Gloort

Soms, slechts soms, zou ik naar mijn beeldscherm willen staren. Van nietsgebeuren. Hoofdopslot. Geenavontuurmeerverwachtenmeer.
Van die lange woorden ook. Zoals de finnen alles samenvoegen, vervoegingen daar gelijk aan toegevoegd.

Toch ben ik een vrouw tegengekomen die me nu al een paar dagen bezighoudt. Een dame van no nonsense, nou ja: mogelijk no nonsense, in ieder geval met een uitstraling van ik heb alles al meegemaakt & je hoeft je niet schuldig te voelen. Hou je mond maar, ik doe ’t werk wel. Zonder stoer. Vooral betrokken.
Dat je een huis inloopt waar iedereen vreemd is, jijzelf evenzo, maar dat bij voorbaat, vanaf punt nul, duidelijk wordt dat dat er niet toe doet.

Een sprankeltje van lichter ademen gloort.
Snapt u?
Ademhaling die voor anderen normaal schijnt.
Ik had al mijn gegevens aan haar overgedragen, met DigiD. Misschien begrijpelijker: hoe je dat vol vertrouwen doet als je geholpen wordt. Niets te verliezen hebt ook. De veilige woorden van bereid zijn te helpen al als daadwerkelijke hulp hebt geïnterpreteerd.

Terwijl ik Ernst, m’n huisarts, 2 weken daarvoor verteld had dat juist ademhalen een serieus probleem was toen ik tussen de 20 & 25 was. Daarna nog een paar jaar pillen bij me droeg, voor de zekerheid. Van rustig, rustig, langzamerhand een kalm voelen indalen, soms niet, dan weer wel. Zo van langzaam genezen van paniek.

& Dan is dit geen zielig verhaal. Eerder weten dat ook dit weer overleefd wordt. Waar de wolken elke keer veranderen, zoals vanmiddag ook weer de zon onverwachts ging schijnen in ’t Diemerbos.
Rustig, bomen om me heen, uitzicht over wat ver weg boven mijn huis voorbijgaat aan lucht, wolken, wellicht ook neerslag.

Waar ik woorden zoek, verbaasd over wat ’t boek in mijn handen mij voorschotelt. Schoon, niet overdreven & evengoed meeslepend. Vooral om een hoofdpersoon die vanaf zijn jeugd door boeken bevangen is, ondanks zijn afkomst.
Waar ik opnieuw, nog een keer woorden zoek, zo dicht mogelijk tegen mezelf aanleunend. Beïnvloeding afkeurend, maar me wel de letters & zinnen met bevlogenheid mee laat dragen.

Ik ben soms onleesbaar snap ik nu. Had ik ook achter de bar. Onmiddellijk reagerend als ik ook maar enige oneerlijkheid spotte.
Maar zo zagen de aangesprokenen dat vaak niet. Ik wist ze echter te overtuigen door ze de deur te wijzen & voorlopig weg te blijven.
Was mijn hoop.

Ik wist tegelijkertijd, of juist een moment later, dat dit donder over me heen zou brengen.

Soms jarenlang.

Maar nu, wil menigeen de hand schudden in Zijperspace, want hier is de barman (van toen).

Leeghoofd

Het lege hoofd komt nader. Het wil niet volhouden. ’t Zichzelf (het Hoofd) presenteren als volwaardig persoon, zeker als een volledige dag van thuisverblijf aan de hand is. ’t Weigeren de deur uit te gaan. Te kluisteren, ’t proberen afzonderen is meer aantrekkelijk. Behoeft dan geen uitleg meer.

’t Is slechts wachten op een bepaalde mate van actie. Als een gebeurtenis, zolang ’t mijn bankjesverblijf, de verschillende bankjes die ik als leesplek heb goedgekeurd, niet wordt verstoord. Waar ik me niet verlies, zoals eerder vanmiddag, dat ik smekend zei dat ik nerveus werd van alle informatie die ik moest overdragen.
‘Nee,’ zei zij heerlijk geruststellend,’dat kan ik ook.’
‘Geef ff je gegevens.’

Burgerservicenummer (BSN) & dat soort dingen.

Ik moet stoppen met typen terwijl ik dat schrijf.
De keel beknelt, adem hapert. Ik weet dat m’n hoofd rood schijnt op dat moment van toen & bovendien dat ik niet meer denken kon.
Ik doe nog wel een poging dat uit te leggen, maar ’t snelle weerwoord luidde:
‘Helemaal geen probleem: ik doe ’t gewoon zelf. Geef maar je burgerservicenummer.’

& Terwijl ik dit jullie vertel, terugdenkend aan die aardige dame, me net bekend, word ik al nerveus voor de volgende afspraak. De ingewikkeldheid, dat deze spreekuurplek net uit de buurt ligt van waar ik woon.

’t Ging niet alleen om m’n BSN, terwijl m’n coach ietwat verlaat binnenkomt & ik haar uitleg wat er allemaal geconstateerd is, waar ik niets van wist, van had kunnen weten, de belastingdienst, nog veel meer, & ik alleen maar denk dat ik moet ademhalen, langzaam, traag, evengoed coach vertel wat we hebben geconstateerd.
Maar dat juist dat geen opluchting geeft.
Geen adem.
Hooguit een blubberborrel in m’n buik. Een noodzaak in m’n mond om uit te leggen waar ik elke keer, ondanks hulp, altijd alleen sta. De paniek, de rode gloed voelend op m’n hoofd, de traagheid van daadwerkelijk kunnen denken. Schaamte ook voor dat traagdenkend hoofd, dat lijntjes mist, bepaalde lijntjes niet meer weet te plukken, ze weet te verbinden.
Hoe goed ze, de hulp, me geruststellen, daar ook mee om kunnen gaan.

Ik vertel ’t allemaal verkeerd. Ik weet dat ’t anders is gegaan. Maar m’n hoofd wil niet. M’n hoofd heeft z’n eigen verhaal. ’t Is een ervaren, beleven, te veel worden & dan herschrijven.
& Ik zit daar ergens tussenin: heb een toetsenbord dat schrijft, gewillig, waar correcties nodig zijn, maar de backspace werkt, de delete echter niet.

Zover ligt de waarheid verwijderd van Zijperspace.

Verwarring

Dat dus. Als in de titel.
Dat de maag zich laat horen, tot hier bovenin m’n schedelkap. Iets verder daaronder natuurlijk. Dat de gedachte je buik is geworden, zonder dat er daadwerkelijke honger is, maar de rommel toeneemt. Uiteindelijk hooguit een honger naar praten tegen mezelf. De waarheid vertellen of anders een verminking ervan.

Dat maakt niet uit, als er maar iets uit stroomt. Van niet begrijpen, ’t zelfs geen beetje te pakken krijgen, de stroom evengoed laten wijzen waar de weg naar verder is.

Ik moet stoppen met dubbelspraak. Met de muren m’n gedachten laten ketsen als echo’s, onbeantwoord uiteindelijk. Want wat weet ik meer daarvan dan ’t herhalen wat ik al verzonnen heb te zeggen.

Een verwarring, een knoop, een kruising. Ook omdat ik een hekel heb aan rotondes die de fietser de langste weg laat nemen. De nog tragere voetganger net zo, nog iets erger zelfs op de buitenste ring.
Gehoorzaam legt de wandelaar de omweg af. Laaft zich zogenaamd aan zijn gedachten, om z’n verloren tijd verklaarbaar te maken.

Liefst leg ik een knoop in de voertuigenroute: wijd omheen degenen die zich traag ter voet verder schuiven, dus tegelijkertijd wijd omheen die zich ’t dichtst bevinden van middelpuntvliedende gezondheidsgroen.

Zij, de ‘snel’ mobielen, krijgen allen een parkeerplaats geserveerd in menig natuur, waar fietsen omvallen vanwege rul zand & ‘die anderen’, de incidentelen, de weekendtoeristen, hun vehikel van 4 standvastige wielen hebben voorzien. Hun heenweg naar de parkeerplaats nog wat extra omgewoeld.

Jaloers
Afgunstig

Want ik weet dat ik dát groen laat voortbestaan. Mijn, immer & evengoed beperkende geest daar z’n best voor doet.
In alle onbenulligheid. Maar tegelijkertijd me besef dat er een andere onbenullig/onwetendheid dan ook mogelijk aanwezig is, daar ook tegenover staat. Diegenen die denken als auto, een groter ‘zij’, hun uitvergroting. Een fallus, een Groter Ik dus, een eigen god in ’t diepst van hun gedachten. De rest van ’t volk tegelijkertijd achterlaat.
Een krap huisje zijn, leven in een benzine-, mogelijk in een gas- of energieblik, elke dag zoevend over de autobaan. En als je rijk bent steun je vanzelfsprekend dat & hun voortbestaan.

Ze zijn beperkt gekrenkt. Eenzame ruimte meestentijds, slechts een radio die ze toespreekt of zingt.
Doe een fiets, denk ik dan. Zo veel als mogelijk. Dan luister je naar niets behalve naar vogels, zoemende insecten, groeiend groen, een reden van leven komt ook voorbij. Een simpel beseffen dat er meer leven moet zijn dat wij & ons, de meest egoïstische schepselen sinds dit bolletje rond ontstaan is.
Laat mij & wiens ook nakomelingen leven.

& Mijn verwarring zal Zijperspace groter doen groeien als ik Jane ooit ontmoet.

Topvingerhandschoenen

Ik draag ze tegenwoordig; een teken van ouderdom vermoed ik. Ook al heb ik ze niet bij mijn opa’s/oma’s mogen ontdekken toen ze nog in leven waren. Hoewel die handen behoorlijk koud konden voelen, alsof ze de energie, de warmte, uit ’t levend lichaam van ’t kleinkind wilden trekken.
Een troetelend zinnetje daarbij. Vooral van moeders kant: de Zegers.

De Zijp-en, vaderskant, waren wat meer profijtvol, zonder al te veel commentaar. Oma enigszins vertroetelend, maar de juiste zinnen missend; Opa een knijpend genoegen vanaf zijn sigaarstoel. In ons opzicht ook de verbinding missend. Wolken rook de hoge lucht inblazend. Net niet ons vingers verpletterend (Oom Carel, moederskant, gelijk zijn jongere broers hadden daar wel een handje van; ’t was een soortement handjedruk wie van de 2 verschillende generaties ’t ’t langst vol zou houden; dat was een gezellig oompje-neefje spel die gepaard ging met een vriendelijk sarcasme, waarbij je steeg in de ladder als je de competitie aanging).

Ik ga ze, een ietwat te laat tegelijkertijd, niet vertellen dat ik weinig warmte meer voel in m’n rechterwijsvinger. Ik voel wel, maar de kou is overheersend. Ook in zomer.
Hun hele generatie, moeders/vaderskant, is inmiddels overleden. Ik kan ze niet meer vragen of zij de oorzaak, de erfelijkheid aan mij hebben overgedragen.
Maar m’n moeder had wel vaker last van kou. Net als dat we háár moeders (Oma) handen niet erg prettig vonden bij afscheid. ’t Kneden van ons toen nog jonge handjes, wrijvend van verlangen de jeugd te voelen, maar misschien wel een poging de energie, de warmte er uit te trekken. Want wij hadden daar toch nog genoeg van.
We probeerden evengoed onze handen los te trekken. Hopend op een neefje die bij de zondagse afterkerkthee (een woord dat toen nog niet bestond) wat later binnen zou komen.

Dus ik draag toploze handschoenen nu. De winter is wellicht niet begonnen, maar de herfst wel. ’t Huis is nog steeds enigszins warm (sinds vorige week een enkele keer de thermostaat aangezet, soms af, soms aan, soms twijfel, soms zuinig), maar vingers  vaak niet, waardoor m’n lijf ook vaak niet.
Net hoe ’t hem uitkomt.

’t Gekke is echter dat ik daardoor m’n moeder voel. Oma ook, haar ma dus.
Ze beide bezig waren warm te koesteren & ’t onbewust tegelijkertijd bij hun kinderen, hun kindskinderen zochten.

Je weet wel, als vrijgezel, je de kou opzoekt in je lichaam, ’t omhelst, de kussen in je bed (ik heb er in ieder geval 4 tot mijn beschikking) die de grootste behoefte aan mijn inmiddels lichtelijk opgewarmde lichaam heeft, als een wederzijdse dienst ter beschikking stelt. Voor mijn warmsmachtende benen, een teddybeervervangende middernachtsdroom, een niets, voelend, vervloeiend, donkere, lekkere slaap, morgenochtend wakker uiteindelijk.

Ik ril bij die gedachte al. ’t Kougevoel straks. M’n hele lichaam daarmee omhuld.
Kou dat mij straks in warmte in laat slapen.
Als in veilig, niemand krijgt mij hier meer weer weg. Tot in de punt die ooit hier op volgt, maar zoet slapend.

Voorlopig wellicht in Zijperspace.

Kleinigheden

’t Zijn mijn nagels die me aan ’t denken hebben gezet. Dat van wat links is wat is rechts.
Een film kijkend, lui, maar niet liggend, op mijn stoel. Actieve houding.
Waardoor ik mijn vingers, in 1e instantie onbekommerd, tegenover elkaar ging zetten. Links tegenover rechts. Eigenlijk opnieuw, maar vanuit onderzoekend uitgangspunt. Waardoor ik de film niet meer kon volgen die vanzelf verder ging tegenover mij, ’t beeldscherm, omdat zij, de vingers, niet als datzelfde vanzelf wilden voegen: wie mag boven, wie is dominant daarin. Linkerduim tegenover rechterduim, de volgende vingers eenzelfde concurrentiestrijd & hoe voelde ik me daarbij? Als stuk voor stuk.

Waar is mijn lichaam, mijn kennis & besturingssysteem ervan, plus daarbij: waar ben ik? Wat is vanzelfsprekend & waar kan ik experimenteren met waar ik de onderdelen naar toe laat gaan?
Tegelijkertijd: waarom ga ik daar over nadenken? Misschien een vraagteken te veel, maar mijn gedachten daarover tezelfdertijd, tezelfdertijd, tezelfdertijd  (met een kleine, maar behoorlijke vertraging evengoed), als in dat niet alles op ’tzelfde moment bedacht wordt, we zijn geen goden immers, al wil je dat in een diep punt van je gedachten wel zijn, je dat vooral afvragen evengoed, evengoed, als een nieuw kunstje opnieuw, om een vertraging van belevenissen in ’t hoofd te veroorzaken.

Een kernpunt bereiken. De roos, waar de kernbom explodeert & de oplossing ontsnapt, maar ook verluchtigt, zodat ’t misschien wel opnieuw wellicht samen te voegen valt. Uit snippers. Kleine samenvoegende verspleiterend geminimaliseerde zandkorrels aan een nieuwe kust, een nieuwe alp met ververste sneeuw net zo.

Mijn fantasie zegt nog niet: tot nieuw leven samenvoegt; maar de bedenksels, de geboekte samenvoegingen in gestaafde letters, dat wat was, straks weer een is is. Omdat ’t in de lucht is blijven hangen, in aaps, in beers, in knoppergals, in vlinderstruiks, in schildluis & alles wat z’n naam weer, waarschijnlijk z’n nieuwe naam weer moet gaan verdienen. Bij ontmoeting met wellicht nieuwe spraak.
Maar onverstaanbaar voorlopig, een nieuwe weg ingeslagen geworden moet worden, tot een nieuw verleden, een gehervormde vorm van elkaar becommuniceren.

God, dat gaat lang duren in Zijperspace.

Diepzinken

Ze durven ’t me zelden te melden, maar ik weet al jaren dat ik drink. In een brouwerij werken, dat op een gegeven moment samen laten gaan met een bierwinkelbaan: daar plakt drankgebruik aan.
Meestal hoef je je niet te verontschuldigen dan. De klant heeft grotendeels meer gedronken aan ’t eind van de avond.
& Je moet nog eten, een maaltijd binnen krijgen, bereiden meestal ook daarvoor. ’t Niet slecht voelen zien wegtoveren tot enigszins positief. De nuchterheid hervoelen, tegelijkertijd ’t nagesprek, ‘nazitten’ heette dat, ook terug ‘her’toveren, van wat fout was gegaan in mijn gedrag, in andermans optiek, wat in de toekomst beter kon.

Diep zinken in commentaar over mij. Er was zoveel wat er met mij mis was. Waar ik moest verbeteren.

Maar ik slokte mijn biertjes na afsluiting, als elke dag dezelfde promillage, & at mijn maaltijd vlak na 10-en thuis.

De opsodemieters ben ik nooit vergeten. ’t Zwiepen op m’n rug. Hoewel ik prima op kon schieten met hun, maar altijd kregen zij ’t voor elkaar ’t recht om mij te verwijten aan hun kant te krijgen.
Waar ik geen weerkracht had, geen echo-verwijt wilde plaatsen.

We waren 1st met 5. Later 6, 7, op een gegeven moment zelfs 10. De meewind noch tegenwind werd er minder om.
Slechts een enkele meedenker, een vrijdenker, een schouder-aan-schouder houdend tijdens muziekgenoegens, een concert.
Teer.
Of teer, zonder hoofdletter, dat klinkt beter.
’t Ongemak voelen dat je normaliter niet met mannen deze gevoelens met een arm om de schouder deelt, normaliter, normaliterwijs. Dat dat zomaar kan, net zoveel bier opdrinken kan. Elkanders gelijk.

Dan schouder aan schouder staan, tijdens een concert. Gelijkgevoelens, bier aan wederzijdse handen. Carnavalesk lag ver van ons vandaan. Een zeldzaam veilig voelen, met evengoed treurigwekkende teksten, een stilte, een moment van slechts 2 of 3 minuten, wie zal me dat kunnen navertellen.
Een zang van stil. Hoog kwelend, maar de rest was stil
Een Boem, een klaar, we hadden ’t samen meegemaakt & m’n collega’s, hoe lief ook, hadden geen recht meer om mij ook maar iets te verwijten.
Hoewel ik ’t de volgende dag vroeg al was vergeten.

Een omhelzing voor hun evengoed vanuit Zijperspace.

Simpel

Laat ’t eenvoudig zijn, dit bericht. Deze tekst eigenlijk, immers niet een schrijven uit een zogenaamd koninkrijk.
Laat ’t zijn wat ’t is.

Dat ik mensen niet na-wuif; gedag zeggen voldoet. Ik hoor ’t gritten van ’t grindpad al lang voordat ze op fiets of lopend bij mij aangekomen zijn. Hun fiets- of voetsporen over ’t me tegemoetkomend pad als een voorspelling van de ontmoeting blootleggend.
Ik probeer dan mijn lezen te plannen. Een zin tot aan de punt af te maken. Zodat mijn hoofd zich opheft in volle bereidheid niet een kluizenaar op deze bank te zijn.
Een glimlach, een hallo of hai, al naar gelang mij de ontmoeting of behoefte aan variatie mij ingeeft.
Leeftijd heeft er soms ook wel mee te maken, of de manier waarop ik denk dat iemand zich afsluit voor de ‘Dag’-communicatie van niet alleen te zijn, want we weten beiden dat er meerdere mensheden hier aanwezig zijn.

’t Niet-alleen-te-zijn is wellicht wat overdreven. Want passerend over dit pad, deze route, betekent immers dat je ervoor gekozen hebt. ’t Zitten erlangs, op een bankje net zo goed.
Maar ik kan niet zwijgen, negeren van andermans voorbijgang. Tenzij een volkomen van mij wegziende blik.

Dan moet ’t wel te maken hebben met 2 opgevulde oren met muziek of een podcast, een hond of paard die aandacht nodig heeft, of voor hun de aanblik van een agressief of lelijk pokdalig gezicht dat ik zeker weten niet uitstraal.

Ik heb ergens geleerd tijdens mijn jeugd, toen Den Helder nog een dorpse volume had, de van der Hamstraat daar de kleine buurtuitvoering van was, met om de hoek reddingsheldenmonumenten, onze buurman een laatste loot ervan, dat je vooral altijd elkaar moest groeten.
Gedag als in ‘goedendag’. Toen ‘Hai’ nog niet bestond, maar ‘G’morgen’ wel. Je van je moeder belletjetrek bij de gepensioneerde vissermanbuurman mocht doen om hem een gebakken schol te leveren. De vuilnismannen een bak koffie kregen geserveerd, die ze met 1 voet tegen de muur tussen buur & ons kwamen genieten. M’n moeder om de hoek van de deur informerend of er nog een koekje bij moest worden geserveerd.
‘O, dankuwel, mevrouwtje.’
Waarop ons kinders een aai over de bol kregen van de vuilnismannen die ’t dichtst bij onze deur stonden. De zon stralend, de koffie geurend, de verhalen van vissen & vuilnisbakken over & weer gaand. Volgende week zou er een kleine voorraad vis voor hun klaarstaan, zie buurman.

Waarna wij, of anders 1 van de broers, een zakje, een bordje, een zoetigheidje, langs moesten brengen bij hiernaast. We vervolgens aan hun tafel moesten zitten. Wie weet kregen we 7-up, of was dat nog te vroeg in de tijd van mijn herinnering & was ’t limonade met water. & Wisten we, ook al was je daar hooguit met 1 broer, dat we dankuwel na afloop moesten zeggen.
’t Glas niet half leeg moesten laten staan.

’t Zou immers meer gratis vis vers van de havenveiling opleveren. Een aai over de kop van buurman, een gratis oppasbeurt van buuv, een grijns vooral, een lik op onze snuit van hond Itam tegelijk, bij elke lik een onmogelijkheid z’n naam te vergeten. & Vooral dat weet ik me ’t best.

Een lange tong die verhaaltjes afrondt in Zijperspace.

Puntloos

Zit ik hier met 1 vingertoploze handschoen, in de laatzomer, juist aan de hand die geen last heeft van ‘verkoeling’, slechte doorbloeding, oudemanskwaalverstoring, Raynaud, wtf de naam van de man was die dat alles verklaarbaar heeft gemaakt.
Maar oplossing: nee.

De vingertoploze handschoen weg. Met vergetelijkheid overal in mijn huis wezen zoeken, zoals te doen gebruikelijk als iets dierbaars kwijt, de vergetelheid (positief klinkend zusje van voorstaande) weer eens onwelkom omarmd, de angst dat de wereld niet kan bestaan zonder ’t mogelijk geleden verlies.
De Winter, koning van de kou, nog niet eens begonnen.

Ik troost die trieste vinger rechterkant met een wrijfsessie van 5 seconden.
Een noodzakelijk gebruik evengoed van hem laten, laten in zijn lot, nog een keer, met verdenkeringen, zodat de warmtesessies nog wat langer kunnen duren. Ik in mezelf kan treden, de materie los, de bedroefdheid, of zorgzaamheid, om ’t verlies van (werkelijk) contact.

Denk onderwijl aan m’n fysio waar ik goede gespreksessies mee had. Zij mijn zorgen goeddeels wegwreef. We de taal leerden kennen (zij waarschijnlijk al meermaals gelauwerd daarvoor) van handen tegen lijf, & daar over onbekommerd praten.
Want ook dat was genezing van waar ik mogelijk aan leed.
Mijn Raynaud evengoed nooit met haar besproken. Je moet niet alles aan fysio’s voorleggen. Er dient een hoofddoel bepaald zijn, waar mogelijk resultaat geboekt kan worden.
Zij was daar logischerwijs leidend in. Mijn kreunen, soms steunen, waren na gezamenlijk overleg de afslagen die wellicht genomen moesten worden.

Evengoed zit daar veel geheugen in. Die vinger, bepaalt best een groot deel van wat ik denk meegemaakt te hebben. Neem voornoemde fysio: ze wist meer over mijn vriendin dan dat vriendin zich besefte. Wat ze zelf deed. Die laatste dan. Waar dat toe ging leiden.
Lang verhaal, voor een deel elders beschreven.

Maar wat m’n hele lichaam, ’t hele zootje, momenteel doet, kan fysio niet meer herstellen. Haar praktijk is opgeheven, zeg maar verbannen door een grijpgrage huurbaas. Maar ik heb met haar te doen omdat haar handen me in de ondertussen toenmaals moe leken. De botten plus de vellen op haar handen.

Mijzelf onderwijl proberen samen te rapen, in bunkers schuilen, botten strekken, boeken lezen, woorden in brein laten cirkelen. ’t Systeem zien te vertragen.
Mijzelf verdichten. Zien waar een punt moet staan.

Open zijn in Zijperspace gelijkertijd.

Kleinst

Ik heb mezelf ooit bedacht dat ik ’t kleinste moest kunnen omschrijven. Hoe je aan je schoenveter pulkt omdat de knoop op slot zit. Dat je kriebel aan je gat hebt, & dat zorgvuldig moet verwoorden. Of geloven in god of anders niet, zonder meneer/mevrouw Andermans te kwetsen.
Dat laatste lijkt groot, maar is net zo klein. Als jeuk, verwondering, een wereld van wat plotseling groeien kan.

Dus gooi ik m’n hoofd in de nek, in een poging verder te denken, van de starheid af te komen van wat zich daar gevestigd heeft. & In ’t moment dat ik daar hang, op ’t verste punt, ’t achterste puntje van m’n hoofd zelfs, raakt bijna nek, gaat ’t zoemen, gaan mijn ogen automatisch sluiten. Gaat een lichtje schijnen. Een flinkering van flikkering. Een stoer opflitsen.

Op niets af overigens, evengoed een soort van genoegen om daar even te zijn. De jeuk er even af. De lampjes, als kerstboomverlichting, die even schijnen, plots een kortsluiting als bij m’n ouderlijk huis & we om beurten de lichtjes aan & uit draaiden. Zoektocht van waar de energie niet goed doorgegeven werd.

Geen boodschap, maar ’t er even zijn, dat van niets zijn. Een kriebel, een verwijderde jeuk (O, had ik jeuk? Alsof dat is weggeweest & prompt weer aanwezig wil zijn), een tijdelijk secondeloos weg. De lichten uit. Een stil.

M’n vader tastend waar de juiste stekker in ’t juiste stopcontact zat.
Allemaal in ’tzelfde moment. Dat je droomt van licht, je favoriete kindervoorstelling op beeldscherm & je bovendien een recordprestatie hebt afgeleverd waar Pap & Mam nu ff geen tijd voor hebben, want er was belangrijker nieuws op zwartwitscherm te volgen dat nu blijkbaar niet meer dan bliepbliepbliep deed.

Dus in plaats van ’s ochtends m’n veters aanstrikken, volgens instructie van Pa dan wel Ma, kreeg ik de opdracht me tot onderbroek uit te kleden. Vervroegd naar bed. De wereld van niet werkend zwartwit-beeld achter me te laten. De kinderwijsjes van bedtijd ’s avonds er te vroeg op volgend.
& Hun kaarslicht met elkander te laten.

Wij stapelbed. Slechts zorgvuldig gefluister. Van onhoorbaar & te veel vergeetbaar.

Soms is alles voorbij in Zijperspace.

Sprokkel

Ik sprokkel de woorden voordat ik ze schrijf. Ik moet spaarzaam zijn, ze moeten klinken in helder- & zuinigheid. De juiste brandblokken die zuurstof gulzig ademen.

Lang niet altijd natuurlijk. Meestal te gretig om wat woorden te laten klinken. Straten met een paar zinnen te betegelen, onbeteugeld, terwijl beteerde paden tegenwoordig auto’s laten zoeven & hun banden tot zoveel mogelijk zwijgzaamheid dwingt.
Zodat ’t niet als erg klinkt. Ruikt. Of ademt. De keel beklemt.
Nooit gelukt overigens; weinig toekomst daar. Veel van ander verlies tegelijk net zo.

Ik had als ridder in geharnast uniform op zandvlak ’t 1e toernooi verloren. Als vervangend schildknaap hadden ze mij per ongeluk met lans geraakt.
Me als heks of anderszins verwerpelijk geradbraakt. Als ik daar was geweest natuurlijk.

Maar ik sprokkel de warmte, houtblokken zouden ze dat noemen toen. Een bezoek in ’t woud waar de afgezonderden leefden. Dat er geen behoefte aan begrijpen was, maar meer een aanwezig zijn.
Een houtvuur, je eigen bijdrage, een homp vlees, wat gesprokkeld kruid, blad,  knekels & kruidsels, wat ’t land maar voortbracht, alles zonder commentaar.

Daar verzamel ik brokken hout, ook versteende woorden, die langs de vuurkring warmte kunnen vasthouden. Waar je jezelf beschrijft. & De rook zorgt dat ’t nog langer in de lucht blijft, de adem wellicht verdrijft, tot zolang de woordengolf stroomt.

Voor zoet slapen gaan in Zijperspace.