heimwee

Jan is achter m’n i-meel-adres gekomen via een reaktie die ik op een andere weblog heb geplaatst. Ik weet allang niet meer welke, ’t is al een tijd geleden. Ik kan me nog wel de strekking van de reaktie herinneren, ’t ging over heimwee & dat ik blij was bij anderen ’tzelfde verschijnsel te herkennen, maar daar is ook alles mee gezegd. Ik kon me voor de rest weinig herinneren over de inhoud van ’t bijbehorend stukje.

Ik reageerde meteen op ’t meeltje van Jan. Belde ‘m op. Z’n telefoonnr stond tenslotte onderaan ’t berichtje. Maar kreeg naar aanleiding daarvan zelf niets te horen.
Een xcuus-meeltje leek noodzakelijk. Je moet mensen niet te snel storen, dacht ik. Kleine correctie van m’n impulsiviteit.

Impulsief als ik ben heb ik afgelopen zondag, meteen na binnenkomst van je meeltje, via je mobiel gereageerd. Waarschijnlijk heb je dat ook wel gehoord. Zo niet, dan ben je nog steeds in afwachting van een reaktie. Bij deze dan.
Ik vind ’t prima om er ‘ns over te praten. Ik weet ondertussen wel een beetje waardoor ’t heimwee-gevoel bij mij veroorzaakt wordt, hoewel ’t waarschijnlijk meerdere oorzaken heeft. Ingewikkelde materie is ’t in ieder geval zeker. Zeker voor een onbenullig meeltje als dit.

Jan stuurde me een meeltje terug. Ik belde vervolgens opnieuw z’n mobiele nr.
Tijdens dat gesprek legde ik ‘m uit hoe ’t verschijnsel heimwee zich bij mij uit. Ik legde ‘m uit waarom ik me er ondertussen prima bij voel. Ik heb m’n eigen methode ontwikkeld, vertelde ik ‘m, om er zo min mogelijk last van te hebben.

Ik vertelde ‘m eigenlijk verschrikkelijk veel. In nog geen kwartier. Ik wijdde uit over m’n hyperactiviteit; ik bracht ADHD ter sprake, & m’n vraagtekens of ik dat wel zou hebben; ik vertelde ‘m hoe geordend bepaalde delen van m’n huis zijn, & waarom; & vervolgens nog veel meer.
Jan vond ’t machtig interessant. Hij had er tot dan toe niet bij stilgestaan. ’t Leek ‘m verschrikkelijk interessant er een onderwerp van te maken. Maar hij moest nog overleggen met de redaktie van ‘Kaap de Goede Hoop’.

’t Leek mij ook verschrikkelijk interessant.

Maar ondertussen zit ik te denken aan al die verloren vakanties buiten Zijperspace.

dictee

Vantevoren had ik de DDD (Dikke Duizend Dicteewoorden) gedownload & zelfs uitgeprint om op een rustig moment tot mij te nemen. Zodat ik zomaar ‘ns niet onbeslagen ten ijs zou komen. Ik kwam er helaas niet aan toe ze door te nemen. Hoewel ik de 24 kantjes wel in m’n dagelijkse bagage had opgenomen. Opgerold, met een elastiekje eromheen, had ik ’t 5 dagen achter elkaar meegenomen naar m’n werk voor ’t geval een verloren moment mij de gelegenheid zou gunnen er een blik op te werpen. Zodat ik eindelijk 1maal geconcentreerd aandacht zou kunnen hebben voor die vanzelfsprekende maar onbegrijpbare & onverwachte manier van ’t spellen van de nederlandse woorden. Ik wilde eindelijk wel weer ‘ns minder dan 35 fouten behalen. Ik geloof dat m’n laagte-record 30 was; ’t 1e jaar dat ’t dictee werd gegeven.

Ik had ze tenslotte bij me, dus ik kon ze net zo goed tonen aan de vaste klanten die vanmiddag aan kwamen waaien om een biertje te nuttigen. Natuurlijk was dat aanleiding voor anekdotes, wijsneuzigheden, citaten, voorbeelden & correcties. Eenieder had er wel iets over te zeggen, of wist anders wel moeilijke woorden te berde te brengen.
Waaronder ’t zinnetje: ‘De impresario aplaudisseerde’, of we dat allemaal ‘ns op wilden schrijven, waarna ik maar liefst 3 fouten in dat korte zinnetje wist te stoppen. Overigens was dat niet de enige aankonding van mijn dreigend falen.

Maar toch wilde ik op tijd thuis zijn voor ’t Groot Dictee der Nederlandse Taal.
Door allerlei besprekingen, natuurlijk op ’t laatste moment op m’n werk, vergat ik de tijd, fietste ik voor mijn doen op trage tempo naar huis, & zette ik de tv pas aan toen de uitzending reeds begonnen was. Ik had nogeneens m’n jas uit, de kachel aan, of m’n gedachten laten gaan over een mogelijke maaltijd.

Terwijl de ‘dicteetor’ z’n introducerende zinnen verkondigde, bedacht ik me plots dat ik er eigenlijk helemaal geen zin in had. ’t Dictee was iets van m’n vader & mij. Hij zat in z’n stoel, z’n werkplank over z’n schoot geschoven, & ik zat op de grond, voorovergebogen over de lage stenen tafel. Beiden fanatiek schrijvend, klagend als Philip Freriks weer eens te snel overging naar de volgende zin, absoluut geen blik werpend op andermans blaadjes & uiteindelijk uitgeput de pen neerleggend. Waarna mijn vader, in onuitgesproken triomf, z’n resultaat van toch zeker 10 fout minder aan mij liet zien.

Mijn vader zou dit jaar waarschijnlijk niet ’t Dictee bekijken, bedacht ik me terwijl ik m’n jas uittrok & een blik wierp op ’t publiek in de zaal van de 1e Kamer. & Als hij dat wel zou doen, dan zou hij niet weten hoe hij de woorden moest schrijven. Ik kan me inmiddels zelfs niet meer voorstellen dat m’n vader nog schrijft. Z’n trillende hand zou z’n handschrift niet meer aankunnen. Z’n motoriek laat ’t niet meer toe. Maar ik denk dat m’n vader inmiddels niet meer weet hoe hij de woorden moet spellen. Ik zou een makkelijke overwinnaar zijn. Een wel zeer stille triomf. Hij bij m’n moeder. Z’n mond dicht, verwonderd over de dingen die hij vroeger met veel gemak kon. Ik hier in Amsterdam, verlangend naar een vader die beter is.

Ik had er geen zin in, voor een kort moment.
Toen las Philip 1st de volledige tekst voor. Ik herkende woorden waarvan ik zeker wist dat ik ze juist kon spellen.
Ik gooide snel de kachel hoog. Sleurde ergens pen & papier vandaan. Een biertje uit de koelkast. Keerde de meest makkelijke stoel richting tv. Sleepte er een plank bij, net zoals m’n vader ooit een werkplank voor zijn stoel had. Schreef, m’n pen op ’t papier gelegen op de plank boven m’n schoot, zo snel ik kon. & Maakte 34 fouten.
Da’s lang geleden, Pa, dacht ik vervolgens.

& Op die herinnering vinden geen correcties plaats in Zijperspace.

comp

Ik moet zsm een nieuwe comp hebben. De huidige staat op ontploffen. Tenminste, de harddisk zal ’t waarschijnlijk 1 dezer dagen gaan begeven. ’t Kondigt zichzelf aan door allerlei getik in de behuizing van de comp. Al ‘ns eerder aan de hand gehad, ik kon m’n harde schijf toen weggooien. Alle gegevens erop waren verloren.
Ik heb bij MyCom een comp samengesteld naar mijn wensen. Zonder beeldscherm, toetsenbord, muis of besturingssoftware. Dat bespaart geld. Maar wel met Intel Pentium 4, 512 Mb geheugen, 80 Gb harde schijf, een dvd-speler & cd/dvd combo rewriter, etc. Bij elkaar € 912,50. Veel te veel, mijns insziens. Dat moet goedkoper. Ik heb nogeneens naar de geluidskaart & de videokaart gekeken. De aanschaf van een scan heb ik ook al uitgesteld.

Dus: ik heb advies nodig. Welke winkel? Waar (in Amsterdam)? Waar moet ik op letten? Is er misschien zelfs iemand bereid (met meer verstand ervan dan deze leek hier) een comp voor mij samenstellen?
& Dat zo snel mogelijk dus. Liefst deze week wil ik de comp aanschaffen.

Voordat alle gegevens opnieuw verloren zijn gegaan in Zijperspace.

puist

Ik vind eigenlijk dat ’t zich overal mag manifesteren. Voor zover ik er nu over kan oordelen natuurlijk. ’t Moet niet zo zijn dat ik onmiddellijk spijt krijg van deze opmerking. Maar tot op dit moment vind ik dat ’t zich overal mag manifesteren, behalve dan bovenaan de binnenkant van m’n been. Maakt niet uit welke van de 2.

Naarmate je ouder wordt kom je te weten dat je net als ieder ander op een gegeven moment er rekening mee zal moeten houden. Sommigen komt ’t in de loop der jaren wel zeer duidelijk voor ogen te staan. Letterlijk, want de pokdaligheid lijkt bij hen ’t gehele gezicht te overwoekeren.
Bij mij in de klas heette dat slachtoffer Arnold. Dezelfde naam als de knappe Arnold, die er totaal geen last van had, maar die werd pas in de 2e aan onze klas toegevoegd. De lelijke Arnold bestond na toevoeging van de knappe Arnold aan onze klas opeens niet meer, iedereen leek zijn van jeugdpuistjes vergeven gezicht uit ’t oog verloren te hebben; z’n flauwe opmerkingen, waarmee hij z’n reden van bestaan probeerde te vergoelijken, leken verstomd.
Lelijke Arnold leek van onder tot boven overdekt te zijn met datgene wat wij vetpuistjes pleegden te noemen. We wisten niet beter. Ook bij ’t omkleden voor de gymles werden we met deze eigenschap van zijn lichaam geconfronteerd. In onze uit onwetendheid ontstane wreedheid wilden wij nooit bij hem in ’t team zitten, de meisjes niet gekust worden & durfden we niet met ‘m mee te lachen als hij z’n hikkend geluid liet horen, uit angst dat we door de rest van de klas gezien zouden worden als 1 van z’n zeldzame maatjes.

Mijn huid bleef gaaf. Tot grote opluchting van mijn jeugdig brein dat ’t gruwelijk voorbeeld in Arnold zag van hoe gemeen de natuur wel kon zijn. & De gevolgen hiervan voor zo’n persoon in ’t sociale verkeer.
Een enkele keer ontstond er bij mij wel ‘ns een wit puntje (‘Daar moet je vanaf blijven,’ probeerde m’n moeder altijd, ‘des te meer je zit te poeren, des te makkelijker de puist zich verspreidt’), maar duim- & wijsvingernagels losten dat probleem alras op. Dat leverde gelijk de enige lol van de pukkel op: ’t leegspuiten ervan in de vorm van een kleine hoeveelheid witte pus. Men is er waarschijnlijk allemaal genoegzaam mee bekend.
‘Moet je maar niet zoveel zoetigheid eten,’ waagde een enkele tante plagerig te verwijten, terwijl juist ik 1 van de weinige kinderen was dat allerhande snoepgoed slechts zelden kon waarderen.

Dat soort puistjes komen, hoewel in steeds mindere mate, nog steeds voor op mijn huid. Vooral als ik me weer ‘ns geschoren heb met een bot mes, wil m’n gezicht een ondergesneeuwde verschijning rond m’n kin vertonen. & Ik zal maar niet uitwijden over de effekten van zoenen met een haargroei op de bovenlip van 3 dagen oud. Maar ook dat laatste doet zich steeds minder vaak voor.

Een enkele keer vertoont zich iets wat zich laat aanvoelen als een pukkel op m’n schouder, meestal aan de achterkant ervan. Nog net bereikbaar. ’t Kost mij over ’t algemeen teveel moeite om deze veronderstelling te kontroleren in de spiegel. & Daarnaast heeft 1 van mijn nagels meestal ’t pukkeltje van z’n rode of anders witte kop ontdaan, tijdens de zoektocht van m’n vingers naar akelige jeukerigheden verspreid over m’n lichaam. Deze kreaturen Gods (mijn vingers) hebben tenslotte grote behoefte te bewijzen dat ze op deze aarde enige funktie kunnen uitoefenen. Al is ’t maar ’t verwijderen van koppen van puistigheidjes.

’t Verschijnsel van de huiduitslag gaat meestal gepaard met niet te weerstane jeuk. Nou is mijn lichaam geheel & al bekend met dit verschijnsel, maar in geval jeuk de gedaante van een puist heeft aangenomen nodigt dit zeer snel uit tot maatregelen. In geval ’t zich op de binnenkant van m’n bovenbeen manifesteert, waar mijn huid toch in bepaalde mate strak staat, neigt de jeuk zelfs naar een zekere vorm van pijn. Ik wil hierbij niet overdrijven, kleinzerig overkomen evenmin, maar de huid lijkt aldaar oiv ’t ontstane wilde vlees, om ’t maar ‘ns plastisch uit te drukken, onder hoogspanning te komen te staan. ’t Wegkrabben met m’n nagels resulteert niet in verlichting in deze. ’t Lijkt eerder gelegenheid te scheppen tot ’t opnieuw ontstaan van een pukkel. Zodoende kan een dergelijk verschijnsel weken achtereen mij dermate irriteren dat ik de neiging heb eigenhandig mijzelf te opereren met ’t aardappelschilmesje.
Vandaar dus dat ik liever niet wil dat een puist zich verstigt op m’n bovenbeen, de binnenkant ervan welteverstaan.

Zodat men weer wat meer begrijpt van de omstandigheden in Zijperspace.

vlek

Ik moet maar ‘ns een tijdje geen boeken kopen, vindt Pes. Dat vindt ze overigens al een paar jaar. Ze heeft ook wel gelijk; ik ben ook, mede door haar aandringen, weer lid geworden van de bieb, maar de drang om zo af & toe een boek te kopen kan ik niet altijd bedwingen.
Maar nu zal ik ’t toch echt moeten zien te voorkomen, vindt Pes. Ze heeft weer gelijk. Ze had gelezen dat ik vorige week een boek had gekocht, verbond daar voor de rest geen veroordeling aan, behalve toen ik zei dat ik er wel 3 had aangeschaft.
‘Joh, dat kan je toch ook uit de bieb halen?’ Hum, ja, denk ik dan, maar voel ’t niet.

‘Wat?’ zei Max terwijl hij ’t boek oppakte dat ik aan ’t lezen was, ‘Maak jij ezelsoren in je boeken?’
‘Ja,’ zei ik nonchalant, ‘dan kan ik tenminste zien waar ik gebleven ben.’
Max kan ’t zich niet voorstellen. Een boek dat je zelf aangeschaft hebt. Iets dierbaars, iets van jezelf, dat kan je niet verminken. Max leest dan ook z’n boeken terwijl hij ze op een minimale manier openzet. Hij leest door een kier zogezegd.
‘Als je vlak voordat je ’t boek dichtdoet je een kort moment concentreert, ’t nr van de blz bekijkt & die in je hoofd opslaat, dan hoef je geen ezelsoor te maken.’
‘Nee, ik heb ’t toch altijd te druk als ik ’t boek opzij moet leggen. Bovendien vind ik dat een boek gelezen moet zijn. ’t Mag er aan ’t eind best verfomfaaid uitzien. Dan heb ik bij mezelf tenminste ’t gevoel dat ’t voor mij geleefd heeft.’

Stapje voor stapje vorder ik in ’t boek dat ik momenteel aan ’t lezen ben. Voor de zekerheid, om toch iets te lezen te hebben als ik de deur uit ben, heb ik aldoor een dunner boek bij me. Minder gewicht, minder omvang. Ik heb zodoende evenoed altijd wat te lezen bij me.
Een boek van over de 700 blz vergt veel inspanning van me. Ik raak makkelijk afgeleid. Met hoofdstukken van over de 100 blz gebeurt me dat regelmatig. Op zoek naar niet in de dichtbij liggende toekomst aanwezige witregels laat ik me snel afleiden door een geluidje uit de comp, trek in thee, of de afstandsbediening van de tv.
Maar midden in ’t boek, op blz 335/336 (’t schijnt door de blz heen) zit er een vlek. Terwijl ik ’t boek nieuw gekocht heb. Gepakt van een grote stapel van dezelfde titel. Een bruinige vlek. Van nog geen cm², maar zeer duidelijk aanwezig. Zeer zeker niet van mij afkomstig. Ik blader nooit naar voren, of anders hooguit om te kijken waar ’t eind van ’t hoofdstuk is. Bij dat lichtjes bladeren kan ik geen vlek veroorzaken.
& Toch zit er een vlek. 1 Cm van de bovenkant van de blz af, 2 cm verwijderd van ’t midden. Op blz 335/336.

Een zwarte vlek is verschenen in Zijperspace, & hij zuigt alle aandacht naar zich toe.

klantvriendelijkheid

‘Heb je ’t gehoord?’ vroeg ik aan m’n collega.
‘Wat gehoord?’ reageerde hij.
‘Nou, dat van daarnet, bij de kassa.’
Niks gehoord dus.

Een man komt binnen. Duidelijk onder de drugs. Zoekende ogen. Z’n ogen weten zelfs niet waar ze moeten zoeken. Draaien rond. Zo onopvallend mogelijk, want ’t is de bedoeling dat ik ’t niet merk. Daarom vraagt-ie maar aan mij of-ie een blikje uit de koelkast mag.
‘Tuurlijk. Pak maar,’ zeg ik, ‘ik kan er niet bij, want de deur gaat aan die kant open.’
We lopen naar de kassa. Onderweg zie ik door ’t raam dat iemand op ‘m staat te wachten.
Hij wil met € 20,- betalen.
‘Sorry. Dat kan ik niet wisselen. Dan moet je naar de Albert Heijn gaan. Ik heb niet genoeg wisselgeld. Dan zet ik je blikje wel hier neer totdat je terugkomt.’

Een minuut later komt de man binnen die daarnet nog buiten stond te wachten. Loopt direkt naar de koelkast om ’tzelfde blikje weer er uit te halen. Haalt ’tzelfde briefje van 20 tevoorschijn.
‘Je vriend was hier daarnet ook al om dat briefje te proberen te wisselen,’ zeg ik, ‘maar ik heb geen zin om de hele tijd voor jullie pillenhandel te gaan wisselen.’
‘Ik wil alleen maar een blikje bier.’
‘& Dat wil je betalen met de € 20,- van de jongen die daarnet bij me binnen was. Ik ben hier niet voor pillen. Ik probeer bier te verkopen.’
‘Ah, toe,’ smeekt-ie.
‘Nee. & Nou moet je weggaan. Geef mij dat blikje.’ Ik pak ’t gelijk uit z’n handen. ‘& Wegwezen. Ik heb geen zin in je. Ik heb andere klanten waar ik aandacht aan moet besteden.’
‘Ik heb niks gedaan. Je kan m’n adem ruiken.’

Dat was info die ik nog niet eerder had gehad. Dat ’t gebruik van pillen te ruiken was. Ik wilde ’t ook niet weten. Ik heb ‘m een duw gegeven naar buiten.
De vrouw die eigenlijk aan de beurt was verzuchtte: ‘You just gotta know how to handle those people.’
‘I’m used to it,’ zei ik geruststellend, ‘I see people like them every day.’

‘Heb je deze nou gehoord?’ vroeg ik nogmaals aan m’n collega.
‘Wat bedoel je?’
‘Heb je niks gehoord? Ik had 10 klanten in de rij staan die ’t allemaal hebben meegemaakt. & Jij hoort niks?’

Deze man komt luid ouwehoerend binnen. Duidelijk ook net een leuke deal voor de Albert Heijn gesloten. Hij praat al met klanten voordat-ie de deur heeft gepasseerd. Een ouwe bekende, denk ik, maar hij komt niet meer zo vaak. In de gaten houden, besluit ik, voordat ik ’t weet ben ik iets kwijt.
‘Zo, wat hebben jullie te drinken?’ vraagt-ie aan jongens met indiaas bier. ‘Nou, dat zijn wel flessen naar mijn smaak,’ wijzend op de grootte.
‘& Wat gaat u drinken?’ vraagt-ie vervolgens aan de man die ik net aan ’t helpen ben. Hij heeft onmiddellijk 1 van z’n flessen beet. & Dat net bij de man die vindt dat je flessen bier zo min mogelijk moet beroeren. & Met ’t meest vernietigende hypochondrische karakter van al m’n vaste klanten.
‘Afblijven jij,’ & de man trekt de fles terug.
‘Nou meneer, ik kijk alleen maar naar uw flesjes.’
‘Je hebt met je klauwen van m’n spullen af te blijven.’
‘Meneer, u kan ook ff normaal tegen me doen.’
Maar hij reageert al niet meer. Tot grote frustratie van de vrolijke Albert Heijn-klant. De fles die hij eigenlijk voor consumptie bestemd had heeft-ie al te pakken om mee uit te halen. Dreigend kijkt hij naar de man die een kop boven ‘m uitsteekt. Hij wacht tot-ie nog wat gaat zeggen om uit te halen.
‘Wat nou normaal doen?’ roep ik naar ‘m. ‘Jij moet normaal doen.’
Ik reik met m’n hand naar de fles die hij klaar houdt om te gaan slaan. ‘Jij moet je niet bemoeien met mijn klanten. Hoe haal je ’t in je hoofd om aan zijn flesjes te zitten? Geef die fles hier die je in je handen hebt.’
Terwijl hij ongemerkt de fles loslaat zegt-ie: ‘Ik deed toch normaal? Ik wilde alleen maar kijken wat voor fles ’t was die daar stond.’
‘Je moet van andermans flessen afblijven. & Als je dat niet kan dan kom je hier nooit meer.’
‘Ik wist nogeneens dat ’t zijn fles was.’
‘Niks mee te maken. Je blijft voortaan overal vanaf. Nou wil ik meteen € 1,- voor die fles van je & dan ga je weg.’
‘Maar die meneer deed raar. Ik wilde alleen maar een flesje bier kopen.’
‘Nee. Jij deed raar. Ik zag ’t. Je hield die fles bijv heel raar vast. Als ik nog 1 keer zoiets van je zie dan kom je hier nooit meer. Begrepen? & Nu € 1,-!’

‘M’n xcuses,’ zeg ik tegen de man die wil dat z’n flesjes bier zo min mogelijk beroerd worden.
‘Niks aan de hand,’ zegt-ie.
Er is verdomme heel wat aan de hand, denk ik. & Dat stomme gedoe met ’t niet bewegen van flesjes daar word ik ook niet goed van. Ook al geef je € 46,60 uit.
Maar ik ben al weer bezig met de rest van de rij. Hij loopt nog even sjachrijnig de winkel uit als dat-ie ’t betreden heeft.

‘Hoe kan jij nou niks gemerkt hebben?’ vroeg ik m’n collega na afloop van ’t werk nog eens.

Alles staat strak in Zijperspace.

getik

Ik probeer in kontakt te treden. Enerzijds door geduld te hebben, anderzijds door af & toe een flinke trap te geven. Moet-ie maar voelen. Ik wil heus wel naar hem luisteren & al z’n geweeklaag, maar hij niet naar mij.
Direkt na zo’n aktie heb ik al spijt: stel je voor dat-ie uit wraak nog meer lawaai gaat maken. Vol onbegrip voor mijn gevoelige oren. Die rust nodig hebben, alleen maar rust. Anders kan ik niet lezen.

Wat ik dus probeer te doen is in kontakt treden. Kijken wat er aan mankeert, wat ik er aan kan doen & ook bezien of ik ‘m minder kan belasten.
Ik heb bijv ’t omhulsel, de behuizing, er meermaals vanaf getild. Een blik geworpen in ’t binnenste, de maag, ’t hart, in ’t centraal zenuwstelsel van mijn comp. Zogauw je je comp wat beter bestudeert weet je al snel geen naam meer te verzinnen voor z’n geraamte & dat wat ’t in z’n karkas probeert te houden. Onzin om ’t menselijk denkraam te vergelijken met een comp, denk ik dan, laat staan andersom.
Ik begreep in ieder geval niets van wat ik zag. Ik kon achterhalen waar ’t geluid vandaan kwam, maar daar was alles mee gezegd. Telkens begon er een ventilatortje tegen iets aan te tikken, zo klonk ’t. Een metalig geluid. Maar naarmate ’t duurde ging ’t steeds vaker begeleid worden door een diep ronken, als een comp in ademnood. M’n woonkamer was gevuld met dat lawaai.
Licht in paniek hoorde ik dit lawaai aan, wachtend op ’t moment dat de comp op blauw zou gaan & de pijp aan Maarten zou geven. Dat bleef echter uit, ’t geluid verdween weer, & de comp ging opnieuw over naar z’n aloude ventilatorgetik. De ene keer harder dan de andere keer. Soms zag ik me genoodzaakt oordopjes in te doen om er vooral geen last van te hebben. Vaak zette ik m’n comp uit, wat totaal niet m’n gewoonte was, op ’t moment dat ik ’t huis verliet of naar bed ging. Om de comp vooral niet de gelegenheid te geven de geest te geven tijdens mijn afwezigheid. Een enkele keer heb ik zelfs de comp afgezet terwijl ik nog gewoon in de kamer zat. Ik wilde perse m’n boek kunnen lezen.

Ik was al aan ’t overwegen zo snel mogelijk al m’n spaargelden bij elkaar te voegen, ter aanschaf van een nieuw xemplaar. 1tje Die geen lawaai maakte. Een licht zoemen vind ik er bij horen, maar geen continue tik, metalig & komend van diep binnen dat ongrijpbare, onbegrijpbare kastje.
Ik was dat dus reeds enkele dagen aan ’t overwegen, toen ik opeens merkte dat ’t geluid was verdwenen. De aanwezigheid van geluid heb je al snel door, op een gegeven moment raak je aan ’t geluid gewend & weet je ’t weg te bannen uit je bewustzijn; je wordt er niet meer door afgeleid. Maar voordat je door hebt dat een geluid afwezig is, een geluid waar je dagelijks mee lastig gevallen werd, als een continue reeks van tikken, daar kan even overheen gaan. Ik weet dus niet hoe lang ’t geduurd heeft voordat ik door had dat ’t weg was.
Toen ik ’t me echter besefte, raakte ik wederom licht in paniek: nu zou de comp ’t definitief begeven.

Stilte is pas echt eng in Zijperspace.

Update: ’t Geluid is terug. & Nog onrustbarender dan 1st. De comp weigerde zelfs op een gegeven moment op te starten, met heftige klakkende geluiden komend uit ’t karkas. & Inderdaad: blauw scherm. Ik durf de comp bijna niet aan te raken, uit angst definitief schade aan te brengen. Laat staan dat ik de gelegenheid krijg na te denken over enige tekst die ik wilde plaatsen. Men zal waarschijnlijk een wijl geduld moeten betrachten.

verhalen

’t Gesprek was nog steeds niet afgelopen. Er dienden zich steeds weer andere onderwerpen aan. ’t Was een continue stroom van woorden die m’n mond verlieten. ’t Was weliswaar onder ’t mom van een conversatie, maar vooral mijn mond stond niet stil. Alsof ik eindelijk de gelegenheid had gevonden de verhalen in m’n hoofd te ventileren. Ze mochten er uit stromen, zich tot een vloed vormen & iemand mee overdonderen. Die lange gevangenschap van ongesproken woorden, door ’t ziek thuis zitten, noodde tot een stortvloed op de 1e gelegenheid die ze kregen zich samen te voegen.

Ik had ’t relaas over de dame van ‘Zeg ‘ns A’ al verteld, ik had Sanne Wallis de Vries de revu laten passeren, we (ik) hadden ’t over vrouwen gehad die praten terwijl ze met hun borsten tegen je elleboog leunen & m’n fascinatie voor ’t café waarin we ons bevonden had ik ook reeds genoemd.

Iedereen in ’t café noemde elkander bij de voornaam. Niet slechts een enkele keer. Nee, zogauw een zin gericht was tot iemand binnen de groep aanwezigen, werd de naam van die persoon in de zin opgenomen. Jan was de bekende persoon, die net niet bekend genoeg was om volledig te herkennen. Nicolaas was de schrijver, gespecialiseerd in supermarkt-wijnen & ’t sappig in woorden vatten van zijn bevindingen. Matti was de barman, een oudgediende, geen beweging te veel, die middagdienst van Johan overnam, de jongste van ’t barteam. Tom was al een tijd niet langs geweest, maar blij dat ’t goed met ‘m ging. Er was nog een andere Jan, die echter niet al te veel zei, maar wel de hele tijd meedronk & enthousiast z’n glimlach bij elke snedige opmerking van 1e Jan toonde. Voor de rest was er een Herman, & een Anton, alsook een Hilde & een Suze. Ik kende binnen de kortste keren de namen van alle aanwezige regelmatige bezoekers met hun bijpassende aardappel-in-de-keel-stem. Ik voelde me wel thuis, hoewel niet opgenomen in de groep. Maar ’t deed me zo denken aan de conversaties die m’n ooms vroeger bij Oma thuis hadden.
& Jan zei: ‘Jan! Ik praat nooit over mezelf in 3e persoon. Ik heb bijv nooit tegen een kind gezegd: “Kom maar bij pappa.”‘
Waarop Anton zei dat dat ook niet zo hoort. Men moet ’t kind als een gelijke beschouwen.
Verder ging ’t gesprek over de secretaresse van Hitler, Waltraub genaamd, ‘Angst essen Seele auf’ van Fassbinder, Echo & the Bunnymen, terwijl ik zat te springen om een intelligente opmerking in de groep te gooien, ter aanvulling op hun niet aflatende stroom aan info.
Totdat Tom zei: ‘My horse, my horse, a kingdom for my horse.’ Toen durfde ik niet meer zo goed. ’t Zou zo genant zijn Tom te verbeteren. Tom was volgens mij ziek geweest, lang & zwaar, die verbeter je niet als-ie net terug is in z’n stamkroeg. Dus stak ik m’n neus maar weer in m’n boek.

Dat had ik ook al verteld, zodat ze een beetje wist waar ze zich bevond. Natuurlijk niet al te luid, dit soort info dient vertrouwelijk overgebracht te worden. Men hoort niet op de hoogte te zijn van ’t feit dat men ’t onderwerp van een gesprek is.

‘Maar dan heb je genoeg om over te schrijven.’
‘Ja, maar ’t moet zich nog als verhaal gaan vormen. Ik kan niet zomaar plompverloren iets op gaan schrijven. Ik bedoel: ik kan wel wat meemaken, maar dat wil nog niet zeggen dat ’t meteen een verhaal is.’
‘Daarom bevinden we ons nu dus hier. Omdat je dan weer wat meemaakt. Je hoopt elke keer dat je iets meemaakt om over te schrijven.’
‘Nou….. Aan de ene kant wel, maar aan de andere kant ook helemaal niet. Want ik vind dat ik ook over niks moet kunnen schrijven. Als ik bijv de hele dag binnen zit, de wereld lijkt de hele tijd ’tzelfde, want wordt beperkt door de 4 muren van m’n huis, dan is de variatie die er in m’n leven plaatsvindt gevoelsmatig waarschijnlijk net zo groot als dat iemand zich altijd buiten begeeft. Iemand die in een isoleercel zit, dag & nacht, & daar over probeert te schrijven, zal een verschrikkelijk grote ervaring meemaken als 1 minuut lang ’t licht uitgaat. Die zal net zoveel stof tot schrijven hebben als iemand buiten zijn isoleercel.
Waarmee ik alleen maar bedoel dat als je kan schrijven je over alles kunt schrijven. Ook over hele onbenullige dingen.
Alleen moet je wel een onderwerp weten. & Soms denk ik dat ik dat op dit soort plekken vind.’
‘Maar eigenlijk vind je dat je ook thuis moet kunnen blijven?’

Ach ja, thuis is tenslotte Zijperspace.

bekend

‘Kijk jij wel ‘ns Barend & van Dorp? Ik kijk daar zelf dus nooit naar. Ik kom ’t wel ‘ns tegen als ik lusteloos aan ’t zappen ben. Toevallig, onderweg. Eigenlijk kijk ik helemaal geen tv meer. Hooguit films & soms een comedy.
Heb je van de week dan Sanne Wallis de Vries gezien bij Barend & van Dorp? Ze beweerde iets & toen reageerde Jan Mulder op zijn stereotiepe manier: ‘HAAAaaaaaaaaah, nou moet je ophouden.’
Sanne had trouwens roze geverfd haar, of misschien was ’t wel paars. ’t Zat er misschien wel tussen in.
Maar Jan Mulder reageerde dus op haar opmerking: ‘HAAAaaaaaaaah,’ enzovoorts. Dat riep weer allerlei andere reakties op. ’t Was een beetje overdreven zo vond Sanne dat-ie zo op haar uitlatingen reageerde.
“Ja, maar, Sanne de Vries……”
“Sanne Wallis de Vries,” corrigeerde Sanne Wallis de Vries onmiddellijk, “’t is gewoon een volledige naam. ’t Hoort allemaal bij elkaar.”‘

‘Nee, ik heb dat niet gezien.’

‘Ik zit vandaag dus bij de apotheek. Verschrikkelijk druk. Ze zijn daar tegenwoordig tussen de middag 2 uur gesloten. Waarschijnlijk personeelstekort. Ze schieten er evengoed niks mee op, want die 2 uur dat ze dicht zijn, moeten ze evengoed inhalen. Want de mensen moeten toch hun medicijnen hebben. Ze krijgen er heus niet minder klanten van.
Ik had maar een boekje meegenomen. Ik was er al vanuit gegaan dat ’t lang zou duren. Een mevrouw naast me dacht op een gegeven moment dat ze al aan de beurt was, maar ze had over ’t hoofd gezien dat er een a-serie, voor mensen die hun recept hebben laten faxen, & een b-serie was, voor mensen die hun recept zelf meegenomen hadden. ’t Duurde nog minstens 5 nrs voordat ze uiteindelijk aan de beurt was.
Ik zie dus opeens Sanne Wallis de Vries naar de balie lopen. Met een muts op, diep over haar voorhoofd getrokken. Maar ik kon dus dat roze-paarse haar eronderuit zien komen. Ha, da’s Sanne, dacht ik, want dat haar heb ik gisteravond net gezien.
Zij staat daar dus. Ik denk: ik ga niet meeluisteren, ik wil niet weten wat bekende nederlanders voor kwaaltjes hebben. Ook al had ik alles heel goed kunnen horen, want ik zat als ’t ware op de 1e rij.

Weet je, ik ben voor bekende nederlanders de grote onbekende. Ze praten er onderling over. Zeggen ze: “Ben jij die jongen ook tegengekomen in Amsterdam? Hij kijkt recht voor zich uit. Doet net of-ie niks ziet. Maar dat op zo’n manier dat je echt gaat denken dat-ie je niet kent. Ben jij die ook al tegengekomen?” & Niemand van die bekende nederlanders kent me, ze hebben me wel allemaal wel ‘ns gezien, maar ze weten niet wie ik ben. Ze hebben een grote hekel aan me, want ze zien me voorbijschuiven, zonder ook maar enige herkenning voor hen in m’n ogen.’

‘Wat denk je dan dat die bekende nederlanders denken?’

‘”Hé, daar heb je ‘m weer. Waarom kijkt-ie nou niet naar me? Ik ben toch best wel bekend. Of zou niet iedereen me kennen?” Maar ik vertik ’t om naar bekende nederlanders te kijken. Er wordt al genoeg van ze afgekeken. Straks hebben ze niks meer van zichzelf over.
Hoe vaak zal een bekende nederlander z’n naam moeten zeggen? In ’t dagelijks leven dan, bedoel ik. Bijv bij de bank, of als ze zich moeten identificeren als ze iets belangrijks, persoonlijks in ontvangst moeten nemen.
Nou, Sanne staat dus bij die balie. Vraagt die apothekersassistente: “Dat Wallis, hoort dat erbij?”
“Ja, dat hoort gewoon bij de Vries,” kon ik nog net horen.

In Zijperspace kan iedereen m’n naam spellen.

communiceren

‘Hé, boekenman,’ roep ik ‘m vrolijk toe terwijl-ie binnenkomt. Hij lacht er z’n guitige grijns bij. Ondanks z’n verleden & z’n leeftijd blijft-ie toch die twinkeling in z’n ogen houden. Zolang hij maar in een goed humeur is.
‘Nou Boekenman?’ Hij pauzeert kort om naar bepaalde woorden te zoeken, zo lijkt ’t. ‘Je kan beter Beroepenman zeggen. Iedereen vraagt maar de hele tijd of ik voor ze wil werken.’
‘& Je verkoopt geen boeken?’
‘Nee, ik praat vooral. & Da’s niet goed. Doordat ik zoveel praat krijg ik veel te veel werk.’
Ondertussen loopt Boekenman naar de koelkast.
‘Daarom moet ik maar een biertje drinken. Dan word ik tenminste stiller. Misschien dat de communicatie dan wat beter gaat.’
‘Des te minder jij praat, des te beter je communiceert?’
‘Ja, inderdaad. Dan denk ik op een gegeven moment: ik moest maar niet gaan werken, niet ’t werk gaan doen dat ze me proberen aan te bieden. Ik moest maar ‘ns naar huis om een biertje te drinken.’
Hij blikt nog een keer terug. Lacht z’n wenkbrauwen ondeugend & heft z’n biertje op.
‘Proost, ik ga lekker communiceren.’

’t Wordt tijd voor een rondje in Zijperspace.