Plotsvoorslaap

Zo plots voor slaap, als elke dag dan net voor bed, of eigenlijk al bijna ingedut, denk ik dat ik een verplichting heb.
Niet tegenover de spaarzame lezer. Meer tegenover ’t voortschrijdend bestaan. ’t Niet zwijgen. De tong niet alleen gebruiken om de binnenkant tanden te ontkalken, waar de tandenborstel op z’n dienst wacht, maar ’t daadwerkelijk omzetten in taal die mijn vingers begrijpen.
Tiktikketik, komma & punt.
Volgende regel.
Zoals de hendel aan de linkerkant van de typemachine dat machtig kon doen.

Liefst zou ik dan de film vertolken van zojuist bekeken. Met leed, moord plus liefdadigheid, waar de hoofdpersoon, de redder van kinderen, daar ook weer niet uitkomt.
Dat dan als een richtlijn gaan beschrijven van hoe ’t kan. Naast een verhaal vertellen ook de boodschap overbrengen. Waar eenieder dat zelf moet proeven. ’t Zout, de bitterheid, de mogelijke smaak van nuance.

Maar voordat ik daadwerkelijk de oorlog ga bespreken, welke strijd dan ook, ga ik m’n tandenborstel proeven. Ik streep m’n alcohol weg, m’n dag van gister, de al dan niet goed/slechte berichten vertalen in traagdromerigheid. Ga ze vragen of ze bij me blijven, sussen, me streeltjes kussen.

De woorden verkeerd, maar misschien juist geplaatst. Je weet evengoed niet waar ’t terechtkomt. Z’n doel gemist, een fles water aan de mond gezet, waar een lekkende dop deed alsof-ie leeg leek.
Splatsj.

Alweer bijna wakker voor een volgende morgen in Zijperspace.

Terug-van-vakantie-natuur

Tweeëntwintig dagen zaten tussen mijn vertrek en terugkomst thuis. De Nijmeegse natuur had ik vooral in de schaduw beleefd: een met heggerank begroeide overkapping die me droog, onverbrand en slechts lichtelijk bezweet hield. Terwijl ik ondertussen een stel boeken uit de longlist van het Beste Natuurboek 2025 las. Slechts een enkele keer in m’n leeswoede gestoord door een tuinder van de Lentse Aarde of een passant die een van de langeafstandspaden volgde die zich op deze plek kruizen.

Een enkele keer volgt een conversatie, waarbij men het vaak niet kan laten de vraag te stellen: ‘Waarom heb je zo’n grote fiets?’
Waarna ik uitleg dat ik in Amsterdam woon en hier twee keer per jaar op een stelletje katten pas terwijl de baasjes in Frankrijk vakantie vieren. Met mijn elektrische bakfiets kost die rit me niet te veel moeite, ook al zit de bak volgestouwd.
‘Andere mensen kopen een auto; ik heb een bakfiets.’

Toch kom ik na afloop van de thuisrit met moeite van het zadel af. Het lichaam krijgt nog een laatste geseling bij uitladen van de bak vooraleer ik me mag verfrissen in de badkamer.
Daar blijkt zich in mijn afwezigheid een kleine plaag aan muggen zich te hebben gevestigd.
Snel de deur weer dicht. Ik hou van insecten, tenzij ze me ’s nachts onder bedreiging van onvrijwillige bloedafname wakker houden. Dus, bij gebrek aan een vliegenmepper, pak ik een oude Dwars die ik altijd wel ergens heb liggen en sluit ik mezelf op met de muggen.

Maar hoe komen er in drie weken tijd zoveel muggen hier terecht, vraag ik me op gegeven moment af. Vreemd ook dat juist tijdens mijn afwezigheid de spinnen zijn verdwenen uit de badkamer. Meestal hangen er wel enkele exemplaren van divers allooi aan het plafond.
Dat laatste kan ik niet oplossen, maar aangezien spinnen geen insecten zijn, neem ik mezelf dat niet kwalijk. Ze hebben door hun vertrek wel een aardig muggenmaaltje moeten missen.

Ik kan me in ieder geval bedenken dat de open stortbak van de wc een aanmoediging voor een moedermug moet zijn geweest om in het water aldaar haar eitjes te leggen. Verdere wijsheid haal ik uit een boekje over de mug dat ik in de kast heb staan. Dat vertelt me dat die eitjes niet gelegd hadden kunnen worden als mijn bloed vlak voor vertrek naar Nijmegen niet door dat vrouwtje was aangeboord. De larven die vervolgens ontstaan schonen het water op (dankzij de mug een nettere stortbak dus!) door algen en bacteriën te consumeren. En een week later zijn de eerste wc-genaratie muggen in de ons bekende en gevreesde vorm klaar om na te denken over eigen nageslacht. En bij die ene generatie zou het ook blijven, want de vrouwtjes hadden geen beschikking over vers mensenbloed.

Hartstikke interessant natuurlijk, maar ik ga ze toch echt niet bedanken voor het verschonen van het stortwater.

Zijperspace is ondertussen zo goed als mugvrij, inclusief de kleinste kamer.
(Column geschreven voor de buurtkrant van Amsterdam Oost ‘Dwars door de Buurt’)

DeNogmaalsCarels

Omdat ik er nog niet over uit ben. Dat ik tegelijkertijd denk dat ik hem waarschijnlijk straks 20 jaar heb overleefd (29-01-2006), maar dat ik er nog niet uit ben.

Ik mocht niet over zijn dochters schrijven. Hun namen niet mogen noemen.
Hij heeft me een verbod opgelegd. & Alles waar hun namen voorkwamen moest worden vernietigd.
Als in: delete.

& Vanaf dat moment besloot ik om geen contact meer met hem te hebben. Hij had iets van mij gestolen. Me beperkt, zijn dochters totaal naar zichzelf toegetrokken, waar ik geen zeggenschap, geen spreken over kon hebben.

& Enkele maanden later deed hij dat sterfding.

Ik heb ’t allemaal na zitten lezen daarnet. Er hing iets in m’n hoofd dat ’t bijna 20 jaar moest zijn, daarom. Dat was de reden tot terugzoeken.
Carel zal ’t waarschijnlijk niet zo hebben gewild, met z’n ‘nukkig’ karakter, maar er waren 100-en mensen, collega’s, familie, die er naar hunkerden iets over mijn broer te lezen. Wie hij was, waarom dood.
Een treurverwerking.

Daarnet dus zitten achterhalen wanneer dat was, mijn broeders dood. Zo onverwachts. Ik 41, hij een jaar ouder. De stapelbedden gaan daar gepaard mee, dat beeld, samen jarenlang een kamer delend. Van toen jong. Later mogen verhuizen naar zolder omdat Jan & Theo vertrokken waren. Maar niet al te veel later vond Carel Franchet.

Zo wordt een familie oud. Volwassen.
& Moet je gaan kijken hoe lang dat duurt. Volgen er vervolgens kinderen, niet al te veel, maar de focus verandert.

Ik lees die teksten van toen na. Zie de onverwachte afstand daarin ‘her’vertaald. ’t Wanhopig niet snappen dat ik niet over een ontmoeting met, een vraag van z’n dochters, mocht schrijven.

Ik zie vervolgens door mezelf beschreven hoe de dochters met hun klasgenootjes aanwezig zijn bij ’t lichaam dat ik met m’n nog levende broers heb mogen sjouwen. In een kist weliswaar, maar hij was daar. Een kist beschreven met afscheidsletters. Stift & pen. Lippenstift. Z’n laarzen eveneens. Americana.

Ik ben daar nu. Een hekel aan hem. Een gestoordheid, verstoordheid, waar ik vast niet meer uit kom.
Te veel gedeeld, buiten die gezamenlijke kamer.
& ’t Hopen er uit te komen. Dat hij mijn broer, m’n naaste broer weer mag bekomen.

Tegenwoordig, al vele jaren, slaap ik alleen, dichtbij ’t plafond in Zijperspace, geen stapelbed evengoed.

godje

Deze bril heb ik elke nacht op. Tot slapen gaan.
Ik kan ’t ook niet doen, maar dan, heeft de huisarts verteld, krijg ik vaker last van ‘aura’s’.
Oogmigraine, heet dat.

Met deze bril moet ik ’t doen. Schrijven. Me comfortabel voelen. Een kick uit mijn lijf/leven halen.
Andere mensen, andere schrijvers, doen dat in boeken. Ik weet niet anders dan dit. Ben gehandicapt door geen andere keus dan dit toetsenbord. Plus dit hoofd dat een kramp, krimp heeft. Minder gekunsteld: geeft.
Beperkt. Ik weet ’t nog niet al te lang.

Ook weer niet al te erg, want vanmiddag kon ik met aangeschoten hoofd dwars door Amsterdams verkeer scheuren. In overtuiging dat niets mij zou raken & ik sneller thuis zou zijn dan alles wat de rest was. Auto’s, fietsers incluis.

Ik ben God, in dat hoofd. Zeer onbekwaam tegelijkertijd, maar m’n eigen godje. Vooral dat laatste als ik de fiets afstap & een boodschap ga doen. Lege blikken & flesjes inlever in de hedendaagse automaat. Aardappeltjes, eieren, rode pepers verzamel in een supermarkt. Vriendelijk wil zijn als ik gecontroleerd moet worden vanwege een selectieve geïnstrueerde controle, of als ik cash wil doen een prettig ‘goedendag’ wil laten klinken. De, meestal ‘zij’ goedendag zeg, vriendelijke glimlach daarmee samensmeltend. De onbenullige communicaties daarbij zorgvuldig pleeg te vervolvuldigen.

Want, zo ben ik god, gedegradeerd na voorgaande woorden, in m’n eigen mompelend onverstaanbaar hoofd. Wordt daarbij afgerekend omdat ze, of eigenlijk: hét, niet vanzelfsprekend is.

Want de wereld is te groot. Heeft te veel ruimte nodig.

Men kan niet alles tasten, voelbaar maken, prakken tot een kostje dat behapbaar is.
Er is een beperkt bereik. Zoals de zon schaduw creëert omdat wat smelt onder zijn oog wolken schept.

Zijperspace wil eigenlijk verhaaltjes zijn, maar die grote hoeveelheid toetsen werkt niet mee.

Teug

Hoewel ik me wel eens afvraag waarom ik verzamel wat ik verzamel, artikelen over ’t gebruik van bomen door allerlei organismen (er is ook een hoofdstukje ‘mens’, maar heb die nog niet ver’latijn’iseerd zoals de rest), ben ik blij dat ik ze mag overzetten. Want de opslagplaats Evernote was goed & toen opeens kut & daar ploepte Obsidian plots op. & Nu ben ik al minstens 1½ jaar bezig m’n archief over te zetten naar de laatste.

Maar ondanks m’n vergeetachtig hoofd leer ik veel. Ik kan nu bijv eindelijk systeem aanbrengen door de wetenschappelijke namen te gebruiken (‘Latijnse’ dus).
Waar ik vroeger niets van wilde weten. Maar ze nu strelend over m’n toetsenbord richting beeldscherm vloeien.
Tuurlijk: na ze minstens 3 x in m’n hoofd gestampt te hebben om ’t vooral zonder spelfouten overgeplaatst te krijgen. ’t Juiste systeem na te kunnen leven ook. Hoewel ik Linnaeus ondertussen een eikel vind. Maar dat kan aan de zweedse biograaf liggen, die ’t schrijven blijkbaar nog moest leren, & daarom: wiens toetsenbord afgenomen moet worden.
Aan de andere kant: ik hoor & lees steeds vaker commentaar over dat ‘Systeem’. Waar ik dat waarschijnlijk door onwetendheid eerder gemist heb.

Waar ik afdwaal.
Waar ik dat wel vaker doe.
Maar dan schep ik tegelijk leven in de tekst. Waar dít met dát te maken heeft. Een nieuwe gedachte, een nieuwe lijn naar een oud begrip, een oude standaard, die makkelijk herzien kan worden. Na mijn gedachtegang is er kans om dat opnieuw te doen. Want te vluchtig, te onbenullig, mss ook te laat op de avond.
Maar dat is men van mij ondertussen wel gewend.

Maar beestjes & bomen blijven beestjes & bomen. Zolang wij er tenminste niet een groeiende invloed op blijven uitoefenen.
& Dan maar hopen dat zij winnen, niet wij.

Waar ’t eigenlijk uiteindelijk op neerkomt is dat ik soms de pratende wereld moe ben, de andermans oren ook die qua vorm overeenkomen met die van mij maar inmiddels niet meer kunnen horen wat er straks niet meer is.
De ongeopende oren, ’t wegdrukkend schuldgevoel, ’t leven om te kunnen leven, maar waarom moet ik nou, zonder kinderen, me wél schuldig voelen straks? Als ik waarschijnlijk al dood ben.
Mijn omdraai in graf.

Dus daarom, doe mij na:
Zet uw arm in strek, hand in spreid, rek uw tong in proef, kijk uw oog in straal.
Teug, slok, leef.
& Laat dat weten.
Geef kind, geef schijn, ook ouderdom.
& Vergeet de rest niet.
Nooit.

Geef borst, geef vreugd, hier blijft Zijperspace.

Pleeboek

Dat je je hand er niet voor hoeft om te draaien. Als alles vanzelf. Je moeder toekeek & anders er een tante was die je onderbroek wel even op de juist stand kon trekken.
Volgens mij waren dat de donderdagen, want vrijdag gingen de 4 zussen op boodschappen. Terugkerend met bonnetjes voordat de rekenmachine bestond & er wel eens koffie gemorst werd tijdens die afterparty shopping, ze waren hun tijd qua englisch ver vooruit.
Maar er waren zussen tussen die een fotografisch geheugen hadden. Dan kwam ’t altijd goed. De 3e had een rekenmachine laten implanteren voordat die techniek standaard werd, & oja, die techniek bestond nog niet eens.

De tantes dus; er waren 5 broers, dus waren er 6 van ’t vrouwelijke soort. 1 Van hen was m’n moeder.
Bovendien ben ik de tel kwijt. Moeilijk om al die overleden familie nog ff te bellen. M’n broers die wél alle begrafenissen af zijn gegaan liggen vast te slapen. & Of ze op me zitten te wachten als dat niet ’t geval is: dat is ook maar de vraag.

De volgende generatie zit zich straks af te vragen of ’t wel 6 broers waren.
Die zullen allemaal wel dezelfde behandeling gekregen hebben, zullen ze denken. De tantes verlekkerd dat ze nog eens konden, tussendoor de kinderen die ze zelf daarna nog mochten ontvangen. Blij ook met de gezamenlijke boodschappen, een enkeling met de grote wekelijkse schoonmaak bij m’n moeder thuis, plus dat beschamende moment dat ik naar de wc moest.
Of als eerder: de luier had vol gepoept.
’t Gaf de aanwezige tante alleen maar een extra glimlach. Snoeziepoezie, hoewel dat woord toen waarschijnlijk nog niet bestond; ik moet een gedeelte ook maar uit mezelf proberen in te vullen. Maar die jongste tante heeft ’t misschien wel zelf uitgevonden. Lang voordat ze zelf kinderen kreeg.

Neusknuffelen tussendoor ’t poep verschonen. ’t Was tenslotte geur van ’tzelfde bloed.
Onderwijl: ‘Brrrblllwwwbieuw’. & Ander babytaal. Kroelen onder de kin, met 3 vingers wroetwrijvend over de buik. & In dezelfde ommezwaai de luier vervangen.

Maar ’t ging om die wc dus, maar we kunnen ’t ook stoelgang noemen.
Ik heb ’t idee dat ik van ’t praten erover, dat taboe nadat ik een zogenaamde pleeboek had volgeschreven, doodleuk hangend aan een spijker op de wc beneden, besmet ben met een overigens niet lang niet altijd besmettelijke ziekte dat schrijven heet, want ik poepte dat pleeboek vol, dat was er ook voor bedoeld, met rijmpjes over schijten, scheten, piesen & sassen.
Ideale rijmwoorden. & Dat boek nodigde ertoe uit.
Lege regels waren er te vullen. & Ik had tenslotte schrijven geleerd 2 jaar ervoor.

‘Stel je voor dat er visite komt,’ zei m’n moeder op een gegeven moment.
Er kwam tenslotte daadwerkelijk visite, bij mijn vader de directeur, voor de jaarlijkse vismaaltijd: gebakken scholletjes. M’n oma had ’t helpen bakken.

Ze hebben samen bekokstoofd, waarschijnlijk een tante als hulp, immers ook in de keuken aanwezig, mijn stoelgang te verdoemen.
Nergens een remspoor van mijn 1e dichterlijke vrijheid was er de volgende dag nog te vinden. Slechts een afgekoelde gebakken schol als ontbijt, vlak voor school.
Mijn vaders reputatie evengoed gered.

’t Pleeboek nergens teruggevonden in Zijperspace.

Kloktik

Waar de klok tikt richting slaap, middernachts tegelijkertijd, waar liefst de wens van ietwat later, de bedbehoefte dan, dat de wijzer zich nog vergist.
& Daar ontstaat de onrust. ’t Nog niet willen. M’n vandaag willen vernauwen, verdichten, tot wat vandaag is geweest tot die alweer voorbij is.
De dag vergaan, ’t geheugen gekrompen in een 60+hoofd. Die zich alweer ietwat meer heeft geminimaliseerd de komende volgende ochtend. Waar de laat seizoensrijpe bloemen bloeiend gaan daarbuiten, maar dit traag bejaardgaand hoofd slechts krimpt, zoals hun van ’t voorjaar, veel niet meer bestaan, slechts zaad voor opvolgend pracht.

’t Schijnt ook voordelen te hebben. ’t Berusten, de lethargie. Ook dat je ’t tempo van de wereld hebt leren kennen, z’n omwentelingen, & dat tot voordeel weet te benutten. De tiktok van de voortgaande klok anders beleeft.

Ik kan m’n hoofd opheffen, voordat ik m’n volgende bladzij omsla, snuivend de grassen, ’t krakeel ook in de sloot, waar de jonggeboren vogels hun stem vinden, reeds hebben gevonden rond dit tijdstip.
& Ik de taalslag probeer te doen. Van hier ben ik & ik moet hun zijn ook maar ff opzuigen. Net als die suffe piepkleine wespjes & bladluizen die mijn letters proberen te verstoren. Maar waar ze tegelijkertijd tegen de grotendeels witte achtergrond van de boekbladzijden alleen maar afsteken, hopelijk goed genoeg om mijn foto’s ooit er een juiste identiteit aan af te meten.

Dat wil ik zijn. Iets waar iets aan af te meten was. Al was ’t de lengte van m’n woorden.

& Waar ’t over ging natuurlijk, hier in Zijperspace, zal blijven zijn.

Bankvervolg (laten we ’t nr 1 noemen)

De moeder verscheen opeens in beeld. ’t Moet 2½e week geleden zijn. Terwijl de vader, in mijn optiek, tot dan toe zorg droeg voor de frisse lucht, de noodzakelijke slaap van ’t kind, een rondje in de kinderwagen.
Ik zei ‘m elke keer gedag, maar toen we dat 3 keer op dezelfde middag deden begon de schuldigheid van te goed je best doen een rol te spelen.
We zagen ’t aan elkaar. Soms was een hoofdknik al overbodig. Je kent elkaars aanwezigheid.

Dus……..
Toen verscheen moeder opeens. & Begon ik opeens te twijfelen over hun eigen geboortegrond.
Waren ze engels? Amerikaans wellicht?
& Uit plotse oplossingsdrang voor dat vermeend probleem zei ik gewoon:
‘Glad to finally see the whole family of you!’
Want gedag zeggen is gemakkelijk. Is met een simpel knikje van ’t hoofd al duidend. Een nederlandse ‘hai’ lost veel op voor mogelijk importcitizens. Hai is Hi. Toch?

Maar plots in plots hoe plots vertaald kan worden als iemand opeens in haar 1tje kan verschijnen, met ’t kind hangend aan een wandelconstructie voor op haar borst, kwam zij op veelveel tragere stappen langs mij heen lopen. Veel tragere stappen dan die van hem, al waren die laatste vast ook slaapopwekkend & teer. Babywijs.
Ze was inmiddels mijn gezicht gewend, door de vader geïntroduceerd, door mijn herkennende blik van diezelfde man wellicht ook. & Dat daar een pasgeboren kind bij hoorde.

Je gaat je vragen stellen van wat er…
Ook hoe ’t kind er is gekomen.
Wat de moeite is geweest.
& Hoe de trage tred, o zo trage tred van moeder, haar kind verdedigde, de hartklop weer wilde koppelen met de… trage, langzame, ademhalende, weer mogelijke wandel van moeders.

Maar ze zei me zacht, liplezend gedag. Haar hand op de rug van haar klein.

De bank had 5 min niet meer geen zin meer om te lezend zijn in Zijperspace, want verwonderd des levens.

Voorbijgangervluchten

Je knikt, maar zegt liever gedag. Als in ‘Hai’, ‘Hallo’ of ‘Goedendag’.
Ja, dat gebeurt met hoofdletters. Anders kan ik niet. Tenzij de passant mij negeert. Soms niet erg. Met sport bezig, een koptelefoon, een hond die aandacht nodig heeft.

‘Sorry,’ zei ik vanmiddag omdat ik de groet van 2 dames niet meteen had beantwoord, ‘ik moest 1st de hond gedag zeggen.’
‘Ja, natuurlijk,’ zeiden ze bijna synchroon, ‘heel belangrijk.’
Een eeuwige glimlach maal 2.

Voor de rest lees ik meestal door. Hef m’n hoofd als ik een geluid van een mogelijke volgende voorbijganger hoor, ga dan door, plaats m’n vinger strak op de plek waar ik ben gebleven, totdat de volgende groet geplaatst kan worden.

Een engelstalige man sprak me van de week aan.
‘You always seem to sit on this spot.’
Zo vriendelijk dat hij mijn aanwezigheid hier niet zomaar voorbij wil laten gaan. Zoals meer mensen doen, maar bekeken op een dag van hooguit 3 uur valt ’t mee. ’t Is rustig hier. ’t Zijn vooral bomen met daartussendoor voorbijgaande fietsen. Ook op dit voetpad. Plus dan de wandelaars plus honden.
Ik legde de man uit dat mijn keuze afhing van de zon. & Dat ik daarbij kon kiezen uit minstens 4 banken. In decent English, hoewel hij m’n nederlands ook verstond.

Laatst zaten we hier met z’n 3-en op een rij. Allemaal lezers. Misschien waren ’t er wel meer; ik weet dat er minstens 6 banken op een krommende lijn staan hier. Je hebt hooguit zicht op 3.

Ik was klaar met lezen. 2 Bier op, 1 borrel. Pakte weer in & stapte op m’n bakfiets.
Maar kon ’t niet laten om te stoppen bij ’t bankje waar ik m’n carrière als lezer hier was begonnen, nu bezet door 1 van de andere lezers.

‘Leuk hè,’ zei ik, ‘3 lezers op rij op een bankje hier. Heb ik niet eerder meegemaakt.’

Zij las Marx. In ’t engels. Waar ik me al verschrikkelijk moet concentreren bij NL-boeken. Constant afgeleid.
Maar juist daarom zit ik hier graag. Bomen, groen, rust.
Evengoed klapten we elkanders handen op zeker moment in ons gesprek. Wat niemand je dan meer af kan nemen. Een moment, een verlangen dat nog een keer mee te maken, maar weten dat dat zelden is. Elkaar herkennen uit een doorgaans miljoenensamenleving.
Weten dat wachten op een volgende ontmoeting waarschijnlijk toch niet komt.

Dat gebeurt hier op banken. Je weet meestal niet wanneer, maar ’t vindt keer op keer plots in de tussenliggende stiltes plaats.
Met tussenpozen dus, dat wel. Maar daar hebben ze boeken & geduld voor uitgevonden. & Mensen die je niet zou verwachten.

Daar blijken er best veel van in dat meest rustige plekje van Zijperspace.

Nietmeerweetmeer

Als een kind dat z’n vinger in z’n neus steekt.
Zo sta ik (zit eigenlijk) dan. Waarbij ik alweer ga twijfelen of ‘ik’ buiten of binnen de haakjes moet staan. Maar waar dan?

Zoals iedereen z’n twijfels heeft natuurlijk. Waar ik echter schrijf. Geen vertraging wil. Door wil gaan. Want nu zit alles immers in m’n hoofd. Net rond middernacht. Vinger richting neus, want zo schreef Guus Kuijer immers ooit dat dat een teken van wijsheid was (de Egyptenaren, zo zei hij): ’t naar binnen treden van een kind. De eigen gedachte.

Vooral paniek. Dat ’t voorlopig niet goed gaat komen. Waar al m’n, wellicht tijdelijke, problemen me tegen ’t hoofd stoten.
Bonk, een paal, tijdens dagdromerige wandeling tussendoor onbekommerde natuur.
Ik zal u de lantaarnpaal waar mijn broer me ooit ogendicht toe leidde ditmaal onthouden.

Ik durf wel te beweren dat m’n darmen me dan ook niet helpen. Ze schreeuwen er op los. Blubber & borrel. Dat hoort bij de normale verschijnselen, maar ditmaal is ’t alsof de paniek heeft toegeslagen & zij de woordvoerders zijn. Om beurten, meestal een spreekbeurt van rechts naar links. Klein commentaar ergens onderin als tussendoortje, misschien als tijdelijk eindakkoord.
Morgenochtend krijg ik ’t volledige verslag. Dan kan ik beter een ongelezen boek klaar hebben liggen om de verloren minuten/kwartieren/halfuren nuttig door te komen.

Maar ’t niet meer weten weer. Dat dat terug gekomen is. Als een klein kind dat door een toevallige buurtbewoner achterop de fiets genomen is omdat ze zich niet bekommerde om een mogelijke doorlekkende broek. Of een vroeg generend kind dat schaamte krijsend was.
Ze belde aan. & Daar was ik. 5 Min later schoon. Ruw maar zorgzaam afgeborsteld door moeders.

Dat zijn weliswaar eeuwige overblijfsels, kan ik waarschijnlijk altijd, niet aflatend, doen opborrelen, je moet er echter een reden voor hebben om ’t te laten bloepen. Tevoorschijn. Opeens uit ’t vergetensdal terug.

Maar daarnet was internet weer eens een keertje stuk. Was m’n hele jeugd daardoor kwijt dat ik op dat moment in mijn hoofd had. & Heb ik een nieuwe versie moeten verzinnen.
De woede vanwege dat gemis was echter dermate, dat ik de kracht had de toetsen te dwingen dan maar de waarheid op te biechten.

Zelden dat men over poep praat in Zijperspace tenslotte.