DeVroegNaarBed

Daarnet m’n 2 jaar jongere broer gesproken, tevens in Frankrijk tegenwoordig. Soms voor werkzaamheden terug naar Den Helder.
Daarnaast vanochtend contact gehad met Tineke, terwijl ik de laatste noodzakelijke pillen voor een kleine week aldaar op een onmogelijk tijdstip te pakken moest zien te krijgen. Uiteindelijk zelf de weg gevonden waar 1st een doolhof was in de zorgsector van op 2e Kerstdag medicijnenleverantie. Maar vooral in m’n hoofd, ’t speelde vooral weer in m’n hoofd.

Waar soms onverwacht ’t zicht op de weg zich weer laat herpakken.
Daarbij gedacht aan m’n oudste broer, tussendoor de regels van wat me niet nog meer stress zou geven, waarom hij niet de dingen kan oplossen die allang afgesloten zouden moeten zijn.

Me voorbereidend op vertrek richting Frankrijk. Waar je blij naar uit moet zien, de neus niet voor moet ophalen, de angst als vanzelfsprekend gepareerd dient te worden, ook al hebben we vorig jaar onderweg 19 auto’s langs de weg verongelukt zien staan, gekanteld, over de kop, half in de berm, meermaals op elkaar, gelukkig aan de kant, of onderweg weggesleept te worden.
Ik hou derhalve de weersverwachtingen in de gaten, maar weet tegelijkertijd dat je dat niet als vanzelf 2 maal op een rij gebeurt.

Ik wacht op Tineke, wacht op slaap, wacht tot de maaltijden, mijn beperkte maaltijden zodat ik mijn verblijf aldaar overleef (iets te theatraal, maar men wil de auto immers niet naar iets gaat ruiken dat niet op te houden was), diepgevroren, klaar voor vervoer zullen zijn. Een rantsoen in houdbare wording.
’t Is tegelijkertijd geen zielig zijn; meer een bezorgd zijn dat anderen geen last hebben van.
Evengoed dat de een vooral niet de mogelijkheid overkomt een ander te ruiken, zodat jij op 1 of andere manier wat duidelijker aanwezig bent.
Dat is een nachtmerrie. Behoed mij.

’t Gaat niet zover komen, want zover is nog niet geweest. & Men is voorbereid, als ik. Maar dan net iets minder.

Maar ’t is vooral, vooral, de twijfelachtige vooral, dat ik, hoewel we als ik daar ben met z’n 4 mensen plus 2 kalme vuurwerkloze honden zullen zijn, m’n weg weer zal moeten zoeken. De paden die mij al bekend zijn vertrouwd moet laten maken, bij de stap, de stap, de stap daarop. Dat ’t zich herhaalt, zoals een berg op dat doet, omdat ’t meer moeite kost zoals in ons platte land dat gevoelen doet. Ik wil nieuwe wegen bewonderen, díe die ik nog niet eerder gevonden had, maar wel weet van had, een omloop maken, een rondje, waardoor de staart zichzelf kan bijten.
Mezelf wil bijten, zoals een hond z’n plotse jeuk aldaar. Een genoegzaam voelen dat ik weer iets, dankzij de hond(en), heb volbracht.

Er in Zijperspace is nagedacht.

Jaap

Ik plaats een titel & schrijf verder. In de hoop dat de gedachte zich van een enkel woord in een plukje van mijn universum verandert. Dat daar opeens flonkeringen gaan gloren, als in sterren aan ’t Helders strand, waar we lang niet allemaal van afwisten, maar waar onder hun invloed wel een verhaal rondging. Een zoemen, van brabbel dat over dat kampvuur resoneerde, de meisjes gloorden in ’t oranjerood schijnsel dat zich ook weer reflecteerde. ’t Verhaal dus rondging dat dragend was, de moeite waard tot schreeuwen over de vlammen heen, tot fluisteren rondom de warmte van ’t vuur.

Waar niets verloren ging, want we maakten dit voor ’t 1st, hooguit voor de 3e, misschien 4e keer mee. De laatste klas voor examens, of juist na afloop van examens. Gelegitimeerd te drinken. De riemen van ouders enigszins los.
Of anders deden we ’t evengoed.

Daar waar opeens iedereen naakt verscheen. We onder de Lange Jaap om de zoveel seconden ons elkaars lichaam deden ontdekken. De hups van borsten, de floeps van piemels die in draf de golven moesten bereiken. Waar we door ijverig meedoen onze gêne probeerden te vergeten.
Wanneer had je eerder een blote vrouw ontmoet. Hoewel ’t meisjes waren, maar die ontboezeming deed je beseffen hoe groot ze al waren. & Wij mannen nog sufferdjes.

De trots tegelijkertijd ’t te mogen aanschouwen & dezelfde tegelijkertijd net zo hard met je eigen lichaamsdelen mee staan zwaaien tijdens die run naar zee, struikelend over ’t rulle zand, want zomers droog, de spetters zilverblauw zien kleuren vanaf de 1e aanraking met zee, een plankton van zee, waar onschuldigheid verdween, de zeeplankton ons opnam & vervulde van een alom gelach, spetter, onderdompeling, opdat we nooit meer dezelfde zouden zijn.

Slechts herinnering. Slechts herinnering dat overblijft aan ons.
Wat spaarzame woorden. Een knoop soms in hart.
Misschien een eeuwig punt als de laatste tiptoets aan ons. Je weet wel, de laatste van ons, want waar de communicatie, ’t gesprek niet meer is, daar ben je dan ’t eindpunt. Er wellicht wat woorden van over zijn die zich af & toe laten spreken van de verhalen van toen. Een toespraak tegen beter weten zich in zichzelf herhaalt.
Een vage vooraankondiging ook van een volgende zonsopgang. De mensen die je desondanks daarna ook weer gaat missen.
Een ontmoeting soms, waar onze lichamen allang vervreemd zijn, maar toch een ontmoeting. Je herkent tenslotte elkanders gezicht. Vanuit de klaslokalen.
Maar herinnert, onbewust, de trage stralen van ’t voorbijkomen van de vuurtoren. De Lange Jaap. Een ritme in je leven.

Waar zonsopgang inmiddels de zonsondergang is geworden in Zijperspace.

Deze is voor Toyah (plus Ed)

Zo nogmaals teruglezend, onze onderlinge conversatie van afgelopen dagen, na Patrick vanavond als zogenaamde ‘hulptroep’ inroepend, stom genoeg omdat ik juist een erg goed gesprek had vanochtend bij D. (waar hij vroeger voor heeft gewerkt & de persoon in kwestie ook goed kende), etc…

Ik denk extra aan je omdat ik volgende week weer een kersttocht ga maken & in gedachten onze enerverende tocht van de vorig jaar omgekukelde auto’s aan de overzijde van de weg herbeleef. Ook ’t moment dat we op de linkerzijde ( onze kant gelukkig wel) van de 4-baansweg bergafwaarts reden, juist waar de meeste sneeuw, al dan niet opvriezende natte versie daarvan voornamelijk lag. Waar wij ’t warmer kregen, zwetend zelfs, ipv ’t voelen van de koude sneeuw waardoor dat veroorzaakt werd, de hitte in ons hoofd vooral voelend.
Daar waar wij een uitzondering leken, per ongeluk, van niet op de rechterrijstrook. Maar achteraf bedenkend vooral niet handig zo bedoeld.

Zo heerlijk dit avontuur steeds opnieuw vertellend, angstig natuurlijk tegelijkertijd. Maar jij m’n grootste held werd.
Er zullen nog zelden winters volgen zoals die. Je concentratie in m’n blik genageld. Mijn poging te tellen wat er aan de andere kant van de weg de eindstreep niet had gehaald.
Jij ons veilig uiteindelijk binnen in Varennes-sur-Amances hebt gebracht.

Ik weet niet meer, de spanning van toen er af, of ik je 1, 2 of driemaal omhelst heb. Maar ’t gevoel dat we ’t samen hadden gedaan. Waar jij vooral iets meer. We aan de drank gingen na de begroetingen, de uitleg dat de wc ’t voorlopig niet deed, de douche evenmin, maar dat we alles aan zouden kunnen.

’t Ochtendgloren van boven ’t dal als verwenning van Ed als toppunt toen er weer iets niet helemaal goed was gegaan, maar geruststellende uitzichten veel goed kunnen doen. Zeker waar niets ons lastig kon vallen. Behalve een schuchter god smekend kapelletje, op een geruststellende manier in traag zonnewinterschijn. Probeer je maar weer eens, een jaar later te herinneren hoe vroeg, hoe laat je opstaan moet, de kreupelslaapzame ledematen van slechts iets meer dan een dag aanwezig in dit dorp; probeer je maar weer eens zo op te rekken. Zo genoegzaam. Zo heerlijk dat je leeft. Je na dat kleine bergje terug met ons rijdt, Ed & mij, we samen broodjes halen, de rest van de dag er niet meer toe doet doen, ’t slechts meerwaarde aan toevoegt, hoewel we dat al hadden ontvangen.

Hij warmde onze rug, gelijk de opkomende zon vanaf de andere kant.

Jeweetwel, van dingen van vergeetjenietZijperspace, je leert ze slechts langzaam kennen.

Onverstaanderbaars

Waar ik de niet-begrijp niet kan vinden. Waar de wel-begrijp had kunnen bestaan.
Waar vrouwen geslagen, vermoord, vernederd & waar ik dat andere woord niet durf te benoemen. Te diep doortastend, te vernederend, te ver grijpend.

Laat me maar een paar nachten slapen. Ik heb al meerdere van diezelfde donkere woestijnuren van slapeloos achter de rug. Nog wat van de nachturen daarnaast, hiervoor gevuld door de vraag of ik ze wel zou kunnen doorstaan.
De laat me, laat me. Laat me nog wat ff langer
Want dat kermen van ’t ons beschamend zang kan ik niet aan.

Ik heb de vrouwen, meest in hun schoonste weldoen van pril & fatsoenlijk bekoorlijk, mogen aanschouwen. Hun keuzes zien maken, hun intiemst zien delen. Hun geneugten mogen bezoenen, als in wederzijds. Waar ik fouten, als eenieder, mocht maken. Zij, bijna vanzelfsprekend bekennend, wat moeizamer wederzijds. Qua vergissingen op een halve centimeter, waar een vrouw een meter al groot vindt op dat niveau.

Waar een zandkorrel uiteindelijk een woestijn wordt. De verlatenheid van veelvuldige misinterpretatie. ’t Zandstrand in zijn algemeenheid een andere klein korrelig elementje naast zich vindt & daardoor groot groeit van droogte, een gebrek aan zee, een kust die immerkalmte ontbeert.

Men is mij vast alweer lang verloren. Uit beeld, uit begrip, of de ‘on’ daarvan, voor samengevoegde woorden, uit mogelijk beter verstaanderbaars. Uit verkunstelheids, onverstaanbaars, niet samengevoegde woorden, uit onuitgenodigde samenvoeglijkheden van vrouwen die dit keer geen seks behoeven.

Probeer te tellen wanneer, of hoe vaak, u, man, zich beschaamd heeft.
Aan onwelvoeglijke tastelijkheden, of als foute taligheid in de man-vrouw-communicatie.
Of anders: waar uw (wellicht) onbenullig gedrag tot angst bijdraagt.
Want laten we ’t even benoem op de juiste manier:

U BENT ‘T MONSTER.
Zij is de vrouw.

Zo niet, dan leeft ze evengoed in Zijperspace.

Vers

Ik heb ’t woordje ‘vers’ weer eens durven door te drukken bij mezelf. Niet tot meerdere glorie, maar eerder zodat ik zelf tot meer frisse taal gedwongen word. Als in ‘Nieuw’, waar ik die titel, net als supermarkten, al veel veel vaker hebt gebruikt, waar ik eigenlijk evengoed bescheiden wil blijven.
Terwijl ‘Vers’ hier misschien nog klinkt als de veelvuldige herhaling bij de supers (moet tegelijk denken hoe vaak de ‘vaak’ ervan zich laat tellen hier, waarvoor excuses, maar ik heb ‘m nu weten te ontwijken), net zoals langs de kaartjes op de schappen van de verschillende ‘vers’-afdelingen in menig supermarkt. De mate dat ’t niet meer in die conditie blijft in hun aangewaaide koeling. Dat ‘vers’ tegenwoordig eigenlijk verborgen moet blijven. Een andere term, zodat ’t niet zo erg klinkt. Je gerust door kunt lopen als je dat product met die sobere uitdrukking niet wil kopen. Iets voor de anderen & de soberen.
De mate dus tegelijkertijd dat zo’n woord gedijt. In z’n omgeving, de situatie, al naar gelang ’t op enige manier voldoet aan wat ík eten wil, dat woord verrassend praat, ik daardoor een kromme zin kan schrijven, of een incidentele grap maak, van de diversiteit van niet verwacht. Een grap, hoe klein ook, is geen grap als er een korte houdbaarheidswaarde aan zit. Net als ‘nieuws’ tenslotte.

Dus daarbij overgaand: er valt niet zo veel ‘nieuws’ meer te genieten. Waarschijnlijk van al te veel reeds overkomen, misschien ook een vermoeidheid van waar dat nieuws dit keer ons toe gaat leiden.
Er is verveling, de milde vorm, er is een angst van herhaling, angst voor de traag zich voltrekkende overtreffende trap van wat al eerder is geschied; daarnaast de vraagtekens mbt wat wij aan ons denken hebben. Alsof de wereld overwoekerd is geraakt door een stelletje dumbo’s, de dat soort ‘zij’, die de macht elke keer naar zich toe weten te trekken.

Ik adem nog dapper. Blijf nog wat lucht happen. Boeken lezen, tegen beter weten in (bijna), want dat ’t waarschijnlijk op niets uit kan lopen: dit ook geen oplossing lijkt, kennis vergaren.
Trump gaat dood, Wilders ook; allebei straks, maar ’t zal toch een keer moeten gebeuren, daarnaast blijven nog wat onnozelen die denken dat alles te kunnen ontkennen.
Maar uiteindelijk eigenlijk iedereen die aan de eindigheid gaat lijden, de goeden alsook de kwaden, plus alles wat ook maar enigszins op hun lijkt. & Dat is maar goed ook.

Want ’t is maar niets met de zogenaamde ‘intelligentie’ die wij in de loop der tijd hebben ontwikkeld. Langzamerhand wordt dat een understatement die ietwat langzamerhander geen uitleg meer nodig heeft. We gaan ’t vanzelf steeds meer voelen.

Geef mij maar de berusting van de Dodo terug toen deze de ontmoeting met de westerse mens mee moest maken, de diversiteit van de vinken die Darwin tegenkwam op de Galapagos-eilanden, de tegen wil & dank eigenwijze voortplanting van de grutto tegen de hevige storm van verwoesting in. Of anders: de wilde voortplanting van diverse kleine soorten die een nieuw habitat hebben gevonden in de huizen van mensen. Dat die laatsten wolken mogen worden, de wereld overvloeden, de oogsten nu & in de nabije toekomst straks doen vernietigen waar geen verdelging meer tegen opgewassen is. Geen egyptisch gebed om verdere plagen te weerstaan tegen bestand, noch hemelprijzing enig vorm van verweer.

Graag een andere constitutie, zonder een zogenaamd ‘schuldvol’ soort als mens, zodat die zijn eigen tekortkomingen wederom poogt te kunnen vergeten. Op een verkeerde manier probeert te vergoelijken uiteindelijk.
Gewoon een nieuw begin, een zichzelf ontwikkelend fatsoenlijk verse intelligentie.
Ach, doe er ook maar een beetje nieuwsgierigheid bij, in de hoofden, of wat soort vorm ze mogen aannemen straks, van de wezens die straks blijken te bestaan, maar dat vooral niet te veel opgepompt. Voeg bij dat laatste ’t woordje ‘verwondering’ toe, in wat voor taal dan ook, voordat ’t voorbij gaat aan de bescheidenheid van ’t eigen tijdelijk bestaan.
Wat gezegd is is geweest. Zo zal ’t altijd zijn.

Zijperspace is bereid zichzelf te ontbinden, zonder dat ’t geschreven woord z’n eeuwigheid verliest.

Gang

De onbegrijpelijkheid van de gang die een onbekommerd jochie gaat. De afslagen die als vanzelf worden gekozen, de verantwoordelijkheid die je op je moet nemen, maar de gang, de weg die je aftastend kiest, zijn zelfbestemde, soms net zo vanzelfsprekend moeilijke route. ’t Laat zich niet zo makkelijk afleiden van ’t pad dat reeds ingeslagen was. Maar een bepaald gradatie van moeite is nodig. Mss niet een pad, maar juist een gang, nauwe wanden, geen verlichting als je niet naar de lichtknop kan reiken, als dat nog moeite kost.

Ik weet me nog jeugdige vrijpartijen te herinneren. Waar liefde nog eeuwig was. De borsten van vrouwen, jonge meisjes toen, net zo onschuldig nog als ik, overdonderend naakt waren. Vaak niet volledig bloot, maar wel van een voor mij nog onvoorstelbare hoeveelheid daarvan.
Nooit daarna meer kunnen denken dat je nog aan iets anders behoefte zou kunnen hebben. De overtreffende trap van bijna onhaalbaar, hoezo voorstelbaar?
Voortijdig geneutraliseerd evengoed, want uiteindelijk deed ik altijd iets, te vroeg, verkeerd. De tedere knoppen onjuist bediend. ’t Onjuiste woord op een onjuist moment. De gekunsteldheid van elkaars lijf betasten fout geïnterpreteerd.

Zelden zelf uitgemaakt. De meisjes waren blijkbaar voor mij leidend. Misschien was ik te verslaafd aan hun borsten, aan een mogelijkheid van antwoord. Gesprek. Van wederzijdse, liefde, hoteldebotelhoofden die elkaar stootten. Waar ik de tederheid van lichamen voelde die nog niets van elkaars aftasten vermoedden.
Je kan er nog een heleboel anders aan hangen, maar in terugblik er nimmer nooit de juiste verklaring voor zien te vinden.

De verwondering dat hun lichaam op een bepaalde manier in elkaar zat, waar wel voorlichting was geweest. Weliswaar heel schielijk, met een bibliotheekboek, die we bijna op moeders schoot doornamen.
Volgens mij een te grote opgave voor m’n moeder. Er was nog te veel bleu met háár opvoeding meegekomen. Ze deed evengoed haar best. 2 Zoons aan haar zij. 1 Jaar verschil in leeftijd.

Ik geloof, weet eigenlijk wel zeker, maar durf ’t nog niet volledig te bekennen, dat ik uiteindelijk dat boek terug moest brengen naar de bieb, omdat anders de uitleentermijn verlopen zou zijn. Er staat een hoofd van schaamte in mijn herinnering getekend: mij met een mogelijk vunzig boek van vol met ‘al ’t naakt des vrouws’ & wat dies meer zij, waar ik me tegenover de bibliothecaressen ongegeneerd moest gedragen.
Als de normaalste zaak van de wereld, een boek vol seks, met een nog niet de puberteit bereikt gozertje eraan geplakt. Plus klamme handjes die je aan zijn zweterig hoofd af kon zien.
Ik twijfel of mijn schaamte de daadwerkelijke daad van terugbrengen (wellicht onder moeders begeleiding, maar zij komt in mijn herbeleving absoluut niet voor) mijn herinneringen heeft doen overwoekeren met alles mogelijk seks dat aan mijn handen kleefde op dat moment over de uitleenbalie stroomde.

Mijn moeder had me niet iets dergelijks voorgespiegeld, zo’n ontvangst bij de inleverlocatie. Voor de onnozele onhandigheid legde ik ’t boek met voorkant naar beneden op de balie.
Maar in mijn beleving vooral heftige seksbeleving dat de wederzijdse kaften omhulde. Waar een mens zich geen voorstelling van kon maken. Een mensje als zo’n jochie als ik.
Hoewel m’n moeder, zij ’t met van haar wederzijdse moeite, er traag pogend haar best voor had gedaan dat Carel & ik begrepen wat ’t was.
Een vrouw. Een man. De liefde. ’t Bed. Wat naakt was. Een kind geschapen, geboren werd. Plus de woorden die je niet zei, niet sprak noch fluisterde, je broers zinspelingen ontweek, nog jarenlang.
Waar ik nog zelden inging op opmerkingen van m’n broer vanaf zijn positie van stapelbed 2-hoog.

Waar ’t bed nimmer meer nattig zweterigheid mocht schijnen in Zijperspace.

Opstapeling

Als je alles bij elkaar optelt, de mensen die je op een dag ontmoet, de dag dat je weer naar buiten kan omdat de druppels niet overheersend zijn, ’t hooguit slechts gestaag komt, de regenjas niet nodig…
De optelsom, van tevoren ingecalculeerd. Meermaals de regenverwachtingen gecheckt, nogmaals, daarna wederom, vanaf ’s ochtends bij ontwaken, hopend op ’t vroeg sein groen, gedurende dag een continu aangepast gecorrigeerd sein groen.
Een dubbelop zekerheid inbouwend.

& Dan vrij. Een mogelijkheid te gaan & staan & uiteindelijk vooral zitten.
Fietsen dan & daarna vooral hopend een boek te kunnen lezen zo gauw op de plek van bestemming aangekomen.
Zodat de ontspannenheid terugkeert. ’t Ademhalen van normaal. De rest behalve de letters, de woorden van ’t boek vergetend. Dat laatste in de lage ‘mode’ vooral, maar die mogelijkheid is er wel als er niemand is, wellicht iemand passeert, maar niemand daadwerkelijk aanwezig is.

Maar als je de mensen optelt, die je op die dag ontmoet, de ‘hallo’s’, de knikken, de hand omhoog ter groet, de split-second-conversaties, de muzikant uit Bulgarije die altijd een sigaret komt roken als hij me ziet; als je die mensen optelt…
Dan storen ze me wel in mijn leesavontuur, & dan zie ik ze wat minder vaak dan dat ik bepaalde mensen elke dag spreek, app, lastig val & de viceversa’s, maar niet altijd in levende lijve. Maar hun dus wel.
In wisselende mate van aanwezigheid. Sterke mate van afwisseling zelfs.

Ze glimlachen als ik omhoog kijk uit mijn boek. Een wuifje, hoofdknikje, een understatementje, de vanalles van menselijke expressies, op ’t minieme af.

Ik moet in dat minieme zijn terwijl ik daar zit. Waar niemand daadwerkelijk denkt ooit eens een keertje langs te komen & er toch een enkeling een keertje per ongeluk wél wat nadrukkelijker passeert & soms nog een keer. Waar ik niet gestoord word tot ’t moment dat er wel een ontmoeting plaats vindt.
Ik een ‘verdorie’ of een ‘verdikkeme’ lekker ouderwets door m’n hoofd laat rollen als ik uiteindelijk wederom op de fiets stap, na 1st peinzend na heb zitten denken waar alles in de bakfiets hoort geplaatst. Dat ik straks niets vergeet, tijdens ’t uitpakken, alles weer op z’n eigen plek in m’n eigen huis hoort te staan of liggen, dus niet verloren gaat in mijn geheugen.
Straks de boeken op rij, de fiets op slot. De deur weer dicht.

Zijperspace gaat sluiten.

Enkelepunt

Dat je niet meer kan schrijven.
De rest van ’t tekstveld leeg blijft.
De zwijgzame angst zich laat verhullen. Waar een verzwijgen daarvan een leugen wordt. Geen grote leugen, maar een liegebelletje. & Dat mogelijk iemand dat hoort rinkeltinkelen.

De datdatdat, volgens mij heb ik dat woord al eerder gebruikt, evengoed niet wetend meer waar, maar waar je niet meer kan verzwijgen dat je niet meer in staat bent ’t te vertalen naar iets van nieuws, een nieuw verhaal & er bang voor bent dat je de grens over bent. Dat zinnen plots slechts woorden worden, straks punten misschien. Tussendoor de zelfherhalingen van diverse overbodige interpuncties.

Dat datdatdat een regelmatig tempo wordt. Een hartklop weliswaar, maar ’t een niksigheid wordt. We hebben allemaal een tempoklop van datdatdat, van als een hart dat voortstuwt, waar je in een plotse conversatie een poging moet doen ’t iets te laten betekenen, ’t bloed dat stroomt als in een gestage woordvloed. Van een belevingsgevoel die tussen zonsop tot kruipend naderbij komend middernachts traag & sluimerend bezwijkt.

Ik niet meer kan schrijven. Als in een angst. Dat er geen eerlijkheid meer uit m’n pen schrijft, er bagger uit m’n toetsenbord klopt. Er leugen naar de spaarzame lezer wordt gefluisterd.
Ik uiteindelijk nog meer woorden moet verzinnen, uit m’n lijf moet putten zodat ’t nog wel klopt, dat hart van toetsen, de dram & drang van er op rammen, de zwijgzaamheid hoor nadreunen zo gauw ik de finale punt heb aangeraakt. Met m’n pink, de rechter. Vaak zich vergissend, want hij wordt immers niet vaak gebruikt. Paniekerig aftastend waar er een goed einde aan iets van niets te maken valt.
Want hij, die kleine, heeft geen weet van wat er tussendoor zijn spaarzame, maar evengoed noodzakelijke, hulp geschreven wordt. De pink, ’t laatste redmiddel, de lichtst wegende boei, m’n hoofd boven water houdend. Juist die pink. De punt aan ’t eind van m’n rechterhand. Reikend naar rust, de kleinste deelnemer, maar een eind aan alles straks.
Duurt niet lang meer. Daar komt-ie.

Wederom  begint-ie zijn taak om Zijperspace te doen zwijgen aan ’t eind, maar wie weet komt er morgen een dubbele punt.

Nonnenparadijs

Dan wil ik liefst naar een paradijs, na wat ik eergister schreef. Dat onbenulligheid weerkeert, een suffigheid zich uit m’n neus snuit. Ik me niet herhalen mag, slim genoeg om dat te voorkomen.
Mijn ouders geloofden volgens mij nog wel in een Eden, hoewel ik dat niet zeker weet. Zij waarschijnlijk ook niet meer. De manier waarop ik toen hun geloof in twijfel trok: ik & m’n broers vooral niet meer naar kerk wilden; daarnaast de gevangenis van elke dag voor de maaltijd een gebed. Van dankujezus. Waarschijnlijk een grapje van m’n oudste broer. 1 Van de 6 moest een voortrekkersrol hebben.
Met 6 broers om de spijs des tafels zien afkoelen tot straks minder genot.
Liever een sprintje getrokken naar & voorbij ’t Weesgegroet.

Ik overdrijf. Maar probeer gedachten te verzamelen. Niet als wat goed is, waar iets fout; meer waar mijn gedachten steeds weer blijven hangen.
Beleven, herbeleven, & vooral genieten van de nonnen in ’t klooster waar Pa ons mee naar toe sleurde. We met een halfblinde non mochten patiencen & we kregen te zien wat zij kon zien dankzij een dure vergrootinstallatie.

Om wat voor reden was Ma niet aanwezig op dit uitstapje, eerdere keren wel, maar mss dit bezoek wel daardoor des te spannender: we konden nu nog meer kaartspellen leren. ’t Was een schatkist aan vergeten spellen, dat klooster. Plus stiekeme trucjes die vooral niet té stiekem moesten zijn, want anders had de andere non aan zijkant dat door. Maar andere buurvrouw zuster fluisterde dat dan ff door. Per ongeluk in 1 van broertjes oor.

Zo’n zusterhood waar je naar terug blijft verlangen. De grootvergrotende ogen van de annoterende zuster, de oudste, met haar dure vergrootlens, zodat ze dat kon doorgeven aan de bibliotheekbeheerders. Haar zusters.

De andere zusters die ons op een gegeven moment vroegen of we een boterham bliefden. We melk & pindakaas kregen geserveerd, ik geloof ook 3-kleurighagelslag desnoods. Plus een aai over je schouder. Je bol.
Een nooit vermoeiende glimlach. Je een eeuwig gemak zonder verwachtingen kreeg geserveerd. Aai over kortgeknipt bol.
Daarna een doorwandel naar volgend doel. De schuivende rokken slepend ruisend richting rustvertrek.

Maar wij kwamen toen ’t stalen hek was verwijderd. Niet slechts meneer pastoor de enige persoon was die kon komen. Toen de etenswaren, de boodschappen, doorheen een gat werden overhandigd; er niet te veel van ’t gezicht mocht worden gezien. Hun familie slechts herkenning had van hoe hun kap zich over hun hoofd vormden. Niet meer dan dat. Ze niet meer alleen door een luikje contact konden maken met de hun vroegere buitenwereld.
Dat naast meneer Pastoor m’n vader de 1e man was die hun vrouwenklooster mocht betreden.

Ik vertel ’t waarschijnlijk verkeerd. Maar ’t is me allemaal later verteld. Mss op de terugweg richting Den Helder, waar mijn vader toen een paar jaar geleden door juist hun nonnen benoemd was tot directeur van de Huishoudschool. In Den Helder.

& Voordat ik daarvan wist, van dat alles wist, was ik een kind dat altijd verlangde naar de nonnen, hun spelen van spellen, hun belangstelling voor ons. Zelfs naar de blindheid van een enkeling, een oudere enkeling, want juist die niet zagen hoorden meer, was ons verteld, bevroeden meer.
Juist zij, de oudste non die  op haar extreme vergrootglas na, nagenoeg blind was, juist zij wist dan de spelregels beter uit te leggen & ons evengoed te laten winnen.

Plus hun zacht slepende voeten, niet zo bedoeld, maar dat er gemak was, niemand werd gestoord, wij evengoed kinderen konden zijn.
In enthousiasme, omdat 1 van ons onverwachts toch gewonnen had, streken ze ons hoofd, onderweg richting de voorbereiding voor de maaltijd. Maar de troost was net zo sterk als de overwinning. M’n haar weer even strak, m’n kriebels van genoegzaam, zolang pa maar wegbleef, net zo goed.
Mss nog een rondje hoopten we dan.

Een bijna kus op soms voorhoofd daarbovenop de rust van zacht & slechts traag hoorbare adem, een ziltzacht strijken door ons haar. Toevallig waar welk zuster dan ook voorbij liep.
Daar zaten we dan van hooguit 4 broertjes rijk. Die andere 2 of 3 waren die tijd voorbij.

& We bleven maar winnen met welk kaartspel dan ook in Zijperspace.

Kaos

Ik waag te denken dat er altijd goden zijn geweest. Als dat denken al niet reeds een geloof zou zijn.
Maar ik, als in mezelf, geloof niet; niet in specifieke godendom. Waar ik tegelijkerijd wel weet dat een mens niet kan leven zonder verhalen te absorberen. Ze verder door te vertellen. Van ademhalen naar adem uit.
Spreek wordt spraak. Wordt soms preek, waar die rechterbocht dan weer tegen tegemoetkomend verkeer in ging.

’t Is ’t geloof van bepaalde verhalen ontvangen. Naar waarheid beleven. Een kruimel van mee-gang ervaren.
Hoewel ik me daar dan weer persoonlijk tegen verzet. Want ik wil geen god, geen Zeus, geen grootlettertype aanspreekvormen van verhevenheid die zeer wel mogelijk niet bestaan. Wellicht reeds overleden zijn, maar niemand meer aanwezig die dat bewijzen kan.

Evengoed zijn de verhalen mooi. God die ooit bestond, er tevens een veelvuldigheid ooit van was gecreëerd. Waar men behoefte had, uit weet ik wat achteraf verklarende (on)zinnigheid, maar aan duiding van hoe hun/zijn begrijpelijkheid. Een god, meerdere goden des te makkelijker toen.
Zonder die voor mijzelf ongeoorloofde goden zou ik geen verhalen hebben kunnen vertellen. Had ik wellicht niet bestaan. Dat hebben ze in ieder geval gecreëerd, die ik in mijn beperkte tijd eeuwig durende twijfel me afvraag of ik recht heb. Recht van bestaan.
Ben ik tegelijkertijd dankbaar voor. Zeus plus andere goden als mijn buurman. Hun zogenaamde begrip steeds op de achtergrond.
Daarbij hier elke avond, nacht, te typen. Mezelf bewust wordt van.

M’n vingers die leven, ’t contact van besturing nog steeds bestaat, de logica van letters op toetsenbord nog laat sturen in ’t somtijds lege hoofd; ik tegelijk terug moet komen bij waar ik begon: ik geloof in de goden, de griekse, de knie van m’n opa evenzo, daar waar ik begon; dat ik een tik van zijn wandelstok kreeg als ik in de weg zat van zijn aftikkende askegel van zijn sigaar, maar dat ik vooral door mocht lezen, zoeken naar ’t grote griekse godenbestaan.

Hij had natuurlijk niet kunnen bevroeden dat er een ander godendom op stapel stond, eigenlijk redelijk snel na zijn geboorte zich aankondigde tijdens die 1e films die hij kon zien in z’n jeugd, maar sterk uitvergroot toen hij al lang dood. & Ik inmiddels een andere encyclopedie had.

Daar wil ik eindigen, in dat aller uitvergrootste Zijperspace.