boven

We mochten niet boven. Dat was alleen voor m’n vader bestemd. Dan konden we ons nog slechts moeizaam op de vliering begeven, zo weinig zuurstof was er nog over om daar adem te halen.
M’n vader had daar geen last van. Hij keek alleen maar vrolijker als-ie na een uur van de wc af kwam. Krant onder z’n oksels. Die kon je beter niet meer aanraken, want die rook ook.
De krant was in dat tijdsbestek helemaal uitgelezen.

‘Nee, jullie kunnen ook beneden,’ zei m’n moeder.
Ik kan me niet herinneren dat m’n vader argumenten gebruikte.
‘Je doet maar wat je moeder zegt,’ zal-ie ons wel tegengeworpen hebben.
‘Maar daar heeft Carel net gezeten,’ zeiden we dan.
‘Dan wacht je 5 minuten.’
‘Maar ik moet hartstikke nodig.’
Je mocht je zinnen niet met ‘maar’ beginnen, had de leraar gezegd. Maar wij wisten beter. Een zin met ‘maar’ aan ’t begin was een argument op zich.

Bij hoge uitzondering dan, kregen we dan te horen na lang zeuren met een houding van billen bij elkaar. Voor deze ene keer. Wel 1st een wc-papiertje neerleggen.
Want ’t gleed niet weg, boven.
De wc boven was verkeerd gebouwd. Had een extra bobbel, waardoor de kracht van ’t neerstortende water niet toereikend was.
Hoe Pa dat dan deed?
Die legde altijd 1st een papiertje neer, werd uitgelegd.
Ja, maar hij ging nog steeds niet weg, schreeuwden we naar beneden.
Dan moesten we beter ons best doen.
‘Leg er een wc-papiertje voor,’ gaf m’n vader uiteindelijk toe.
’t Was tenslotte zijn truc. Niet iedereen die zomaar boven ging zitten hoefde zijn truc te kennen.
‘& Druk dan nog een keer,’ ging-ie verder.
Met trillende vingers durfde ik de 1e keer er wat voor te leggen. Ik was er nog nooit zo dicht bij geweest. Ik hoopte maar dat ik niet van de zenuwen uit zou schieten.
1 Velletje.
‘’t Werkt niet,’ na 2 keer doortrekken.
‘Je moet er ook niet 1 velletje voor leggen.’
De buren konden meegenieten van onze conversatie in ’t trappenhuis.
‘& Als je doortrekt een beetje meeduwen.’
M’n vingers voelden al bij voorbaat vies aan.

’t Was allemaal in ’t kader ons af te leren boven te gaan zitten. Er werd ook streng gecontroleerd. Door iedereen in huis. Want als de 1 niet mocht, waarom zou de ander dan wel mogen?
‘Hè, gadverdamme,’ klonk ’t dan van boven. ‘Wie heeft er boven gezeten?’
Iedereen in de huiskamer keek schuldig, behalve m’n ouders. M’n vader ging zelfs gewoon door met z’n werk. De anderen wezen elkaar aan met hun blikken.
Degene die ’t meest schuldig leek, riep: ‘Pa is net geweest.’
‘Da’s al een uur geleden.’
‘Ik was daarvoor. Want er was nog niemand thuis.’
Iedereen moest naar boven, omstebeurt.
‘Nee, dat kan ik niet geweest zijn. Zoveel kan ik niet.’
Dat was als ’t meer was dan alleen remsporen.
& Als iedereen ontkende, eenieder had genoeg argumenten om te beweren dat-ie ’t niet gedaan kon hebben, behalve m’n vader, maar die deed zoiets niet, moest degene die moest douchen, degene die ’t ontdekt had, ’t toch maar zelf opruimen.

De hoop van m’n vader was ’t ergst. We wisten waarom-ie een uur er over deed om van de wc af te komen. We snapten alleen niet hoe hij ’t voor elkaar kreeg bijna elke keer de boel doorgespoeld te krijgen.
‘Bijna elke keer’, want die ene keer moesten wij ’t voor hem opruimen. Want m’n vader wist zogenaamd echt zeker dat-ie ’t allemaal netjes achterliet.

We ruiken ’t nog steeds in Zijperspace.

vlinderstruik

’t Begon mij danig te vervelen. ’t Onbehouwen door blijven groeien. Er geen weet van hebben van waar ’t z’n grens van groei bereikt heeft. & De overdaad. Vooral de overdaad, waardoor je niet zag wat er zich tussenin of achter bevond.

’t Deed me overigens ook aan m’n vakanties in Londen denken.
Dat is goed, zou men zeggen, doet je terugdenken aan ontspanning, vertier, afleiding. Maar ik raakte slechts verveeld als ’t beeld weer opgeroepen werd van de saaie muren, zogauw je bovengronds kwam, waar de underground z’n naam niet meer waar maakte, de saaie muren, aangekleed door lange rijen vlinderstruik. Paarse pluimen als uiteinde van groene struiken die als vermoeide hoofden voorovergebogen hingen. Ondoordringbaar deden ze me aldoor denken aan de struiken van de Donkere Duinen, ’t bos waar we onze jeugdspelletjes speelden, de plek waar die spelletjes ophielden omdat we door die struiken niet dieper ’t bos in konden dringen.
Ik zat in een metro midden in Londen. Deuren gesloten, wachtend op ’t moment dat we verder konden rijden. Tot er een plekje vrij was op ‘t volgende station. Uitzicht op ondoordringbare struiken met afhangende schouders.
& De hitte, de zinderende hitte, die Londen rond die tijd in z’n macht had. Alleen ondergronds, bij de open raampjes tussen de treinstellen in, kon je die ontwijken, negeren, door op de tocht te staan. Maar als de paarse bloemen van de vlinderstruiken zich weer toonden, als ik weer richting Olympia kwam, zachtjes deinend op die zindering, wist ik dat ik er weer aan moest geloven. We doken weer de wereld in & zodirect moest ik weer m’n stappen in die bovengrondse wereld die op koken stond zetten.
Vlinders vertoonden zich niet, vermoeid, ook zij, van de te hoge temperatuur, weggewaaid door snel voorbij zoevende metro’s, anders afgeschrokken door de grauwe post-industriële muren.

Elke keer snoeien hielp niet. Met onverminderde kracht ontkende de struik z’n beknotting. ’t Gaf zelfs makkelijk mee als ik een tak verwijderde die over ’t toch al smalle looppad hing. 2 Vingers zorgden al voor een onverbiddelijke ‘krak’, ’t eind van een uitloop, maar een week later had de struik z’n staart alweer vernieuwd met een splitsing op diezelfde plek.
’t Zich niet makkelijk laten intomen zou je 1 van de belangrijkste verschijnselen van onkruid kunnen noemen. De vlinderstruik voldoet aan die omschrijving.

Hij begon me te irriteren. Vorig jaar had ik ‘m tot bijna aan de grond toe afgezaagd. & Hier stond-ie alweer, 7 armen lang spreidend bovenuit alles dat nog komen moest, z’n gezicht nog moest laten zien.
Hij kent geen bescheidenheid, dacht ik. Hij veronachtzaamt de belangen van z’n buren.
Dus zette ik de schop in de grond. 20 Cm van de stam. Ik wroette & voelde met de spade. Bewoog ‘m heen & weer, om te weten te komen waar z’n wortels zich bevonden. Verplaatste de schop, maakte daarbij een kleine bocht, om z’n wortelkluwen van een andere kant aan te pakken. Diep genoeg gekomen, leunde ik aan ’t uiteinde, duwde in tegengestelde richting, als een wig, woelde de grond los, & keek hoeveel grond mee omhoog bewoog.
Stapje voor stapje maakte ik met de schop de cirkel rond, af & toe hem met geweld de grond in stampend, om een wortel te breken, om verweer tegen te gaan. Waarop ik een laatste maal achterover boog, geen tegenstand meer voelde & met beide handen de kluit de grond uit kon trekken.

De grillige structuur zette ik tegen de schutting aan. Verwonderd over hoeveel bochten ’t onder de grond had moeten maken. Onverwachte bochten, omdat ’t tijdens z’n groei, tijdens z’n zoektocht naar voedsel onder de aarde ergens tegenaan stootte, of misschien wel voorvoelde dat er elders meer te halen was.
De wortelstokken leken een eigen onbegrijpelijk leven te hebben geleden, een weg te hebben afgelegd die ik niet had kunnen bevroeden. Met daar middenin, midden tussen de wegen die ’t had afgelegd, een hart. Een groot stuk centrum, van 15 cm lang & 5 cm breed. Een kloppend hart, misschien wel ’t geweten, de intelligentie die z’n onderdanen, de wortels, verschillende kanten op had gedirigeerd. Alsook alles dat boven de grond uitstak.
Ik voelde me vreemd. Dat ik iets had moeten vermoorden om ’t voor mezelf tot leven te kunnen wekken.

Waarna ’t gewone leven zich voortzette in Zijperspace.

vertraging

Hé, dat is ’t meisje van de bakker, dacht ik. Van 2 jaar geleden. Ook op weg naar Den Helder, want anders had ze de stoptrein naar Alkmaar wel genomen.
Een ½ uur vertraging, hadden ze net meegedeeld. Oftewel: gewoon een trein er tussenuit genomen. Mensen die naar Alkmaar moesten, sprongen nog op ’t laatste moment in de stoptrein aan de andere zijde van ’t perron.
Ik zette m’n koptelefoon op, banjerde een beetje over ’t gedeelte tussen de rails, & luisterde naar een verhaal van Thomas Rosenboom. Door hemzelf voorgelezen.
Ik wist niet of ik me zou kunnen concentreren. Gesproken tekst. Een verhaal waar je de draad niet zomaar van kwijt mocht raken wilde je de sfeer begrijpen. Treinen bleven passeren, mensen ook, alles werd ingezet om mij af te kunnen leiden.
Ik wandelde heen & weer, of stond, ontsnapt aan ’t omhulsel van de hoge koepels, met m’n gezicht in de schuin vallende ochtendzon, aan ’t uiteinde van ’t perron. Vlak bij ’t bordje dat zei dat je niet verder mocht. Ik had geen zin om te gaan zitten & af te koelen.

’t Meisje van de bakker heeft ander werk, blijkbaar. Of ze heeft familie in Den Helder.
Ik zou ’t haar ‘ns moeten vragen, bedacht ik toen ik weer passeerde. Maar de stem van Thomas Rosenboom zette ’t verhaal voort. Ik bleef voor me uit kijken, keek naar de volgende schoonheid die in afwachting was van dat wat komen ging.
Wachtende mensen vergeten vaak dat er gekeken wordt. Vergeten ook dat ze zelf kijken. Ongegeneerde blikken over & weer, & niemand die er aanstoot aan geeft, tenzij de blik te confronterend is.
Ik hield mezelf steeds voor dat ik aan ’t luisteren was.
Ze stak een peuk op, ’t vroegere meisje van de bakker. Hoeveel waldkorn zou ze me wel niet verkocht hebben in die tijd? Ze sloeg haar lange haren achterover, ruimte makend voor de hand die gevaarlijk gevuld was met een brandende peuk.
Ik liep ondertussen een man voorbij, terwijl ik haar stiekem gadesloeg. Een man die onrustig om zich heen keek, alle borden werden bestudeerd, de roltrap angstvallig in de gaten gehouden. Vanuit een hoekje, een pilaar, vanaf de roltrap die in de revisie stond, kwam een geur mijn kant op. Penetrant. Pies, poep, zweet. Ik bekeek de mogelijke bronnen nader. Merkte ondertussen dat de man met mij op liep, in verwondering. De stank werd sterker, de stank werd zwakker. Al naar gelang de man afstand van me nam, dichterbij me was.
Ik keek nogmaals naar zijn gezicht. Doodgewoon uiterlijk. Broek, blouse, jasje, kapsel. Niets vreemds aan, maar een geur die op 5 meter afstand nog oorverdovend was.

Mededeling.
Ik zette m’n koptelefoon af om ’t te kunnen verstaan.
De trein richting Alkmaar, eindbestemming Den Helder, vertrok ditmaal van perron 11a.
Ik zette me in beweging. Richting roltrap. Angstvallig hield ik in de gaten waar de man zou zijn. De man die stonk. Ik was bereid om te lopen als-ie zich voor me bevond.
Pas onderaan de trap kreeg ik ‘m in de gaten. Weer keek-ie besluiteloos om zich heen. Beschouwde de nrs van de perrons nader. Iedereen liep langs ‘m, een directe lijn van mensen vormde zich van roltrap afkomstig van 8 richting roltrap omhoog naar 11. Hij weifelde.
Snel doorlopen, dacht ik. Een plek zoeken die ver weg ligt.
& Toen ik zat: ‘Als hij komt, dan ga ik mezelf een ander plekje vinden.’
Maar ik kon in stilte & schone geuren verder van Rosenboom genieten.

In de trein op de terugweg kwam de mededeling dat de treinen niet verder zouden gaan dan Alkmaar. Wegens stroom- & wisselstoring.
Iedereen begaf zich op ’t station van Alkmaar naar perron 1, waar mogelijk nog de stoptrein tot Zaandam zou vertrekken.
Dan ben je in ieder geval een eind op weg naar Amsterdam, hoorde ik een conducteur zeggen.
Maar die van 18.27 viel uit, kwam al snel de volgende mededeling.
Weer een ½ uur wachten, dacht ik. Terwijl ik kouder werd, plassen moest & dorst had. Zocht mezelf een café in de buurt van ’t station waar ik aan die ongemakken wat kon doen.
Bij terugkomst vroeg ik aan de 1e passerende conducteur of er al wat veranderd was.
‘Niet in ’t minst,’ zei hij. ‘Er is een bom op Uitgeest gevonden. De komende 3 uur is er waarschijnlijk helemaal geen treinverkeer mogelijk.’

Ik ging overwegen: in ’t donker liften of in een warme stilstaande trein wachten. Tot misschien wel middernacht. Ik liep de ene kant op, om halverwege te besluiten voor de andere optie te gaan. Probeerde familie te bellen, maar kwam er achter dat ik verkeerde nrs had opgeslagen.
Ik zat opgesloten. In Alkmaar.

Tot ik ’t meisje van de bakker zag.
‘Jij woont ook in Amsterdam,’ zei ik.
‘Ja, & jij zat vanochtend bij mij in de trein,’ zei zij. ‘Ik herkende je al ergens van.’
‘Jij was vroeger ’t meisje van de bakker.’
We praatten. Ik bedelde een lift los. Haar vriend was onderweg vanuit Amsterdam. Ik mocht meerijden. Ik trakteerde op een kop koffie in een café, biertje voor mezelf, terwijl we wachten.
In de auto van haar vriend vroeg ik: ‘Heb jij vanochtend ook die man geroken?’
‘Welke man?’
‘Er was een man die verschrikkelijk stonk. Poep, pies, zweet.’
‘Ik rook wel iets. Toen ik de roltrap afliep. Dacht dat iemand op de roltrap gepiest had.’
‘Dat was die man. Volgens mij een lekkende stoma.’
‘Hè, gat.’
Vies, dachten we beiden.

Haar vriend zette me af voor de pont naar Centraal. Zij moesten de hoek om.
‘Wat kocht je ook alweer altijd?’ vroeg ’t meisje van de bakker.
‘Waldkorn.’
‘Oh, ja. Ik weet ’t weer. Altijd waldkorn.’

Ik stak m’n hand uit om te bedanken, & vervolgde m’n reis terug naar Zijperspace.

verbeelding

Als ik binnenkom begint-ie te peuteren. Hij wil los. Om z’n heup ligt een band die, naar ik later constateer, alleen door 1 van de verpleegsters middels een speciale sleutel is te ontkoppelen.
We moeten ‘m gewoon maar meenemen. Zonder de rolstoel. Dat kan toch net zo goed? Hij loopt goed, zegt de verpleegster. Gister ook een wandeling met ‘m gemaakt, voegt ze toe.
& Wij zeggen tegen elkaar: ‘Beweging is ook goed.’
Ik denk zelfs: ‘Hij kan niet eeuwig in de stoel blijven zitten. Dan bevorder je z’n aftakeling alleen maar.’

Dat soort dingen denk je. Over je eigen vader.
& Net als voetballers ga je als vanzelf in ‘jij’-vorm praten als je ’t over jezelf hebt. ’t Ontkennen van ’t feit dat je ’t zelf bent die doet wat-ie doet. ’t Buiten jezelf gesteld willen worden, om kritiek minder hard te laten aankomen.
Vooral zelfkritiek.

‘Hoe gaat ’t ermee?’ vraag ik.
Wat moet je anders, is de volgende vraag. Voor niemand behalve mezelf hoorbaar.
‘Ik zie geen vogels vandaag,’ zeg ik, naar buiten wijzend, naar de pinda’s aan de boom . ‘Geen koolmeesjes, zoals de vorige keer.’
Een vragende blik. Of een bewondering, verwondering, dat ik zijn zoon ben & voor hem langs ben gekomen.
Je kan er alles uit aflezen. ’t Hoofd laat zich lezen als een boek dat voor meer interpretaties vatbaar is. & Niemand zal gelijk hebben.

‘Ik heb de laatste tijd allerlei vogels in m’n tuin. Mezen. Koolmezen, net als jullie, & een stelletje pimpelmezen, maar laatst ook staartmezen.’
Hij luistert. Ik hoop dapper dat ik beelden bij ‘m creëer. Wil niet stoppen. Ik moet er iets instoppen dat zin heeft. Dat bij hem herkenning veroorzaakt. Ik wil een klein knikje van z’n hoofd zien.
‘& Laatst ook een koperwiek. & Een winterkoning.’
Ik ga ’t met m’n handen uitleggen. In de hoop dat er meer beelden ontstaan.
‘Zo’n klein vogeltje. Met een wipstaart. Hupte door m’n tuin. Door de sneeuw.’
Ik mag niet voor m’n vader nadenken, denk ik vervolgens. Hoewel hij een plaatje in z’n hoofd misschien wel prettig vindt. Een plaatje van een winterkoninkje. Klein. Door de sneeuw.

M’n vader praat tijdens de thee. We bukken voorover om te horen. Alleen maar te horen. Begrijpen hebben we al een beetje opgegeven.
Toch zeggen we elke keer: ‘Wat zeg je?’
Dan is-ie ’t alweer kwijt.
‘’t Is altijd zo,’ zegt-ie. ‘Nou ja, altijd, vaak in ieder geval. ’t Wil wel. Maar dan gaat ‘t.’
Waarna z’n woorden verzanden.
Hij weerlegt z’n eigen woorden voordat-ie gevonden heeft waar ’t hem eigenlijk om ging.
Wij blijven al bij de 1e steken. Zijn verrast door de aanwezigheid van een mededeling. Spitsen onze oren, maar zijn te laat.
‘Gisteren, maar ook vandaag. ’t Levert dan, hm, een, hm, zo’n ding, hm.’
& Z’n stem zakt weg. Z’n blik omhoog. Hij moet daar ergens blijkbaar de woorden vandaan trekken.

‘Pa, wat doe je?’ vraag ik.
Ik hou enkele vingers vast. Hij knoeit ermee. Krioelt z’n vingers door elkaar. Knijpt in niets. Met 10 vingers tegelijk.
‘Daar is niks,’ zeg ik.
Alsof-ie de huid van z’n vingers er af wil schrapen.
‘Nee,’ zegt m’n moeder. ‘Dat is verbeelding.’
& Vervolgens: ‘Niek, neem nog even een slokje.’
Waarna ze ’t kopje thee aanreikt.
Ik zie m’n vader een slokje nemen. Met 2 handen houdt-ie ’t kopje vast.
Als we even niet opletten, kijkt-ie weer naar boven.
Verbeelding, denk ik nu ook. Maar zeker weten doe ik ’t niet. Evengoed probeer ik te luisteren naar wat-ie praat. Hij zegt niets. Hij praat.
Zo leg ik ’t mezelf uit.

Da’s altijd nog beter dan geen woorden in Zijperspace.

bril

De mensen die ik vlak ervoor te woord had gestaan bleven een kort moment gebiologeerd kijken.
We kennen ‘m, we kennen ‘m, zag ik ze denken, maar we laten zo goed mogelijk merken dat we ‘m met rust kunnen laten. Ondertussen hadden ze hun gezicht voor een tel stilgezet, nog net niet met de mond opengevallen, blik op hem gericht, als om na te denken om zodoende tot dat besluit te komen.

Ik was daar veel beter in. Vanaf de 1e maanden dat ik mij in ’t amsterdamse begaf. Ik wist hoe je bekende mensen moest negeren, ze niet ’t gevoel moest geven dat ze herkend werden. Ik wist hoe ik beroemdheden voor een kort moment hun vrijheid terug moest geven. & Ik wist bovendien dat als ik dat maar lang genoeg volhield de sterren onderling ’t zouden gaan hebben over die ene jongen, hij zoeft zeer snel voorbij over de amsterdamse grachten, keurt hen geen blik waardig, lijkt hun bekendheid te ontkennen & reduceert daardoor hun roem tot nul.
Ik zou op den duur voor hen de grote onbekende worden.

Je kan echter moeilijk iemands aanwezigheid negeren als-ie voor je neus staat blijkbaar met ’t plan iets bij jou te gaan kopen.
Hij staarde langs me heen.
‘Je staart?’ vroeg ik daarom maar.
Hij schrok wakker.
‘Je staart naar de glazen?’ vroeg ik daarom voor alle duidelijkheid.
‘Ja, ik staar naar pullen met van die deksels,’ zei hij. ‘Tenminste, daar zoek ik eigenlijk naar.’
‘Oh, van die duitse bierpullen met tinnen deksel. Die zijn hartstikke duur. Ik heb er toevallig 1 staan.’
Ik haalde ’t exemplaar tevoorschijn. Hield ’t hem voor.
‘Kijk, ’t prijsje zit er op,’ zei ik. ‘€ 35,-. Je betaalt dus ongeveer € 30,- voor ’t tinnen deksel. ’t Glas zelf kost niet zoveel.’
‘Da’s inderdaad hartstikke duur. ’t Moet wel een cadeautje blijven. & Eigenlijk wilde ik ook zo’n echte stenen, zoals die duitsers altijd gebruiken.’
‘Ja, ik heb wel 2 stenen pullen staan. Maar zonder deksel.’
Ik wees weer achter me & hij begon opnieuw te staren. Naar daar waar m’n vinger naar wees.
‘Nee, is niks,’ zei hij op gegeven moment.
Hij trok de blik die ik van ‘m kende. Van tv, van foto’s. Alsof-ie elk moment iets kan zeggen. Kreukelige mond. & Dat je datgene dat-ie zegt zal ondergaan, door z’n lijzige stem. Je hebt de neiging die blik te ontwijken, maar je weet dat je ’t niet kan.

Ik heb ‘m ook wel ‘ns bij m’n platenboer gezien. Ook aan de toonbank. Hij had net afgerekend. Daar deed-ie niet moeilijk over. Hij maakte een gebaar met z’n portemonnee wat erop wees dat-ie geen moeite met betalen had.
‘Zeg, schatten,’ zei hij toen op een nichterige manier, ‘ik vond ’t weer hartstikke leuk.’
Waarop-ie parmantig richting uitgang liep, cd in z’n hand geklemd.

‘Dan vind ik die glazen leuker.’
Hij wees. ’t Was zijn beurt om te wijzen. Ik keek achterom. Probeerde te achterhalen wat-ie wees voordat-ie ’t met woorden zou duiden.
‘Die Maes-glazen,’ legde hij uit.
‘Oh, deze,’ zei ik, & haalde een glas uit de doos die voor me stond tevoorschijn.
Ik had net op ’t punt gestaan die glazen in ’t schap bij te vullen, maar was er door vragen van klanten niet aan toegekomen.
Ik hield een Maes-glas voor z’n neus.
‘Ik stond op ’t punt deze doos op te ruimen,’ legde ik uit.
Alsof ‘m dat iets zou schelen, dacht ik erbij.
‘Ja, precies. Doe daar dan maar 6 van.’
‘Ik had ze bij wijze van spreken voor je klaar gezet. Dit is een doos van 6.’
‘Ha, dat komt goed uit, want dan is ’t makkelijker inpakken. Hoe duur zijn ze trouwens?’
‘Even kijken,’ zei ik & haalde de catalogus erbij. ‘€ 1,50 per stuk.’
‘Oh, dat kan ik wel lijden.’
‘Bovendien krijg je 10 % korting als je hier een hele doos koopt.’
‘Wauw.’
Hij keek olijk naar z’n doosje glazen.
‘Ik krijg anders nooit korting.’
‘Dan doet ’t me deugd dat ik je voor ‘t 1st in je leven korting mag geven. De cadeauverpakking krijg je er ook nog gratis bij.’
‘Ik word werkelijk verwend.’
Hij wachtte af tot ik klaar was met inpakken & overhandigde me vervolgens ’t benodigde geld.
‘Nu alleen nog een tasje.’
‘Ja, maar daar moet ik 20 cent voor rekenen.’
‘Dat kan er ook nog wel vanaf.’
Een zweetdruppel droop van m’n voorhoofd. Zou ik ’t vragen, zou ik ’t vragen?
‘Martin, martin,’ schoot ’t door m’n hoofd, ‘als jij nou ook een stukje hierover schrijft, zullen we dan wedstrijdje doen welke ’t leukst is?’

& Een spetter kwam oorverdovend hard aan, op een toonbank, ergens in Zijperspace.

verkeerd

Misschien heb ik ’t verkeerde boek gelezen. Dat ’t daarom stokte. Verkeerde invloeden, verkeerde geluiden.
Ik heb ’t boek nu opzij gelegd. Gewoon, vanwege ’t feit dat de laatste blz achter de rug was. Verhaal voorbij.
8 Dagen & een ochtend heb ik er over gedaan. Lamme armen, 1st rechts, toen de nog te lezen blzs ’t gewicht bepaalden, later links, van wat achter de rug was. Ik heb meermaals geprobeerd m’n knieën als steun te gebruiken, mezelf zo wendend dat er evengoed genoeg licht op de te lezen zinnen viel, maar werd vaak na korte tijd alweer gedwongen een andere houding aan te nemen.
Ik probeerde me vaak te concentreren, me langer te laten zitten dan ik wilde, zodat ik ’t einde sneller zou naderen dan m’n eigen wil wenste. Nog tot de volgende blz, de volgende witregel, & dan mag ik opstaan. Dan mag ik nadenken over wat ik zelf moet schrijven.
& Ik waagde te denken: als ik maar zinnen sprokkel, 1 voor 1, elke steen is een onderdeel van ’t uiteindelijke huis, mist er 1tje dan heeft ’t huis geen bestaansrecht.
Daar staat weer een zin, een verder verlangen naar ’t einde van de tekst. Een tekst bestaat pas bij de gratie van z’n eigen begrenzing.
Dat ’t boek te dik was, wil ik me inprenten. Je wordt moe bij de onoverzichtelijkheid van de weg die je nog moet gaan. Ik vind polderwegen, die lange rechte in de horizont eindigende, de gevaarlijkste. Ze geven geen motivatie mee.
Elke minuut telt, op een dag dat ik moet schrijven. & Ik schrijf elke dag. Tenzij zich niets voordoet. Niets is iets dat al eerder is overkomen, of in ieder geval te weinig variaties op ’t voorgaande vertoont.
Ik voeg die minuten samen, bal ze samen tot een uur. Waarin ik desnoods mezelf mag verzorgen. Boterhammetje, wasbeurt, t-shirt aan/uit. Als de volledige concentratie maar samenvalt binnen dat uur, dat uur dat ik eigenlijk niet anders meer kan, straks moet ik elders zijn, nu is ’t moment, nu zal ’t op papier moeten verschijnen, anders is ’t te laat.
Maar tegenover dat uur, of eigenlijk daaraan voorafgaand, staat een dag lang nadenken. M’n gedachten er niet vanaf kunnen laten wijken. ’t Speelt als een thema de gehele dag door op de achtergrond. Soms als muziek die door de buurvrouw te hard wordt afgespeeld, soms als de kwetterende vogels in de achtertuin, soms als de trein die passeert, die slechts zelden bewust wordt meegemaakt, maar de ganse dag speelt ’t zich af als een tape in een loop met ruis die hard of zacht is afgesteld.
Ik verwijt mezelf de angst. Omdat die verlammend zou kunnen werken. & Tegelijkertijd wacht ik op ’t onafwendbare moment dat ik niet anders meer kan, de angst ten top, nu of nooit, & er paniekerig zin voor zin m’n vingers verlaten. Ik wacht op ’t moment dat m’n vingers ’t overnemen, de automatische piloot ’t heft in handen neemt.
’t Zijn uiteindelijk de beste teksten, als ’t verhaal zichzelf laat schrijven.
Ik kan echter ’t risico niet nemen dat er een dag niks staat, dus bereid ik me voor. Een dag lang.
& Als de tekst achter de rug is, begint de volgende. Ik leef m’n dagen als blzs die ik omsla. Achter me liggen de beschreven blzs. Voor me liggen agendapunten, notities, lichtjes aangestipt met potlood, gum ernaast.

2 Dagen lang was ’s ochtends m’n maag in de war. Alsof ’t verzwaard was met een steen, die op ’t punt stond m’n lichaam te verlaten, maar geen doorgang vond. Een kale steen, slechts gewicht waar ’t uit bestond. Als ik een scheet liet, dacht ik dat-ie niet van mij afkomstig kon zijn. Er zat iets dat blokkeerde.
& Als ik me achter de computer zette om woorden te produceren, bleef ik naar een leeg vel kijken.
Ik weet eigenlijk niet of men begrijpt wat ik bedoel, maar ik dacht dat ik ’t verkeerde boek had gelezen.

Men zou zelf ‘ns moeten proberen zijn Zijperspace dagelijks te vullen.

uitzicht

Van de week stond Lous voor de deur. Uitspraak Loes, oorspronkelijke naam Louis. Hij kwam hier voor ‘t 1st.
‘Ik dacht: hij is er niet,’ zei hij toen ik opendeed. ‘Ik zag helemaal geen licht door de gordijnen heen branden. ’t Huis zag er zo donker uit.’
‘Ja,’ legde ik uit, ‘ik leef vooral aan de achterkant.’
& Terwijl we door de gang liepen, langs de deur van de voorkamer: ‘Dit is m’n slaapkamer; die is overdag afgesloten.’

Ik kijk uit ’t raam vooral, naar de achterkant. Ik kijk naar de kleine dingen die hier gebeuren. Zoals Oma haar duif in de gaten hield die in de boom achter háár huis nestelde.
Haar blikveld was tegen ’t eind van haar leven een koker. Steeds kleiner werd haar zicht, benauwder. Van dichtbij zag ze al bijna niets. Of ze moest een voorwerp tegen haar neus aanleggen. & In de verte zag ze alleen de objecten die binnenin die koker vielen.
’t Nest van de duif.
‘Kijk maar,’ zei ze, & ze trok m’n moeder aan haar schouder, ‘daar zit ze.’
Tussen ’t gebladerte. Niet te ontwaren. Hoe m’n moeder ook haar best deed.
‘Dan is ze bijna blind,’ zei m’n moeder dan op weg naar huis, ‘maar ze ziet elke beweging van die duif. Een duif die wij niet terug kunnen vinden tussen al die bladeren.’

Ze zwaaide ook altijd al als we met de auto aan kwamen rijden. Als we op zondagse visite kwamen. We waren amper voorbij de flat, die haar zicht op de rest van de straat blokkeerde, & ze zag ons. Stak haar hand onmiddellijk op.
Als we weer vertrokken, zwaaide ze vaak op ’t verkeerde moment. Ze zwaaide gewoon, ze wist niet wat er gebeurde.

Maar haar wereld was vooral ’t uitzicht aan de achterkant. Een hofje, waar vooral bejaardenwoningen op uitzagen. Aan de overkant van ’t hofje zat een deur. Daar kon de tuinman door naar binnen. Voor de rest hadden alleen de bewoners toegang, via hun eigen achtertuinen.
M’n Oma niet, ze had geen achtertuin, want woonde op de 1e etage.
Je zag hoogst zelden iemand lopen door ’t hofje. Ik heb de tuinman wel ‘ns zien schoffelen, op doordeweeks bezoek, maar ’t was sporadisch dat ik de bejaarde mensen de grens van hun tuin zag overschrijden. Ook al nodigde de zondagse warmte uit tot een klein ommetje. ’t Hofje was vooral uitzicht.
& Mijn Oma zag niet veel meer dan ’t nest in de boom.

Er hoeft ook niet zoveel te gebeuren. Als je maar een beetje kan kijken. Als je maar weet dat ’t er is. Mijn uitzicht wiegelt een beetje op de wind. Er steekt af & toe wat over, van schutting naar schutting. & Langzaam komt er iets omhoog uit de grond. Als ik maar genoeg geduld heb.
Laat de rest maar, dat leven aan de voorkant. Ik zie dat wel als ik weer moet.

& Moeten, dat moet al zo vaak in Zijperspace.

hema-inkopen

‘De Hema is een heerlijke winkel,’ zei ik tegen Rachel, ‘want ’t is een winkel van vrouwen.’
Ik wist ’t weer toen we ’t hoekje om kwamen lopen. ’t Hoekje van de snackdistributie richting winkel zelf. Deze Hema was wat dat betreft ideaal ingedeeld. Bij de Hemaworsten kom je de mensen tegen die moeten rusten of in afwachting zijn van hun gezelschap, ga je de hoek om, dan kom je de professionele kopers tegen.
Vrouwen zijn professionele kopers.
‘& Er komen hier nl vrouwen in alle soorten & maten,’ ging ik verder. ‘De Hema is een winkel voor elke vrouw. Van alle leeftijden, van alle standen.’
Behalve van de kaque, bedacht ik me snel, maar die vind ik toch niet interessant.
‘Dus voor een man zit er altijd wel wat tussen van zijn gading.’
Je zou er alleen met een kinderwagen moeten lopen, of er een kind voorgebonden moeten hebben aan de buik, want anders zien ze je niet. Zo gebiologeerd zijn de dames door de maten, de stoffen, ’t beste merk & de aanbiedingen. Ze pakken alles op, houden ’t tegen ’t licht, om te controleren of ’t wel om ’t lichaam past waarvoor zij hier bezig zijn, kneden ’t tussen de vingers, wrijven even om te voelen of ’t lekker glijdt & de naden op de juiste plek zitten, & vergeten daarbij volledig om zich heen te kijken, bijvoorbeeld naar die enkele man die als losgeslagen wild door dit amazoneland dwaalt.
Ik vertelde Rachel maar niet dat je als alleenstaande kinderloze man volledig anoniem door deze winkel rond kon waren, je ogen de kost kon geven, maar onbeslagen ten ijs huiswaarts kon keren als je niet van te voren wist wat & hoeveel je moest hebben. De Hema is een feest, je kan er je ogen de kost geven, maar je moet niet verwachten dat je aandacht krijgt van ’t passerend vrouwelijk schoon, want die zijn op dat moment met iets veel serieuzers bezig dan hun hormonen.
‘Kijk maar om je heen,’ probeerde ik Rachel ‘ns op een andere manier te laten kijken, ‘je ziet alleen maar vrouwen, slechts een enkele keer een man, maar die is dan in gezelschap van een vrouw. Zo’n man moet dan geduldig wachten op ’t hoekje van de schappen, op een kruispunt van gangpaden, anders past er niemand meer door, want z’n armen zijn volgehangen met tassen om de vrouw de gelegenheid te geven de aangeprezen goederen met 2 handen te kunnen keuren.’

‘Ik moet onderbroeken hebben,’ verklaarde ik even later.
Als m’n moeder nog m’n was zou doen, dan had ik een jaar geleden al nieuwe nodig gehad. Maar een man is zuinig & gaat vreemd genoeg efficiënter dan een vrouw met dat soort materialen om. Of ’t zou moeten zijn dat de slipjes van de vrouw door de man ietwat hardhandig van ’t lichaam afgerukt worden. Een man kent z’n eigen kracht niet altijd. Laat staan z’n onstuimigheid als ’t bedrijven van seks in ’t vooruitzicht wordt gesteld.
Aangezien ik vrijgezel ben, heb ik vrij weinig met onstuimigheid van doen, maar dat hoef ik m’n moeder niet uit te leggen. Bovendien heeft zij geen zeggenschap meer in de aanschaf van mijn onderbroeken.

Rachel volgde gedwee. Alsof ’t een soort vanzelfsprekendheid was. Een man kocht onderbroeken voor zichzelf & ’t vrouwelijk gezelschap liep even mee.
Ik deed ondertussen of m’n neus bloedde.
’t Was nl lang geleden dat ik dit onder begeleiding deed. Weer m’n moeder. Ergens in de puberale fase had ik haar duidelijk gemaakt dat ik mijn groeiend lichaam zelf wilde voorzien van allerhande bedekking, maar toen die schaamte voorbij was & mijn huishoudbudget nog niet voorzag in allerhande uitgaven, bier was belangrijker dan ’t ontbreken van gaten in kledingstukken, bleek ’t juist weer handig om m’n moeder de onderkleding te laten sponsoren. Elke cent telde indertijd. Zaak was ’t slechts dat ik van te voren al had bepaald welke onderbroek ’t lekkerste zat, ’t makkelijkst verkrijgbaar was, & waar geen enkele vergissing over mogelijk was. Dat bespaarde mij enkele guldens per ½ jaar. & Een ritje naar de Hema.

Ik heb ’t nog een keer geprobeerd met een andere dame. Na een gezellige avond, met veel drank, bekende ik dat ik nou toch ‘ns eindelijk, ik moest ’t niet langer uitstellen, ’t werd écht tijd, onderbroeken moest gaan kopen.
Ze had die van mij nog niet gezien, maar ik wist tijdens ‘t gesprek zo levendig te illustreren hoe mijn onderbroeken er inmiddels bijhingen, blijkbaar amusant genoeg om haar een ½ uur een lachkick te bezorgen, dat zij zich er iets bij kon voorstellen & de noodzaak ervan inzag dat zij mij zou begeleiden bij de jacht naar onderbroeken die niet door moeders waren uitgekozen. Vrouwen hadden ervaring in ’t aankopen van allerhande waar, vertelde zij, al vroeg in de jeugd werden de meisjes er op uitgestuurd ’t allemaal zelf te doen, dus die ervaring kon mij steunen in ’t opnieuw te proberen bepalen wat mij nou lekker zat.
Ze bedoelde: ze wilde wel een keertje met me mee onderbroeken kopen.
Ik bedoelde: ik vond ’t fantastisch als zij mee ging, maar alleen om makkelijker de schappen te kunnen vinden waar mijn moeder altijd mijn onderbroeken vandaan haalde.
Ik bedoelde ook: ik was best bereid haar vervolgens thuis te tonen hoe die onderbroek uiteindelijk zat.
Ze belde echter op ’t laatste moment af. Waarschijnlijk omdat zij mijn bedoelingen in nuchtere staat beter op waarde wist te schatten.
Ik besloot daarom op ’t allerlaatste moment toch maar nieuwe onderbroeken te kopen. Toen ’t écht écht niet meer ging.

Ik heb daardoor de Hema opnieuw ontdekt, wilde ik eigenlijk nog tegen Rachel zeggen. Maar we stonden al voor de onderbroeken. Dat hele verhaal over die vriendin heb ik dus maar verzwegen.
Bij vergissing stonden Rachel & ik iets te lang te kijken bij de modieuze uitvoeringen van datgeen waarvoor we gekomen waren. Waarop ik opeens weer wist dat je voor mijn aankleding altijd in de goedkopere stapels moest kijken. Waar niets uitgehangen werd aan een knaapje. De stapels waar alles op elkaar leek, alles behalve ’t nrtje op ’t stickertje. Van ’t stickertje wist ik nl ondertussen dat die naast de prijs ook de maat aangaf. Ik griste er 3 met de mijns inziens juiste maat uit ’t schap, daarbij vooral bedenkend hoeveel bier me dat zou kosten, & ging in de uit louter vrouwen samengestelde rij bij de kassa staan.

‘Heb jij een man gezien?’ vroeg ik op de roltrap naar beneden. ‘Een man in z’n 1tje?’
‘Nee,’ zei Rachel. ‘Of wacht, daar komt er net 1 langslopen.’
Een man met stoere passen zagen we passeren op de etage die ons tegemoet kwam. Elke stap voerde hem minstens een meter verder. Daarbij keek-ie niet op of om, zo druk was-ie bezig z’n gesprekspartner aan de andere kant van z’n mobiel te voorzien van allerlei informatie.
‘Maar die is door z’n vrouw op pad gestuurd,’ vulde Rachel aan. ‘Hij belt nu alleen nog omdat-ie moet weten waar hij kan vinden wat zij moet hebben.’

Kijk, Rachel is een vrouw die mannen snapt.

Of in ieder geval die ene die opgesloten zit in dat wereldje van Zijperspace.

weggebracht

‘Zeg Mam, ik belde eigenlijk om te vragen of jij misschien wist of ik al ‘ns heb geschreven over dat ik voor de 1e keer naar de kleuterschool ging.’
‘Over de kleuterschool? Hm, dat zou ik eigenlijk niet meer weten.’
‘Dat ik er naartoe werd gebracht & niet wilde blijven.’
‘Ik geloof dat Pa je de 1e keer daar naar toe heeft gebracht.’
‘Nee, ik dacht juist van niet. Jij bracht me toch? Ik ben trouwens volgens mij wel 2 keer voor de 1e keer naar de kleuterschool gebracht. Die 1e keer moest ik zo huilen dat ik maar weer mee teruggenomen ben.’
‘Oh, dat kan ik me niet meer herinneren.’
‘& De 2e keer ben ik door de juf aan ’t tekenen gezet.’
Jij stond in ’t hoekje van ’t klaslokaal, denk ik erbij, om mij ’t idee te geven dat je niet weg zou gaan. Ik mocht van de juf een hele mooie tekening maken, met allemaal kleurpotloden. Toen ik klaar was, zei ze dat ’t een wel verschrikkelijk mooie tekening was geworden. Ik moest tekenaar worden, zei ze. Jij was ondertussen verdwenen, maar ik weet niet of ik dat echt door heb gehad. Later ben ik er pas achter gekomen dat ik helemaal niet goed kon tekenen. Jaren later. De schoorstenen van de huizen die ik tekende stonden altijd scheef, zei m’n oom. & Toen ik later een tekening van een lucifersdoosje bij de tekenleraar inleverde, een lucifersdoosje dat sprekend leek op de echte, wilde hij ’t niet geloven, want hij wist dat ik niet goed kon tekenen. Ik wist ’t toen zeker: ik kon niet tekenen & wilde ’t ook niet meer.
‘Verder nog iets?’
‘Nou, hoe gaat ’t met Pa?’
‘Ach, ’t gaat. Hij heeft nu een rolstoel.’
‘Oh?’
‘Een trippelstoel eigenlijk.’
‘Oh, dan kan-ie nog een beetje bewegen.’
‘Ja, zichzelf een klein beetje heen & weer trippelen met de benen.’
Ik kan me een man in de hal van de Koogh herinneren met zo’n stoel. Moeizaam trok-ie zichzelf voort. Scheef hangend, z’n armen niet op de leuningen steunend.
‘Die man heeft ook Parkinson,’ had m’n moeder gezegd.
Dat kon ik zien aan z’n scheve houding, wist ik inmiddels. Maar deze man zat niet op een gesloten afdeling. Zoals m’n vader. M’n vader zou ’t nooit meer voor elkaar krijgen de code van de deur in 1 keer ingedrukt te houden. 3 Vingers tegelijk op 3 verschillende cijfers. Hij zou ’t niet eens kunnen onthouden. Dus daar zat Pa veilig. Rondbanjerend in z’n trippelstoel.
Ik probeerde ’t me voor te stellen.
Af & toe denk ik er aan terug, aan ’t moment dat Pa erheen gebracht is. Ik stel me m’n moeder voor, die achteraf nog even wat bleef hangen, terwijl m’n vader werd afgeleid door misschien wel de warme maaltijd, of de koolmezen die buiten zich tegoed deden aan de vetbolletjes. & Toen Pa een tijdje niet had opgelet, was Ma opeens verdwenen.
Maar liever denk ik niet aan de tranen die in m’n vaders hoofd zijn blijven hangen, maar geen manier wisten zichzelf voor de buitenwereld te vertalen.
‘Maar voor de rest gaat ’t wel?’
‘Ja, ’t gaat. Hij las vanmiddag een boekje. Of hij bladerde er in ieder geval in.’
‘Dat is toch in ieder geval wat. De laatste tijd dat-ie thuis was, nam-ie toch nooit meer een boek in z’n handen?’
‘Ja, dat valt inderdaad mee.’

Uiteindelijk raken we aan alles gewend in Zijperspace.

éééven

‘Je moet er wel rekening mee houden dat er vooral oudere mensen op af komen,’ zei ik tegen Rachel. ‘Maar als ’t ons niet bevalt, dan lopen we gewoon weg & gaan onze eigen gang.’
‘We zien ’t wel,’ zei Rachel.
‘We zien ’t wel, we zien ’t wel, we zullen ’t wel beleven, maar kan ’t nou niet even snel, want ’t léééven duurt maar éééven,’ zong ik.

Er liep een stoet mensen ’t Nieuwe Kafé uit. Naast de Nieuwe Kerk.
‘Dit moeten ze zijn,’ zeiden we.
Zo dat de dame voorop ons hoorde. Ze oogde stukken jonger dan de mensen die haar volgden.
‘Ja, dit is ‘t,’ zei ze.
‘’t Zijn er wel heel veel,’ zei ik.
‘& Ze hebben ook allemaal een foldertje in hun handen,’ zei Rachel.
‘Misschien moeten wij ook nog even een folder pakken.’
We slopen nog even naar binnen. Zochten de foldertjes, maar konden niets vinden.
‘Zullen we maar achter ze aan gaan?’ vroeg Rachel.
‘Als ’t ons niet bevalt, dan gaan we gewoon,’ zei ik.

‘Zo’n hoge opkomst hadden we niet verwacht,’ zei de dame voor ’t Paleis. ‘We hadden niet zoveel kopietjes gemaakt. Dus als iedereen die gezelschap bij zich heeft nou even 1 kopietje met elkaar gebruikt, dan kunnen degenen die nog niks hebben ook een exemplaar gebruiken onderweg.’
Ze was nog net boven de wind, de trams, ’t rumoer van de dagjesmensen uit te horen.
‘Zijn er nog mensen die geen foldertje tot hun beschikking hebben?’ vroeg ze voor de zekerheid.
We wezen een oude man aan die net aan was komen lopen. We moesten een beetje voor de mensen op komen die niet assertief genoeg waren, was ’t gevoel.
Er kwam nog een man aanzetten. Hij kwam naast de groep staan. Op de trappen van ’t paleis. Hij zette z’n tassen naast zich neer. Rachel & ik keken vluchtig, luisterden verder naar ’t verhaal dat verteld werd. Over patriotten in Amsterdam, rond 1780. Ik registreerde stiekem de elastieken die de broekspijpen van de laatst aangekomene moesten beschermen tegen kettingsmeer.
‘Mag ik wel vragen,’ vroeg een man in ’t midden van de groep toehoorders, ‘als we verder gaan lopen, kan er dan rustig aan gedaan worden? Anders houden we ’t niet bij.’
‘Natuurlijk, daar zullen we rekening mee houden.’

‘De volgende plek die we gaan bezoeken is Singel 292,’ zei de rondleidster aan ’t eind van haar verhaal voor ’t Paleis. ‘Voor ’t geval dat u sneller of langzamer loopt dan de groep, dan weet u in ieder geval waar we moeten zijn.’
We trokken weg. Richting Paleisstraat. Binnen enkele meters vormde zich een sliert.
‘Is die man er nou wel?’ vroeg ik.
‘Die man die op de trappen van ’t Paleis stond?’ vroeg Rachel.
‘Nee, die niet,’ zei ik. ‘De man die niet zo snel kon lopen.’
‘Oh, die. Maar had je die man gezien die als laatste aankwam?’
‘Ja, tuurlijk. Hij had elastieken om z’n broekspijpen.’
‘Die kwam zeker net uit de polder aanfietsen. Met z’n rode wangen.’
‘Ah, daar is-ie,’ wees ik naar de man die niet snel lopen kon.
Hij liep voorin in de groep.

Terwijl de dame aan ’t vertellen was over burgemeester Rensdorp, ooit woonachtig op Singel 292, snoot de man naast haar z’n neus. Hij haalde een linnen zakdoek ervoor tevoorschijn. Zorgvuldig werd die uit elkaar gehaald, aan de neus gezet, zachtjes getoeter, opgefrommeld & weer in de broekzak gestoken. Z’n vrouw hield ‘m ondertussen geduldig bij z’n arm vast.
Die heeft ze vanochtend vast voor ‘m klaar gelegd, dacht ik. Dat-ie niet in de kou zonder zou komen te zitten.
Op ’t moment dat de zakdoek weer op z’n plaats zat, was de dame klaar met haar verhaal.
‘Gaan we nu door naar de Keizersgracht. Nr 324. Zoals vast enkelen onder jullie weten: Felix Meritis.’
De man met de elastieken om z’n broekspijpen pakte z’n fietstas weer beet.
‘Zie je,’ zei ik tegen Rachel, ‘hij heeft z’n tas helemaal aan elkaar gebonden met touw. Zodat-ie niet uit elkaar valt.’
Rachel knikte.
‘& Hij heeft hele goedkope schoenen aan. Vast een vrijgezel op leeftijd. Of z’n zus verzorgt ‘m.’
Bij Felix Meritis aangekomen hoorde ik ‘m z’n buurman vertellen: ‘Dit is een filosofisch instituut.’
‘’t Is ooit een communistisch bolwerk geweest,’ wist-ie ook nog te melden.
’t Hadden allemaal vrienden van Voskuil kunnen wezen, dacht ik. Zodirect zeggen ze allemaal dat de rondleiding ‘mieters’ was geweest.

‘Gaan we van hieruit weer een stukje terug, naar de Kalverstraat,’ besloot de dame haar verhaal bij Felix Meritis.
‘Weet u ook waar de Leidschestraat is?’ vroeg de man met langzame benen even later aan haar.
‘Die is toch daar?’ zei ze met een vragende blik naar haar omstanders. ‘Ik kom zelf niet uit Amsterdam.’
Er werd geknikt.
‘Gaat u niet verder mee?’ vroeg ze, zich weer tot de trage man wendend.
‘Nee, ’t gaat me te snel.’
Hij keerde zich om naar de aangewezen richting. Z’n vrouw sjokte mee aan z’n arm. ’t Schommelde een beetje. Door de ongelijke stoep, door ’t verschil in lengte, doordat ze zo al jaren liepen.

‘Vind je ’t nog leuk?’ vroeg ik aan Rachel.
‘Ik vind ’t leuk om eens iets te doen wat ik nog nooit heb gedaan,’ antwoordde ze. ‘Jij niet?’
‘Ik heb ’t wel een beetje gehad,’ zei ik. ‘Ik heb zin in een café.’
‘Ja!’ zei Rachel gretig.
De groep vertrok richting Oudezijds Achterburgwal. Wij besloten weer richting Singel te vertrekken.
‘Dan moeten we wel voorzichtig weggaan,’ zei Rachel, ‘want anders lopen ze allemaal achter ons aan. Denken ze dat ’t de andere kant op is.’

Langzaam verwijderde Zijperspace zich van een ouder wordend heelal.