Waar de klok tikt richting slaap, middernachts tegelijkertijd, waar liefst de wens van ietwat later, de bedbehoefte dan, dat de wijzer zich nog vergist.
& Daar ontstaat de onrust. ’t Nog niet willen. M’n vandaag willen vernauwen, verdichten, tot wat vandaag is geweest tot die alweer voorbij is.
De dag vergaan, ’t geheugen gekrompen in een 60+hoofd. Die zich alweer ietwat meer heeft geminimaliseerd de komende volgende ochtend. Waar de laat seizoensrijpe bloemen bloeiend gaan daarbuiten, maar dit traag bejaardgaand hoofd slechts krimpt, zoals hun van ’t voorjaar, veel niet meer bestaan, slechts zaad voor opvolgend pracht.
’t Schijnt ook voordelen te hebben. ’t Berusten, de lethargie. Ook dat je ’t tempo van de wereld hebt leren kennen, z’n omwentelingen, & dat tot voordeel weet te benutten. De tiktok van de voortgaande klok anders beleeft.
Ik kan m’n hoofd opheffen, voordat ik m’n volgende bladzij omsla, snuivend de grassen, ’t krakeel ook in de sloot, waar de jonggeboren vogels hun stem vinden, reeds hebben gevonden rond dit tijdstip.
& Ik de taalslag probeer te doen. Van hier ben ik & ik moet hun zijn ook maar ff opzuigen. Net als die suffe piepkleine wespjes & bladluizen die mijn letters proberen te verstoren. Maar waar ze tegelijkertijd tegen de grotendeels witte achtergrond van de boekbladzijden alleen maar afsteken, hopelijk goed genoeg om mijn foto’s ooit er een juiste identiteit aan af te meten.
Dat wil ik zijn. Iets waar iets aan af te meten was. Al was ’t de lengte van m’n woorden.
& Waar ’t over ging natuurlijk, hier in Zijperspace, zal blijven zijn.