Omnivertellen

Ik ga zo aan ‘t bier. Uit noodzakelijkheid een beetje vroeg. Dat vind ik niet raar als ik in Duitsland ben, op vakantie of voor een uitstapje. Engeland evenzo.
Nu zit ik echter thuis. & Er is niets te vieren, behalve de zon die hinderlijk op ‘t beeldscherm schijnt om te vragen of ik buiten spelen kom.

Misschien moet ik beginnen met te vertellen dat ik uit een gezin van 6 jongens kom. Dat er geen meisjes meedoen in dit verhaal is misschien niet van erg groot belang, behalve dan dat ‘t gemis aan weinig variatie ons nog meer op elkaar doet lijken. Weet je wel: als je iets wil bewijzen dmv experiment moet je zorgen dat bepaalde waardes gelijk zijn. Nou is dat niet mijn bedoeling, maar die basisgelijkheid van 6 broers is groter, ook op de lange duur, dan een situatie van 3 om 3.

Van 1 van hen werd er altijd gezegd dat hij zo lang over zijn te verhalen deed. Kom nou eens to-the-point, werd er dan vaak gezegd. Of er klonk op 1 moment een zucht in stereofonie uit diverse kelen.
De rest van de broers had echter ook te maken met deze onhandigheid niet spits & bondig te kunnen zijn. Ik heb ‘t meermaals moeten horen van de vriendinnen die ‘t bed met me hebben gedeeld. Hoewel ik juist daar er weinig last van had.

Dit staat hier allemaal geschreven omdat ik ‘t idee heb dat als ik ‘t niet allemaal tot leven roep, men ‘t uiteindelijk niet snapt. Net als de meeste van mijn broers mis ik de mogelijkheid, mis ‘t vermogen zo men wil, om verhaaltechnisch de bocht af te snijden.

Ik ben een hamsteraar. Omdat als er iets in de aanbieding is, ‘t meteen gekocht moet worden in grote getale. Dan bespaar ik geld ipv te veel uitgeven als de actie voorbij is.
Dus staat er in de gang een kast waar ik m’n goedkoop gekochte bier verzamel. & In de keuken staat een koelkast waar m’n gehele voorraad zomaar in past. Ik hamster nl niet alleen bier, maar ook andere voordeeltjes. Een grote vriezer was op een gegeven moment een goede uitkomst voor die verzameldrang, niet alleen om maaltijden voor latere luiheid in te bewaren.

Maar nu ik ‘t over ‘bewaren’ heb; ik snap allang niet meer waarom ik m’n vorige fiets, een Kronan, aan ‘t plafond in de gang heb gehangen. Hij hangt daar nu al zeker meer dan 10 jaar, vlak voor m’n jassenkapstok (waar ik zelden of nooit een jas van selecteer voor gebruik, maar ook van hen durf ik geen afscheid te nemen) & benevens m’n al eerder genoemde biervoorraad.
Overigens staan de overige kasten aldaar goeddeels gevuld met boeken & tijdschriften. Men kan zich vast een beeld scheppen hoe ik m’n nek & lichaam moet manoeuvreren om iets van dit alles te kunnen benaderen. Dankzij ‘t ooit genomen besluit m’n (geestelijk reeds afgedankte) fiets op te hangen, plus de nog steeds in gebruik zijnde fiets (een Filibus), die bij thuiskomst er onder geparkeerd wordt.

Goed, we hebben biervoorraad, een koelkast, een fiets staand & 1 fiets hangend &  een verteller die hoofdzaken niet van bijzaken kan onderscheiden.

Ik was mijn ontbijt aan ‘t bereiden. ‘t Is een heel gedoe, want m’n brood bestaat uit lagen van verschillende ingrediënten, zoals humus, boter, chilli pickle, kaas, etc., waarbij ik altijd 1 van hen uit de koelkast vergeet te halen. Zodat ik telkens toch nog een keer moet bukken.
Bij de 3e buk werd me gewaar dat er geen bier meer koud stond. Zonde voor als ik na ‘t buiten spelen in de zon niets klaar heb staan om me te laven.

Broodje werd voor een moment alleen gelaten, want de koelvoorraad diende bijgevuld.
Ik pak 4 blikken tussen de 2 fietsen door, 1tje raakt iets van de Kronan, een sissend geluid ontstaat dat ik zeer door 25 jaar beroepservaring in ‘t biervak onmiddellijk weet te herkennen, & hopeloos pogend niet nog meer te beschadigen houd ik tegelijkertijd mijn duim zo goed als mogelijk op ‘t minuscule gaatje waar met ferme kracht ‘t bier al schuimspuitend de vaart richting wijde wereld maken wil, weet me vervolgens niet meer te herinneren waar ik die andere 3 blikken heb gelaten, maar ben wel zo doortastend dat ik ‘t lekkende exemplaar buiten op een stoel stoom laat afblazen.

‘t Gaatje zat hoog. Er is waarschijnlijk relatief weinig verloren gegaan. Maar des te langer ik wacht, des te minder smaak. Men weet ondertussen waar ik die kennis aan heb te danken.
Ik ga aan ‘t bier. Nu weet men waarom.

‘t Heeft alleen nog best lang geduurd voordat ‘t zover was in Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, Deel 12

Verwonder!

Ik lig niet aan één stuk door op mijn rug in bed. Daar ben ik ’s nachts te onrustig voor. Vooral middernachtelijk, als een volle blaas mij weer eens op een mijns inziens schier onmogelijke tijd gewekt heeft, mij heeft gedwongen stommelend de weg tussen tafels, stoelen, en verspreid liggende kleren richting toilet te vinden, en mijn ogen door het daar aanwezige felle licht dermate gewend zijn geraakt aan het wakkere bestaan, dat zij de boodschap aan mijn hersenen hebben doorgegeven dat zij liever zo veel mogelijk genieten van het bewuste, dan van het on- dan wel onderbewuste leven van de sluimering.
Ik lig dan dus wakker en onderneem pogingen deze hoedanigheid te doorbreken. Op alle mogelijke manieren probeer ik te ontspannen om zodoende zo spoedig mogelijk weer opgenomen te worden in de armen van Morpheus. Een verandering van houding is een onderdeel van mijn hierbij te gebruiken strategie. Ik ga op mijn zij liggen. Mijn rechterzij.
Daar begon mijn verwondering. In ieder geval de verwondering van enkele afgelopen nachten. Ik begon mij af te vragen wat zwaartekracht met een mens doet.
Goed, het sprak voor mij vanzelf dat het hem in staat stelt op aarde aanwezig te blijven, met beide benen op de grond te staan, en, om in dezelfde trant door te blijven gaan, het hoofd in de meest voorkomende omstandigheden hoog te houden.
Dat vond ik echter van een dermate voor de hand liggende vanzelfsprekendheid, dat ik me er niet mee bezig wilde houden. Ik was meer gefascineerd door mijn zelf gestelde kwestie of een mens zijn lichaam kon beïnvloeden door constant gebruik te maken van de zich immer doen geldende zwaartekracht.
Mijn houding van dat moment in bed bijvoorbeeld. Zouden mijn ingewanden door de aantrekkingskracht van de onder mij liggende aarde geneigd zijn in de loop van de tijd een andere houding ten opzichte van elkaar aan te nemen? Als ik het maar lang genoeg volhield, vaak genoeg dezelfde houding aan zou nemen. En dan dacht ik aan een miniem effect. Het zou mij geheel niet vreemd voor ogen komen als de lever op gegeven moment, na enkele consequente nachten op mijn rechterzij doorgebracht te hebben, besloot 2 cm opzij te schuiven. Of misschien zou de huid op die bewuste rechterzij besluiten genoeg bescherming te hebben aan het beddengoed dat eronder lag, en zich gaan beperken tot een vliesdun schilletje, waarop daardoor beschikbare stoffen in het lichaam meer doorgang zouden vinden richting huid aan de linkerzij, daarbij een dikkere laag vormend.
Als ik het maar lang genoeg volhield, dacht ik, zou dat best mogelijk moeten zijn. Je zou een heel ander lichaam van jezelf kunnen creëren.
Het is niet vanzelfsprekend, noch voorspelbaar. Vooralsnog, natuurlijk, gezien het feit dat men tegenwoordig vermoedt dat men straks al vóór de geboorte van een mens kan voorspellen welke afwijkingen van het toekomstig lichaam afgelezen kunnen worden aan de genstructuur.
Tot die tijd wil ik mij nog even verwonderen. Wil ik mijzelf vragen stellen.
Waarom doet het lichaam het zoals het doet? Kan het ook anders? Heb ik er invloed op? Kan ik hem vormgeven? Waarom blijft het ondanks alle medische, fysiologische en psychologische wetenschap, alsook de kennis van de bijbel, toch onvoorspelbaar wannéér ik mijn hand ga heffen om op mijn kruin een irritante jeuk weg te krabben?
Ik hoef geen antwoorden. Of in ieder geval niet van die voorgekauwde antwoorden. Ik wil er vooraleerst over nagedacht hebben, mijn fantasie over het onderwerp de vrije loop hebben laten gaan, voordat ik een plausibele oplossing aangedragen ga krijgen van een persoon die weet waar hij het over heeft.
Het is de vraag, niet het antwoord. Het is de reis, niet het doel. Het is het verhaal, niet de plot.
Huiswerk: Zet de wekker op 3 uur ’s nachts en probeer je bij volledig ontwaken te beseffen hoe je houding van dat moment invloed kan hebben op de kriebel die zich ergens op je lichaam bevindt.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4, Deel 5, Deel 6, Deel 7, Deel 8, Deel 9, Deel 10 & Deel 11 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Typerig

Laat ik 1st beginnen met te vertellen dat ‘t heerlijk is om af & toe van mezelf te bemerken dat ik heus wel wetenschappelijke namen van al die insectensoorten die aan mij voorbij komen & derhalve in m’n immer groeiend archief opgeslagen dienen te worden (zo heb ik dat bij mezelf nou 1maal ooit besloten), zonder fouten over kan typen. Incl de Ctrl-i, zodat ze zoals-het-hoort cursief gedocumenteerd worden.

Ik heb m’n toetsenbord, een “Natural” Ergonomic Keyboard 4000 v1.0, al voor de zekerheid via Marktplaats opnieuw aangeschaft. Amper gebruikt stond geschreven in de advertentie, maar van de 2 ongebruikten die ‘t stel in de aanbieding had (ze hadden door hun tuin geen tijd meer voor andere bezigheden), was de meest ongebruikte al bestemd voor een eerdere bieder.
Ik was allang blij dat ik me een ‘nieuwe’ reserve aan kon schaffen, eigenlijk uit angst dat ik op een gegeven moment verward zou kunnen raken omdat de letters niet meer door de toetsen schenen. & Dan met name (op volgorde van de mate van toegenomen onzichtbaarheid) de ‘d’, de ‘e, de ‘k’, de ‘s’ & de ‘l’.
Waarbij tegelijkertijd de vastgeplakte stof op zelden door mijn vingers betreden toetsen (of regionen, zoals bijv de zijkanten van de spatietoets of de ruimtes tussen de verschillende groepen toetsen) van een onappetijtelijkheid getuigen die ik m’n beste vrienden niet in een vlaag van onbedwingbare eerlijkheid zou durven tonen.
Dat zou zoiets zijn als aan ‘t aan ‘t eind van de dag je voet uit de sok te pakken, tussen de teenafscheidingen te frummelen & dan nog even een fotootje doorsturen naar de appgroep van wat je daar allemaal vond. Daar krijg je geen extra biertje van tijdens de 1stkomende VrijMiBo, ook al ben je er die keer wel.

Maar ik heb mezelf opgevoed, inmiddels, vooral door te gaan met de dingen te gebruiken zolang ze ‘t nog doen & tegelijkertijd boeken gelezen over alle kleine microben die ongemerkt in je huis ronddwalen, in dermate grote veelvuldigheid, dat de schrijver(s) & ik besloten hebben dat ik (& zij dus nog vóór mij) me er beter niet druk, maar wel nieuwsgierig over kan maken.
Die laatste uitdrukkingsverbinding klopt natuurlijk niet, maar zo begrijpt men mij vast wel.
Ik blijf gewoon ‘t oude toetsenbord gebruiken totdat-ie volledig versleten is &/of ikzelf bijziend & niet in staat meer te zien over welke toetsen ik m’n vingers wil bewegen (ingeval ik ‘t blindtypen op m’n oude dag heb verleerd), vooraleer ik ‘m vervang voor ‘t reserve-exemplaar. Want stel je voor dat men dan reeds lang gelee besloten heeft om geen ergonomische toetsenborden meer te maken.
Of dat Marktplaats niet meer bestaat. Dat kan natuurlijk ook.

Waar dit dan over gaat, zal menigeen ondertussen bedenken, aangekomen op zo ong dit punt hier.

Ik vermoed dat de stoel waarop ik zit, reeds die functie voor mij uitoefenend in ‘t ouderlijk huis, ‘t eerder zal begeven dan genoemd keyboard. Momenteel zit ik ong, heen & weer lopen tussen boekenkasten, keuken, wc, etc, meegerekend, omdat opstaan & neerzitten ook bijdragen aan de slijtage, 12 uur per dag achter m’n beeldscherm. Een groot gedeelte van die tijd liggen 8 van m’n vingers dankzij ‘t 10-vingerig typesysteem van Scheidegger op de voor hen bedoelde toetsen, gereed om in actie te komen.
Wat eigenlijk zo’n beetje continu is.
Tenzij ik peinzend op m’n hoofdhuid zit te krabben.
Of de muziek zachter/harder moet (Chrome Book aan rechterzij die dat beheert).

Waarom ik ‘t daar allemaal over heb, vraagt men zich inmiddels vast nogmaals af.
Ach, beschouw ‘t als een vingeroefening.

Dat ze maar niet te vroeg verkrampen in Zijperspace.

Onwetendheidexporteur

‘t Zou zo maar kunnen dat we naast kaas ongemerkt ook iets anders exporteren, bedacht ik me daarnet in de keuken. Een soortement gevolg van ‘t verkopen van dat ons zo vertrouwde kaas aan bezoekers van ons land, want wat zou jij tenslotte doen als je uit ‘t buitenlandse afkomstig bent & je iets zogenaamd unieks zoekt als aandenken, souvenir, terugkeerpresentje voor de thuisblijvers, & noem nog maar wat redenen op om in de tot voor kort als paddenstoelen oppoppende kaaswinkels in ‘t Amsterdamse te kopen?
Wij weten weliswaar dat alle toeristen dat doen, enkele gladde handelaartjes weten dat nog een stukje beter, maar de onschuldige toerie zelf, de 1e uit 9 geslachten die zo’n avontuurlijke reis naar die seks & drugs & kaasjesstad (op de melodie van Ian Dury) onderneemt, die ‘t natuurlijk vertikt om seksspeeltjes, condooms of nederwiet te exporteren, hoe lief ‘t jongere broertje daar nog om gebedeld heeft. & Bovendien, bedenkt zo’n persoon, in zijn of haar te berge rijzende angst voor vreemde geurtjes uit de terugkeerbagage, die douanebeambtes doet beginnen te vermoeden dat er sprake is van angstzweet die ergere, want strafbare, geuren moet verbloemen.

Nee, dan liever een kaasschaaf, keert de tot inkeer gekomen bezoeker van onze hoofdstad terug bij de cheeseshop, zoals dat in met zijn tijd meegroeiende nederlands tegenwoordig heet, om daar aangekomen al snel te horen te krijgen dat etenswaren, zeker die bij gebrek aan koelkast op de youthhostelroom zijn begonnen geurtjes te doen evaporeren (mooi woord waar je ‘t hebt over een stad die afgekort wordt tot de man die een appel ook best smakelijk leek), niet geruild kunnen worden.
Dat laatste weet elke nederlander, in ieder geval zij die opgevoed zijn met enkele plakjes daarvan op ‘t ochtendlijke brood, zelf van een homp geoogst middels dus zo’n noodzakelijk gereedschap waar de rest van de wereld tot de import van toerie’s totaal geen weet van had.

Zodoende ben ik dus beland op dat andere ding wat wij, zoals hierboven reeds genoemd, ongemerkt exporteren. Je zou kunnen zeggen dat wij onwetendheid uitvoeren bij ‘t verkopen van de kaasschaaf. Of, zoals ‘t door de neringdoende in A’dam nieuwerwets wordt aangeprezen: a cheese slicer, € 14,95.
Voor het mede door de verkoper aangeprezen prijskaartje krijgt de toch nog enigszins gerustgestelde bezoeker (heeft ondertussen ‘t doemscenario voor zich dat voor ‘t 1st een pond – ‘What do you mean?’ was nog de vraag, toen de verkoper kolderiek in hollandse maten begon te praten – oer-dutch food te moeten consumeren voordat ‘t vliegtuig hemhaar op komt halen) een apparaat dat niet stinkt, niet smelt & eventueel nog te ruilen valt, hoewel dat laatste wel uit ‘t hoofd gelaten wordt, weet de tevreden zakenpersoon met verstand van de prijs van een gemiddeld reisticket.

Goed, de wereldreiziger komt weer in land van herkomst aan, geeft kado aan dierbare & ondanks dat ze niet stoned worden van de niet meegenomen drugs slaan hun gedachten op hol over hoe ze kunnen uitproberen hun slicer z’n werk te laten doen. & Daar maakt ‘t niet eens zo heel veel uit wat ze daarvoor te pakken krijgen, wie weet is er wel een importeur van real dutch cheese te vinden, maar buiten dat is er altijd wel iets te vinden om te slicen, zoals ikzelf ‘m ook best handig voor de dagelijkse plakjes komkommer vind.

Maar bij gebrek aan een gebruiksaanwijzing die meegeleverd is bij de productie van de handen, want daar ging ‘t me uiteindelijk om, tijdens die eerdere bedachtzaamheden in de keuken, dat productieproces dat niet had voorzien in ‘t gebruik van een kaasschaaf, waarbij de duim al snel op de verkeerde plek wordt neergezet, zeker in geval van enthousiast een 1e plak uitproberen in weerbarstig materiaal, lopen er over de gehele wereld duizenden onnozelen rond met een plakje duim minder dan dat ze tot verblijf in NL met zich mee hadden gedragen.

Iedereen in Zijperspace weet dat dat op een gegeven je lot is.

Vind je d’r nou van?

‘Vind je d’r nou van?’
‘Tsja…’
‘Dat klinkt als een zucht.’
‘Ik weet niet of ik dat zo bedoeld heb.’
‘Je denkt.’
‘Ja, ik weet ‘t nog niet. ‘t Is eigenlijk dat ik ‘m voor ‘t 1st zie.’
‘Maar hij rijdt al een tijdje rond.’
‘Ik heb er gewoon een tijd niet meer op gelet. Die foto’s waren genomen. De tijd stilgezet. De verhalen op.’
‘Terwijl je toen niet te stoppen was.’
‘Ja, ‘t was leuk om met iets schijnbaar onzinnigs bezig te zijn, maar daar iets meer van te maken dan ‘t onzinnige zelf.’
‘Nou, je kon behoorlijk flauw zijn.’
‘Ja, maar dat was vooral om ‘t een beeld te geven. Om van de mensen, de eigenaars, een beeld te scheppen, zonder ze te zien.’
‘Je zag ze toch wel eens voorbij rijden?’
‘Ja, dat is waar. Dat vormde ook wel eens ‘t begin van een verhaaltje. Werd ‘t vooroordeel over de bezitter sterk uitvergroot & fantaseerde ik een omhulsel van een levensloop eromheen.’
‘Maar vind je d’r nou van?’
‘Hij glanst meer.’
‘Hij is nog niet oud.’
‘Toen de oude nieuw op straat kwamen hadden ze een andere glans. Meer mat.’
‘Ja, je schreef dat er daardoor energie bespaard kon worden. Dat ‘t beter zou werken dan zwart of wit.’
‘Allemaal verzonnen.’
‘Ik dacht dat je niet zo fantasievol was.’
‘Dacht ik ook niet. Maar dan had ik een beeld te pakken van hoe die eigenaars van die wagentjes er uit zagen, of de directeur van de fabriek & dan was ‘t verhaal al geschreven. Alsof ‘t echt gebeurd was.’
‘Nou, wat vind je d’r van?’
‘Ik denk dat andere mensen er in rijden. Niet meer zo dik, niet meer met olifantitis, niet meer met een sigaret schuin in de mond.’
‘Zo keek je er naar?’
‘Nee, zo zag ik ze voor me. Ik heb ze in werkelijkheid nooit goed bekeken. Je ziet toch slechts de bovenkant van ‘t lichaam boven ‘t stuur uitsteken. & In zo’n krap wagentje ga je niet daadwerkelijk roken. Je verstikt jezelf, zelfs met die kleine raampjes open.’
‘Dus dat is alles?’
‘Ja, die oude gebruikers bestaan niet meer. Kijk nou in welke buurt deze staat.’

Niet in Zijperspace in elk geval.

Wasmatigheden

Om enigszins een beeld te schapen denk ik dat ik ‘t ‘t beste kan illustreren met m’n 2-wekelijkse ophangsessie van de was. Dat heeft nl de grootste neiging om te verzanden & rituelen & steeds terugkerende ingebeelde wetmatigheden.

Ik gooi alles tegelijk in de wasmachine. Sokken, shirts, onderbroeken & theedoeken. Etc. Ik hoef me niet te bekommeren om kleuronvastheid is mijn motivatie. Dus alles gaat er in.
Dat zorgt er voor dat ik bij ‘t ophangen kan tellen hoeveel dagen ‘t geleden is dat de vorige wasbeurt heeft plaatsgevonden. Daar kan ik m’n shirts of anders m’n onderbroeken voor gebruiken. Doe ik niet elke keer, alleen als ik me dat bedenk & er zin in heb.

De shirts worden als 1e opgehangen. Ze nemen de meeste ruimte in. Dus krijg ik snel overzicht hoeveel ruimte ik op de 2 rekjes over houd voor alles dat nog moet volgen.
‘t Ene shirt hang ik aan de linkerkant van ‘t rek. Daarna wordt de rechterkant van lijn 2 gebruikt & die afwisseling gaat 10 shirts door. Dan is ‘t rek vol.
Zo hebben de shirts de meeste lucht & droogt ‘t sneller, heb ik ooit bedacht.
Een ingebouwd ritueel waar over is nagedacht; daar heb ik niet zo’n moeite mee.

Vervolgens is ‘t kleine materieel aan de beurt. Sokken, dweiltjes, onderbroeken.
Ik zou ze willekeurig uit de stapel kunnen plukken, maar hier begint dwangmatigheid. Mijn ogen zijn op dat moment al bezig tussen ‘t kluwen de groene sokken te vinden. Groen is mijn kleur. ‘t Is dat ik niet als freak te boek wil staan, anders waren al mijn kleren in die kleur geweest.
Nu ben ik al tevreden dat niet iedereen dat hoeft te zien. Ik heb ‘verstop’-groen. M’n steunzolen is daar een goed voorbeeld van.
Mijn groene sokken pluk ik er dus uit & hangen met z’n 4-en ‘t 1st, opdat ze maar snel mogen drogen & me, indien noodzakelijk, liefst morgenochtend van dienst kunnen zijn.
De zwarte & de crème-kleurige worden kort genegeerd, maar liefst volgen die snel richting lijn. Maar ik speel dan ‘t stiekeme spelletje dat ik dat niet mag forceren door ze in de stapel op te gaan zoeken. Er moet ook nog wat spontaans & onvoorspelbaars deel uitmaken in dit terugkerend huishoudelijk onderdeel, dat vooral niet mag verzanden in dwangmatigheid.

Dat denk ik ook elke keer. Zoiets van: doe nou ff normaal. Of: je bent toch niet gek?
Liefst geen ingewikkeldheden, geen analyses. Hoewel die tijdens ‘t saaie proces van was ophangen er toch vanzelf wel insluipen. Dat hoofd staat al die tijd niet stil tenslotte. Die ziet de dingen nou eenmaal gebeuren. & Neemt per ongeluk wetmatigheden waar.
Waar-ie dat eigenlijk moet interpreteren als ‘toeval’.

Stel dat ik dus bedenk: ‘Het is gewoon toeval dat de groene onderbroeken als 1e boven komen drijven in de stapel.’ Dan blijft ‘t niet daarbij. Ik ben dan nl al snel bezig om die gedachte met hypotheses van ‘t tegengestelde aan ‘t bekogelen.
Hoe onopvallend wordt een onderbroek in een stapel van 14 vermengd met 3 dweilen & 4 sokken? Oja, daar steekt ook nog de punt van een theedoek uit. Hoe groot is de kans dat de kleur groen meer opvalt als ‘t zich omringt weet door roze & felgroene dweilen, plus een donkergroen/lichtgroen geblokte theedoek? Kan de stof van bepaalde artikelen ervoor zorgen dat de kans voor enkele daarvan sneller boven komen drijven tov de rest?

Ik ga ondertussen gewoon door met m’n hangwerk. Dit denkproces dient vooral om me bezig te houden. ‘t Loopt door tot aan ‘t moment dat ‘t laatste wasgoed z’n knijper heeft bereikt & gezellig met z’n soortgenoten hangt te drogen voor minstens een etmaal.

Daarnet was echter 1 van de 2 zwarte kousen afwezig. Terwijl er inmiddels 7 sokken waren opgehangen & ik ondertussen begon te merken dat ik krap in ruimte zou komen te zitten. ‘t Plekje, naast die andere van ‘t model sok, dreigde door andere nattigheden in beslag genomen te worden. Als ik ‘m straks in de trommel terug zou vinden, veel te laat, zou ik een andere plek moeten zien te vinden, apart van afdeling sok aan wasrek 2.

Nou wil ik die dingen eigenlijk allemaal niet denken, die onbenulligheidjes, routines, vaste-plekjes-routinematigheden, maar als ik ze angstvallig ga tegenhouden, dan krijg ik meteen daarop ‘t argument van mezelf te horen dat ik mezelf niet in een dwangbuis moet dwingen: ‘Laat die kop van je gewoon ff lekker gedachtespelletjes spelen & overzicht creëren waar & hoeveel hij maar wil. Dat zorgt uiteindelijk alleen maar voor gemoedsrust & wellicht een leuke voortzetting van deze dag.’

‘t Volgende moment vond ik de bewuste sok op de plek waar ik de laatste onderbroek op had gepakt voor zijn droogbeurt. Ik legde die laatste nog even terug, heb wat ruimte vrijgemaakt naast zwarte sok nr 2 & ze zijn vervolgens gezamenlijk aan ‘t drogen geslagen.
In een traag maar gestaag tempo. ‘t Had geen haast tenslotte, want 1st zijn de 4 groenen aan de beurt.

Maar niemand die dat kan zien in Zijperspace als dat eenmaal zover is.

Middenskamers

Mijn toch al redelijk grote middenskamerse boekenkast aan de bovenkant uitgebreid tot net niet 2,95 m hoge plafond, dus zit ik nu me een nekkramp te dromen van ahwatmooi.

Ik zit op m’n vaste plek. Bureaustoel die ik al in de laatste jaren in ‘t ouderlijk huis als zetel gebruikte. Hoewel toen nog geen computer. Door de huidige plus z’n verbinding met de rest van de wereld verblijf ik hier op een gemiddelde dag langer dan dat ik languit in bed lig. De slijtplekken op m’n toetsenbord bewijzen dat: de ‘d’, ‘e’ & ‘k’ zijn inmiddels onleesbaar geworden & de steun voor onderkant handen/begin polsen, vooral links, is niet meer oorspronkelijk zwart, maar iets onbestemd grijs van de laag er onder.
Op m’n vaste plek betekent zo’n 2 m lager dan ‘t hoogst boven me uit torende boek. Ik moet dus niet te veel dagdromen van hoe mooi ‘t er hier uitziet, zo vol letters ordentelijk gekladderd in talloze boeken gerangschikt naar mijn voor vreemden ondoorgrondelijk systeem. M’n nek zal ‘t niet overleven als ik daar te lang mee door ga.

Die ene lege plek is een perongelukse manco van de in de keuken terechtgekomen snijplank toen vlak voor ‘t nemen van de foto de broodbakmachine begon te piepen dat-ie klaar was.
Dat stekje wil ik blijven reserveren, want die plank houdt m’n weerzin in onmiddellijk opruimen in ‘t gareel. Ik leg de etenswaren, ‘t vieze bord & bestek na gedane maaltijd erbovenop. Passeer ik dan later, op weg naar wc of keuken, word ik automatisch gedwongen iets ervan op te pikken & een fase verder richting afwas achter te laten.

Naast nog wat ander bakmateriaal is de gehele kast gereserveerd voor een klein deel van m’n natuurboeken & tijdschriften, met gespiegeld aan de achterkant ruimte voor een zelfde hoeveelheid in zoverre de diepte van de boeken daar passen zonder de voorkantse selectie weg te stoten. Ze moeten dus wat kleiner van formaat zijn.
Nog best moeilijk om dergelijk materiaal voor die bestemming te selecteren. Maar verdeeld over ‘t huis valt er nog wel wat bij elkaar te verzamelen om ‘m ook aan de achterkant nog gevulder te maken. Wat te denken van ‘t kleine formaat van de uitgaves van ‘t Brabants Lanschap? Dat voegt vast goed bij de Faunistische Mededelingen.
& Nou schiet me Huid & Haar te binnen, & Vanellus plus Het Vogeljaar; allemaal in dat handzame formaat, blijkbaar perfect op maat gemaakt voor de totale vulling van de achterkant. Dan heeft Vlinders van de Vlinderstichting ook weer ruimte om te ademen in die toch al benauwde slaapkamerkast.

& Zo kan ‘t nog uren doorgaan in Zijperspace, zonder dat de dingen daadwerkelijk bewegen.

Nachtbiebbraken

Tot diep in de nacht ben ik bibliothecarisje aan ‘t spelen. Er is een hoop materiaal binnen gekomen. Een serie.
Ik heb ze al geteld. Misschien al meerdere keren, op verschillende manieren. Maar waar ik ze dan nogmaals geteld heb, deed ik dat op een andere manier. Niet fysiek die 2e, of 3e, keer. Administratief. Of in gedachten. Of in tijd. Schattend. Dat is ook tellen. Afwegen wat de redenen zijn om ongeveer rond dat getal te gaan zitten met je schatting, marge omhoog of omlaag, afwegen aan ander aspect.

‘Bibliothecarisje’ is niet alleen annoteren, catalogiseren, rubriceren. Besef ik me met een rug die veel te lang krom heeft gestaan.

Ik ben aanbeland bij boekjes (groter zijn ze niet) van voor m’n geboorte. Ik zou bejaard zijn als ik er toen al was.
De mensen die ze geschreven hebben, toen al kromme wetenschappers, dezelfde reden waarom ik hierboven kort de neiging had te gaan klagen, hebben lang geleefd vanwege hun gedurig in beweging gezette hersenen, maar Covid-time hebben ze vast niet mee mogen maken.
Ze zouden niet hebben begrepen waarom ik tijd in ‘t engels heb geschreven. Zij zijn nog van ‘temps perdu’.

Ik geloof dat ze wel net zo teder met de boeken (waar ik ‘boekjes’ zou moeten schrijven, maar ik wil de tederheid in hun grootsheid leggen) zouden zijn omgesprongen. Even achterkant hand schuivend over de kaft. Zacht de zijkant, niet de hoek, van de omslag omslaand om de inhoudsopgave te bewonderen.

Ik lees namen van auteurs, die elk afzonderlijk nog een RK-inslag lijken te hebben. & Als ‘t enigszins buitenlands overkomt, is ‘t van hugenoten-origine, of licht-franse of -duitse import. Staat er wel Dr. voor de initialen.
Doet me nog een keertje aaien over de kaft.
Ik weet niet waarom ik emotioneel ben bij dergelijk oud. Dergelijk geen contact meer kunnen krijgen buiten wat door hen geschreven is.

Stuk voor stuk type ik de titels, auteurs, druk & voeg daarbij mijn eigen aantekeningen toe aan mijn uiteindelijk bestand. Nr in vet. Titel in cursief. Spaties & tussenhaakjes op gepaste plekken. Gestandaardiseerd door 1st nadenken & dan pas beginnen. Geleidelijk aan aanpassend & wat ik al gedaan heb alsnog voegen naar de nieuwe, slimmere standaard. Zodat geen enkele nieuwe titel, met wat voor uitzonderlijkheid ook, niet zou kunnen passen in ‘t systeem dat ik voor ze ontworpen heb.

De meeste boekjes zijn van slechts enkele eigenaren geweest. ‘t Is evengoed een verzameling samengesteld uit meerdere collecties. Over een leven lang verzameld & als totaal meerdere doden meegemaakt.
Kinderen of echtgenoten achterlatend die niet anders wisten dan ‘t daar te laten waar ‘t nog iets van een goede bestemming leek. & De hun opvolgende wezen & weduwes.
Aai van rug hand. Middenstuk boek recht trekkend. Niet te hard; ‘t moet z’n stugheid kunnen behouden.

Ezelsoor. In de hoek van binnenkant kaft, richting rug.
Geïrriteerd probeer ik te corrigeren. Terug vouwen wat misschien al 50 jaar dubbel gevouwen zit. Plaatsen waar ‘t ooit hoorde te zitten.
Als ik ‘t zo weer laat voegen tussen de kaft & omliggende juist gefigureerde bladen, ik gebruik de verkeerde woorden, maar zij begrijpen me wel, dan komt ‘t wel goed. ‘t Duurt vast nog even voordat ik ‘t boek opnieuw open sla. Tegen die tijd is de kreuk z’n eigen wispelturigheid moe, wellicht vergeten & kan hij de reeds ingezette slijtage wellicht kwijt zijn als de rest van de bladen ernaast ander leed hebben moeten lijden om hem dat extra beetje bescherming gedurende de jaren te geven.

‘t Heeft me wakker gemaakt in m’n dromen over boeken.
Ik pak nog een bier uit de koelkast. Wintertijd heeft tenslotte toch al ingezet. Wij, m’n boeken & ik, mogen nog wel even bekomen van onze 1e uitgebreide kennismaking. Wie weet hoe lang ‘t duurt vooraleer we elkander opnieuw in ogenschouw nemen. Al dan niet met ezelsoor.
Ook ik. Van gelijkende ouderdom dan.

Heerlijk een snotterende neus van vergeten stof bekomen in Zijperspace.

Canta-melancholie

Soms zou ik willen dat ik nog een keer een Canta tegen kom. Niet gewoon in ‘t voorbij gaan, maar vooral in gedachten. Dat ik me er van bewust ben.
Ik hoor soms ‘t geluid wel. Dat licht tuffende, wat bij mij toentertijd in m’n gehoor is beklonken als sein m’n gsm gereed te houden voor een snelle foto. Of alleen maar kijken wat (& wie) er voorbij gaat.

Ze zijn niet allemaal ‘tzelfde, zie je. Van de buitenkant vaak wel (als in: rood), maar daarnaast kan je veel meer zien. Evengoed ook aan de buitenkant. Een sticker kan genoeg zijn om ‘t op de achtergrond liggende verhaal erbij te verzinnen. Wie weet is ‘t wel de waarheid.
Zo niet, dan toch.

Je moet je mee laten zuigen, weet ik inmiddels, op ‘t traag-locomotieverige van de Canta. Tenminste, als je dat afzet tegen de auto’s die de kinderen in een speelbuurt kunnen scheppen tijdens ‘t snel oppakken van de te hard geschoten voetbal in de verkeerde richting of naast ‘t geïmproviseerde doel.
‘t Zal wel net zo vervuilend voorbij schuiven als een normaal voertuig, maar er komt net zo veel verhaal voorbij als de stoomlijn Enkhuizen-Medemblik. Of ‘t tramlijntje richting Amsterdamse Bos.
Soms lees je ‘t later in de krant, over die laatste 2. Word je op de hoogte gehouden. De Cantabezitter & z’n levensverhaal blijft doorgaans anoniem.

Ik heb er echter geen moeite mee ‘t er zelf bij te verzinnen. ‘t Staat toch al geschreven in de speciale verschijning & de persoonlijke interpretatie van ‘t fenomeen door de gebruiker.

Daarnaast raakt ‘t ook zoveel. ‘t Komt zo dicht in de buurt van waar een ander normaal leven mee behept is. Geweest of zal raken. Ziekte, mobiliteit, aandacht, identiteit, vooroordelen.
U verzint zelf de etcetera’s maar.
Ik ga echter niet beweren dat dat mijn oprechte streven was. Ik was gewoon bezig met lekker schrijven. Fantaseren ook. Ik had een zekere drive te begrijpen wie die mensen waren in zo’n ding & vond ‘t daarnaast lekker om m’n vooroordelen daar op bot te vieren. Vanwege leuk.
‘t Is lekker om ongebreideld te fantaseren. Leuk & lekker worden heerlijk als je dat in stukken tekst kan duwen waar je niet ontevreden over bent. O zo prettig bovendien als er een compliment over binnenkomt.

Ik geloof niet dat ‘t ten koste ging van de eigenaren van de Canta’s. Eerder aan mijn reputatie. Ik had me goedkoop laten verleiden m’n fantasie niet te beteugelen.
& Dat voelde goed. Voor mezelf.
Maar of ‘t voor anderen goed was, als een polemist die een ander te schande maakt, dat durf ik te betwijfelen.

Ik denk echter dat ‘t een boek waardig is. Dat denk ik nog steeds.

Zodat ‘t Zijperspace overstijgt, zeg maar, & ‘t niet zomaar voorbij is geflickrd.
(Buiten ‘t Canta-album op Flickr, gemakkelijk bereikbaar door bovenstaande foto aan te klikken, zijn alle posts, met foto’s, ook op Zijperspace te bekijken; slechts een kwestie van de zoekfunctie aan de linkerzijde raadplegen)

Cursus Lijfloggen: Deel 11

Rouw!

Ik had mijn vader gezien, had hem kort aangeraakt, mijn hand op zijn over elkaar heen gevouwen handen gelegd, was naar mijn ouderlijk huis gegaan, waar de hele familie bijeen zat, ging in hun midden zitten en bemerkte vervolgens onmiddellijk dat mijn nek vastzat. Zo van: als ik mijn hoofd voorover wilde buigen, dan weigerde mijn nek aan de rechterkant daaraan te voldoen.

Ik kon nog wel naar links en lichtelijk naar rechts bewegen, probeerde dat ook zoveel mogelijk te doen om het boeltje dat mijn hoofd in het gareel hield soepel te houden, of opnieuw enigszins beweeglijk te maken, maar een lichte buiging naar voren betekende al een pijnscheut, die als een bliksemschicht van mijn achterhoofd tot boven mijn slapen trok. Ik keek vooral naar mijn moeder, die voor mij links gezeten was, en negeerde noodgedwongen het gezelschap van broers en schoonzussen die in mijn zogenaamde blinde vlek aan mijn rechterzijde zat. Terwijl we praatten over hoe mijn vader zijn laatste adem had uitgeblazen en hoe wij de komende dagen zouden doorkomen, masseerde ik de spieren in mijn nek die vooral geneigd leken mijn hoofd achterover te trekken. De volgende dag had ik als gevolg hiervan last van de spieren in mijn rechterboven- en onderarm, alsook nog steeds van die in mijn nek.

Tot aan mijn vaders begrafenis, nog enkele dagen erna zelfs, bleef mijn nek me parten spelen.

Men zegt wel dat emoties die een mens niet kan verwerken een andere uitlaatklep gaan opzoeken. Een andere dan het onmiddellijk geestelijk verwerken ervan. Komt verdriet er bijvoorbeeld niet uit door middel van tranen of een goed gesprek, dan gaat het gevoel zijn eigen weg kiezen. Gevoel moet stromen, het zoekt een weg, een uitweg, kan niet geblokkeerd worden. Maar een mens heeft een dermate grote hoeveelheid aan rationele krachten dat hij bepaalde uitlaatkleppen weet af te sluiten. Toch wil de emotie naar buiten; het wil niet onderdrukt worden. Het gaat joyriden op andere stromen van het menselijk lichaam, haalt rechtsom in bij een bundel spieren, waar slechts linksom toegestaan is, surft een beetje mee met rode bloedlichaampjes door het lymfvatenstelsel, en weet uiteindelijk een algehele chaos te creëren doordat het lichaam alle wegen blokkeert, omdat de centrale verkeersleiding in de hersenen er achter is gekomen dat bepaalde emoties niet via de tranenbuis de weg naar buiten hebben gevonden.

Om het maar even simpel uit te leggen.

Ziedaar. Hier biedt de moderne techniek een oplossing. De mens is inmiddels zo ver geëvolueerd en met hem de mogelijkheden tot communicatie, dat we tegenwoordig kunnen profiteren van een non-stop mogelijkheid dit soort gevoelens te ventileren.

Men neme een weblog, een lijflog zogezegd, en slaat de beide handen uit naar het toetsenbord, om zodoende verhaal te doen van hetgeen er dwars zit. Alle remmen los, de spieren in de armen tot onderaan de nek worden beschikbaar gesteld, zelfs de spieren in de rug alsook die op enkele andere plaatsen in het lichaam worden ingezet om in een zo comfortabel mogelijke houding hieraan te beginnen, voor het zo goed mogelijk verwoorden van alles dat de persoon in kwestie emotioneel beknelt. Men zal dientengevolge veel minder last hebben van onnodige ophopingen van emoties op onverklaarbare, maar o zo tastbare plekken in het lichaam. Go with the flow, en men zal zien dat er geen hyperventilerende luchtwegen van zich doen spreken, laat staan dat men al typend in de gaten heeft dat het hart een verhoogde activiteit aan kloppen vertoont. De continue stroom van tikken op het toetsenbord overstemt immers dat relatief zachte interne bonzen.

Men kan zich uiten, de gedachten op een rij zetten, een traan pinken bij het schrijven van een bepaalde passage, na plaatsing op de webstek hopen op ondersteunende reacties van mensen met gelijke of juist andersoortige ervaringen, terwijl de materie waar het allemaal om begonnen was, in mijn geval de dood van mijn vader, helderder, beter geordend, en emotioneel minder beladen voor de geest komt.

Men heeft een vorm van rouw gevonden.

Ik in ieder geval. Zelfs al lang voordat mijn vader enkele weken geleden daadwerkelijk stierf.

Dat ik evenzogoed last van mijn nek had, de avond van zijn dood en daaropvolgende dagen, lag volgens mij aan het feit dat ik het niet kon bevatten dat het op dat moment uiteindelijk toch zo ver was. En ik zag een berg aan zaken die allemaal vóór zijn begrafenis nog geregeld moest worden door mij en mijn broers. We moesten enkele dagen de emoties opzij zetten, de handen uit de mouwen steken en mijn vader een mooie begrafenis bezorgen. Het deed er even niet toe dat mijn nek daarbij niet meewerkte. Het was belangrijker dat ik samen met mijn vijf broers de kist van mijn vader naar het graf zou tillen, dat ik een toespraak in de kerk zou houden, dat er een rouwkaart in de brievenbus van eenieder die hem had gekend zou komen, dat het stukje muziek zou spelen dat hij zijn eigen begrafenis had toegedacht. Etcetera.

Mijn nek was rouw, ik had even geen tijd het onder woorden te brengen.

Huiswerk: Gedenk uw ouders.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Deel 1, Deel 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Deel 2], Deel 4, Deel 5, Deel 6, Deel 7, Deel 8, Deel 9 & Deel 10 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)