Routinematig

‘Ik kan weer lezen,’ zeg ik.
Vertel vervolgens trots dat ik 1 boek per week weer haal.
Moet ik er nog wel even bij uitleggen dat ik daarvoor evengoed wel kon lezen, maar een maand voor een boek moeilijk haalbaar was.
Poeh, de barman op de plek waar ik vroeger stond is net zo goed onder de indruk. Boeken vervagen, verliezen hun noodzaak, bedenk ik me. Maar hier weet men wie ik ben, mijn naam & mijn jaren worden telkens doorgegeven aan de volgende lichting opvolgers. Een verhaal van mij, daar wordt doorgaans wel naar geluisterd, merkt m’n ijdelheid.
19 Jaar, wordt er tijdens m’n verblijf aan de bar een enkele keer verzucht. Ik doe m’n best ’t te doen of ’t niet gehoord is. Anders een perongelukse glimlach die alles zou kunnen rechtvaardigen.

‘Nee, een tijd lang lukte ’t me niet meer. Terwijl ik 1 of 2 boeken in de week las.’
Dat is m’n vervolg. Om de oude situatie te beschrijven. Ik zit met 2 boeken aan de bovenkant, 1 komt beter in de buurt, maar dan wordt de essentie niet bereikt.
’t Gaat ongemerkt, die lichte overdrijving, maar maak je verhaal maar eens illustratief genoeg voor andermans verbeelding.
Ik had ’t net zo goed bij 1 boek kunnen houden, merk ik na uitspraak van de laatste zin. ’t Is echter beter om de lat voor de niet lezende spijtoptant hoger te leggen. Heeft-ie wat in te halen, kan-ie verder reiken in een mogelijk doel.
Ik praat mezelf veel van m’n gedragingen goed zolang ze niemand pijn doen.

Dus moet ik van mezelf uitleggen hoe ik lees. Dat m’n dag in partjes is ingedeeld & dat er een voornaam deel daarvan gevuld wordt met ’t verorberen van boeken.
Niet te gedetailleerd; dat van kindsbeen, ’t lezen van de Kinderbijbel etc, sla ik over. Maar de bank is essentieel. Wel daarbij weglatend hoe ik uiteindelijk daar terecht ben gekomen.
Een verhaal wordt al snel een lange vertelling bij mij. Onvermijdelijke details voor mezelf, groeiende saaiheid denk ik somtijds te kunnen lezen in de ogen van anderen. Als een glazen bol van de waarzegster op de kermis van weleer.

Ik hang mijn hand slap. ’t Gaat als vanzelf. Een aankondiging waar meteen naar gekeken wordt.
‘Maar laatst had ik dat m’n hand niets meer deed.’
Ik volg de blik om te zien of die wel de goede kant op gaat. Klein hoekje om, langs de bar die de klant scheidt van ’t tappend personeel. Ik heb daar gewerkt, dus weet hoe de blik zich kan laten leiden.
Denk ik.
Tussen 2 bier die getapt moeten worden vertel ik ’t relaas. Geen drama, eerder lach om mezelf, hoe ik ’t voor elkaar had gekregen, dat slappe handje dat ’t niet meer deed.
‘Gevaarlijke hobby, lezen,’ voeg ik net niet aan ’t verhaal toe. Dat mogen ze zelf verzinnen.

Voormalige vaste klanten, míjn voormalige vaste klanten, komen even bij me langs. Hoe of ’t met me gaat. & Die verraderlijke tong vertelt elke keer weer net te veel.
‘Details,’ denk ik opnieuw, ‘zijn voor hen niet interessant als je er te diep in verzandt,’ swingend slingerend tussendoor m’n eigen geratel.
Voor de rest zit ik voornamelijk zwijgend naar alles wat ooit mij tot routineus voor & achteruit denken aanzette. Wanneer iets inschatten, wanneer iets zeggen, corrigeren, uitleggen, glazen halen, spoelen. Ik vermoed een israëliër op z’n 1e bezoek als ik hem zie bestellen, hoor een duitser mompelen zonder z’n taal te verstaan, zie een amerikaan zogenaamd zelfverzekerd schouders recht op de bar afkomen, weet bij terugkomst dat de israëliër opnieuw een Columbus wil.
Routine. Ik ben ’t mezelf weer kort aan ’t aanleren.
Verder geen heimwee naar een plek die al te veel veranderd is, alleen maar dorst.

Na 7 bier roep ik mezelf een halt toe & zeg m’n collega’s waar ik nooit mee gewerkt heb gedag, vertrek & maak daar via ’t terras een rondtour van 20 minuten van. De noodzaak van wc doet me uiteindelijk daadwerkelijk gaan.

De Zijperspace-mode dient weer aangezet.

Antwoordloos

De vragen zonder antwoorden, die zijn vooral favoriet. Niet bekommeren om uitkomst. Neus in de wind om iets op te snuiven, maar tegelijkertijd bang voor een angstaanwekkend dier, maar daar de geur niet van op willen vangen. & Nou ga ik mezelf behoeden ’t woord angst daar verder bij te gebruiken, zelfs ’t lichtste vleugje probeer ik daarvan te mijden.
Antwoorden mogen zich aandienen, maar liever beweeg ik mezelf verder in de schemer van twijfel.

Dus de worst pruttelt voort in ’t vet & ik mag me bekommeren om een slang zonder staart. Zodat ik m’n gemijmer niet zelf hoef te verteren: hoe vaak ik ze ieder afzonderlijk moet keren.
Wanneer is de kans ’t grootst, bij hoeveel wentelingen, onachtzaam voor zichtbaar resultaat, dat ze straks allemaal net zo bruinig vergaard klaar liggen & ik ze met gerust hart naar binnen kan laten gaan?

Ik kijk ze vertederd aan als ze allengs steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Bruinige spikkels, vervagend blond van oorspronkelijk doorzichtige buitenkant. Een overvloed aan zwartkleuring nog altijd niet aanwezig. Bij geen van hen. Ik zit er bovenop, geen onoplettendheid, in ieder geval niet voldoende.
& Ik onderwijl m’n volgende vraag mijmer: ‘Hoe groot is de kans dat de vork, ’t mes, daadwerkelijk schoon is na onder weliswaar warm wordende ‘hete’ kraan geaaid te zijn door de inmiddels scheef staande haren van de borstel, hoewel ik deze vanochtend vers heb aangeschaft?’

De worstjes worden nog even wakker geschud uit hun langzamerhand behoorlijk overheersende bewusteloosheid. ’t Vlees was weliswaar allang al dood, maar ’t leven dat daarbinnen waarschijnlijk nog steeds woedde, waar koelkasten van supermarkten hun woekering moesten verhinderen, vriezers bij mij thuis daarbij ’t voortgaand proces slechts de korte pauze inlasten, maar hun onvoorspelbaar gedrag, waar antwoordloze vragen mijnerzijds nimmer tegen opgewassen zouden zijn, dat leven ervoor zou kunnen zorgen dat mijn maaginhoud hun bestaan gaan verwoorden vannacht.
Ondanks hun bloot bruin blozende rondingen van zie mij hier glunderen: wij zijn ’t antwoord waar u op wacht. Geloof in ons, doe uw gebed.
Wij zijn rein, word ons. Gelijkend.

Geduld is ’t zojuist gepasseerde station.
De vraat slaat toe. & Ik vervolmaak mijzelf met de wijsheid van wat ik slik.

We maken ons op voor een vraagloos stiefkwartiertje in Zijperspace.

P’rongeluk

’t Schoot me plots te binnen. Hoe ’t zou zijn. Waar m’n emotie zou zitten & hoe ik ’t anderen zou vertellen.
Zoals ik vroeger ook dacht dat ik plots te horen zou krijgen dat m’n moeder dood was.
Inderdaad, de gevoelens ervaren. Kijken hoe lang ’t duurt voor de tranen & waar ze vandaan komen.

Ik voel me dan enigszins hufterig. Over andermans leed, observeren hoe ik zelf van binnen werk.
Probeer ’t dan meteen goed te praten door mezelf voor te houden dat ’t werkelijk niet zo is. Ze zijn nog niet dood, immers.
& Dan een denkbeeldig pets op m’n wang, platte hand vol vlak, vanwege ’t woordje ‘nog’.
Of ik er op zit te wachten. Te wachten tot ík werkelijk word. Niet op andermans dood, maar tot ik weet wat me iets doet.
Dat iets me wat doet.

Evengoed weet ik dat wel. Zoals bibberen bij de dokter. Stotteren bij de Arbo. Haperen bij ’t UWV.
Geef me officiële instanties & je raakt me op m’n bot. Of ik mezelf.
Inmiddels weet ik niet meer wie de tranen creëert. Traanloos bij ’t graf van m’n moeder & ermee strooien naar mannen die er niet toe doen.
Misschien was ’t Tineke, die er bij was om de controle te bewaken, dat ik ’t mocht laten gaan.

’t Is inmiddels al even geleden. We hebben ’t over meer dan een paar maanden. Maar evengoed komen ze zo af & toe weer.
’t Kan geen kwaad, zeggen ze, zegt men. & Ze zeggen ook dat ’t goed is.
Maar steeds de angst dat ’t z’n weerslag zal hebben. De pets van mezelf om een gebrek aan echt. Een gemis aan intentie.
Alleen de plots zit er volop. Ik stapel een hoop perongelukjes & laat ze dan kort de vrije loop. Prop ze onderwijl naar binnen, herbegin m’n zin & hoop op welslagen.

& Dan bedenk ik iemands begrafenis om te weten wie ik ben.

Zijperspace bestaat bij de gratie van leegte, somtijds.

Cursus Lijfloggen, deel 19

Vouw!

We moesten de punten strak tussen duim en wijsvinger houden. Dan trok mijn moeder een paar maal, zodat de eerste kreuken al verdwenen. Één maal vouwen, net niet de uiteindes tegen elkaar. De middelvinger verving de positie van de wijsvinger, de wijsvinger gestrekt eroverheen, om de boel bij elkaar te houden. Moeder trok nog een keer. Opnieuw werd ’t dubbel gelegd, opnieuw in de lengte, tot aan een derde maal toe, waarbij we een smalle strook dik laken overhielden.

‘Niet de punten bovenop elkaar leggen,’ zei mijn moeder nog maar een keer ten overvloede.
Daar werd het pakket namelijk uiteindelijk niet mooier van.
‘Net ernaast,’ voegde ze er als overbodige toelichting aan toe.
En onze vingers deden verwoede pogingen de kracht die Ma op het laken uitoefende, waarmee ze ons bijna ondersteboven trok, te weerstaan.
Een simpel gebaar aan de overkant van het laken beduidde er op dat we naar haar toe konden lopen, vingers vooral niet verslappend, want dan konden we van voren af aan beginnen, om onze punten aan haar te overhandigen. Zodoende had ze een halve lengte over van het laken; een ideale maat om er op de strijkplank de laatste kreuken uit te strijken.
Dan mochten wij weer gaan zitten. Verder kijken naar onze favoriete televisieprogramma. De spanning van het trekken aan de stof was van ons voorhoofd te lezen.
De lakens verdwenen na het strijken als gladde pakketten de linnenkast in.

Eén keer per jaar vouw ik al mijn T-shirts op en maak ze tot overzichtelijke stapels. Uit de wasmachine zijn ze aan de waslijn gekomen, opgedroogd vervolgens op een stoel in mijn slaapkamer. Daar verzamelen zij zich tot het gewicht van de T-shirts de ongeordende berg uit balans brengt of tot het moment dat ik een grote groep visite verwacht te ontvangen. Meestal het laatste.
Weken van te voren zie ik de bui al hangen. Dan beraad ik me over welk moment het meest geschikt zou zijn om het honderdtal T-shirts te gaan vouwen, welke T-shirts voor herhaling van dragen vatbaar zouden zijn (om de valse illusie bij mezelf te scheppen dat de stapel toch nog enigszins slinkt) en hoe ijverig ik ditmaal zal zijn in het ordentelijk terugleggen in de klerenkast.
Ik stel de daad zo lang mogelijk uit. Ergens op de achtergrond ontstaat het opportune idee dat ik in enkele dagen tijd een vrouw zou moeten ontmoeten, een vrouw die het geen bezwaar vindt een jaargang T-shirts te vouwen en in de kast te ordenen. Een grote doos en een opslagplaats passeren in mijn hoofd ook stiekem de revue.
Zelden of nooit komt de gedachte bij me op de strijkplank en/of de strijkbout te gebruiken. Van mij hoeven die kreuken er niet uit. Naast het feit dat ik het te veel moeite vind, lukt het me niet om het bezwaarlijk te vinden enkele kreukels vlak na aantrekken van een voor de rest schoon T-shirt mee te dragen.

Waag ik me hier aan een vergelijking: zo’n T-shirt van mij is eigenlijk net een soort tekst.
Schrijf ik over mijn leven, dan hoef ik niet alles glad te strijken. Niet alleen maar positieve aspecten hoeven naar voren te komen. Zoals het stukje tekst hierboven, waarin beschreven hoe ik mijn moeder vroeger hielp bij het vouwen van de lakens. Alsof dat altijd met veel ijver en plezier werd gedaan.
Nee, het favoriete tv-programma was veel belangrijker. Als moeder hulp vroeg, dan duwden we een ander broertje dichter naar haar toe, in de hoop dat deze dan meer in haar vizier terecht zou komen. Of we kropen weg, achter de leuning van de bank, onmiddellijk als we het idee kregen dat Ma de strijkplank tevoorschijn zou gaan halen, om vanuit een stiekem hoekje de televisie in de gaten te kunnen houden. Als we toch aan de beurt kwamen, hielden we tijdens het helpen zoveel mogelijk de blik op tv gericht. Waardoor de lakens ons, door gebrek aan concentratie, uit de hand schoten en we van voren af aan konden beginnen. Voor straf een extra laken bovendien in zo’n geval.
Het was haat en nijd, in dergelijke situaties, bij ons broers onderling. We wilden allemaal de beste plek voor de tv, en vooral niet onze moeder helpen op een moment dat er iets spannends te zien was. We waren jaloers omdat één van de broers vorige week moeder niet had bijgestaan en deze week toch niet als eerste assistent werd opgeroepen. We waren ongeduldig, wilden zo snel mogelijk weer op de bank het programma verder volgen. En tevens waren we op dat soort momenten niet bereid om onze allerliefste moeder anders te zien dan het huissloofje.

Die nadere specificaties, al die onhebbelijkheden, hadden best in het inleidende stukje opgenomen mogen worden. Het had het menselijker gemaakt, het had meer uitgenodigd de tekst aandachtig te lezen. Er zou meer diepgang ontstaan, niet alleen in de personages, ook in de situatie. Men zou bovendien naar alle waarschijnlijkheid nieuwsgieriger zijn geworden naar welk persoon er achter de woorden zou schuilen.

Kortom, ik probeer te stileren, maar laat daarbij opzettelijk wat rafeltjes, wat oneffenheden zitten. Zodat er al wat leven in ’t shirt zit, voordat ik mijn borstkas er in geschoven heb.

Huiswerk: Strijk een broek of een blouse. Ga daarvoor desnoods bij moeders langs, om de strijkbout te lenen. Trek de broek of blouse een dag lang aan. Kijk of je er je anders in voelt. En probeer uit te vinden waar dat aan ligt.

(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15, Dl 16, Dl 17 & Dl 18 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)

Pannenkoekontbijt

Even wat aantekeningen mbt mijn ochtend, waar pannenkoeken een belangrijke element van vormen.
Ze werden nl voor een gereduceerde prijs aangeboden. Dat doet mij doorgaans een 2e maal omkijken, ingrediënten bestuderen (specifiek mbt ’t mogelijk bevatten van lactose & fructose), heroverwegen van bijna alle voorgaande gedachten & daarmee samenhangende aannames, de prijs in relatie tot uiteindelijke dikke buik tegen elkaar afwegen, & dit laatste zeker in geval van pannenkoeken, mezelf nog eens extra benadrukkend.

Ik heb in mijn leven geen kinderen gekend die pannenkoeken links lieten liggen. Hoewel mijn jongste broer liever een gebakken eitje had, schiet me nu te binnen. Dan werd dat eierpannenkoek genoemd. Ik geloof dat dit voor mijn moeder een poging was om de zogeheten ‘lieve vrede’ te bewaren.
Ik ben kwijt waarom dat noodzakelijk was. Maar zo zijn er waarschijnlijk ook vreemde mechanismes in ’t sociale verkeer binnen andere families waarvan ’t oorzakelijk verband uit eenieders geheugen is gesleten. De ‘lieve vrede’ was bij ons in ieder geval een vaak terugkerend fenomeen, vaak door mijn moeder of visiterende oma & tantes in de mond genomen.

Patat is een feest, maar daarbij mocht je zonder toeziend oog van een ouder, mijn moeder dus, je niet bemoeien met de frituurpan tot een zekere door mijn oudste broer op enig moment bepaalde leeftijd. Alsof hij zijn rijbewijs had gehaald of daar in ieder geval oud genoeg voor was.
Bij pannenkoeken was de pan juist ’t onderdeel van ’t feest. Met schreeuwpartijen als je ’t dagrecord rondjes draaien met goed gevolg had gebroken.
Niet goed gevolg is een dubbel geslagen pannenkoek of 1tje die onderweg terug naar de pan de grond of iemands kapsel had aangeraakt. In ’t laatste geval was ’t leukste gedeelte van ’t feest dan ook wel voorbij, want Moeders nam deze taak dan weer over.

Dat alles speelde dus door mijn hoofd tijdens de overweging de pannenkoeken voor die spotgoedkope prijs aan te schaffen & terwijl ik uiteindelijk bezig was de pannenkoeken voor te bereiden op een ultramoderne bereidingswijze met de magnetron. M’n kinderjaren voorbij gegroeid inmiddels & de luiigheid mbt schoonmaak tot afgoderij ingezworen, had ik voor deze methode gekozen.
Onderwijl theorieën her-bedenkend, zoals in m’n ver achter me gelaten jeugd, hoe je plakjes kaas ’t beste over de koek kon verdelen, dat je poedersuiker net zo goed in ’t midden kon strooien als je hem uiteindelijk toch opgerold naar binnen zou schuiven & bedenken dat ’t genieten is van ’t maal tót op ’t onafwendbare moment nadat je van ’t 1 op ’t andere moment proppievol bent geraakt, strijkend over de plots opdoemende glooiingen van de buik. Met daarbij de gedachte dat je dit voorlopig toch niet nog een keer gaat doen.

Uiteindelijk 2 borden & evengoed ook bestek moeten wassen in Zijperspace, waar we vroeger zolang mogelijk de vettigheid van alles af probeerden te likken.

Master

‘I am master of hops,’ zei de 1.
‘I am master of malt,’ de ander.
‘I am master of water,’ deed nr 3.
& Ik zei: ‘I am master of stout.’

De 1e lag ondertussen al te kwijlen tussen de slakken in ’t gras. Hij was gestruikeld over z’n eigen, nog nuchter geïnstalleerde parasol/slash/barbecue/slash/tuinameublement (dat klinkt in dronken engels toch heel anders) & was daar tijdens onze masterontboezemingen maar meteen blijven liggen. De dure whisky ten spijt.

‘Yaaaargh,’ werd er daarna geroepen.
‘Zo moet ons bier gaan heten,’ klonk er even luid uit een andere keel. Maar toch leek daar meer structuur in te zitten, naar mijn idee.
Ik had ’t al moeilijk met te verzinnen wat voor master ik was, maar me laten meeslepen in deze avonduurlijke avonturen van gebral & branie, uitgekotst door mensen die overdag toch heel serieus met hun product omgingen, die drempel kon ik net niet nemen.
Ik probeerde nog maar een slok van de veel te dure whisky: ’t was beter dat ik me daar in verdiepte, ’t daardoor zou leren waarderen, op waarde zou weten te schatten & evengoed geen slierten eten daarna over de groene zoden zou uitspreiden. Garnalen, zalm, broccoli & nog wat spul waar de vrouw van de master of hops een halve dag op had staan werken. Tussendoor de administratie, waar zij ook nog verantwoordelijk voor was, plus minstens 1 kind. Verder kon ik niet tellen aan ’t eind, onderweg naar m’n logement.

Tussen ’t 3e bier & de 2e gin (whisky stond nog verstopt in een voor mij onweetbare kast) moest Hops ook nog met z’n vrouw filosoferen over de verdere gang van de brouwerij. Een route uitstippelen. Yin & Yang, waar z’n vrouw juist mee voorstander van was. Hoewel zakelijk tegelijk met de cijfers. & Dat moest ook op de nieuwe shirts komen.
‘Wat?’ vroeg ik, want ik had verstand van biershirts. Mijn verzameling was toen al over de 200 gerezen.
Yin & Yang, kreeg ik als antwoord.
‘Ik vind alles goed, als de naam van de brouwerij er nu maar wel op komt,’ zei ik. ‘Anders koopt de fan ’t shirt niet & wil-ie er ook niet mee lopen.’
In halfdubbele tong engels, waardoor ik goed te verstaan was. Iedereen begreep me.
Als ze maar wisten dat ik geen geld zou spenderen aan Yin & Yangshirts. Maar dat zou ik nuchter wel vertellen. Of als Hops dronken slakken tussenuit de graszoden at.

Hij had er in ieder geval 1 bovenop z’n voorhoofd geplakt staan toen hij weer overeind gekomen was. Kreupel, waggelend, witte schuimvlekken in de mondhoeken.
‘Kom op,’ yelde hij de buurt blij, ‘ik heb nog veel betere whisky.’
Hij trok alweer aan m’n schouder.
Gewillig deed ik alsof, tot z’n kracht verslapte.
‘I am master of single malt,’ schreeuwde z’n 2e assistent, want de oorspronkelijke Malt was na Yaaargh z’n mond gaan houden. Nr 2 durfde nu zijn plaats in te nemen in de rij voor de whiskykast van de baas.

Een half jaar later kreeg ik een shirt. Yaaaargh, heette ’t nieuwe bier, zo ook ’t shirt.
Malt was wakker geworden na ’t uitvoerige proefsessie met Hops, een maand na mijn visite.
‘Yaaaargh!’ was z’n morgengroet.
‘That’s a good name for the beer,’ zei Hops aan de overkant van de tafel, nog steeds onverklaarbaar wakker. & De volgende ochtend, die dezelfde ochtend waarschijnlijk was, wist-ie zich dat nog te herinneren ook.

3 Maanden later kreeg ik ‘tzelfde shirt van Malt, die ondertussen ontslagen was. Hij was ff langs in Amsterdam, voor hij als Head Brewer bij een grote brouwerij zou beginnen.
Hij moest om z’n gezin denken, vertelde hij.

Ik ben master of Yaaaargh, once in a while in Zijperspace.

Schoudergroet

Ik zei: ‘Vond ik ook’, nadat hij me meldde dat ’t een leuk gesprek was, terwijl ik m’n hand ter groet op z’n schouder legde, vanmiddag.
M’n voor mij vanzelfsprekende gedachte was dat ik niet kon communiceren. Hoewel ik dat niet als een concreet pakketje aan mezelf kon presenteren. ’t Was nog niet kant & klaar, de hachee moest nog even doorsudderen. Daar staat minstens een paar uur voor, had m’n moeder mij geleerd. Dat lag niet alleen aan ’t vlees.
Ik heb vaak haar advies niet opgevolgd, tot ik er, misschien niet net zo vaak, achter kwam dat ’t niet anders kon.

Evengoed vond ik ’t niet zo slecht gevonden. We geven nog geen handen. Laatst was ik verbaasd er wel 1 te vinden in die van mij.
Ik sputterde vergoelijkend dat ik gelukkig toch al gevaccineerd was. Dat was 1-richtingsverkeer naar mezelf. Geïntendeerd, maar luidop.

Nog binnen enkele minuten gebruikte ik ‘tzelfde opnieuw, die klop op schouder. Dit keer omdat ik ’t gevoel had dat ik dan beter onthouden zou worden.
Momenteel dwingt dit mij te bedenken hoe ik dan op dat idee was gekomen, of hoe die intuïtie zich wederom aan me opdrong.
’t Was geen truc, ’t was geen gebaar, ’t gebeurde gewoon. Iets diep van binnen, zou je bijna zeggen, een vergeten zelf. Wat ik meegekregen had, als m’n moeders hachee, die niemand anders beter kon bereiden, hoewel veel ui.

Ik zag mensen die smeekten om een omhelzing & stond er onverstoord bij.
Ik heb nagedacht over een kus op m’n lippen, maar vond ’t vooralsnog niet nodig, ben overgeschakeld op een box om de mannen gerust te stellen: kon er geen gevaar in zien, maar ’t deed me ook niet echt iets.
Behalve dan de 1e keer. Toch een soort ‘Wauw’.
Daarna vooral onhandig. Hield me voor dat ’t een te lange afwezigheid was. Moest ook denken aan de introductie van de high 5, of de klappende handen die je van ver aan zag komen dat ze goed moesten vallen: klappende handen van 2 personen moeten klinken, want anders…
Mannending natuurlijk.

Die van dat je ze juist moest missen, elkaars handen, die snapte ik nooit. Dan moet je schijnbaar héle goede vrienden zijn.
Ik denk dan altijd aan de 1e klas lagere school. De 1e klas Havo/Vwo evenzo. Daar waar geen gebruiksaanwijzing voor geschreven was. Zelfleerzaamheid.

De 1e kus moet ik dus nog krijgen. Terug beredeneerd denk ik dat ’t rond 4 maart 2020 geweest moet zijn. Gelijk aan mijn einde van de Ziektewet. Daarna handen wassen, kapje aanschaffen (dat was vooral lenen in ’t begin, zo stijf zat ik evengoed in m’n gewoontes), niet te vaak naar buiten, niemand tegenkomen als buitenshuis wel.

De 1e kus dus. Ik kreeg er 1 van m’n schoonzus. Gewoon op m’n wang. Beiden vacc-volledig inmiddels.
Maar dat is niet wat ik bedoel.
Zoals we vroeger vriendinnen gedag zeiden. Zij mij.
Seks heeft zijn herintrede gedaan bij dat idee. Ik heb seks met ze bij nadere beschouwing.
Wat niet de bedoeling was.

Nog maar even doorgaan met geheelonthouding in Zijperspace.

Zakdoekjeleggen

Daarnet m’n neus gesnoten.
Op de wc was ik aan ’t knallen plots, vlak voor ’t handen wassen. Ik dacht nog: dat zullen de buren wel horen, ’t kleine kind verbaasd (zoals onze vriendjes vroeger over de nog hardere knallen die m’n vader produceerde – altijd uitleggen dat dat ook een vorm van niezen was), want dit was nognooitgehoord, een uitbreiding van de nog geen jaar oude wereld & de ouders zouden dat wel uit moeten gaan leggen.

Dus zoek ik na die overdenking, zo snel volgend op m’n explosie, dat ik evengoed zo snel weer terug kan schakelen, denk ik dan, een zakdoekje. ’t Hoofd moet geschoond. Resten geloosd, zodat mogelijke irritatie van nog doorlopend snot niet tot herhaling kan leiden.
Ik weet dan gelukkig al snel dat ik enkele papieren zakdoekjes in de buurt van m’n portemonnee heb liggen. Op de vaste plek van alle spullen die ik met me mee moet nemen als ik ’t huis verlaat.
Tuurlijk heb ik ook zakdoeken netjes verpakt in van die omhullende zakjes, maar ik kan beter die losse gebruiken. Ze hebben door veelvuldig (voor de zekerheid altijd bij je hebben, luidt de interne instructie sinds… ach, dat is te veel detail) broekzakvervoer hun plastic verloren dat ze nog enigszins in kon tomen. In ’t gareel. Strak in ’t zakkie. Waardoor die afwezigheid van controle voor ongelooflijke puinhoop kan zorgen in de broekzak waar ook m’n telefoon bij thuisverlaat zit.

Die losse zakdoeken mochten dus op een gegeven moment niet meer mee. Waren veroordeeld tot een moment zoals hierboven beschreven: plots inhuizige nies, bedenking waar zakdoek => ha, daar!, komt dat eens goed uit.

Maar toen had ik een zakdoek in m’n hand die voor slechts een kwart was bezoedeld.
‘Wat moet ik daar nou mee?’ gaat de mallemolen van onstopbare gedachten er dan mee aan de loop. In dit huis waar vaste plekken noodzakelijk zijn, vanwege overvol, hoewel er altijd nog wel een paar boeken bij kunnen.
‘Noodzakelijk’, want anders zijn de dingen al snel kwijt. Sinds m’n burn-out aan kwam kloppen bij m’n reeds gedurende jaren gevormde gesteldheid, kan iets dergelijks me danig van streek maken. Niet als in: paniek!, maar afhankelijk van wat zich binnen een kort tijdsbestek nog meer voordoet toch wel enigszins leidend tot een wat zenuwachtig gevoel.

Ik moet mezelf al onder controle houden, de dag rustig aanpakken & weten waar de dingen zich bevinden mochten ze plots nodig zijn, maar dan moeten zij op hun beurt zich niet plots ergens anders bevinden dan…

Waar ’t dus niet helemaal goed loopt. Want ik kan in mijn wereld van veel pietepeuterigheden & constant als een lekkende kraan voortdruppelende gedachten me niet aan 1 stuk blijven concentreren op waar ik alles uiteindelijk laat wat mijn handen passeren. Dat koppie van mij heeft al te veel van dergelijke onbenulligheden (dat moet ik niet tegen ’t mechanisme zelf zeggen, want die denkt daar heel anders over in zijn pogingen deez’ wereld te blijven ordenen) te archiveren, systematiseren & op een hervindbare plek te lokaliseren.

Dus voordat ik de boel opschud & ’t tot een inwendige oproer laat komen, besluit ik de voor een kwart gebruikte zakdoek dan maar voor ’t toetsenbord te leggen, in de richting van ’t beeldscherm, net niet halverwege, maar genoeg plek om daar even tot rust te komen, voor ons allebei alleen maar goed, denk ik zeer communicatief richting doekje erbij, maar er wel tevens bij bedenkend dat ik ‘m óf opgebruikt heb tegen de tijd dat iemand dit huis komt visiteren óf dat ik er aan denk hem nog niet volledig geconsumeerd (ah, wat zonde, fluistert m’n zuinige linkerhelft, die de volgende gedachtegang al aan ziet komen) in zo’n geval terzijde moet leggen in de prullenbak.

Die ook ooit geleegd moet worden, maar daar willen we nu even niet aan herinnerd worden in Zijperspace.

Olney

Thuis zijn dus.
Of die plotse verandering van eigenlijk iets heel gewoons wel goed is, suddert door m’n hoofd. Ik ben hier een vol jaar bijna dagelijks geweest, slechts een enkele keer ergens anders geslapen. Iets spannends hoef je je daar niet bij voor te stellen.

Muziek aangezet van een man die op ’t podium stierf. Ik werd weer aan die man herinnerd door een oude link van vroeger surfgedrag te volgen & ’t verhaal over zijn dood te herlezen.
‘Sorry,’ zei hij voordat hij overleed.
& Z’n muziek stemt ook melancholisch. David Olney, schijnbaar oude man, met witte baard plus hoed. Gelukkig niet iemand die zich hier in NL Abraham liet noemen, hoewel gelijkend.

Verder ben ik bekenden tegengekomen. Afgesproken ontmoet. ’t Was weer tijd om insecten te speuren. Corona zat er tussen, sinds de laatste keer.
Ik zwaaide stoer met m’n sleepnet (hadden ze nog niet gezien) & haalde zodoende net zo stoer voor tijdens de regenbuien te determineren wantsen daarmee tevoorschijn.
’t Was alweer even geleden dat ik me met zoveel mensen tegelijk in 1 ruimte bevond. Terwijl ik toch echt de laatste van de groep moet zijn geweest die z’n 2e vaccinatie kreeg. Maar zij kwamen om de groep opnieuw te zien, zo bleek bij de thee tijdens de stortbuien & ik om insecten te delen & op naam te brengen.

Ik moest weer fietsen. Op de terugweg tussen 2 nieuwe buien door, waarvan ik de laatste vreemd genoeg ben misgelopen. Stond ik net vakantiekneuterend wederom onder een viaduct, een blikje bier geopend, te wachten tot de tijd voorbij ging. Denkend aan niets behalve een binnenkort in te lassen plaspauze. Hopend op vreemde mensen die net zo anoniem als gisterterugweg onder zouden duiken, waarvan ik me levenslopen kon inbeelden in 1 oogwenk, mijn vader & moeder gelijk die de hele camping bij elkaar fantaseerden aan representanten van hun normale leven thuis. Buur Bert, Tante Saar, Collega Frits, gebaseerd op desnoods dezelfde trekhaak voor de caravan of een haar op de kin bij ’t geslacht waar dat niet paste. Net als Nicht Drien.

Alles is anders. Alleen dat hoofd gaat ongemerkt verder. M’n ouders, & hun familie nagenoeg ook, zijn dood. Geen caravan of kleine tentjes van Pa voor korte wandelvakanties.
Ik thuis, niet meer elders. Tenzij ik beweeg.
Maar ook dat gaat onwennig. Nu al.

’t Hoofd loopt traag als een batterijloze klok in Zijperspace.

Wegvoorbij

Ik ben thuis.
Reeds enkele uren.
Ik ben nog net nat geregend, waar ik dat de rest van de rit gemakkelijk heb kunnen voorkomen. Maar de finale regenbui kwam er aan. Ik heb ‘m gister al aan zien komen. Durfde de rest van dag (de 24 uur daarna) niet meer te kijken. Slechts als ’t er echt donker uit zag. Dat was m’n redding toen ik als 1e de fietstunnel bereikte. We stonden daar uiteindelijk met een man of 15. Niemand kent niemand & kijkt collegiaal die gekken na die wel doorfietsen.

Thuis dus.
Ik zeg net m’n kaas gedag. M’n olijven er achteraan. Straks vormen ze weer een duo op m’n brood, als ik morgen wakker word & normaal ’t nieuwe normaal zal zijn. ’t Eeuwig slepende waar ik me comfortabel bij voel.
Ik zeg nu een blikje bier hallo. & Laat ‘m klokken in keel.

Onderweg heeft bier me er doorheen gepraat. Geen loze gedachten & m’n pijn doen vergeten. Stil doen zijn bovendien. Dat vergt een stem die z’n mond houdt.
Hooguit een neutraal vriendelijke groet naar al diegenen die ik niet ken. Er zijn er veel als ik ze optel. & Er zullen er zijn die m’n beeld niet rap vergeten. Een man met baard & staart die aardig groet. Met z’n fiets.
Kinderen hadden daar iets van gezegd als ik ze tegen was gekomen. Maar die laten zich door ouders in auto vervoeren, doen de lange fietspaden niet.

De gedachte, de vraag, dringt zich op of ik tevreden moet zijn. Als in een cijfer.
Ik weet m’n antwoord al. Een respons als in luchtledig.
Ik mag niet meer scoren, hoe hard ik ook fiets, of wat ik meemaak. ’t Was leuk de mensen te zien die hun zelf georganiseerde triatlon stonden aan te moedigen. Hier! Een flesje pils voor wie binnen kwam.
Maar liever koester ik de herinnering ooit Voskuil voorbij te hebben zien fietsen ergens in Noord. Of eigenlijk daar alweer voorbij. Z’n boeken gelezen & wetend dat mijn tocht wellicht bescheiden was.

Ik koester m’n kaas, m’n olijven, na 2 weken onze wedergroet. Moet nog even kijken of ik brood heb, ander beleg erbij, zodat m’n ontbijtsneetjes weer taartjes worden van zoveel mogelijk lagen.
Ik kijk wel wat ik morgen tegen kom, als ’t ochtend wordt, m’n ogen open. Weg voorbij.

Terug ’t gewone huis van Zijperspace.