Windaanvraag

‘…je hebt je plekje wel gevonden, hè!’ hoor ik plots de best sympathiek klinkende begroeting, mij spoorslags uit m’n bladzijden optillend.
Want blijkbaar was hij me vaker voorbijgegaan. De man op fiets.
‘Kan je de bank niet beter afhuren?’ roept-ie nog even, omkijkend na mijn vrolijke lach & wederzijds hallo.
‘Nee, dat liever pas na mijn dood,’ roep ik nog net hoorbaar terug.

Waarbij ik ’t heb over gedenkplaatjes zoals ik op nagenoeg elke bank op de Southdowns tegenkwam. Vooral tijdens de 1e heuvels, ‘duinen’, m’n rugzak nog striemend vanboven m’n schouders, tot bonkend tegen m’n billen waar m’n slaapzak hing in regenafwerend vuilniszakkenplastic.

Ik had tóen moeten stoppen. Als in ’tussenstoppen’, de bank moeten proeven, ’t vergezicht. ’t Was mooi weer, de horizon glorend richting ’t europees vasteland. Vanwaar ’t thuisgevoel, de thuisvrienden & -familie, mogelijk ’t beste zicht hadden op waar mijn schreden gingen. Waar ik straks vast mijn rust zou vinden, bezweet, voldaan, m’n voorraad water aansprak om niet verduizeld te raken van gedenkplaatjes van hen die deze ‘down’ elke dag traag, ouderdoms klimmend namen. Om te zien waar ’t eind zich zou verhullen in laaghangend wolk.

Soms een heldere blik naar de overkant, zoals mij dat overkwam tijdens die 1e voetstappen aan deze kant van het Kanaal. Een helder zicht ook. Ik zou zelfs de gelegenheid kunnen hebben waar ik aan boord was gegaan, om door de ferry’s terug hun golfslag te volgen die een volgende oogst van wandelaars (naast anderen) straks aan deze brede kust zou lozen, mijn vertrekpunt van eerder te lezen.

Ik had toen moeten stoppen. Maar ik maakte ’t me makkelijk, alhoewel reeds steunend vanwege de 1e hoogtemeters, & sleepte m’n blik schielijk naar de gedenkenissen, hun eenvoudige zoete rouwwoorden, hén toekomend, las ze snel, evengoed in traag klimmend tempo stap links stap rechts, voelde me vertederd in m’n steunstappend meegevoel, verplicht tegelijkertijd om voort te gaan richting hun uitzicht, hun nog weidsere door mij nu solidair herinnerende blik, van toen hun benen de relatieve jeugd hadden van die van mijn numalige, mijn voortstappende mij.

Voorbij hun respectieve banken die hun gedachtenis in leven hield. Hun Margret, hun Joe, hun Godfrey, hun Susan, hun Kirk, hun grandma. In love with the sun, the coast, the Downs; hun uitzicht van hun leven naar ’t leven van golven waarvan zij gewend waren dat ze zich in seizoenen ontwikkelden. Een bankje dat daar stevig bleef staan.
Zoals wij in Den Helder boven op de dijk ook tegen de wind gingen hangen.
Onaangetast maar wel betast in alle holtes die een door kleren behangen lichaam kan omhullen.

& Zacht daar beneden ’t nooit meer stoppen van de zee klotsend, straks geschiedenis wissend. Vanuit de hoogte relatief zachtjes & traag. Zodat niemand er uiteindelijk al te veel erg in zou hebben. Vooral de wind zich liet merken.

Slechts een beetje getuigenis van zij die wisten wie zich hier had plaatsgevonden.
De blik voor een klein poos op de eeuwigheid hun tijdelijke zicht verlengend. Gericht zoals de bank zijn positie, richting ’t randje kust, de meest voordoende richting van de wind, de golven wind, die de kust de wervelingen deed zwermen, de route langs de wangen deed bepalen.
Hun positie. Soms een knik naar links, dan weer rechts, al naar gelang de wind blies, hun gedachten. De gedachtenis gelijk die hier voorlopig niet meer weg zou gaan. Hun blik op aarde.

Ik kijk op van boek, werp mezelf een blik in Zijperspace, terwijl de zon de pagina’s belicht.

Zeggingsdrang

Geef me een moment. Laat m’n vingers oefenen, hun toetsen proeven. ’t Geronk van regelmatige toonzetting, dat geluid van voortdurend getik; laat ze daar weer aan ruiken. Vervolgens geen seconde verloren laten gaan (ik wilde in 1e instantie ‘verbruiken’ laten rijmen, maar dan word je een bouquetromanschrijver, gekunsteld vlieger, allemanspleaser, op zoek naar een mogelijk sprookjeshuwelijk in de diepste krochten van jezelf pleasende geest), maar een voortdurende voortgang. ’t Niet verliezen, noch van tijd, van zeggingsdrang evenmin.

& Daar knakt ’t.
Bij die zeggingsdrang.
’t Eigengebruikte woord.
Liet me even gaan. Terwijl achterhoofd mij al aan ’t verwijten was dat juist dat mij ontbreekt.
‘Zeggingsdrang’, zoals de paters op de lagere school over de bijbel kwamen spreken. ’t Zal de 4e, 5e of 6e klas zijn geweest; ze waren er evengoed meermaals, in soms wisselende missionarissen afwisselend vertegenwoordigd. Maar meestal de reeds in rug gekromde.
Dan kwamen ze net ff terug uit de rimboe, een kleine nederzetting, de bijbel ter hand, even anders prekend dan de katholieke meester die terzijde stond, verschillend ook van de pastor (waar je nooit wist of je ‘pastoor’ of ‘pastor’ moest spellen) in de kerk waar mijn vader ’t 1e evangelie mocht lezen (wie weet dat ik ook daar weer fout boor in mijn memorie).

Maar dat heette daar in de rimboe van de man die hier plots voor ons stond ‘zendingsdrang’. Die drang die de rimboebevolking uiteindelijk moest overtuigen van wat goed was.
Zo moesten wij daar vooral in blijven geloven. Oók in blijven geloven. Net als de rest van ’t ratjetoe. Van rieten rokjes voor de rimboevrouwen, de perongelukkke plaatjes van peniskokers bij pygmeeën. Net zoals de in zwarte rokken gehulde pastoorbekeerders van de in ’t oerwoud levende afrikaanse wilden.

Kuifje in Afrika hielp ook niet echt. Hoewel de hele familie van 6 broers die helemaal kapot gelezen heeft. Keer op keer opnieuw, zonder ooit een nieuw exemplaar voor Sinterklaas kado te krijgen.
M’n ouders stelden zich voor dat de ‘ontvanger’ dan jaloezie over zich heen zou krijgen. Vermoed ik, maar weet ’t niet echt. Wellicht dat ze niet een 2e maal geld wilden uitgeven aan ’tzelfde product.
Ik kan ’t niet meer navragen. Wel voorstellen evengoed: als in ouderlijke overwegingen van goed bedoelde route van opvoeding.

Maar we waren met 6.
Broers.
De puinhoop van mannelijk, maar jeugdige hoeveelheid, móest op een gegeven moment wel uitbreken. De beslissende stem van vaders moest wel door de 1e zoon genegeerd worden. Verleugend tegelijkertijd. Dat dan weer omhelsd door de daaropvolgende puberende broers.
Waarna iemand de daadwerkelijke opstand tegen ’t geloof ooit zou moeten ontketenen. Terwijl juist die persoon de bijbel ’t meest betoverende boek had gevonden.
Net zoals hij heimwee had naar ’t geloof in Zeus. Al was ’t maar omdat zijn naam begon met de laatste letter van ’t alfabet.

Goedkoop, zou je zeggen, die overeenkomst. Maar zo denken kleine mensen. Per ongeluk verlangend naar wat groot is, als groot beklijft.

Tot zover deze lezing in Zijperspace.

Mastjaar 2025, ook voor de Berkensmalsnuit

De fietsers in Amstelveen zullen het wel gemerkt hebben als ze onderdoor een eik reden. Knisperend, knetterend onder de banden, soms zelfs spetterend wegspuitend deden de vele eikels van zich horen. Het feest voor beuk, hazelaar, kastanje en eik dus ook, heeft zich met woeste pogingen tot grootscheepse voortplanting aangekondigd afgelopen tijd.
‘Pogingen’, ja. Want lang niet elke noot of eikel wordt vanzelfsprekend een volgende boom. Desalniettemin vierde de rest van de bewoners van het bos, het park of anders de bomen in de straat, het feestje ijverig mee.

Er is dit jaar weer genoeg voer voor iedereen. Waardoor een grotere kans bestaat om het winterseizoen te overleven en er grotere voedselvoorraden aangelegd kunnen worden.
Neem de Gaai: ijverig verstopt deze vogel grote voorraden beuken- en hazelnoten. Regelmatig vraagt de mens zich dan af of de vogel al die plekken wel kan onthouden. Dezelfde vraag stellen mensen zich elk (vooral elk mast-)jaar weer met betrekking tot muizen. Zo’n klein beestje, zo’n klein hersenpannetje, maar hij wint de memoryvariant van beukennootjesverstopplekken herkennen.
En als die beesten een plekje zijn vergeten, dan investeren ze in de toekomst. Laat een boom groeien voor de komende generaties, lijkt hun motto.

En dan: dikke muizen met meer kinders betekent meer voer voor bijvoorbeeld marters, slangen en zwijnen. Die laatste denkt dan een beukennootjesvoorraad uit de bosgrond open te wroeten, maar zal vast opportunistisch genoeg zijn het aangetroffen nestje bosmuisjes daarvoor in de plaats te verorberen.

Maar waarom wordt de berk niet genoemd in dit feest van overvloed in boomzadenland?
De berk in míjn achtertuin maakt zijn aanwezigheid dit jaar duidelijk kenbaar. Dit exemplaar staat hier al 26 jaar, maar heeft nog niet eerder op niet mis te verstane wijze laten merken dat er voortgeplant moet worden. Ik kan de deur niet open laten staan of een zuchtje wind is er al toe in staat om een vlucht berkenzaad mijn vloerbedekking te doen sieren. Ga ik de was van de lijn halen, zorgen mijn schoenzolen voor eenzelfde soort resultaat. Stofzuiger maakt overuren.

Je zal de Berkensmalsnuit niet horen klagen: een piepklein wantsje dat in grote getalen geniet van de berkenzaden. Soms zie ik ze in de ondergroei; dan hebben de beestjes zich laten wegwaaien tijdens een poging volgend jaar met nog grotere aantallen hier aanwezig te zijn.
Ze hebben in ieder geval genoeg voer daarvoor: hun toekomst gloort.
‘Het was een fijn mastjaar, vorig jaar,’ vertellen ze dan hun kroost.

& Bij ’t aanzicht van de veelheid aan die kleine wants is ook Zijperspace straks in vol genot.
(Column namens IVN geschreven voor Amstelveens Nieuwsblad)

Gloort

Soms, slechts soms, zou ik naar mijn beeldscherm willen staren. Van nietsgebeuren. Hoofdopslot. Geenavontuurmeerverwachtenmeer.
Van die lange woorden ook. Zoals de finnen alles samenvoegen, vervoegingen daar gelijk aan toegevoegd.

Toch ben ik een vrouw tegengekomen die me nu al een paar dagen bezighoudt. Een dame van no nonsense, nou ja: mogelijk no nonsense, in ieder geval met een uitstraling van ik heb alles al meegemaakt & je hoeft je niet schuldig te voelen. Hou je mond maar, ik doe ’t werk wel. Zonder stoer. Vooral betrokken.
Dat je een huis inloopt waar iedereen vreemd is, jijzelf evenzo, maar dat bij voorbaat, vanaf punt nul, duidelijk wordt dat dat er niet toe doet.

Een sprankeltje van lichter ademen gloort.
Snapt u?
Ademhaling die voor anderen normaal schijnt.
Ik had al mijn gegevens aan haar overgedragen, met DigiD. Misschien begrijpelijker: hoe je dat vol vertrouwen doet als je geholpen wordt. Niets te verliezen hebt ook. De veilige woorden van bereid zijn te helpen al als daadwerkelijke hulp hebt geïnterpreteerd.

Terwijl ik Ernst, m’n huisarts, 2 weken daarvoor verteld had dat juist ademhalen een serieus probleem was toen ik tussen de 20 & 25 was. Daarna nog een paar jaar pillen bij me droeg, voor de zekerheid. Van rustig, rustig, langzamerhand een kalm voelen indalen, soms niet, dan weer wel. Zo van langzaam genezen van paniek.

& Dan is dit geen zielig verhaal. Eerder weten dat ook dit weer overleefd wordt. Waar de wolken elke keer veranderen, zoals vanmiddag ook weer de zon onverwachts ging schijnen in ’t Diemerbos.
Rustig, bomen om me heen, uitzicht over wat ver weg boven mijn huis voorbijgaat aan lucht, wolken, wellicht ook neerslag.

Waar ik woorden zoek, verbaasd over wat ’t boek in mijn handen mij voorschotelt. Schoon, niet overdreven & evengoed meeslepend. Vooral om een hoofdpersoon die vanaf zijn jeugd door boeken bevangen is, ondanks zijn afkomst.
Waar ik opnieuw, nog een keer woorden zoek, zo dicht mogelijk tegen mezelf aanleunend. Beïnvloeding afkeurend, maar me wel de letters & zinnen met bevlogenheid mee laat dragen.

Ik ben soms onleesbaar snap ik nu. Had ik ook achter de bar. Onmiddellijk reagerend als ik ook maar enige oneerlijkheid spotte.
Maar zo zagen de aangesprokenen dat vaak niet. Ik wist ze echter te overtuigen door ze de deur te wijzen & voorlopig weg te blijven.
Was mijn hoop.

Ik wist tegelijkertijd, of juist een moment later, dat dit donder over me heen zou brengen.

Soms jarenlang.

Maar nu, wil menigeen de hand schudden in Zijperspace, want hier is de barman (van toen).

Leeghoofd

Het lege hoofd komt nader. Het wil niet volhouden. ’t Zichzelf (het Hoofd) presenteren als volwaardig persoon, zeker als een volledige dag van thuisverblijf aan de hand is. ’t Weigeren de deur uit te gaan. Te kluisteren, ’t proberen afzonderen is meer aantrekkelijk. Behoeft dan geen uitleg meer.

’t Is slechts wachten op een bepaalde mate van actie. Als een gebeurtenis, zolang ’t mijn bankjesverblijf, de verschillende bankjes die ik als leesplek heb goedgekeurd, niet wordt verstoord. Waar ik me niet verlies, zoals eerder vanmiddag, dat ik smekend zei dat ik nerveus werd van alle informatie die ik moest overdragen.
‘Nee,’ zei zij heerlijk geruststellend,’dat kan ik ook.’
‘Geef ff je gegevens.’

Burgerservicenummer (BSN) & dat soort dingen.

Ik moet stoppen met typen terwijl ik dat schrijf.
De keel beknelt, adem hapert. Ik weet dat m’n hoofd rood schijnt op dat moment van toen & bovendien dat ik niet meer denken kon.
Ik doe nog wel een poging dat uit te leggen, maar ’t snelle weerwoord luidde:
‘Helemaal geen probleem: ik doe ’t gewoon zelf. Geef maar je burgerservicenummer.’

& Terwijl ik dit jullie vertel, terugdenkend aan die aardige dame, me net bekend, word ik al nerveus voor de volgende afspraak. De ingewikkeldheid, dat deze spreekuurplek net uit de buurt ligt van waar ik woon.

’t Ging niet alleen om m’n BSN, terwijl m’n coach ietwat verlaat binnenkomt & ik haar uitleg wat er allemaal geconstateerd is, waar ik niets van wist, van had kunnen weten, de belastingdienst, nog veel meer, & ik alleen maar denk dat ik moet ademhalen, langzaam, traag, evengoed coach vertel wat we hebben geconstateerd.
Maar dat juist dat geen opluchting geeft.
Geen adem.
Hooguit een blubberborrel in m’n buik. Een noodzaak in m’n mond om uit te leggen waar ik elke keer, ondanks hulp, altijd alleen sta. De paniek, de rode gloed voelend op m’n hoofd, de traagheid van daadwerkelijk kunnen denken. Schaamte ook voor dat traagdenkend hoofd, dat lijntjes mist, bepaalde lijntjes niet meer weet te plukken, ze weet te verbinden.
Hoe goed ze, de hulp, me geruststellen, daar ook mee om kunnen gaan.

Ik vertel ’t allemaal verkeerd. Ik weet dat ’t anders is gegaan. Maar m’n hoofd wil niet. M’n hoofd heeft z’n eigen verhaal. ’t Is een ervaren, beleven, te veel worden & dan herschrijven.
& Ik zit daar ergens tussenin: heb een toetsenbord dat schrijft, gewillig, waar correcties nodig zijn, maar de backspace werkt, de delete echter niet.

Zover ligt de waarheid verwijderd van Zijperspace.

Verwarring

Dat dus. Als in de titel.
Dat de maag zich laat horen, tot hier bovenin m’n schedelkap. Iets verder daaronder natuurlijk. Dat de gedachte je buik is geworden, zonder dat er daadwerkelijke honger is, maar de rommel toeneemt. Uiteindelijk hooguit een honger naar praten tegen mezelf. De waarheid vertellen of anders een verminking ervan.

Dat maakt niet uit, als er maar iets uit stroomt. Van niet begrijpen, ’t zelfs geen beetje te pakken krijgen, de stroom evengoed laten wijzen waar de weg naar verder is.

Ik moet stoppen met dubbelspraak. Met de muren m’n gedachten laten ketsen als echo’s, onbeantwoord uiteindelijk. Want wat weet ik meer daarvan dan ’t herhalen wat ik al verzonnen heb te zeggen.

Een verwarring, een knoop, een kruising. Ook omdat ik een hekel heb aan rotondes die de fietser de langste weg laat nemen. De nog tragere voetganger net zo, nog iets erger zelfs op de buitenste ring.
Gehoorzaam legt de wandelaar de omweg af. Laaft zich zogenaamd aan zijn gedachten, om z’n verloren tijd verklaarbaar te maken.

Liefst leg ik een knoop in de voertuigenroute: wijd omheen degenen die zich traag ter voet verder schuiven, dus tegelijkertijd wijd omheen die zich ’t dichtst bevinden van middelpuntvliedende gezondheidsgroen.

Zij, de ‘snel’ mobielen, krijgen allen een parkeerplaats geserveerd in menig natuur, waar fietsen omvallen vanwege rul zand & ‘die anderen’, de incidentelen, de weekendtoeristen, hun vehikel van 4 standvastige wielen hebben voorzien. Hun heenweg naar de parkeerplaats nog wat extra omgewoeld.

Jaloers
Afgunstig

Want ik weet dat ik dát groen laat voortbestaan. Mijn, immer & evengoed beperkende geest daar z’n best voor doet.
In alle onbenulligheid. Maar tegelijkertijd me besef dat er een andere onbenullig/onwetendheid dan ook mogelijk aanwezig is, daar ook tegenover staat. Diegenen die denken als auto, een groter ‘zij’, hun uitvergroting. Een fallus, een Groter Ik dus, een eigen god in ’t diepst van hun gedachten. De rest van ’t volk tegelijkertijd achterlaat.
Een krap huisje zijn, leven in een benzine-, mogelijk in een gas- of energieblik, elke dag zoevend over de autobaan. En als je rijk bent steun je vanzelfsprekend dat & hun voortbestaan.

Ze zijn beperkt gekrenkt. Eenzame ruimte meestentijds, slechts een radio die ze toespreekt of zingt.
Doe een fiets, denk ik dan. Zo veel als mogelijk. Dan luister je naar niets behalve naar vogels, zoemende insecten, groeiend groen, een reden van leven komt ook voorbij. Een simpel beseffen dat er meer leven moet zijn dat wij & ons, de meest egoïstische schepselen sinds dit bolletje rond ontstaan is.
Laat mij & wiens ook nakomelingen leven.

& Mijn verwarring zal Zijperspace groter doen groeien als ik Jane ooit ontmoet.

Topvingerhandschoenen

Ik draag ze tegenwoordig; een teken van ouderdom vermoed ik. Ook al heb ik ze niet bij mijn opa’s/oma’s mogen ontdekken toen ze nog in leven waren. Hoewel die handen behoorlijk koud konden voelen, alsof ze de energie, de warmte, uit ’t levend lichaam van ’t kleinkind wilden trekken.
Een troetelend zinnetje daarbij. Vooral van moeders kant: de Zegers.

De Zijp-en, vaderskant, waren wat meer profijtvol, zonder al te veel commentaar. Oma enigszins vertroetelend, maar de juiste zinnen missend; Opa een knijpend genoegen vanaf zijn sigaarstoel. In ons opzicht ook de verbinding missend. Wolken rook de hoge lucht inblazend. Net niet ons vingers verpletterend (Oom Carel, moederskant, gelijk zijn jongere broers hadden daar wel een handje van; ’t was een soortement handjedruk wie van de 2 verschillende generaties ’t ’t langst vol zou houden; dat was een gezellig oompje-neefje spel die gepaard ging met een vriendelijk sarcasme, waarbij je steeg in de ladder als je de competitie aanging).

Ik ga ze, een ietwat te laat tegelijkertijd, niet vertellen dat ik weinig warmte meer voel in m’n rechterwijsvinger. Ik voel wel, maar de kou is overheersend. Ook in zomer.
Hun hele generatie, moeders/vaderskant, is inmiddels overleden. Ik kan ze niet meer vragen of zij de oorzaak, de erfelijkheid aan mij hebben overgedragen.
Maar m’n moeder had wel vaker last van kou. Net als dat we háár moeders (Oma) handen niet erg prettig vonden bij afscheid. ’t Kneden van ons toen nog jonge handjes, wrijvend van verlangen de jeugd te voelen, maar misschien wel een poging de energie, de warmte er uit te trekken. Want wij hadden daar toch nog genoeg van.
We probeerden evengoed onze handen los te trekken. Hopend op een neefje die bij de zondagse afterkerkthee (een woord dat toen nog niet bestond) wat later binnen zou komen.

Dus ik draag toploze handschoenen nu. De winter is wellicht niet begonnen, maar de herfst wel. ’t Huis is nog steeds enigszins warm (sinds vorige week een enkele keer de thermostaat aangezet, soms af, soms aan, soms twijfel, soms zuinig), maar vingers  vaak niet, waardoor m’n lijf ook vaak niet.
Net hoe ’t hem uitkomt.

’t Gekke is echter dat ik daardoor m’n moeder voel. Oma ook, haar ma dus.
Ze beide bezig waren warm te koesteren & ’t onbewust tegelijkertijd bij hun kinderen, hun kindskinderen zochten.

Je weet wel, als vrijgezel, je de kou opzoekt in je lichaam, ’t omhelst, de kussen in je bed (ik heb er in ieder geval 4 tot mijn beschikking) die de grootste behoefte aan mijn inmiddels lichtelijk opgewarmde lichaam heeft, als een wederzijdse dienst ter beschikking stelt. Voor mijn warmsmachtende benen, een teddybeervervangende middernachtsdroom, een niets, voelend, vervloeiend, donkere, lekkere slaap, morgenochtend wakker uiteindelijk.

Ik ril bij die gedachte al. ’t Kougevoel straks. M’n hele lichaam daarmee omhuld.
Kou dat mij straks in warmte in laat slapen.
Als in veilig, niemand krijgt mij hier meer weer weg. Tot in de punt die ooit hier op volgt, maar zoet slapend.

Voorlopig wellicht in Zijperspace.

Kleinigheden

’t Zijn mijn nagels die me aan ’t denken hebben gezet. Dat van wat links is wat is rechts.
Een film kijkend, lui, maar niet liggend, op mijn stoel. Actieve houding.
Waardoor ik mijn vingers, in 1e instantie onbekommerd, tegenover elkaar ging zetten. Links tegenover rechts. Eigenlijk opnieuw, maar vanuit onderzoekend uitgangspunt. Waardoor ik de film niet meer kon volgen die vanzelf verder ging tegenover mij, ’t beeldscherm, omdat zij, de vingers, niet als datzelfde vanzelf wilden voegen: wie mag boven, wie is dominant daarin. Linkerduim tegenover rechterduim, de volgende vingers eenzelfde concurrentiestrijd & hoe voelde ik me daarbij? Als stuk voor stuk.

Waar is mijn lichaam, mijn kennis & besturingssysteem ervan, plus daarbij: waar ben ik? Wat is vanzelfsprekend & waar kan ik experimenteren met waar ik de onderdelen naar toe laat gaan?
Tegelijkertijd: waarom ga ik daar over nadenken? Misschien een vraagteken te veel, maar mijn gedachten daarover tezelfdertijd, tezelfdertijd, tezelfdertijd  (met een kleine, maar behoorlijke vertraging evengoed), als in dat niet alles op ’tzelfde moment bedacht wordt, we zijn geen goden immers, al wil je dat in een diep punt van je gedachten wel zijn, je dat vooral afvragen evengoed, evengoed, als een nieuw kunstje opnieuw, om een vertraging van belevenissen in ’t hoofd te veroorzaken.

Een kernpunt bereiken. De roos, waar de kernbom explodeert & de oplossing ontsnapt, maar ook verluchtigt, zodat ’t misschien wel opnieuw wellicht samen te voegen valt. Uit snippers. Kleine samenvoegende verspleiterend geminimaliseerde zandkorrels aan een nieuwe kust, een nieuwe alp met ververste sneeuw net zo.

Mijn fantasie zegt nog niet: tot nieuw leven samenvoegt; maar de bedenksels, de geboekte samenvoegingen in gestaafde letters, dat wat was, straks weer een is is. Omdat ’t in de lucht is blijven hangen, in aaps, in beers, in knoppergals, in vlinderstruiks, in schildluis & alles wat z’n naam weer, waarschijnlijk z’n nieuwe naam weer moet gaan verdienen. Bij ontmoeting met wellicht nieuwe spraak.
Maar onverstaanbaar voorlopig, een nieuwe weg ingeslagen geworden moet worden, tot een nieuw verleden, een gehervormde vorm van elkaar becommuniceren.

God, dat gaat lang duren in Zijperspace.

Diepzinken

Ze durven ’t me zelden te melden, maar ik weet al jaren dat ik drink. In een brouwerij werken, dat op een gegeven moment samen laten gaan met een bierwinkelbaan: daar plakt drankgebruik aan.
Meestal hoef je je niet te verontschuldigen dan. De klant heeft grotendeels meer gedronken aan ’t eind van de avond.
& Je moet nog eten, een maaltijd binnen krijgen, bereiden meestal ook daarvoor. ’t Niet slecht voelen zien wegtoveren tot enigszins positief. De nuchterheid hervoelen, tegelijkertijd ’t nagesprek, ‘nazitten’ heette dat, ook terug ‘her’toveren, van wat fout was gegaan in mijn gedrag, in andermans optiek, wat in de toekomst beter kon.

Diep zinken in commentaar over mij. Er was zoveel wat er met mij mis was. Waar ik moest verbeteren.

Maar ik slokte mijn biertjes na afsluiting, als elke dag dezelfde promillage, & at mijn maaltijd vlak na 10-en thuis.

De opsodemieters ben ik nooit vergeten. ’t Zwiepen op m’n rug. Hoewel ik prima op kon schieten met hun, maar altijd kregen zij ’t voor elkaar ’t recht om mij te verwijten aan hun kant te krijgen.
Waar ik geen weerkracht had, geen echo-verwijt wilde plaatsen.

We waren 1st met 5. Later 6, 7, op een gegeven moment zelfs 10. De meewind noch tegenwind werd er minder om.
Slechts een enkele meedenker, een vrijdenker, een schouder-aan-schouder houdend tijdens muziekgenoegens, een concert.
Teer.
Of teer, zonder hoofdletter, dat klinkt beter.
’t Ongemak voelen dat je normaliter niet met mannen deze gevoelens met een arm om de schouder deelt, normaliter, normaliterwijs. Dat dat zomaar kan, net zoveel bier opdrinken kan. Elkanders gelijk.

Dan schouder aan schouder staan, tijdens een concert. Gelijkgevoelens, bier aan wederzijdse handen. Carnavalesk lag ver van ons vandaan. Een zeldzaam veilig voelen, met evengoed treurigwekkende teksten, een stilte, een moment van slechts 2 of 3 minuten, wie zal me dat kunnen navertellen.
Een zang van stil. Hoog kwelend, maar de rest was stil
Een Boem, een klaar, we hadden ’t samen meegemaakt & m’n collega’s, hoe lief ook, hadden geen recht meer om mij ook maar iets te verwijten.
Hoewel ik ’t de volgende dag vroeg al was vergeten.

Een omhelzing voor hun evengoed vanuit Zijperspace.

Simpel

Laat ’t eenvoudig zijn, dit bericht. Deze tekst eigenlijk, immers niet een schrijven uit een zogenaamd koninkrijk.
Laat ’t zijn wat ’t is.

Dat ik mensen niet na-wuif; gedag zeggen voldoet. Ik hoor ’t gritten van ’t grindpad al lang voordat ze op fiets of lopend bij mij aangekomen zijn. Hun fiets- of voetsporen over ’t me tegemoetkomend pad als een voorspelling van de ontmoeting blootleggend.
Ik probeer dan mijn lezen te plannen. Een zin tot aan de punt af te maken. Zodat mijn hoofd zich opheft in volle bereidheid niet een kluizenaar op deze bank te zijn.
Een glimlach, een hallo of hai, al naar gelang mij de ontmoeting of behoefte aan variatie mij ingeeft.
Leeftijd heeft er soms ook wel mee te maken, of de manier waarop ik denk dat iemand zich afsluit voor de ‘Dag’-communicatie van niet alleen te zijn, want we weten beiden dat er meerdere mensheden hier aanwezig zijn.

’t Niet-alleen-te-zijn is wellicht wat overdreven. Want passerend over dit pad, deze route, betekent immers dat je ervoor gekozen hebt. ’t Zitten erlangs, op een bankje net zo goed.
Maar ik kan niet zwijgen, negeren van andermans voorbijgang. Tenzij een volkomen van mij wegziende blik.

Dan moet ’t wel te maken hebben met 2 opgevulde oren met muziek of een podcast, een hond of paard die aandacht nodig heeft, of voor hun de aanblik van een agressief of lelijk pokdalig gezicht dat ik zeker weten niet uitstraal.

Ik heb ergens geleerd tijdens mijn jeugd, toen Den Helder nog een dorpse volume had, de van der Hamstraat daar de kleine buurtuitvoering van was, met om de hoek reddingsheldenmonumenten, onze buurman een laatste loot ervan, dat je vooral altijd elkaar moest groeten.
Gedag als in ‘goedendag’. Toen ‘Hai’ nog niet bestond, maar ‘G’morgen’ wel. Je van je moeder belletjetrek bij de gepensioneerde vissermanbuurman mocht doen om hem een gebakken schol te leveren. De vuilnismannen een bak koffie kregen geserveerd, die ze met 1 voet tegen de muur tussen buur & ons kwamen genieten. M’n moeder om de hoek van de deur informerend of er nog een koekje bij moest worden geserveerd.
‘O, dankuwel, mevrouwtje.’
Waarop ons kinders een aai over de bol kregen van de vuilnismannen die ’t dichtst bij onze deur stonden. De zon stralend, de koffie geurend, de verhalen van vissen & vuilnisbakken over & weer gaand. Volgende week zou er een kleine voorraad vis voor hun klaarstaan, zie buurman.

Waarna wij, of anders 1 van de broers, een zakje, een bordje, een zoetigheidje, langs moesten brengen bij hiernaast. We vervolgens aan hun tafel moesten zitten. Wie weet kregen we 7-up, of was dat nog te vroeg in de tijd van mijn herinnering & was ’t limonade met water. & Wisten we, ook al was je daar hooguit met 1 broer, dat we dankuwel na afloop moesten zeggen.
’t Glas niet half leeg moesten laten staan.

’t Zou immers meer gratis vis vers van de havenveiling opleveren. Een aai over de kop van buurman, een gratis oppasbeurt van buuv, een grijns vooral, een lik op onze snuit van hond Itam tegelijk, bij elke lik een onmogelijkheid z’n naam te vergeten. & Vooral dat weet ik me ’t best.

Een lange tong die verhaaltjes afrondt in Zijperspace.