pad (1)

Ik heb me ertoe verplicht. Ik kan moeilijk verlangen dat Sas & Mar ff m’n kelder induiken om de oude magnetron tevoorschijn te halen. Ik hoor gewoon te zorgen dat-ie voor ze klaar staat op de begane grond, als ze ‘m komen halen.

Maar ze weten vast niet dat vorige week er een pad zat op 1 van de onderste treden van de trap naar de kelder. Enkele dagen achter elkaar (ik controleerde ’t elke dag ff).
Ze weten vast ook niet dat die pad plots verdwenen was. Net op ’t moment dat ik dacht dat-ie vast dood was. 3 Dagen roerloos op dezelfde donkere plek zitten houdt geen pad vol, dacht ik. Ik had al bijna m’n moed bij elkaar verzameld om de pad, de dode pad, ter hand te nemen (flink behandschoend, stoffer & emmer mee) & weg te gooien.
De pad was niet meer op de trap. Dat maakte ‘m erg levend. ’t Betekende dat-ie zich kon bewegen. ’t Betekende dat-ie zich overal in de kelder kon bevinden. ’t Betekende dat-ie me plots van achter aan kon vallen als ik me in de kelder zou begeven.
Want padden vallen natuurlijk geregeld mensen aan die hun angst voor hun laten merken. Straks ben ik daarvan ’t levend bewijs. Als ik ’t overleef.

Ik wist helemaal niet dat ik bang voor padden was. Ik schrok wel ‘ns als 1 van die kleine padjes angstig van me wegsprong, als ik met m’n reuzenpoten door de tuin walste. Maar dat schrikken van mij was vanwege de plotse beweging, die ik waarnam in de hoek van m’n blikveld, uit ’t niets. Een instinctieve reaktie, dacht ik. Kijk, wat snoezig die kleine pietepeuterige padjes springend tussen de takjes & blaadjes.
Ik heb ook wel ‘ns een wat groter xemplaar met een bezem bevolen niet m’n huis te betreden. Hij wilde wel luisteren naar m’n zwiepende bezem.

Daar schrok m’n broer van. Wist ik zeker dat die pad niet in m’n huis was? Want hij had ’t niet zo op padden.
M’n broer zou op m’n huis passen, maar als er zich padden bevonden, moest hij er toch vanaf zien.
Nee, die pad heb ik linea recta de tuin in gestuurd (& ik dacht nog ff aan m’n heldendaad met de bezem, die had nu nog wat meer waarde gekregen). & Tuurlijk kon-ie de tuindeuren gesloten houden. Ik snapte z’n angst wel. Ik was zelf vaak ook een schijtlijster, vertelde ik ‘m, als ’t om beesten ging. (Maar padden daar was ik toch niet bang voor, dacht ik).

Ik ben me nu geestelijk aan ’t voorbereiden. Binnen 1½ uur moet dat voorbereiden hebben plaatsgevonden. & Dan zal ik mij richting kelder begeven.

Ik ben nu stelselmatig alle scenario’s aan ’t aflopen. ’t Scenario dat ik ‘m dood aantref (erg populair, blijft hoopvol door m’n hoofd gaan); ’t scenario dat-ie gegroeid is (onmogelijk, hij heeft geen eten); ’t scenario dat-ie kwaad is (kan niet; padden kunnen niet kwaad worden op mensen; bovendien kan-ie niet weten dat ik ‘m moedwillig heb laten verhongeren); ’t scenario dat-ie me aanziet voor een maaltijd (dan lijdt-ie verschrikkelijk veel honger & aan hoogmoedswaanzin); ’t scenario dat ik ‘m verpletter aan ’t eind van de trap (hele dikke schoenen aantrekken & de tuinslang klaarleggen om de viezigheid weg te wassen); ’t scenario dat-ie onder de magnetron vandaan komt (dan moet ik Sas & Mar vertellen dat de magnetron helaas niet meer te gebruiken is, vanwege een ongelukje).
Nog 1½ uur om me op andere scenario’s voor te bereiden.

We hebben ’t scenario van Zijperspace nog niet klaar.

zoen

M’n moeder, da’s 3 zoenen. Net als m’n vader, maar dan moeten we er nog ff over nadenken, want m’n pet moet af. Waardoor een ½e misser.
Quint: 3 zoenen. Net als Ilse. Laura 1.
Shinn, m’n neefje, 1 zoen, ook op de mond. Dat hoort bij kleine kinderen.

Jan 3 zoenen, Leny ook. Luka dezelfde zoen als Shinn.
Daar is opeens Jana: voor de 1e keer haar ook 3. Zij is ook ouder geworden tenslotte.
Yvon 3 zoenen. Theo ff later ook. Jet duikt weg, wil me niet kennen.

Carel komt binnen met z’n gezin. 3 Zoenen voor hem. Zo ook Franchet. Lola 1. Billy heb ik ook geprobeerd, maar dat had geen zin. Te jong.

Bij afscheid nogmaals ‘tzelfde. Behalve dat ik geen tijd had voor Jan, Theo, Yvon & Jet.
Bedenk me achteraf dat ik Marc totaal geen zoen gegeven heb, maar dat lag aan de omstandigheden van in- & uitstappen van de auto.

Marlies wilde ik onderweg gedag zeggen. 1 Zoen. Iets te vroeg. Later herkansing bij echt afscheid. Ietwat onduidelijk waar ik moest stoppen, welke de juist gemikte.

’t Record staat vandaag op 4 in Zijperspace.

feest

Ik kreeg gister nog een telefoontje van Theo. Of er voor mij nog een mogelijkheid bestond 10 speciale biertjes mee te nemen. In m’n rugzak. Misschien in een gewone tas. Of dat zou kunnen.
Stom. Normaal denk ik er zelf al weken van te voren aan. Voel ik me later bezwaard als er niet enthousiast op gereageerd wordt. Alsof ik ’t bier opdring, m’n smaak, m’n werk.

We moeten ’t dit jaar maar vieren, was de gedachte. ’t Zou heel goed mogelijk zijn dat Pa ’t over 5 jaar niet meer mee kan maken. Geestelijk dan. Misschien de laatste kans dat we aandacht aan ’t zoveel-jarig huwelijk van ze kunnen besteden. Bovendien werd Pa afgelopen woensdag 70.

Ik belde woensdag. Ik moest Marc hebben. Die was niet te bereiken op z’n mobiel, dus zou hij wel bij m’n ouders zijn.
’t Wilde niet lukken met ’t kado dat we voor Pa wilden kopen. Je zou denken dat dat soort dingen makkelijker verkrijgbaar zijn in Amsterdam, maar ’t was nergens te vinden.
Ik begon er al over toen ik m’n moeder aan de telefoon kreeg.
‘Ook gefeleciteerd met je vader,’ onderbrak ze me.

Tijdens m’n vakantie had m’n moeder al geprobeerd me te bereiken op m’n mobiel. Misschien dat ik zin had hun te feliciteren met hun 45-jarig huwelijk, was haar vraag, toen ik uiteindelijk 2 dagen later verontrust terugbelde.
De dag na m’n vaders verjaardag vergat ik de 1e verjaring van m’n nichtje. Nog een dag later die van Marc. Maar die kreeg ik ook per ongeluk aan de telefoon. Wederom om te informeren wat we nou zouden doen met ’t kado voor Pa.

Alle broers, schoonzussen, kleinkinderen & natuurlijk Pa & Ma komen in de eendenkooi van m’n broer bij elkaar vandaag. De rest van de familie, kennissen & vrienden volgen later wel. Of niet. Ze willen ’t niet zo groot. Daar kan m’n vader toch niet meer tegen. Hij zal evengoed wel ’t overzicht verliezen als z’n 6 kleinkinderen om ‘m heen hupsen & hollen. & De broers hun best doen de leukste grap te maken om een ander. Dan zal-ie zich wel af & toe afvragen waarom we daar toch met z’n allen bij elkaar zijn. & 1 Van ons antwoord vanmiddag dan geduldig dat ’t vanwege 45 jaar is.
‘Oja, oja,’ hoor ik m’n vader al zeggen.

& Ik denk dan dat ik alles moet vasthouden. Ik mag niks vergeten.
Eigenlijk denk ik er dan ook bij dat ik ‘m nog altijd wil vragen hoe zijn avonturen in z’n jeugd waren. Of ’t eten in de oorlog wel smaakte. Hoe ’t was op ’t cruise-schip. Hoe hij m’n moeder heeft versierd. Hoe de jaren in Schoorl waren. Waarom ze hem als directeur hebben gekozen. Hoe ’t was om 5 dagen in de week 100-en meisjes om zich heen te hebben. & 6 Zonen als de meisjes er niet waren.

Maar waarschijnlijk vind ik ’t ook te druk. & Wil ik net als m’n vader een wandeling maken door ’t bos van de eendenkooi.

Dan maken we nog een rondje door Zijperspace.

geluid

Als alles stil was begonnen ze. Tineke sliep dan altijd al. Ik was gedwongen er in m’n 1tje getuige van te zijn. & Zolang ’t duurde leek de slaap me ook niet meer te kunnen vatten.
De nacht werd voor een wijl gekenmerkt door ’t zachte geluid dat m’n buren maakten; ze leken hun best te doen ’t niet door de wanden & vloeren te laten dringen. Maar tocht werd mijn slaapkamer gevuld met ’t geluid van de buurvrouw & een klein beetje piep van hun bed. Heel regelmatig & langzaam opzwellend. Als je ’t de hele dag zou horen zou ’t gaan funktioneren als ’t getik van een klok, maar omdat ik volledig doordrongen was van ’t feit dat ’t iets anders was & slechts tijdelijk, hield ’t me wakker. Deed ’t me beseffen hoe verkeerd de plek was waar ik me op dat moment bevond.

Ik lag in een 2-persoonsbed. Naast m’n vriendin Tineke. Die bewoog niet; ik hoorde haar slechts ademhalen. Zeer regelmatig. Ze zat er al diep in. Zelfs als ze bewoog, hing over haar de sluier van diepe slaap. Er was geen mogelijkheid meer te communiceren. & ’t Licht aandoen voor ’t lezen van een boek deed ik ook niet. Want ik moest m’n best doen haar ademhaling niet te verstoren. De ademhaling van iemand die totale rust geniet.

’t Was niet alleen ’t geluid van m’n buurvrouw, haar stille piepjes, die steeds iets meer omhoog gingen in toonhoogte; niet alleen ’t bed dat kreunde van genoegen, genot dat ’t werd gebruikt waar ’t zich op had ingesteld. ’t Was ook de vloer die langzame druk uitoefende op de afscherming tussen de buren & ons. Eigenlijk moet ik ‘mij’ zeggen, want ik was de enige die er getuige van was. De vloer, waarschijnlijk parket, liet zich niet onbetuigd. Ongemerkt drong hij zich op de voorgrond.
M’n bovenbuurman gaf als een dirigent ’t ritme van ’t geluid aan. & Geleidelijk aan ging-ie wilder met z’n dirigeerstokje zwaaien. De kunstmatige afscherming die mij van de bovenburen scheidde, werd allengs heftiger in z’n toonaarden, z’n snelheid van opvolgende geluiden & gewaagder in ’t hoorbaar maken van ’t ritme dat opgeschroefd werd.
& M’n buurvrouw piepte door.

Ik voelde me eenzaam in m’n niet-kunnen-slapen. De nacht was over me heengevallen & hield me gevangen in een ijzeren greep, waarin ik niet anders kón dan ’t aanhoren. Wachten tot ’t over was. Wachten tot ik weer aan de beurt was. Wachten tot ik ergens anders zou zijn.

’t Gebeurde ong 1 keer per maand. Dat ik er getuige van was. In de loop van m’n verblijf in die woning werd de frequentie opgeschroefd naar 1 keer per week. & Steeds mocht ik er als enige getuige van zijn. M’n hoofd verborgen in de kussen, de donkere nacht als verbod om meer te zien om me heen gedrapeerd. Dat duurde dan meestal 15 minuten. De piepjes werden aan ’t eind zachte gilletjes, ’t kreunen van ’t bed lichte bonzen tegen de muur aan, ’t ritme van de dirigent als een trage drumsolo.

& Dan was ’t over. Ik hoorde niets meer. Hooguit wat plakkerige voeten over de houten vloer. Ik bedacht dan dat ik zelf ook moest plassen. Klom over m’n vriendin heen & liep door de gang.

Jaren later kwam ik m’n vroegere buurman tegen. Hij had nog steeds dezelfde alleenstaande blik in z’n ogen. Maar ze waren naar Amsterdam verhuisd, vertelde hij me, ze waren getrouwd & hij was psychologie gaan studeren.
Maar op ’t moment dat ik hem zag, zag ik geen geluiden. Ik hoorde geen gepiep. ’t Bed zag ik niet bewegen. & Ik stelde me vloerbedekking bij hem voor. & Zelfs dat zonder slijtplekken.

Blijkbaar was dat de grootste stoorzender van nachtelijk Zijperspace.

ochtendplas

Vanochtend heb ik ’t mooiste stukje geschreven tot nu toe. Beter kon ik niet, dacht ik, hoewel ik beter wist. Maar ’t was een fantastisch goed stukje, dat was zeker.

Ik werd gewekt door m’n ochtendplas. Of eigenlijk m’n behoefte er aan: m’n blaas stond op knappen. Net als elke andere vroege ochtend (ik zou hier een Ochtendplas-O-Meter moeten neerzetten; dat zou pas interessant zijn: dan kan men zien hoe regelmatig mijn leven eigenlijk wel is).
Ik maak van m’n tocht richting wc altijd gebruik om een hengst tegen de muis te geven, zodat ’t beeld weer op ’t comp-scherm verschijnt. Teruggekomen kijk ik dan of er nog belangwekkende dingen zijn verschenen op m’n comp dan wel internet. Ik lees een meeltje, neem m’n eigen teksten nog ‘ns door & verbeter hier & daar nog wat. Die handelingen zijn inmiddels een soortemet ochtendritueel, lang voor opstaan, geworden.
Ik ga daarna weer in bed liggen, val snel weer in slaap & wordt enkele uren later defintief wakker.

Vandaag echter niet. Ik ging verder met m’n boek. Was ’t plan.
Ik raakte al lezende meer & meer bevangen door een stuk tekst die zich langzaam in m’n hoofd ontwikkelde. Zin voor zin vormde zich. ’t Leek een onontkoombare struktuur te hebben, alles volgde als vanzelf op elkaar. Ik hoefde niet echt na te denken; de associaties deden zich aan als logische gevolgen.
’t Enige wat ik hoefde te doen was opstaan & teruglopen naar de comp. Ik was nu weer fit genoeg. Ik kon enkele blz van m’n boek lezen, dan kon ik ook een tekst in getypte woorden omzetten.

In gedachten zette ik nog ff de puntjes op de i. Liet ’t geheel zich nog ff door m’n hoofd afspelen. Bedacht me dat ’t wel een verschrikkelijk goed stuk schrijven zou worden. Beter had ik tot nog toe…

Toen brak fase 2 van de nachtrust aan in Zijperspace.

lelijk

Astrid heeft gelijk. Als je een lelijk mens ziet, ga je meteen denken van: ‘God, zou ik er ook zo uit kunnen zien?’ Of: ‘Zouden mensen die indruk van mij ook kunnen hebben?’
Waardoor wij knappe mensen, mensen die er op welke leeftijd ook er best wel mogen zijn, lekker van lijf & leden, je krijgt meteen trek in zoenen als je mensen als ons in ’t vizier krijgt; waardoor wij knappe mensen dus aan onszelf gaan twijfelen. We worden onzeker, of anders krijgen we wel ’t gevoel dat we de andere lelijke mensen moeten helpen. Waarom denk je anders dat al die anti-rimpel-crêmes zijn uitgevonden? Niet voor de knappe mensen. Die waren al knap. Die moeten slechts dmv advertenties & filmpjes de lelijke mensen ervan overtuigen dat ’t echt een goed idee is om die lelijke rimpels weg te werken.
’t Zou dus beter zijn dat er minder lelijke mensen op de wereld waren. Dat gaat minder ten koste van ’t humeur van de knappe mens & dat zal uiteindelijk ook behoorlijk kostenbesparend blijken te zijn. Want wie heeft er dan nog dure anti-rimpel-crêmes nodig? Of psychische begeleiding vanwege een minderwaardigheidcomplex?
Wij niet in ieder geval. Hè, Astrid?

graffitti

Holle vaten klinken Ton

Bovenstaande zinsnede was regelmatig te lezen op de muren van de heren-wc op de begane grond.
Je weet dat je er mee te maken krijgt als je in de horeca werkt. Bij de ene klant ben je ongemeen populair, bij de ander kan je nooit ook maar iets goed doen.
& Ondanks die kennis trok ik ’t me toch aan. Ik wist bij wie ’t vandaan kwam, hoewel we ‘m nooit konden snappen op ’t hanteren van de stift. & Juist omdat ik wist wie de dader elke keer was, wist ik ook dat ik ’t gewoon over me heen moest laten gaan.
Maar ’t had iets van een campagne. Als de schoonmaakster de muren weer ‘ns had geboend, stond ’t er enkele dagen later weer.

Totdat m’n collega met Frank een praatje maakte.
‘Frank, we weten allemaal dat jij ’t elke keer schrijft.’
Hij ontkende ‘t.
‘Je moet ‘ns ophouden met dat kinderachtige gedoe,’ zei Fret er achteraan.
Frank ontkende ’t nog een keer.
Vanaf toen hoefde de schoonmaakster de muur van de heren-wc echter niet meer te schrobben met een ruwe borstel.

We hebben sinds kort een nieuw wc-blok. Nieuwe wc’s, nieuwe pisbak, nieuwe lokatie binnen ’t gebouw, nieuwe deuren, niewe tegels. Alleen nog niet helemaal afgewerkt. Alles moet nog een 2e laagje verf krijgen. Maar de bouwvakkers zijn nu ff met iets anders bezig.

Tijdens m’n vakantie zijn alle nieuwe deuren beschreven.

We love Ton (zien we je zondag?)

Ton is the best

I love Ton, afz Jojanneke & Jasmijn

Dat mag nog wel een tijdje blijven staan, heb ik besloten. Weer ‘ns wat anders. Van mij hoeven de heren verbouwers nog niet aan ’t xtra likje verf te beginnen. Ik vind ’t eigenlijk een aanwinst voor de brouwerij. Misschien kan ik voorstellen dat ’t zo blijft.

De laatste tijd krijg ik regelmatig van dames te horen:
‘Heb je gezien wat er op de dames-wc staat?’
‘Ja, mooi hè. Maar dan heb je nog niet gezien wat er op de deur van de heren staat geschreven.’
Waarna ze bij de volgende plaspauze de heren stiekem proberen te bezoeken.

Gister vroeg Annette aan mij:
‘Wat heb je met die vrouwen gedaan dat ze zulke dingen op de deuren van de wc schrijven?’
Ik keek haar ff aan. Rustig, gecontroleerd. Ik had de situatie in handen, zo liet ik door m’n gezichtsuitdrukking doorschemeren, maar liet met een vage glimlach ook merken dat ik ervan genoot.
Ik ademde ff wat dieper dan normaal.
‘Annette, als je dat zou weten,’ zei ik langzaam, ‘dan zou je zelf ook mijn naam op de wc-deur gaan schrijven.’

’t Was een tijdje stil in Zijperspace.

toiletpapier (3)

’t Kost me verschrikkelijk geen moeite om over bepaalde dingen te schrijven. De zinnen vloeien als vanzelf uit m’n handen, ’t toetsenbord op. Soms heb ik ’t gevoel dat m’n vingers al golvend zich voortbewegen over de toetsen. Waarbij ze slechts een enkele keer de del- of backspace-knop hanteren.
Maar dat gevoel is vaak onderwerp-afhankelijk. Over de meest onbenullige objekten in m’n huishouden kan ik meters woorden aaneenrijgen. Iets dat een ½e meter van ’t onderwerp verwijderd is, iets dat vaker door mij wordt gebruikt, & bovendien een grotere bijdrage levert aan ’t algemeen comfort van ’t leven alhier, kan mij niet eens tot een gedachte aan ’t voorwerp zetten. Alsof ’t niet bestaat, buiten ’t moment van gebruik.

Neem nou de vuilniszak. Ik erger me regelmatig aan ’t feit dat-ie in een mum van tijd weer gevuld is. ’t Moment van vervangen stel ik zolang mogelijk uit door elke keer weer de troep nog eens flink toe te stampen. Tot de nok toe is de zak dan gevuld met allerlei spul dat ik niet waardig vind te bewaren, maar waar blijkbaar ook geen verhaal aan vast zit.

De pannenlappen. Als ik aan ’t koken ben, beginnen ze altijd in de positie vlak naast ’t gasfornuis, bovenop de magnetron. Ik roer wat in de pan, gebruik makend van 1 van de 2 xemplaren, & ben ‘m vervolgens kwijt. Ik heb er gelukkig nog 1 liggen, maar na de 2e handeling is ook die foetsie. Ik vind ze weliswaar weer terug, maar ik moet er altijd naar zoeken op een moment dat ’t eten bijna staat aan te branden.
Maar om daar nou een stukje over te schrijven. Langer dan de dubbele lengte van bovenstaande alinea zal ’t waarschijnlijk niet worden. (Inderdaad: te kort voor opname in Zijperspace).

Belangrijke papieren raak ik ook altijd kwijt. Op momenten dat ik ze nodig heb, moet ik vaak ’t hele huis doorzoeken.
Ik moet er bij vertellen dat ik eigenlijk bijna nooit iets kwijt raak. Alles heeft zo z’n vaste plaats. Datzelfde geldt voor m’n belangrijke papieren. Maar omdat ik veel als belangrijk papier omschrijf, niet zo snel de neiging heb iets weg te gooien, & ik daarnaast de afwijking heb om de inhoud van belangrijke papieren na opruiming onmiddellijk te vergeten, kost ’t me moeite om ’t juiste papier op ’t juiste tijdstip terug te vinden.
Die papieren vormen waarschijnlijk een te grote frustratie om daar met voldoening een stuk tekst over samen te stellen.

Zo zijn er meerdere objekten in m’n huis die een groot gevoel van onvermogen leveren zogauw ik alleen maar over ze na moet denken. Zoals daar zijn: de discman, m’n telefoon, de afwas, de was, de stofzuiger, stofdoekjes, de rugzak, de inhoud van de rugzak, ontvangen ansichtkaarten & briefjes, & natuurlijk m’n ongevouwen t-shirts.

Nee, dan ’t toiletpapier.
Als kind was ik al gedreven (& bedreven) in ’t maken van toilet-rijmpjes, plee-dichtsels, wc-geneuzel. Die kon ik achterlaten in een soortemet ‘Plee-boek’. Daar moest ik mee stoppen, vond m’n moeder. Wat moest de visite wel niet denken als ze een rijmpje over de kleur van een drol onder ogen kregen?
Dus werd m’n broer, gelegen in ’t bed boven me, slachtoffer van m’n verhalen over m’n wc-avonturen. Niet in rijmvorm meer, ik was geen sneldichter, maar wel in saillant detail.
Later kregen m’n vriendinnen de rol van toehoorder toebedeeld. Kon ik vertellen hoe een goede scheet welluidend kon klinken & hoe je poepte als je 3 dagen achter elkaar alleen maar patat had gegeten. Dit al smeuïg & behoorlijk opgesmukt.

Maar goed, ik zal ’t hier niet nog ‘ns over toiletpapier hebben. Bovenstaand schrijven was een poging ’t onderwerp te mijden.

& U toch een kijkje te geven in de wereld die Zijperspace heet.

interviewer

Roald was een interviewer. Hij kon niet anders. Niet omdat-ie perse interviewer wilde zijn; ’t kwam door z’n niet-aflatende stroom aan vragen die hij eenieder die hij tegen kwam te stellen had. Tot vermoeiens toe. Ik liet ‘m maar z’n gang gaan, zo kwam ik nog ‘ns wat te weten, & intervenieerde wanneer de geïnterviewde een vijandelijke houding aannam. Roald wilde gewoon van alles weten. Z’n gedachten maakten andere sprongetjes dan dat ’t geval was bij andere mensen. ’t Leek alsof hij dmv de vragen zijn gedachten aan de rest van de wereld probeerde aan te passen.

’t Gekke was dat Roald ondanks z’n soms wel botte vragen toch vaak eerlijke antwoorden kreeg. Sommige mensen vonden de aandacht leuk, anderen beschouwden ‘m na de 1e vraag al als een gek, maar meestal antwoordden ze allemaal naar waarheid.
Iedereen in mijn omgeving werd vroeg of laat slachtoffer van Roald z’n vragen-manie. Dus ook de vrienden die ik door m’n nieuwe studie had leren kennen. De meesten daarvan ondergingen z’n spervuur van schijnbaar onbenullige vragen gelaten.

Ik was er al aan gewend. Ik zag Roald bijna elke dag. Al 4 jaar lang. Alleen een vrouw zou daar tussen kunnen komen. Maar ook daar had-ie genoeg vragen over te stellen.

‘Waarom wil je een vrouw?’
‘Komt ’t door je broers?’
‘Wat voor vrouw zie je dan voor je?’
‘Jij houdt dus eigenlijk alleen maar van blonde vrouwen?’
‘Hoe komt ’t dat er dan niemand homo in je familie is?’
‘Ken je je broers eigenlijk wel?’
‘Zou een vrouw Den Helder wel mooi vinden?’
‘Wie zegt dat ze in Amsterdam wil wonen?’
‘Komt ’t doordat je groot geschapen bent?’

’t Kostte me wel ‘ns moeite om Roald in te lichten over de feesten waarvoor ik uitgenodigd was. ’t Betekende geheid dat-ie meeging. Alsof ’t vanzelfsprekend was. Ik had niet altijd zin m’n nieuwe vriendenkring met Roald op te zadelen. Ik kon ’t prima met ‘m vinden, ik kon tot diep in de nacht met ‘m ouwehoeren, maar ’t was wel ‘ns vermoeiend te zien hoe de confrontatie met anderen uit de hand liep. Want ’t waren vaak confrontaties die hij bewerkstelligde.

Ook op mijn verjaardag viel-ie mensen lastig met z’n vragen. Hij had die avond een zeer groot publiek van willige monden tot z’n beschikking. Hij wist dat mensen maar wat graag over zichzelf praten. Daar maakte hij gebruik van. Om z’n nieuwsgierigheid te bevredigen, maar meer nog deed-ie ’t om z’n theoriën te testen. Theorieën over hoe de menselijke psyche in elkaar zat. De psyches van mensen die met mij omgingen.
De avond van m’n verjaardag was voor hem alles toegestaan, want iedereen kende hem tenslotte als de beste vriend van Ton.

Hij heeft zich die avond uitstekend vermaakt. Pulkend & draaiend aan z’n sigaret die hij niet aanstak (de beste methode voor Roald om niet opnieuw te beginnen met roken) nam-ie ’t ene na ’t andere interview af.

‘Waar kom je vandaan?’
‘Heb je daar lang gewoond?’
‘Hoe komt ’t dat je niet kan horen dat je daar vandaan komt?’
‘Zijn je ouders misschien gescheiden?’
‘Dan heb jij zeker de Kameleon als klein kind gelezen?’
‘Wie vond je leuker: Sietse of Hielke?’

Uiteindelijk was ook ik weer aan de beurt. Hij had blijkbaar de hele ronde van gewillige respondenten gemaakt.
‘Met welke vrouw zou je ’t liefst vannacht willen slapen?’
‘Met Martine,’ zei ik, terwijl Martine schuin voor me zat.
De wangen van Martine kleurden rood. Roald hield z’n mond.

’t Kostte me die nacht zomaar ‘ns geen moeite om Roald bijtijds de deur uit te krijgen.
‘Martine blijft slapen,’ was m’n poging ’t Roald uit te leggen, terwijl ik ‘m uitliet.
‘Ja, ik snap ‘t. Ik zie je morgen.’
Hij liep de trap af. In z’n mond de onaangestoken sigaret.
Ik zou ‘m de 7 daaropvolgende maanden weinig zien. De dag erna heb ik ‘m in ieder geval helemaal niet gezien.

Er was een vrouw verschenen in Zijperspace.

aanraking

Ik lees een passage in een boek, over iemands 1e lichamelijke kontakt met een vriendin. Waardoor ik me probeer te herinneren hoe de 1e aanraking met 1 van mijn vriendinnen zich voor heeft gedaan. Er schieten me wel x-vriendinnen te binnen, maar niet de 1e momenten van kontakt. Niet de 1e aanrakingen. Wel aftastende & gewaagde zinnen, maar niet ’t moment suprême.

& Akelig vervelend nestelen beelden zich op m’n netvlies van een treinreis. Een treinreis die minstens een nacht duurde, gezeten in een coupé voor 8 personen. Waarbij alle 8 plekken bezet waren. Waarbij alle coupé’s in dergelijke mate bezet waren.

Tegenover me zat een meisje. Ze werd vergezeld door 2 vrienden, die net zo onverstaanbaar duits spraken als zij. Ik wist dat ’t duits was, maar verder reikte m’n kennis over de duitse taal opgedaan aan de middelbare school niet.

Met 8 man in een coupé voor 8 man. Hoe zou ’t in godsnaam mogelijk zijn hier te slapen, vroeg ik me af. Allemaal rechtopzittend in de stoel? Dat leek mij onmogelijk.

Tot de onverstaanbaren omstebeurt hun voeten onder de leuningen van de overbuurman stopten. & Langzaam schoven ze op hun zij, in een oncomfortabele, maar slaapbare houding. Daarvoor had je veel bagage of truien onder je hoofd voor nodig. Maar dat had iedereen, dus dat kon ’t probleem niet zijn.
’t Werd tijd dat ik me ook aan die manier van liggen ging wagen. Ik kon moeilijk de hele nacht door de gangpaden van de trein gaan wandelen, af & toe plaatsnemend op m’n stoel om naar ’t gesnurk van m’n medereizigers te luisteren.
Ik besloot m’n voeten net als de rest van de coupé-bevolking onder de leuning aan overzijde te steken. Dat was die van m’n onverstaanbare overbuurvrouw. Dat moest geen probleem zij, want zij had ze tenslotte al links van mij gestopt.

Maar naarmate de nacht vorderde kwamen de lichamen van de toevallige coupé-genoten dichter bij elkaar. ‘tZelfde gebeurde met die van m’n overbuurvrouw. Op een gegeven moment voelde ik zelfs haar benen tegen m’n onderbuik. Op onverantwoord gedachte plekken, ware ’t niet dat zij sliep. & Haar 2 vrienden met haar.

Ik kon niet slapen. Dit was teveel voor mij. Ik voelde de benen van een totaal onverstaanbaar meisje tegen m’n buik. Ik kon haar voeten door haar sokken ruiken. De o zo nette witte sokjes. Terwijl haar schijnbaar vriendje ’t moest doen met haar schouder op een afstand van 20 cm, mocht ik ruiken aan haar zweetgeuren aan de onderkant van ’t lichaam. & Mocht ik met haar een omgekeerd lepeltje/lepeltje vormen. Zonder enige ervaring in deze. Zonder haar te kennen. Zonder haar te verstaan.

Plots bedacht ik me dat ik ook een slaapzak bij me had. Ik ritste die tevoorschijn, legde die stilletjes onder alle overhangende benen, midden tussen de banken, & legde me daar neer. Nu kon ik alle voeten ruiken. Maar alle warmte straalde niet meer direkt m’n lichaam in. Alles steeg nu naar boven. & Ik sliep onder. Inderdaad, ik sliep. Uiteindelijk.

& Droomde verder over hoe lichamen elkaar werkelijk naderen in Zijperspace.