Nietmeerweetmeer

Als een kind dat z’n vinger in z’n neus steekt.
Zo sta ik (zit eigenlijk) dan. Waarbij ik alweer ga twijfelen of ‘ik’ buiten of binnen de haakjes moet staan. Maar waar dan?

Zoals iedereen z’n twijfels heeft natuurlijk. Waar ik echter schrijf. Geen vertraging wil. Door wil gaan. Want nu zit alles immers in m’n hoofd. Net rond middernacht. Vinger richting neus, want zo schreef Guus Kuijer immers ooit dat dat een teken van wijsheid was (de Egyptenaren, zo zei hij): ’t naar binnen treden van een kind. De eigen gedachte.

Vooral paniek. Dat ’t voorlopig niet goed gaat komen. Waar al m’n, wellicht tijdelijke, problemen me tegen ’t hoofd stoten.
Bonk, een paal, tijdens dagdromerige wandeling tussendoor onbekommerde natuur.
Ik zal u de lantaarnpaal waar mijn broer me ooit ogendicht toe leidde ditmaal onthouden.

Ik durf wel te beweren dat m’n darmen me dan ook niet helpen. Ze schreeuwen er op los. Blubber & borrel. Dat hoort bij de normale verschijnselen, maar ditmaal is ’t alsof de paniek heeft toegeslagen & zij de woordvoerders zijn. Om beurten, meestal een spreekbeurt van rechts naar links. Klein commentaar ergens onderin als tussendoortje, misschien als tijdelijk eindakkoord.
Morgenochtend krijg ik ’t volledige verslag. Dan kan ik beter een ongelezen boek klaar hebben liggen om de verloren minuten/kwartieren/halfuren nuttig door te komen.

Maar ’t niet meer weten weer. Dat dat terug gekomen is. Als een klein kind dat door een toevallige buurtbewoner achterop de fiets genomen is omdat ze zich niet bekommerde om een mogelijke doorlekkende broek. Of een vroeg generend kind dat schaamte krijsend was.
Ze belde aan. & Daar was ik. 5 Min later schoon. Ruw maar zorgzaam afgeborsteld door moeders.

Dat zijn weliswaar eeuwige overblijfsels, kan ik waarschijnlijk altijd, niet aflatend, doen opborrelen, je moet er echter een reden voor hebben om ’t te laten bloepen. Tevoorschijn. Opeens uit ’t vergetensdal terug.

Maar daarnet was internet weer eens een keertje stuk. Was m’n hele jeugd daardoor kwijt dat ik op dat moment in mijn hoofd had. & Heb ik een nieuwe versie moeten verzinnen.
De woede vanwege dat gemis was echter dermate, dat ik de kracht had de toetsen te dwingen dan maar de waarheid op te biechten.

Zelden dat men over poep praat in Zijperspace tenslotte.

Junkie

Dan ben ik een junkie, middernachts. Te grote behoefte aan schrijven, te verwoorden, mezelf te laten leven.
Nooit meer sterven waarschijnlijk ook.

Soms hopeloos in de war dat ik geen woorden kan vinden. Of in ieder geval niet ’t 1e woord. Er moet tenslotte ergens mee begonnen worden: ’t mogelijke verhaal, te beginnen bij dát 1e woord.
Hoewel mijn verhalen niet daadwerkelijk van dat soort vertellingen zijn. In de betekenis van, opnieuw, ’t woord. Meer mijmeren, proberen te articuleren, te duiden, maar er niet altijd uit zien te komen.
Dat laatste minstens zo belangrijk.

Zo probeerde ik in m’n jeugd plattegronden te tekenen van de buurt waarin ik woonde. Wellicht al eerder over geschreven, maar belangrijk: ik kwam er dus niet uit. Ik kon er een plattegrond naast leggen, van alle straten waar ik me overdag over begaf, richting school, de krantenwijk, een fietstocht naar een vriend in een belendende wijk: ik had ’t zo goed in m’n hoofd, maar de poging tot kaart klopte uiteindelijk nooit.
Terwijl ’t zo helder in m’n hoofd zat. Ik kon mijn weg onderweg naar welke bestemming ook nooit verliezen.

Ik wist een ietwat later vriendinnen te ontdekken. Dat soort stiekem ontwikkelende liefdes te vinden, precies op ’t moment dat ze ’t volgende moment met ouders op vakantie waren vertrokken. De route richting haar huis tegelijkertijd te verliezen als ’t vakantieleed m’n verlangen had doen verslijten. Zij ondertussen wél thuis.
Of juist wegen te kiezen die me mogelijk richting onverslijtbaarheid lieten leiden. Je moet overleven, toch, op die leeftijd.
Ach, welke leeftijd niet.

Maar dat alles op m’n fiets.
Ik wist toen fietswijs niet dat de wereld veel groter was. Dat er een onnoemelijke hoeveelheid meisjes nog te ontdekken was met mijn vervoermiddel. Dorpen- & stedenvol. Hoewel ietwat kinderformaat, net als ik, maar de mogelijkheid was er. Wellicht dat ik nog wat haren had moeten laten groeien, maar die waren onder mijn kin nog niet aanwezig. Die groeihormonen, die lieten zich pas laat melden.
Waar vrouwen, meisjes in die tijd, hun borsten op een gegeven moment voelden groeien in die dagen, moest ik ondertussen lang wachten op mijn manzijn.

Ik heb altijd ’t idee gehad dat ik pas veel later serieus werd genomen.
Dagboeken schrijven, ik hoor ’t een campingbaas nog lacherig zeggen tijdens 1 van m’n 1e wandeltochten, mijn schrift voor me, was niks voor mannen.

& M’n vriendinnen, waar ik zelden/nooit seks mee had & die ik ook niet allemaal toegang tot alles gaf: achteraf denk ik dat ze ’t wel fascinerend vonden, dat wat ik schreef, dat wat ik deelde van m’n dagboek.
Eindelijk een man. Hoofs, maar man.

Maar seks, daar moest ik uiteindelijk lang op wachten. Alle seks hierboven geïnsinueerd, dat heb ik pas laat geconsumeerd, als ik dat zo mag uitdrukken. ’t Waren oefeningen, handarbeid, dromen van een mooie toekomst.
U weet wel. Denken dat er een toekomst is.
Zeg ’t nog maar een keer.
Maar tegelijkertijd realiseren dat ’t niet zo is.

Hier terechtgekomen uit dat rare Zijperspace.

Hoi Patrick (1138)

Hoi Patrick,

Erg blij met je opmerkingen/analyses. Soms schrijf ik maar wat, begin ergens, kijk wat er uitkomt, maar tegelijkertijd moet ’t evengoed zin hebben, inhoud, literaire kwaliteit bovendien.
Maar omdat ik al jaren zo weinig reacties daarop krijg begint er zich wel eens een minderwaarsdigheidscomplex te ontwikkelen. Durf ik niet te schrijven, twijfel over de inhoud, & zoals eerder gemeld: gaat ’t mij de volgende ochtend lukken om de tekst op zijn kwaliteit te beoordelen als iemand de tekst geliket heeft? Durf ik terug te kijken?

Je sleurt me door dat soort twijfels heen. ’t Geeft me ’t gevoel dat ’t zin heeft, kwaliteit misschien ook heeft, doet ’t tegelijkertijd m’n schouders rechten.
Over m’n natuurcolumns ben ik ondertussen minder onzeker evengoed. Ik weet me met kwinkslagen, verborgen grapjes, & mss wel verrassende info de mensen te vermaken, vaak zonder daarbij te twijfelen of mensen ’t leuk zullen vinden.

Maar ja, zoiets persoonlijks als mijn eigen leven, gevoel, geschiedenis, dat lijk ik daarom vooral ’s middernachts te zijn gaan doen. Niemand die meteen kijkt. Terwijl ik mezelf ondertussen verdoofd heb met een bepaalde mate van alcohol. Hoef ik daar ook niet aan te denken terwijl ik de toetsen als vanzelf voort hoor tikken. Minder belemmering bij ’t schrijven ook, een kleinere rem.
Daarnaast de volgende ochtend een mogelijkheid om dingen om me voor te schamen er uit te corrigeren, ’t geheel op te poetsen evenzo, vooraleer de mensen, de mogelijke bezoekers tijd hebben gehad om me daar op te betrappen.

Dus je woorden worden als feedback zeer gewaardeerd. Hoewel ik niet altijd weet hoe ik moet reageren. Want ’t gaat wel om (soms zeer) persoonlijke teksten. Waarbij ik de volgende ochtend ook niet weet hoe ik daarmee om moet gaan. Trots of schaamte, is dan de vraag. Jij maakt de keuze tussen die 2 uitersten gemakkelijker.
Thx!

‘1138’ Zegt men er dan automatisch achteraan in Zijperspace.

Deelzaamheid

Ik werd er al vroeg op gewezen dat ik m’n pen moest gebruiken. Scheidegger, verplicht door m’n vader de directeur van een zogeheten huishoudschool, was een goede uitkomst. Zo bleek later althans.
Pennen zijn traag, gezien vanuit ’t toen gewoon heersende regime. 10 Vingers kunnen veel meer, in dat luttel tijdsbestek dat een mens heeft. Hoewel ’t 2-vingerregime momenteel een goede inhaalslag aan ’t maken is.
Ik twijfel echter of die laatste dan weer de zorgvuldigheidsslag zal winnen. Maar daar ben ik wellicht de oude man.

’t Heeft evengoed m’n leven gered.
Ik zou al minstens 10 keer kopje onder zijn gegaan. Geen woord hebben uitgesproken als ik ’t toetsenbord niet opnieuw had uitgevonden (als: gelijkgesteld aan de typemachien waar ik een van mijn spaarzame diploma’s aan heb te danken).
Stel voor: m’n vingers, linker- & rechterwijs, zorgvuldig op zoek, tuurlijk met een redelijke geroutineerdheid, verhalen vertellend die uren duren. Zo traag als me verweten wordt als ik mezelf aan anderen uit wil leggen, mondeling. Je weet wel, zonder telefoon. Als: traag, te veel omvattend, duizelende details.
Ach, ik begin weer…
& Dat dus met een 2-vingertoetsenbord, in veelvuldige situaties van huidendaagse afstand.

Dan ben ik dus blij met m’n toetsenbord waar Scheidegger in de steentijd voor uitgevonden is.

Maar ik moest m’n ‘pen’ dus gebruiken. Want ik scheen iets te kunnen vertellen.
Daar had ik 1st een dagboek voor nodig. Dat hoorde je als jongen echter niet te vertellen. Toen. Meer meisjesiets…
Kwam goed uit, want ik ging alleen maar met meisjes om, vooral in de buurt van hun ‘vrouw worden’, van die leeftijd waren wij, durfde ik dat. We hadden alleen nog geen internet uitgevonden, dus deelde ik, slechts spaarzaam, mijn geleidelijk groeiende dagboek met hun. Krijg je meer vriendinnen van, kwam ik achter.
Maar deelzaamheid heeft z’n grens.
Ze doen er tenslotte niet allemaal ’tzelfde mee, anders dan wat je zou verwachten. Deelzaamheid blijkt uiteindelijk dezelfde eenzaamheid aan ’t eind.

Daar heb ik uiteindelijk m’n toetsenbord een aanzoek gedaan. 9 September 2001.
2 Dagen later gebeurde er iets veel belangrijkers.
& Precies op die datum had ik jaren later kennis met een vriendin die bang was nooit meer haar verjaardag te kunnen vieren om dat laatste feit.

De rest is geschiedenis in Zijperspace.

Mooidag

O, wat een mooidag dat gaat worden. Waarbij de vogels genoeg vocht in de keel hebben ’t te befluiten. De fietsers de straat opgaan ook al bestaat er geen arbeidsplicht die dag.
De koelte, relatief, genoten kan worden. We elkander aankijken van zokanhetook. Soms weliswaar, maar zokanhetook.
Het hoeft niet gewezen te zijn, voorbestemd, altijd, van nooitafgelopen, zulke samenstellingen zijn inmiddels ontstaan, maar zoiets van niet voortbestendig, nietmeer.
De woorden werden geplakt op zeker moment, maar je voelde de hittedruppels ervanaf druipen, de puntkomma’s overbodig; ’t scheelde een extra handeling op ’t vochtbestendige toetsenbord. Waar de volgende gen al overgestapt was op crosswordsamenstellingen, energiezuinig, slipstreamstrelingen op ’t beeldscherm.

Bij de mooidag zullen de vlaggen schijnen, de lampen fladderen, hun weerschijn de hoek om kijken, insecten weerkomen, hun kriebel als vanzelfsprekend schijnen zoals de zon, de overmatige zon, dat vroeger deed.
Maar geaccepteerd als een bevrijding, zokanhetook, zokanhetook, klinkt ’t uit de koele schuilkelders tegelijkertijd, waar langzaamaan lichamen uit tevoorschijn opduiken, waar woorden aanelkaar zijn kleven, de interpunctie niet meer belangrijk leek, overbodigheidjes werden, de spaarzame communicatie geen behoefte meer had aan teveel. Als Orwelltalkcombi’s, maar de mensen opeens beginnen te realiseren dat spaarzaamheid op speeksel, zoals enig Huxleyvoorspellingen, hij over zijn voorvader (gedarwind, met nuttig resultaat), weet niet of de leeflangvogels die er dan nog zijn ’tzelfde zullen voelen, geen noodzakelijkheid meer zijnzullenzijn, dat happen in zand minder vocht oplevert dan die van adem, ademademen. Waar ’t vrouwelijke werkwoord ge-eva’t wordt, want alles is gelijk bij een mogelijk nieuw herleven.

& We scheiden de af zonderlijk heid vanaf dan. We gaan meer 1 zijn, we schijnen meer, we zien de vogels, de fluitsels, de resten van, ook de krabbelende, kriebelende, misschien spaarzaam vliegende torren, wantsen, niet opgedroogde andere vliegende insecten. Plus alles wat in de resterende beekjes leeft. Naast de overvloedende zee, plus de donderenddruppelende buien.

Want ook zij zijn gestopt in hortendstotende taal hun aarde te bevloeien.
De fietsen wellicht verroest, als al dat vocht teruggedeinsd is, maar Noach heft zijn staf, zoals zijn nananazaat deed, & alles komt goed.

& De profeet niet meer leeft, ook niet in Zijperspace.

Kristal

Nieuw, waar oud uiteindelijk moest gaan klinken. Want zo zijn we toch, evengoed onverwachts geworden, ooit gewezen, gekristalliseerd.
Ik praat met Marjan, terwijl ik terugdenk dat ik met haar & zus Inge & Suus naakt over ’t strand heb gehuppeld, & alles was normaal.

De moeder van Suus zei dat ze eindelijk een normale piemel zag.
& Ik in m’n onverwachte vrijheid dacht dat dit m’n leven lang zo zou blijven: bloot, geen onrust, & een behoorlijke dosis aan eerlijkheid. Op een familiebijeenkomst aan ’t Helderse strand gewoon bij gebrek aan zwembroek met zwabberende flabber m’n nichten aanmoedigend ’t voorbeeld van mij te volgen.
Ik kan me hun borsten niet herinneren, dus ze zullen mij vast niet nagevolgd zijn zoals ik me dat had voorgesteld.

Terug in ’t nu ben ik opnieuw preuts. Weliswaar in beperkte mate, maar broers van mij zijn nudisten.
Dat lukt mij niet.
Ik ben die fase voorbij. Als in: ik voel me alleen.

Eens op vakantie geweest met een ex, m’n broer werkte toen op een naturistencamping in een toen al veel te hete regio in Frankrijk, wist ik ’t te normaliseren. Iedereen bloot.
Maar daarna vergeten. Mezelf verzwegen. Dat vriendinnen, die van de echte, hun blootheid er niet toe doet. Ze zijn mooi, hun borsten, hun tepels, de rest van waar je interesse ligt. Maar hún normaal. Vriendinnen, waar ik vrienden zou moeten zeggen.

Ik voel me soms eenzaam bij gebrek aan normaal, ’t oude normaal. De nieuwe preutsheid voorbij.

Maar ik ben oud, Zijperspace groeit, hopelijk de rest ook.

Flubberhuid

’t Zijn 3 puntjes, een vage gloed van nummer 4. Maar die laatste heeft zich niet hoeven ontwikkelen tot een uitstekend rood puntje. Waarschijnlijk door de dosering, wellicht omdat ik ’t giftige wijfje in m’n slaap te pakken had. In een lichaamsomdraai, traag plettend.

’t Bolde, dat hele goedje bijeen, kleurde allengs rood & liet zich ook zo gloeiend gevoelen. Waardoor Oma Zijp (dat schrijf je inderdaad met 2 hoofdletters) me weer gewaar werd. Dat kleine licht mollig vrouwtje, dat in haar oudere jaren door gezondheidsomstandigheden haar huid liet flabberen.

Ze was de dood van haar man al jaren voorbij, had al enkele ziekenhuisopnames achter de rug, & slechts 1 zoon in de nabijheid van wie ze vanzelfsprekende aandacht kon verwachten. Plus m’n aangetrouwde moeder.

& Wij snapten dat niet altijd. De zondagmiddag tot 8.30 uur ’s avonds met haar door te moeten brengen. Van Koot & Bie begreep zij immers niets. M’n vader mistte daardoor ook de clou, want hij was de taxi & bij terugkomst was alles alweer voorbij.

Maar haar huid kwakkelde in haar laatste jaren. Wat waarschijnlijk een proces van zo’n 10 jaar zal zijn geweest, maar overdrijving van mijn geheugen kan van toepassing zijn.
’t Floeberde. Huidzakken. Daar waar ’t 1st vol van vlees gloeide, ’t bolde zoals mijn huid aan de rechterarm de afgelopen dagen zag.
Slechts m’n rechter onderarm, dat wel, onder invloed van een mug of een anderszins prikkel.

Ik ging er enkele dagen mee naar bed & stond er de volgende ochtend met z’n volle aanwezigheid mee op, elke dag een ietsje meer. 3 Rode puntjes, waarschijnlijk gedurende de nacht tot bloedpuntjes gejeukt, & een kleinere broeder, bloed- maar niet jeukloos, daar rechtsboven.

Terwijl ik dit typ laat ik voor de 100-tigste keer m’n linkerhand de toestand aan de rechterkant controleren, de jeuk daarbij enigszins proberen te beheersen, te voelen hoe de huid ondertussen die van Oma Zijp begint te naderen. 1st Vol in spanning, nu gelaten in de veronderstelling dat ’t begint te flubberen.
De ontspanning is daar. De aankomende gelatenheid.

M’n Oma moest alleen nog terug naar huis gebracht worden onder begeleiding van een bij opstaan van de bank tegenover de tv (private) scheet, die wij geen van allen ooit gehoord hadden.

Dat vertelden we elkaar pas na afloop in Zijperspace, dat we allen van niets wisten ooit iets gehoord te hebben.

Alletijd

Ik vergeet wel eens dat ik alle tijd heb. ’t Maakt niet uit hoe laat ik naar bed ga, behalve dan, maar nogal makkelijk rekening mee te houden, dat de winkels op een gegeven moment sluiten.
Online bestellen doe ik slechts voor eigen gewin: korting & gratis bezorging. Mijn manier om de grootgrutters uit te persen.
Gelukkig tegenwoordig elektrisch bezorgd. Anders zou ik er toch gewetensbezwaren tegen krijgen.

De dag duurt de hele dag. 24 Uur, & ik kan me daarop aanpassen. Een ledigheid vullen zoals ik wil.
Als kind was dat soms moeilijk, want wie wilde nou met me dammen? & Patience (ik heb er in m’n jeugd m’n 1e vakantie alleen thuis ooit mee gevuld, diverse varianten uit een bibliotheekboek uitgeprobeerd) begint op een gegeven moment ook te vervelen.
Nog net te jong toen om elke dag in de kroeg te zitten (later ingehaald, maar dat vooral in stand, beroepshalve dat is).

Evengoed lijkt meestentijds de tijd beperkt. Per ongeluk omrijden is zonde, in slaap vallen met een boek op schoot zal ik de volgende ochtend in moeten halen door opnieuw bij ’t begin van ’t laatste hoofdstuk te beginnen. Te veel drinken (om de daarvoor geïncasseerde alcohol te neutraliseren) vóór slapen gaan betekent te weinig nachtrust.
Soms zelfs de spetters op de toiletrand de volgende ochtend moeten zien te verdoezelen mocht er (überhaupt) iemand van plan zijn langs te komen zit in ’tzelfde zinloosheidsvakje.

Ik heb toch alle tijd. Vraag ik me dan hooguit 1 keer per week af.
Misschien wel vaker, maar dat ben ik dan door ‘lekker drukke verkeersomstandigheden’ ’t volgende moment weer vergeten.
Schieten vervolgens weer andere levenskwesties me te binnen, lekker afgeleid door flitsflitsdenken, m’n leven verlengen tegelijkertijd, want ik heb, voor andere minder hyperactieve medemensen, ingewikkelde verkeerssituaties moeiteloos overleefd, zelfs tijd daarbij gewonnen.

Ik heb alle tijd. Ben echter vergeetachtig, moet mezelf dit elke dag herhalen, alsof ik niet naar mezelf geluisterd heb gisteravond. Ben m’n leesbril kwijt, terwijl mijn vader de wijsheid van m’n moeder zich aan liet leunen & zich daarvoor een koord aanschafte. Snap dingen niet, raak in paniek, of ben anders behoorlijk nerveus als ik geen overzicht meer heb.

Tijd ziet er tegenwoordig krakkelig uit, verfomfaaid, soms ook onbetrouwbaar. ’t Laat zich in een hoekje drukken omdat ik niks van hem wil weten. ’t Is een opgewonden kind dat luid schreeuwend vanuit de hoek van de kamer verwijtend, want vergeten, op me in wil rammen.
Met verwijtbare & onstuimige energie.

Maar misschien is daar juist de glorie van Zijperspace, mss… ooit.

Zelfs

Ik moet de laatste tijd aan Mirjam denken. Haar gezicht herschapen, hoewel ik niet denk dat die zo veel veranderd is. Ergens van 5 jaar geleden haar gezicht gegoogeld & ze was ’t precies.
Ik geloof dat zij met mijn huidige tronie meer moeite zal hebben. Hoewel je die veronderstelling moeilijk voor een ander kan vaststellen.

Zo zag ik ook Stella, vlak voordat ik Insta had afgeschaft. Ook zij leek, maar haar 3 dochters kon ik er per ongeluk niet mee vergelijken. Die had ik dan ook slechts middels geboortekaartjes leren kennen. Een wederzijdse ontmoeting zat er niet in, gezien sociale-contactenstoornis mijnerzijds.

Wist ik veel dat zoiets bestond, laat staan dat ’t dan op mij toepasbaar was.

Ach, ’t zal wel een ander naampje hebben inmiddels; ze hebben me daar niet over ingelicht. Ik heb ’t ook niet opgezocht. Vind dergelijke dingen (opzoeken) veel te vermoeiend. Te verantwoordelijk. Mogelijk te destructief bij ’t uitvinden van de waarheid. Want dat laatste wil ik bij voorbaat uitschakelen.

Daar sta je dan, een verbeelding van meneer Poirot, met weliswaar nog 4 levende broers, maar zonder begeleiding van een man met hond.

Daarvoor hebben ze dan die 5 jonge katjes uitgevonden, waar ik nu op pas. Zodat je je nog even extra kan verstoppen. & Vervolgens gaat beseffen dat ’t friemelen & frommelen van dat stel, met een toezicht houdende & een soms bijna zwijgzaam piepende moeder erbij kado, minutenlang verantwoordelijkheidsgevoel creëert.

Je weet niet hoe lang je ’t vol gaat houden. ’t Zijn er nu tenslotte 8. Elke keer je neus dicht als de 3 volwassenen hun poepie hebben gedaan & de bak moet verschoond. Hoelang je in 2e persoons enkelvoud blijft spreken als je ’t over ze hebt, afstand van jezelf, je diep duikt in boeken, in bankjes op verborgen plekken die daarmee gepaard gaan, in spontane ontmoetingen met mensen die mijn geheimplaats weten te ontdekken. Weten te koesteren ook, zeggen dat te waarderen.
Maar daarbij niet dichterbij m’n eigen stop.

Stop.

Altijd aandacht. Nimmer genoeg, zelfs in stilte, zelfs alleen, zelfs in boek, al lezend.
Zoveel kwijt, denk ik.

& Toch groeit Zijperspace groot/groter.

Terwijl

Op de bank gelegen, een kussen op m’n borst, boek erbovenop zodat de nek niet te veel last van lezen heeft. & Ik bedenk, de letters & zinnen uit ’t boek schrapend, want ik wil door, meer bladzijden verslijten, ’t boek uit z’n kaft rechtzettend, zodat er geen krommingen in de zinnen zijn te bemerken, de regels rechtlijnig zijn; ik bedenk dat ’t ook kwellend kan zijn.
Die wil om door te gaan bladzijden te slijten. M’n nek, m’n nek, die kreunt.
Maar ik moet door.

Vanochtend ben ik snel de deur uitgegaan; er werd regen voorspeld & er was nog voorraad nodig voor maaltijden op deze logeerplek. De katten waren ruim voorzien, maar de verzorger kon nog wel wat gebruiken in geval van een voortdurend slechtweerscenario.
Nadeel is dan wel dat je hoofd daar in blijft hangen, er bij terugkeer op logeerplek te vaak wordt gekeken wat de verwachtingsapps voorspellen. & ’t Daardoor de ruimte, maar natuurlijk vooral de tijd beperkt.

Niets lijkt meer mogelijk. Ik lever me daardoor gemakshalve veels te vroeg over aan ledigheid, in dit geval vooral een boek, kan geen kwaad, maar doe er ook maar een vroege borrel bij, gedwongen door nieuwsgierigheid van de morgenvroege aankoop. De slijterij stond toch vlak naast die zojuist afgevinkte ochtendaankopenlocatie.

Ik overleef ’t wel, die verdwalingen, mis evengoed een volgende etappe in de Tour, want ditmaal wél een rustdag op de maandag, maar krijg kramp in de nek van zoveel liters boek. Toch zeker 150 blz, terwijl ik ook nog tijd vind om 2 maal te eten, m’n lichaam te wassen & fruitvliegjes te bestuderen op al dan niet inheemsheid. Regelmatig wegwuivend van de volgende borrel, afkomstig van diezelfde ochtendinkopen.
Had ik immers recht op, want ze konden een kwartier lang de sleutel van de winkel niet vinden. Waardoor vergoelijking m’n reeds mislukte dag, zo vroeg reeds (de morgen was alweer zo’n beetje voorbij), was binnen komen sluipen.

Lonkend, heel veel lonkend, naar de dag van morgen, heb ik de weersverwachtingen toch weer aangezet, aangezwengeld, wakker gemaakt.
Moet je niet doen, neem dat van mij aan. ’t Is beter de niet-geregende druppels te genieten & door de rest heen te glippen. Een doekje voor ’t bloeden bij de hand te hebben onderweg, daar desnoods op te gaan zitten, zodat een droge bips u na afloop kan vertellen dat ’t die rust goed gebruiken kon & er geen schimmelvorming aan had overgehouden.

Morgen proberen we alles opnieuw in Zijperspace.