toiletpapier (2)

Ik had ’t toiletpapier nog maar net gekocht, ik wilde ’t op een geschikte bij-de-hand-plek plaatsen, zodat ik niet met neergestreken broek de keuken in hoefde te strompelen, toen ik opgeschrikt werd door een levensgrote mot. Van circa 3 cm lang. Spanwijdte was ong van dezelfde lengte.

Zwiep, ging ik bij signalering ervan onmiddellijk met m’n handdoek, kledderend in de nattigheid van de douche die ik vlak voor de boodschappen had genomen. Mot bleef echter zwalkend vliegen. Nog meer in paniek dan mijn menselijk bewustzijn, zo bleek uit de onverwachtse wendingen & ’t dwangmatig gezoek naar ’t felste licht.
Ik pakte er nog een handdoek bij, benauwd als ik ’t kreeg van ’t monsterachtig beest, dat zeker als levensbedreigend beschouwd mocht worden.
Klats, ging ’t daarmee tegelijkertijd met de andere handdoek tegen de muur, vlak naast de spiegel, die bij aanraking zeker naar beneden zou zijn gekletterd. Maar ja, de angst was dan ook kompleet: ik kon binnen enkele sekonden levenslang verminkt raken door dit vileine beest.

Uiteindelijk kwam de mot dodelijk vermoeid van ’t onstuimig fladderen op de koude vloer van m’n douche-ruimte terecht. Vlak achter de wc-pot, waar ik net de nieuwe papier-voorraad had geplaatst.
Ik moest van deze situatie profiteren, dacht ik, wist alleen niet hoe. Ik kon geen wc-papier van de closetrolhouder halen, die was immers leeg. De nieuwe voorraad stond vlak achter ’t moorddadig beest; als ik die opnieuw zou oppakken zou de mot vast met door de beweging opgewekte adrenaline een nieuwe aanval wagen.

Dus zette ik ’t hele pakket in een flukse beweging bovenop ’t beest. Zodoende uit beeld, bovendien overladen met wc-papier. Een mooiere manier van sterven kon ik me niet wensen voor de mot.

Vanochtend heb ik de wc-rollen van ’t kadaver opgetild & op de reguliere plek teruggezet. ’t Lichamelijk overschot zou ik wel opruimen zogauw ik daar emotioneel weer tegen opgewassen was.

Toen ik vanmiddag thuis kwam & ’t toilet wilde gebruiken, ontwaardde ik de mot bovenop de oude wc-rol, hangend aan de closetrolhouder. Terwijl ik toch zeker wist dat ik ‘m de dag ervoor geplet had. Schijnbaar hing-ie daar als herinnering aan m’n aktie van gister. De mot wilde blijkbaar genoegdoening door me een mottentrauma te bezorgen.
Ik pakte onversaagd wat wc-papier uit ’t pakket & plette daarmee de lastige indringer. Ik spoelde zodoende ’t 1e beetje nieuwe wc-papier vergezeld van een mot door de pot.

Elke dag is ’t een kunst te overleven in Zijperspace.

toiletpapier (1)

Ik werd er van de week door Cockie op geattendeerd. Ik moet eigenlijk zeggen: ik realiseerde me daardoor plots weer hoe mensen ongegeneerd, en plein public, met een wc-rol kunnen lopen. Iets wat vooral op campings plaatsvindt.
Dat zal men mij niet zien doen. Heimelijk haal ik ’t toiletpapier uit m’n rugzak tevoorschijn, frommel ’t nog ff weg, om andere benodigdheden bij elkaar te verzamelen, & stop ’t vervolgens onder m’n trui of moffel ’t weg in een handdoek.
Ik zou een beetje gaan etaleren dat ik van plan ben een grote boodschap te gaan doen in dat hok, de sanitaire ruimte, waar ong 100 mensen dagelijks gebruik van moeten maken. Ik wil nog een beetje privé houden op een plek waar middernachtelijk iedereen iedereen kan horen ademhalen, je de buren van 10-tallen meters verderop een nrtje hoort maken, & je al snel een grote drinker lijkt zogauw je rond datzelfde tijdstip je ritssluiting laat horen.

‘Dames & heren vakantiegangers,’ weerklinkt de luidspreker vanaf de receptie, ‘de jongeheer die zich zojuist heeft ingeschreven op uw aller camping Weltevree, genaamd AFB Zijp, herkenbaar aan z’n groene outfit & 1-persoonstentje, heeft zojuist z’n wc-rol in de hand genomen & is op weg naar toiletblok C. ’t Laat zich raden wat voor geuren hij daar achter zal laten. Dit delen wij u mede, opdat u niet kunt zeggen dat wij u niet gewaarschuwd hebben. Wij wensen u nog een genoeglijke dag toe.’

Dat lijkt me ong van dezelfde strekking.
Ik loop liever naar ’t sanitair gebouw om de schijn op te houden dat ik een douche neem, m’n kapsel opkalefater, of een frisse mond poets. Ik heb geen zin om vreemde blikken te ontmoeten van mensen die denken: ‘Zo, die stank die ik me moest laten welgevallen tijdens ’t scheren, was dus afkomstig van jou. Jij, wc-rol-drager.’

Afgelopen maandag was ’t weer noodzakelijk dat ik een nieuwe voorraad in huis haalde. Ik bedacht ’t me voor de 7e maal in 3 dagen; nog maar een paar stoelgangen & ’t zou te laat zijn. Dus besloot ik wat vroeger de deur uit te gaan om nog net ff heen & weer naar de supermarkt op de hoek te kunnen.
Ik trof een handig verpakt 12-stuks Perfekt (zelf ook nog nooit van gehoord, maar ’t zag er ’t meest milieu-vriendelijk, onopgesmukt met blaadjes/tekentjes/voetballetjes, dik genoeg uit). Handig verpakt, omdat ze 2x2x3 gerangschikt waren, wat een kompakt gevoel gaf. Bovendien, maar daar kwam ik tijdens de wandeling richting kassa pas achter, hadden ze er een plastic draag-reepje bovenop bevestigd, zodat je ‘m gemakkelijk kon meezeulen.

& Toch vond ik ’t een raar gezicht. Een vrijgezel (volgens mij weet de hele straat hier dat op 166-hs een alleenstaande jongeheer woont) loopt met 12 rollen wc-papier. Hoelang zou hij er over doen om al die 12 rollen op te vegen aan z’n achterwerk? & Als je ‘m ernaar zou vragen, zou hij dan beweren dat-ie ’t ook gebruikt om z’n neus te snuiten, of viezigheid op te ruimen? & Waarom heeft-ie een potje mosselen in z’n andere hand?

Ja, dat potje mosselen kon ik niet laten. Na er van de week 2 aangeboden te hebben gekregen van een klant, droop ’t kwijl me van m’n mond bij ’t binnentreden van de supermarkt. Recht voor me stond meteen een pot mosselen in wijnazijn.
Absoluut geen kombinatie met wc-papier. Dus hield ik ditmaal de mosselen ½ verstopt in m’n zij (’t was een hele warme dag; een trui zou nog verdachter hebben gestaan) & kwasi-nonchalant ’t bungelende ‘2-lagen zacht & sterk 12 x 200 vel toiletpapier’ in m’n andere hand.

Vanochtend kwam ik bij m’n voordeur een jongen, zeker 8 jaar jonger dan ik, tegen, met ’t zelfde hangende pakketje in z’n handen. Doodgemoedereerd passeerde hij m’n huis, alsof-ie mij erop wilde attenderen dat-ie mij van de week heus wel schielijk had zien lopen. Kijk ‘ns hoe dapper & zonder gêne hij de buurt wist te doorkruisen, leek hij met z’n houding te willen zeggen.
‘Pfff,’ dacht ik, ‘je bent pas stoer als je mosselen daarbij weet te kombineren.’

’t Gaat er maar net om of je de rol aandurft in Zijperspace.

meeëters

Pam.
Die was erg lichamelijk. Alles wat er gebeurde tussen ons 2-en was lichamelijk. Zeer lichamelijk. Of ’t nou mosterd was die plots van d’r lepel richting mijn oog schoot, of de blauwe plekken die ze op ons beider lichaam wist te creëren. Dat laatste vooral door gewoon plotseling de andere kant op te lopen dan onze voeten aanwezen. Als zij dat niet liet gebeuren, dan was ik er wel de oorzaak van. Maar de beurse plekken konden ook veroorzaakt worden door de stenen ondergrond die we genoten in de steeg achter ’t huis van haar tante, waar zij voor de nacht haar fiets had geparkeerd.

Ze was zich zeer bewust van dat lichaam. ‘Dat’, dat was mijn lichaam. Bovendien vond ze dat dat lichaam zich ietwat moest aanpassen aan haar normen. & Binnen die normen bestonden geen meeëters.

Ze nam m’n gezicht onder handen. Plaatste haar 2 duimnagels op m’n wang & bracht ze langzaam tezamen. Ik wist tot op dat moment niet dat ik meeëters had. Wist ook niet dat ze er zo uitzagen. Dat veranderde snel dankzij m’n omgang met Pam. Ik ging voelen dat ik meeëters had. Ik voelde in ieder geval dat ze er uitgedrukt werden.
Op zich was ’t niet zo erg als ze m’n wangen onder handen nam; dat was een pijntje van hooguit enkele sekonden. M’n wang zag na de behandeling er hooguit wat roodgloeiend uit. ’t Grote voordeel was dat Pam & haar moeder onmiddellijk konden zien dat de meeëters verwijderd waren. Ik moest niet zeuren over die pijntjes. Binnen de familie van Pam werd er nooit gezeurd over pijn. Pijn bestond gewoonweg niet.

Minder prettig was echter de neus. De huid over de neus staat strakker dan de huid van de wang; er staat meer spanning op. Op de neus barstte ’t van de zwarte puntjes die ik met m’n blote oog niet kon waarnemen, maar Pam wel.
Op de neus bevinden zich ook veel meer zenuwen. Zenuwen die ik moest ontkennen, zolang ik Pam wilde blijven kennen als mijn vriendin.

Ik schreeuwde ’t uit, terwijl Pam zei dat ik een mietje was. Ik bewonderde ’t resultaat, terwijl Pam me de zwarte pit liet zien. Ik verwonderde me over die zwarte pit, terwijl ik dacht dat m’n neus nooit meer dezelfde vorm terug zou vinden. Ik liet haar haar gang gaan, terwijl ik met m’n gedachten al bij de volgende vrijpartij was.

Ik keek van de week weer ‘ns aandachtig in de spiegel. Er zaten kleine deukjes op m’n neus. Kleine kuiltjes eigenlijk. Zonder dat ik zwarte pitten kon waarnemen. Die waren waarschijnlijk allemaal verdwenen. Dat heb je als je ouder wordt, dacht ik. Of misschien moest ik ze laten aanwijzen door iemand als Pam.

De kuiltjes vormen de kraters van Zijperspace.

lay lady lay

Ik had een woning nodig. Ik ging voor de 2e keer in m’n leven een poging ondernemen in Amsterdam te wonen. Maar waar haalde ik onderdak zo snel vandaan?

Pam was nog maar net terug van vakantie, maar zij had al een methode om aandacht voor haar zoektocht te verkrijgen. Ze zou samen met haar vriendin Deborah in de etalage van de American Discount gaan zitten. Moest ik ook gaan doen. Gezeten achter een buro mocht je een paar uur lang de voorbijgangers kenbaar maken dat je woningzoekende was. Kreeg je nog een boekenbon voor bovendien.

Terwijl ik daar zat, papiertjes ophoudend met ‘Kijk ‘ns wat voor leuks u tijdelijk in uw huis kunt zetten’, werd ik opgemerkt door de x-vriendin van Maarten, die ooit in m’n jongerencentrum in Den Helder had opgetreden. Maarten trad vervolgens in kontakt met mij & ik kon 2 weken op zijn huis passen. Vanuit Amsterdam zelf was ’t altijd makkelijker zoeken, was de gedachte.

Dus kwam Pam gedurende die 2 weken af & toe bij me logeren. Als we met z’n 2-en waren zochten we in de gigantische platenverzameling van Maarten naar leuke muziek. Dat gebeurde niet vaak, want Deborah was er natuurlijk ook regelmatig. ’t Waren tenslotte vriendinnen, die maar wat graag ’t uitgaansleven in Amsterdam wilden ontdekken.
Daarnaast hadden we ’t erg druk met elkaar; Pam was net terug van vakantie, had opnieuw de vrijheid geproefd, & was niet van zins zich sterk aan mij te binden. Daar moest veel over gepraat worden. Tijdens die conversaties was ’t moeilijk zoeken in de platenkollektie van Maarten.

Op ’t moment dat we de conversatie hadden afgerond & onze tijdelijke conclusies aan ’t testen waren, de kwaliteit van Maarten’s tapijt op ruwte controleerden, mijn knieën & de billen van Pam op reakties met dat tapijt bestudeerden, konden we opnieuw moeilijk tijd vinden voor de muziekkeuze.
Dus draaiden we de hele tijd ‘tzelfde nr.
‘Kan je erbij?’ vroeg Pam.
‘Ja, als je ff meebeweegt, kan ik nog net bij de naald. Snel, anders begint dat vervelende volgende nr weer.’

& Ze vlijde zich opnieuw neer in Zijperspace.

gesprek

Ik moet 1 van m’n broers bellen, bedenk ik me vanavond, want zonder zijn toestemming mag ik ’t stukje niet schrijven dat ik in m’n hoofd heb zitten. Niet dat ik z’n naam wil noemen, hooguit benaam ik ‘m als ‘broer’, maar goedkeuring is noodzakelijk.
Tuurlijk kan ik ’t evengoed wel schrijven zonder zijn toestemming. Desnoods plaatsen ook. Maar ik heb geen zin in verontwaardiging.

Ik keek gister een film (The big kit) over een huurmoordenaar die door de grond ging als mensen ‘m niet aardig vonden. ‘Je bent misschien wel een borderline-geval,’ zei ’t meisje dat-ie ontvoerd had.

M’n broer reageert laconiek.
‘Je moet gewoon schrijven wat je wilt, je hoeft je niets van mij aan te trekken.’
‘Ja, dat ben ik ook wel van plan, maar ik wil niet dat iemand er onder lijdt. Van de week was ik ook een stuk aan ’t schrijven, waarvan ik dacht: “Als m’n broer dat leest, dan schrikt-ie zich vast rot.”‘

& Gek genoeg komen we dan in gesprek. We zijn niet zo van ’t praten, kom ik plots weer achter. We komen uit een broeder-gezin, waarin ’t verstandelijke hoogtij viert. Hoewel we graag anders hadden gewild.
Hij vertelt geheimen waar ik nog nooit van gehoord heb. Hoewel hij zelf ’t misschien niet zo als geheimen beschouwt. Doordat we ’t er echter nooit over gehad hebben lijkt ’t echter wel alsof ’t ongelooflijke geheimen behelsen.

We zijn ontspannen. Ik kan me geen ontspannender gesprek heugen met m’n broer.
Maar ondertussen verlies ik ’t verhaal dat zich al 2 uur in m’n hoofd aan ’t ontwikelen was. ’t Schiet andere kanten op. ’t Vervluchigt, ’t voert naar elders. Op deze warme zomeravond lijkt ’t te verdampen & nergens heen te voeren. Niets meer dan een zomeravond-gesprek met m’n broer blijft over.

Ik sta leunend in de deuropening van de keuken. Terwijl ik praat kijk ik, staar ik, naar de tuin, de tegels, m’n stoelen in de tuin. & Niets daarvan dringt tot me door. Af & toe schiet er nog een klein padje uit ’t tuinafval, als ik me plots beweeg, weg naar veiliger oorden. Soms stop ik met leunen & loop ik naar de woonkamer, maar daar komt lawaai van een radio-programma vandaan, dus keer ik terug. Ik heb stilte nodig voor dit gesprek. Ik praat met m’n broer.

Zijperspace is verzonken in stilte, & soms klinken geluiden van nooit-gehoord.

medaillon

Ik zag ‘m gister opeens weer liggen. ’t Kwam onder een zakdoek vandaan. Ik had ’t blijkbaar zorgvuldig onbewust verstopt, om er niet meer naar te hoeven kijken.

Mike had ’t meegenomen vanuit India, waar hij enkele van de wintermaanden had doorgebracht. Daar zou hij een restaurant hebben, alles ging daar meer dan fantastisch met de zaken, verdiende hij bakken met geld, & liep-ie dag in, dag uit in z’n blote bast rond. Dat laatste wilde ik wel geloven. & Dat ’t regenseizoen was begonnen & daarom weer in Nederland.
‘Oyeah, Ton. It was great,’ vertelde hij toen-ie voor ’t 1st weer in de winkel stond. ‘Such a beautiful wheather. Oh, and there are such beautiful women too.’
Ik luisterde naar z’n verhalen tussen de klanten door. Hielp ‘m af & toe met een brief van de sociale dienst of andere instantie vertalen. & Lachte om z’n grappen. Zoals voorheen.

‘O hey, Ton,’ zei hij, ‘I brought something for you too.’
Bier, dacht ik.
‘No no no. I brought something beautiful. You will love it. But I forgot to bring it with me.’
Hij zou ’t nog een 10tal keren vergeten.
‘Joe,’ zei hij dan tegen z’n huis- & drinkgenoot, ‘you should remind me when we’re leaving home.’
Joe trok z’n gezicht van ‘jajaja, ’t zal wel’.
‘It’s a great thing,’ voegde Mike er aan toe, ‘a picture of their god.’

Een medaillon dus, bedacht ik eigenhandig. Daar zat ik op te wachten. Maar ach, je kan mensen gelukkig maken door hun giften te accepteren. Hij had tenslotte de moeite genomen om aan mij te denken, terwijl-ie in India was. Dat doe je niet met elke willekeurige verkoper.

Na 2 weken kwam Mike eindelijk met de medaillon aanzetten. Hij was zo lelijk als ik verwacht had. In de vorm van een hart zaten 2 afbeeldingen van Vishnu Krishna, aan beide zijden 1, met er omheen een goud randje. Geheel van plastic. Krishna heeft op de ene afbeelding 8 armen & wordt-ie begeleid door een sabeltijger. Op de ander staat een portret, waarbij hij omhuld is door stralen. De ene afbeelding is nog lelijker dan de ander.
‘You should wear it. It gives you luck.’ Ik kan ’t om m’n nek hangen dmv een bevestigd goedkoop touwtje.
In plaats daarvan stopte ik ’t in m’n broekzak. Ik vond dat ik ‘m al gelukkig genoeg gemaakt had door ’t kleinood te accepteren. ’t Speet me dat-ie ’t niet was blijven vergeten.

& Toch ligt ’t daar nog steeds. ½ Verstopt weliswaar, maar zodanig dat-ie steeds weer tevoorschijn zal komen.
Ik weet dat Mike me er nooit meer naar zal vragen, misschien is-ie al vergeten dat-ie ’t aan me gegeven heeft. Zoals-ie bijna alles vergeet, met z’n lekkend alcohol/drugs-geheugen. Maar ik durf ’t niet over m’n hart te verkrijgen ’t weg te gooien.

Vandaag kwam Krishna weer ff tevoorschijn in Zijperspace.

strijd met de mug & andere prikkeligheden

Pes merkte vanmiddag op dat m’n bovenarmen onder de muggenbeten zaten. Ik ontkende ‘t. Dit kunnen geen muggenbeten zijn, dacht ik. Ze jeuken wel, maar ze voelen anders aan. Bovendien was ik me er niet van bewust dat ik de strijd met de mug verloren had. De bulten zouden volgens mij zijn ontstaan op een moment dat ik zeker wist dat er geen mug aanwezig was.

Ok, op die van m’n voet na dan. Die is van gisteravond, toen ik in ’t volle lamplicht buiten een boek zat te lezen. Waarschijnlijk heeft de mug door m’n sok heen in m’n voet gestoken. Is daar rustig op gaan plaatsnemen & heeft, tijdens m’n verkeren in onnozelheid, tijdens m’n algemene onrust wegens de onmogelijke hitte tot ’s avonds laat, toegeslagen.

Er zijn heel veel verschillende muggen, vertelde Pes.
Ja, dat weet ik ook wel. Minstens 10.000 verschillende ondersoorten, las ik laatst. Maar de mug die zich in onze regionen begeeft, weet ik van geluid te herkennen. & ’t Gevoel dat de bulten geven ken ik ook m’n leven lang al. De bulten die zich momenteel manifesteren op m’n bovenarmen zijn anders.

Ik voer een strijd met de mug. Een strijd om wie ’t slimst is. Ik denk elke dag dat ik gezegevierd heb. (& Toch heb ik die bulten op m’n elleboog, zegt Pes). Want ik ben daadwerkelijk slimmer.
Ik doe de deuren dicht zogauw de temperatuur boven de gewenste temperatuur uitstijgt. Laat ze ook dicht; dan blijft ’t in huis bovendien koeler dan buiten. Pas als ik ’s avonds alle lichten heb uitgedaan & m’n gordijnen richting slaapkamer gesloten, waag ik me de tuindeuren weer te openen. Ook dat nog met de gordijnen erover heen gedrapeerd.
De deur in de keuken staat open. Die dient voor de nachtelijke toevoer van frisse, koele lucht. Maar dat betekent wel dat m’n kamerdeur (richting gang, die loopt naar de keuken) consequent gesloten dient te zijn. & ’t Licht in de keuken zo veel mogelijk uit.

Ik denk overal over na, al m’n handelingen dienen ter voorkoming van de binnenkomst van de mug. Hij is hier niet gewenst, ik hou niet van z’n behoefte aan bloed. & Zeker niet met de gedachte dat dat bloed ervoor zorgt dat ’t beest zichzelf voortplant.

Eergister ging ik een kort moment in de woonkamer liggen, omdat ik in de slaapkamer een gezoem als die van een mug gewaar werd. In de woonkamer hoorde ik ‘tzelfde geluid al snel opnieuw. Ik sloot de slaapkamer met nog een gordijn af (nu hermetisch geen licht doorlatend), & keerde terug in ’t bed aldaar.
Volgende ochtend geen muggenbeet. Strijd gewonnen.

Gisteravond bevond de mug (waarschijnlijk een andere, want ik had gelezen dat muggen slechts 1 dag met de winning van bloed bezig zijn) zich wederom in m’n slaapkamer. Die had ik echter al reeds hermetisch afgesloten, dus heb ik de reis terug naar woonkamer ondernomen, de tuindeuren snel opnieuw toegedaan, m’n self-floating matje neergelegd & m’n lichaam tot aan m’n kop in ’t dekbedovertrek gestoken. Bijna hermetisch, heet dat.
Vanochtend mocht ik mezelf wederom tot winnaar uitroepen.

Er is echter nog steeds geen mug dood. Ik durf op dit moment nog niet de slaapkamer in. Terwijl de hitte ook in dit huis toeneemt. Straks kan zelfs ik niet meer in een laken of dekbedovertrek gewikkeld slapen.
Maar ik geef de moed niet op. Ik zal de strijd zegevierend afsluiten. Ik zal ’t volk der muggen blijven misleiden.

Ze zullen straks weten wie de dienst uitmaakt in Zijperspace.

motieven

Ik heb me onderweg meermaals afgevraagd wat de dieren nou beweegt om de dingen te doen die ze doen. Zijn ze zich bewust van hun beweging, dan wel stilstand? Is die beweging/stilstand een drang of een welbewuste keuze? Of instinkt wellicht? Zijn ze zich wel bewust van hun motieven? Is honger dan een motief? Of angst?

Een stoet vliegen die op ’t heetst van de dag mij & m’n rugzak (ik weet natuurlijk dondersgoed dat ’t hun om m’n zweet te doen is) achtervolgt, bovenop ’t pad van de Downs. Kilometers lang zweeft er een zwerm vliegen tot een meter hoog boven me. Als ik m’n hoofd naar ze omkeer zie ik ze heen & weer schieten, balancerend in hun eigen snelheid, teneinde toch zo dicht mogelijk bij me te blijven.

Een koe blijft staan. Zo lang mogelijk. Slechts een nog lekkerder polletje gras kan de koe bewegen z’n standplaats te verlaten. Er zit geen sprankje verlangen in ’t beest ’t omheind stuk land te ontvluchten. Als ik ’t hek openhoud om me toegang tot ’t volgende weiland te verschaffen zie ik geen enkele neiging mij te volgen. Geen lust voor vrijheid.

Slakken bewegen zich ’t liefst als de ondergrond vochtig is. Dat glijdt nou 1maal prettiger voor dat naakte slijmerige lichaam. Dus zie je ze in ’t ochtenddauw dat over de paden ligt zichzelf een weg banen. Maar altijd staat hun neus dezelfde kant op gericht. Ze lijken allemaal díe kant op te moeten waar alle soortgenoten ook heen gaan.

& Nu zit er een pad in m’n kelder. Op de 1 na onderste tree zit er een pad. Groter dan de kleintjes die ik regelmatig uit ’t tuinafval zag springen. Ook minder beweeglijk. Gisteravond bij thuiskomst zat-ie precies ‘tzelfde als vanochtend, toen ik z’n aanwezigheid wilde dubbelchecken. 12 Uur zaten er tussen. Zonder beweging.
Hij moet uit de tuin zijn gekomen, door de luchtgaten gekropen, & naar beneden gekukeld, bovenop de kratten Rochefort, & vervolgens nog een smak van 5 kratten omlaag hebben gemaakt. In ’t donker heeft-ie zich toch een weg weten te banen richting de trap. Daar wacht-ie. Als meneer pad tenminste weet wat wachten is. Want als-ie dat verschijnsel niet kent, bestaat ’t ook niet voor ‘m.

Ik zou me ertoe moeten zetten de pad te bevrijden. Met een emmer zou ik ‘m kunnen vangen. Ik weet echter van mezelf dat ik dat niet zo goed durf.

We laten de boel de boel in Zijperspace.

mosselen

Coen & z’n vriendin zaten aan de waterkant. Geheel & al met z’n 2-en. Daar kon niemand tussenkomen, wist ik ondertussen wel. Niemand, behalve de glazenophaler.

‘Mag ik de lege glazen alsjeblieft,’ zei ik dan ook. ‘Jullie hebben mosselen?!’ liet ik daar snel verrast op volgen.
Ik was totaal niet meer geïnteresseerd in de lege glazen. Ik zag nog slechts ’t potje mosselen in zuur tussen hen in staan. ’t Figuur van de vriendin scheen me plots ook niet meer te boeien (ik moet bekennen dat ik in ’t verleden meermaals onopvallend opvallend haar lichaam visueel heb afgetast).

Om m’n aandacht voor hun potje mosselen enigszins te verklaren vertelde ik over m’n vader. Die was ook altijd al gek op mosselen. Ik geloof dat-ie voor Sinterklaas van m’n oma ook meermaals een pot mosselen kado had gekregen. Die egoïst at dat helegaar in z’n 1tje op. Zonder mij een enkel mosseltje te gunnen.
M’n moeder kocht ’t een enkele keer voor aan de ontbijttafel. Maar ook dan werd ons verboden daar royaal van te nemen. Want de pot stond eigenlijk alleen maar voor m’n vader op tafel.

’t Is een lijdensweg, een kind te zijn in de groei, & van lekkernij te houden waarvan ouders denken dat ’t slechts voor hen bestemd is. Omdat over ’t algemeen ouders denken dat slechts zij dit soort delicatessen op juiste waarde weten te schatten.
Nou, anders ik wel. Ik streed een grote strijd om alle mossels voor de kinderen beschikbaar, uiteindelijk in míjn mond, & nergens anders dan in mijn mond te krijgen.

Bij mosselen was dat makkelijk. Gewoon duidelijk laten zien wat je aan ’t eten was. Zéér duidelijk, indien noodzakelijk.
’t Voordeel van mosselen is dat ze er erg naakt uitzien. Glad huidje, zacht indrukbaar, met een zekere neiging naar weeïg. Daar houden mensen al bij voorbaat niet van. Maar als dat de medetafelgenoot nog niet ver genoeg vond gaan, moest ’t mosseltje aan nader onderzoek blootgesteld worden. Was niet erg, voor mij bleef de mossel dezelfde smaak houden. Alleen ietwat anders in z’n verschijning.
’t Meest effektief was deze methode van ontleding als ik ’t begeleidde met een verslag van wat ik zoal tegenkwam. Zo smeuïg mogelijk.

‘Kijk, nu doe ik ‘m open. De lippen wijken uiteen. Dan zie je al snel een bruin uitstulpseltje tevoorschijn komen. Men zegt dat dat de afvalzak van de mossel is. De strontzak zogezegd. Die slik je dus ook door als je de mossel eet. Misschien is ’t wel iets anders, ik weet ’t niet, wellicht z’n geslachtsoorgaan, maar ’t ziet er wel merkwaardig bruin uit voor een geslachtsoorgaan. & ’t Steekt ook zo raar uit. Maar dan in z’n binnenste. Zou ’t geslachtsoorgaan van een mossel binnen in z’n lichaam zich bevinden?
Kijk, aan die strontzak steken ook nog wat draadjes. Keiharde draadjes. Misschien moeten we dat wel beschouwen als ’t bewijs dat dit de strontzak is. Want met deze draadjes hecht de mossel zich aan een vaste plek in zee. Hij lijkt alle afvalstoffen te verzamelen uit dat bruinige zakje, & daar een stug, hard kluwen van te fabriceren om zodoende zich te kunnen hechten aan een steen. Moet je niet in bijten, want dat smaakt absoluut niet lekker. Misschien wel slecht voor je tanden ook.
Als je de mossel eet, voelt ’t lekker wee in je mond. Alsof iemand anders z’n tong in je mond heeft achtergelaten. Of alsof iemand z’n blote billen tegen je tong aanduwt.

‘Hé, heb je geen trek meer in jouw mosselen?’

Maar meestal at m’n vader alle mosselen op. Tenzij ik per ongeluk de mosselen in tomatensaus had gekocht. Dan was ik de enige in de familie die z’n boterham dik met mosselen bedekte.

Maar ’t liefst werden ze stiekem gepikt.

Want dat smaakt ’t lekkerst in Zijperspace.

tegenstellingen

Ik heb buren die binnenkort vertrekken, buren die al of nog weg zijn, & een buurvrouw die er nooit is.
Ik ben omringd door bindende stilte. In zoverre ik die tot me door laat dringen.

Terwijl ’t heet is, iedereen zegt ‘t, laat ik overdag m’n deuren dicht. & ’s Nachts open. Maar dat laatste pas als ik ’t laatste licht heb gedoofd. Niemand mag ’t merken. Ik wil geen indringers.

Overdag laat ik m’n slaapkamer luchten. ’s Avonds sluit ik ‘m zo veel mogelijk af. Tot ’t licht zich weer doet schijnen via de weerspiegeling van de zon in de ramen van m’n overburen.

Ik draai muziek als ik in gezelschap ben. Lekker hard. Zodat ’t tot ze doordringt hoe goed muziek kan zijn.
Bij mij thuis is ’t meestal stil. Omdat ik geen behoefte aan verstoring heb.

Ik voel me prettig in de drukte. Geef mij een massa mensen om me heen & ik bedien ze met m’n aanwezigheid. Communicatie wordt door mij tot ’t minimum beperkt. Ik wil slechts weten wat men drinkt. Dan geniet ik pas van de massa.

Ik kies de paden die mij om de civilisatie heen leiden. De kronkelwegen, de onverwachte wending, de omweg, ’t afwezige, ’t onverharde pad. Er bevinden zich meer bobbels, meer heuvels in die wegen, maar ik weet dat dat de enige wegen zijn die ik kan bewandelen. De eenzaamheid bevind zich daar ook. Ik kan me daar meer verheugen op een ontmoeting met een medemens.

Ik trek op sokken m’n tuin in & dump al ’t klittend spul ff later boven m’n vuilnisbak. Schraap ’t van m’n sok af.

Ik lees. Ben na beëindiging van ’t boek de inhoud alweer vergeten.

Ik laat mensen vrezen. Lachend schreeuw ik mezelf zwijgend.

We bevinden ons in de schemering van Zijperspace.