is schijnbaar niets onthullend bedekt, maar tegelijk lijkt de sneeuw zo doende te spreken, zolang ’t zichzelf niet opnieuw heeft bedekt. Een open boek die steeds dichtgeslagen wordt door de witte inkt waarmee z’n woorden worden geschreven.

Dat zouden we de kinderen van straks moeten kunnen vertellen. Ik weet nog dat 1 van m’n broers 5 jaar heeft moeten wachten om z’n 1e sneeuw te beleven.
Als dat weer gebeurd, zo’n lange tijd van wachten, een grote kans dat ’t hout van de sleetjes reeds rottend, ’t ijzer van de schaatsen roestend, de verkeersleiding inmiddels weer onervaren, de KNMI opnieuw panikerend met duiding van hoe erg; dan zouden we de herinneringen moeten hebben opgetekend, paraat om te zeggen hoe schoon & stil zo’n vergezicht van overal wit.
Dat je vrede kan hebben met ’t feit dat de tijd even bevroren is.

Dus we praten onszelf even tijdloos in Zijperspace.

Instaspaced (LXXIII)

De Cladonia’s zijn ’t makkelijkst lief te hebben, vanwege de uitstulpingen & als in grote hoeveelheden aanwezig ’t vervreemdend idee van een miniatuurbos met bekervormige kronen – deze daarentegen een ietwat afgezonderd met hoewel stoer een zweem van geprefereerd eenzaam als om de mensenmannen te tonen hoeveel meer viriel.

Van die laatsten zijn er niet zo veel in Zijperspace.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Spwlatsj

’t Is even nadenken.
Je weet ’t vanaf ’t moment dat ’t wat los voelt.
Maar in die fractie moet je meteen bedenken wat dit voor consequenties heeft.
Niet dat je je meteen beseft (je weet ’t wel, maar is beseffen al aanwezig?) wat er zich afspeelt, maar ’t is een soort ingebouwd 1-2-3. ’t Scenario lijkt al ingebouwd, aanwezig te zijn, als onmiddellijk uit ’t altijd bij de hand zijnde archief raadpleegbaar.
Waar lezen niet nodig is, denken evenmin.

Dus SPWlatsj.
Dat is al bezig voor ’t daadwerkelijk plaatsvindt.
De dop is los. ’t Is al gebeurd.
Nu staan je vingers, een deel van de palm van je hand, met een lege, niets meer omhullende dop.
Je realiseert je dat de dop rood is. Altijd zo geweest, maar ’t beeld is plots zo scherp. Daar hangend zonder de aanwezigheid van de dop die op weg is richting grond.

& Gister is ook aanwezig, toen je druk bezig was om al improviserend, ‘wie immer’, de voorraad te vergroten van je fav-saus. Eigen fabrikaat: je ziet de lepel nog de mayonaisepot de juiste combi inspecteren op de juiste hoeveelheid omstebeurt sambal, chilli pickle, mayo, drupje water (die laatste in slomo vallend uit de kraan in pot). Lepel tastend naar je mond voor goedkeuring smaakpapilfabriek.

& Je weet onderwijl de impact die de confrontatie van pot (‘met al dat lekkers!’ schiet door je kop) met keukenvloer(bedekking – er nog net achteraan) in te schatten van: nu gedekt staan, want dit heeft gevolgen, waarbij je de gevolgen al beeld hebt laten worden & weet hebt van z’n onomkeerbaarheid: beter denken aan de consequenties op dit laatste moment van vertrek.

1 Sec later klopt de realiteit met ’t vooropgebouwd concept.
’t Schijnt rood in fragmentvorm. In traag druipend vormende druppels vet.
Er zit ook vaag vlek in baard, nog niet totaal realiseerbaar.

Shirt uit. Broek uit.
Check in gedachten of andere broek ligt waar die zou kunnen liggen. Welk shirt de volgende geschikte is als substituut. Hoe snel riem los te krijgen om te rijgen tussen de lusjes van vervanging.

Onderbroek.
Blote bast.
Gelukkig zijn de gordijnen dicht.

Reis naar andere kledij.
Hoe je je schoenen hebt uitgetrokken, als je er over na zou denken, er tijd voor had: je weet ’t al niet meer.

5 Min later sta je al te lachen om de 1e grap. Alles kwijt.
Tijd om ter zake te komen.

1½ Uur later gooi je broek plus shirt in heet bad met ontvlekker.
Je weet niet waar je in de tussentijd bent geweest. Alleen dat wat gebeurt is staat nog voor de geest.

Hoe sterk, wat vanzelf gaat, in Zijperspace.

Instaspaced (LXXII)

Ik wilde weten wat de vormen waren, niet de indruk, tot welke structuur ’t zich had ontwikkeld nu rood er aan was toegevoegd, waarbij ik m’n redelijk nieuwe bril wijselijk binnen had gelaten, want voor kostenbesparing zonder verzekering – ik bukte voorover, besloot dat op de knieën voor nog meer benadering dus detail zou zorgen, maar ondanks dat voelde ik een duizeling, gevoed door een angst voor zelfvervullend, die me bij overhangen niet verder brachten dan hooguit knik in rug: ik was de jeugd lang voorbij waarbij nieuwsgierigheid ’t vaak goedkoop kon winnen van zorgzaamheid om zelf & bezat inmiddels de wel erg bewuste wens morgen mee te mogen maken, die vast weer ‘tzelfde zou zijn aan die er aan vooraf, zo laf.

& Zo heeft Zijperspace ’t nog een dag overleefd.
(Foto [in betere kwaliteit, want rottig kopiëren als je je eigen foto’s ergens anders wil plaatsen & ‘t je onmogelijk wordt gemaakt door FB] & tekst eerder geplaatst op Instagram.)

Vader-aan-Moeder-brieven (IX)

’t Is de laatste brief, voor zover ik kan zien in de diepte van de schoenendoos die al jaren als archief heeft gefunctioneerd, in blauw envelop. Met daarop iconische roofvogelvleugels, wijd uitgespreid om te vertellen dat de inhoud een lange reis door de lucht heeft afgelegd.
De laatste brief & als ik goed lees 1 van de 1e brieven die m’n vader schrijft. Maar die daarvoor hebben Anny waarschijnlijk nog niet bereikt, is z’n vermoeden.

Nog maar net voorbij Gibraltar, onderweg naar Algiers. Die hij tijdens de duur van ’t schrijven van de brief slapend zal passeren.
Ik zal terug moeten lezen om te weten of hij op de terugweg alsnog Algiers heeft bezocht.

M’n vader voelt zich te goed voor dit werk. ‘Minderwaardig’, want ‘jongens met gewoon lagere schoolopleiding doen dit werk ook!’

Ik schrik van ’t gebruik van dat woord. Hoewel hij tijdens m’n schooltijd er wel altijd op hamerde dat ik goed m’n best moest doen. Want anders zou ’t nooit iets met me worden.
Cijfers waren belangrijk.
Maar ik dacht dat die boodschap toen vaak klonk omdat hij zelf aan ’t hoofd van een school stond.
Misschien de oorlog, die nog maar 7 jaar terug aan een eind kwam, probeer ik verder te vergoelijken.

Ik merk gelijk dat ik mezelf steeds heb voorgehouden dat ik lol moet hebben in wat ik doe. De uiteindelijke beloning is van minder belang. Heb ik dat dan niet van m’n ouders overgenomen, maar onderweg, door de tijd waarin ik opgroeide, ergens opgepikt?
& Waren zij, ik neem ’t stel maar even als team, gehard door wat achter hen lag?

Dit is ’t eind van een 1e reis, gekleurd in dat blauwe papier plus ditem envelop. Ik zie een groter formaat, een andere teint te voorschijn komen in de doos.
Zij beiden zullen in wat nog volgt niet zo veel ouder zijn. Ze hebben alleen ‘gecorrespondeerd’ als mijn vader lang weg was. Dat was volgens mij alleen voordat ze trouwden.
Daarna gebeurde dat slechts als m’n vader korte tussendoorvakanties hield, gebaseerd op wandelingen of reisjes naar heilige oorden.

Dan bleef ik thuis, met mijn moeder. Die blijkbaar ook niet zo gesteld was op verandering. Een deel van m’n broers, haar zoons, waren we dan ook even kwijt.

Minder stress in Zijperspace.

Korsten

Bij aankomst loopt een 3-mans orkest achter de begrafeniswagen. Een trombone, trompet & een trommel. Op z’n surinaams, vermoed ik, klinkt ’t afscheid door de lichte snerpen van koude wind tegen m’n oor.

’t Zet de toon. Ik ben alleen waar anderen elkaar steunen, condoleren, maar waar tegelijkertijd kinderen de enigen zijn die daadwerkelijk mogen aanraken.
Ik val niet binnen hun bereik.
De wagen plus orkest doen een rondje zie ik als ik de afscheidszaal passeer om de zerken te bereiken. Ze stoppen voor de deuropening waar ze net aan voorbijgingen toen ik m’n fiets parkeerde.

’t Is mijn 3e dag deze week. Op maandag had ik bedacht dat er op kerkhoven vast veel korstmossen te vinden zouden zijn op zowel steen als op boom. Aangezien De Nieuwe Ooster naast een begraafplaats ook een arboretum is, zou dit kwaliteit in de waarnemingen betekenen.
Op woensdag vond ik dat er vast nog meer viel te zien wat ik maandag gemist had.
& Op vrijdag moest ik toch echt weer de deur uit, want wie weet zou ’t straks te koud zijn om 2 uur achter elkaar foto’s te nemen.

’t Bleek die dag eigenlijk al zo ver. Hoewel er tonen klonken bij die een hollandse begraafplaats tot leven lijkt te wekken, gaf de nabijheid van de dood me ’t gevoel van een ijzig handschudden, 2 uur lang. Hoewel ik wist dat er een andere oorzaak was.

2 Meisjes passeerden mij terwijl ik geconcentreerd voorovergebogen stond om ’t beeld scherp te krijgen. Hun zachte kwebbels, een gieter tegen de dijen aan stompend van de linker, deden me opkijken &, alsof ik mezelf moest excuseren voor ’t gebruik van grafstenen dan dat ze vanuit een menselijk oogpunt bekeken voor bedoeld waren, hun gedag zeggen.

Hadden ze niet verwacht. Ze waren de minzame blikken nog niet gewend die heerst op dit soort plekken. ’t Respect tonen door je gelijk te schakelen aan een ander. Nee, ik ben niet gek bezig door naar de vlekken op de stenen te turen, want ik zeg jullie toch begripvol gedag. Een zachte lach die tederheid bedoelt. Een timbre die boven fluister uitkomt, maar daar vooral niet te veel afstand van nam.

Maar ondertussen zag ik eigenlijk alleen maar korstmossen. Ik was me aan ’t verrijken met kennis, met verschijningsvormen, met getalletjes bovendien. Want van alles moest meer, zodat mijn bezoek in ’t midden van al die kou de moeite waard zou blijken te zijn & afgemeten kon worden aan resultaat. De hoeveelheid daarvan.

46 Mossen (ik tel de spaarzame mossen voor ’t gemak maar even op bij de korsten) later loop ik langs ’t laatste afscheid. ’t Afscheid voorbij eigenlijk. Mensen in de kou, zodat ze met elkaar kunnen blijven praten, ipv van verre afstand in de aula.
De kinderen van de ouderen bij de achteruitgang van de afscheidsruimte, die bij de fietsenstalling elkaar vanwege grapjes elkaar alweer aanraken & pas opzij gaan als ze eindelijk begrijpen dat ik ook een fiets heb.

Thuis 2 zogenaamd zeldzame korsten op de stoep voor de deur. M’n telefoon vertelt me dat, na analyse van de derminatie-app.
Maar als ik wakker word, na in slaap gevallen zijn van ’t eten & de eindelijke warmte, krijg ik te horen dat kauwgomplakken ook op korsten kunnen lijken.

Ik wil de validator vertellen dat er al minstens 40 jaar geen kauwgom is waargenomen in Zijperspace.

Vader-aan-Moeder-brieven (VIII)

Ongemerkt begin ik me af te vragen wat voor jongeman m’n vader was, daar, op nog net 19-jarige leeftijd, in de haven van Semarang. & Daar, op dat bankje bij ’t Carillon, naast m’n moeder.

Ik heb alleen dat vergelijkingsmateriaal van toen ik me eerder afvroeg wat voor mán hij was. Op 54-jarige leeftijd met de naweeën van zijn overspannenheid, waardoor hij de mogelijkheid kreeg om met vervroegd vervroegd pensioen te gaan. Dat heette de DOP, een extra regeling voor onderwijzenden voor wie de VUT nog niet vroeg genoeg was.
Ik geloof dat ze bij hem nog wat extra maanden afgeknabbeld hebben. Er waren blijkbaar zorgverleners die ’t nut niet meer zagen de man nog extra te belasten zo vlak voor pensioen.

De man, zo noem ik hem, omdat ik in ’t duister tast hoe hij zich toen voelde. Terwijl ik bijna op dezelfde leeftijd in een zelfde situatie terechtgekomen ben.
Met dit verschil dat ’t niet meer zo snel ‘overspannen’ genoemd wordt, maar in mijn geval burn-out & dat hij bovendien een vooruitzicht had te kunnen gaan doen waar hij zin in had.

In een gesprek met Marianne, 1 van m’n begeleiders, kwam ter sprake of ik als mijn vader was. Of mijn vader zoals mij.
Ik noemde daarop de schoonzussen die de revue waren gepasseerd in de loop der jaren. Enkele hadden wel vaker over mij gezegd dat ik ’t meest op m’n vader leek.
Dat was geloof ik niet alleen wat uiterlijk betreft, zoals baard & houding in zijn jonge jaren.
‘Maar je bedoelt natuurlijk qua afwijking?’ ging ik verder, de afwijking die ons, over de 50, heeft uitgeschakeld voor de arbeidsmarkt. ‘Dat weet ik wel zeker.’

& Toch snap ik niet dat hij op jonge leeftijd een boottocht maakt om geld te verdienen. Of dat hij in Soerabaja op z’n vrije zondag aan wal gaat om tevergeefs op zoek te gaan naar een kerk voor ’t bijwonen van de ochtendmis. Ik snap ook niet dat partners, of zoals dat vroeger normaler gezegd werd: echtgenoten, ’t een leven lang uit kunnen houden bij zo’n persoon als hij & ik.

Ik zie hem zitten op z’n stoel, maak dat met zwaaiende armen naar achteren duidelijk waar die gepositioneerd is in een spreekkamer die niet op onze woonkamer lijkt, om duidelijk te maken waar z’n jazz-verzameling stond, z’n plank lag, de vogeltjes buiten, m’n moeder in de keuken die roept: ‘Niek, zeg jij er nou eens wat van!’ over de drukke kinderen die moeten worden ingetoomd, waarop hij slechts zegt:
‘Jongens, doe niet.’
& Zonder opkijken opnieuw in z’n catalogus, z’n genealogie, z’n oude, te vertalen geschriften, z’n geplastificeerde plantjes, etcetera duikt.

Nog 4 weken, schrijft-ie, & hij is weer bij haar.
Hij zou haar nagenoeg nooit meer verlaten. & Zij hem evenmin.

Maar mogelijke antwoorden op ’t waarom heeft nu nog de vorm van een schoenendoos, op een tafel in Zijperspace.