Kloktik

Waar de klok tikt richting slaap, middernachts tegelijkertijd, waar liefst de wens van ietwat later, de bedbehoefte dan, dat de wijzer zich nog vergist.
& Daar ontstaat de onrust. ’t Nog niet willen. M’n vandaag willen vernauwen, verdichten, tot wat vandaag is geweest tot die alweer voorbij is.
De dag vergaan, ’t geheugen gekrompen in een 60+hoofd. Die zich alweer ietwat meer heeft geminimaliseerd de komende volgende ochtend. Waar de laat seizoensrijpe bloemen bloeiend gaan daarbuiten, maar dit traag bejaardgaand hoofd slechts krimpt, zoals hun van ’t voorjaar, veel niet meer bestaan, slechts zaad voor opvolgend pracht.

’t Schijnt ook voordelen te hebben. ’t Berusten, de lethargie. Ook dat je ’t tempo van de wereld hebt leren kennen, z’n omwentelingen, & dat tot voordeel weet te benutten. De tiktok van de voortgaande klok anders beleeft.

Ik kan m’n hoofd opheffen, voordat ik m’n volgende bladzij omsla, snuivend de grassen, ’t krakeel ook in de sloot, waar de jonggeboren vogels hun stem vinden, reeds hebben gevonden rond dit tijdstip.
& Ik de taalslag probeer te doen. Van hier ben ik & ik moet hun zijn ook maar ff opzuigen. Net als die suffe piepkleine wespjes & bladluizen die mijn letters proberen te verstoren. Maar waar ze tegelijkertijd tegen de grotendeels witte achtergrond van de boekbladzijden alleen maar afsteken, hopelijk goed genoeg om mijn foto’s ooit er een juiste identiteit aan af te meten.

Dat wil ik zijn. Iets waar iets aan af te meten was. Al was ’t de lengte van m’n woorden.

& Waar ’t over ging natuurlijk, hier in Zijperspace, zal blijven zijn.

Bankvervolg (laten we ’t nr 1 noemen)

De moeder verscheen opeens in beeld. ’t Moet 2½e week geleden zijn. Terwijl de vader, in mijn optiek, tot dan toe zorg droeg voor de frisse lucht, de noodzakelijke slaap van ’t kind, een rondje in de kinderwagen.
Ik zei ‘m elke keer gedag, maar toen we dat 3 keer op dezelfde middag deden begon de schuldigheid van te goed je best doen een rol te spelen.
We zagen ’t aan elkaar. Soms was een hoofdknik al overbodig. Je kent elkaars aanwezigheid.

Dus……..
Toen verscheen moeder opeens. & Begon ik opeens te twijfelen over hun eigen geboortegrond.
Waren ze engels? Amerikaans wellicht?
& Uit plotse oplossingsdrang voor dat vermeend probleem zei ik gewoon:
‘Glad to finally see the whole family of you!’
Want gedag zeggen is gemakkelijk. Is met een simpel knikje van ’t hoofd al duidend. Een nederlandse ‘hai’ lost veel op voor mogelijk importcitizens. Hai is Hi. Toch?

Maar plots in plots hoe plots vertaald kan worden als iemand opeens in haar 1tje kan verschijnen, met ’t kind hangend aan een wandelconstructie voor op haar borst, kwam zij op veelveel tragere stappen langs mij heen lopen. Veel tragere stappen dan die van hem, al waren die laatste vast ook slaapopwekkend & teer. Babywijs.
Ze was inmiddels mijn gezicht gewend, door de vader geïntroduceerd, door mijn herkennende blik van diezelfde man wellicht ook. & Dat daar een pasgeboren kind bij hoorde.

Je gaat je vragen stellen van wat er…
Ook hoe ’t kind er is gekomen.
Wat de moeite is geweest.
& Hoe de trage tred, o zo trage tred van moeder, haar kind verdedigde, de hartklop weer wilde koppelen met de… trage, langzame, ademhalende, weer mogelijke wandel van moeders.

Maar ze zei me zacht, liplezend gedag. Haar hand op de rug van haar klein.

De bank had 5 min niet meer geen zin meer om te lezend zijn in Zijperspace, want verwonderd des levens.

Voorbijgangervluchten

Je knikt, maar zegt liever gedag. Als in ‘Hai’, ‘Hallo’ of ‘Goedendag’.
Ja, dat gebeurt met hoofdletters. Anders kan ik niet. Tenzij de passant mij negeert. Soms niet erg. Met sport bezig, een koptelefoon, een hond die aandacht nodig heeft.

‘Sorry,’ zei ik vanmiddag omdat ik de groet van 2 dames niet meteen had beantwoord, ‘ik moest 1st de hond gedag zeggen.’
‘Ja, natuurlijk,’ zeiden ze bijna synchroon, ‘heel belangrijk.’
Een eeuwige glimlach maal 2.

Voor de rest lees ik meestal door. Hef m’n hoofd als ik een geluid van een mogelijke volgende voorbijganger hoor, ga dan door, plaats m’n vinger strak op de plek waar ik ben gebleven, totdat de volgende groet geplaatst kan worden.

Een engelstalige man sprak me van de week aan.
‘You always seem to sit on this spot.’
Zo vriendelijk dat hij mijn aanwezigheid hier niet zomaar voorbij wil laten gaan. Zoals meer mensen doen, maar bekeken op een dag van hooguit 3 uur valt ’t mee. ’t Is rustig hier. ’t Zijn vooral bomen met daartussendoor voorbijgaande fietsen. Ook op dit voetpad. Plus dan de wandelaars plus honden.
Ik legde de man uit dat mijn keuze afhing van de zon. & Dat ik daarbij kon kiezen uit minstens 4 banken. In decent English, hoewel hij m’n nederlands ook verstond.

Laatst zaten we hier met z’n 3-en op een rij. Allemaal lezers. Misschien waren ’t er wel meer; ik weet dat er minstens 6 banken op een krommende lijn staan hier. Je hebt hooguit zicht op 3.

Ik was klaar met lezen. 2 Bier op, 1 borrel. Pakte weer in & stapte op m’n bakfiets.
Maar kon ’t niet laten om te stoppen bij ’t bankje waar ik m’n carrière als lezer hier was begonnen, nu bezet door 1 van de andere lezers.

‘Leuk hè,’ zei ik, ‘3 lezers op rij op een bankje hier. Heb ik niet eerder meegemaakt.’

Zij las Marx. In ’t engels. Waar ik me al verschrikkelijk moet concentreren bij NL-boeken. Constant afgeleid.
Maar juist daarom zit ik hier graag. Bomen, groen, rust.
Evengoed klapten we elkanders handen op zeker moment in ons gesprek. Wat niemand je dan meer af kan nemen. Een moment, een verlangen dat nog een keer mee te maken, maar weten dat dat zelden is. Elkaar herkennen uit een doorgaans miljoenensamenleving.
Weten dat wachten op een volgende ontmoeting waarschijnlijk toch niet komt.

Dat gebeurt hier op banken. Je weet meestal niet wanneer, maar ’t vindt keer op keer plots in de tussenliggende stiltes plaats.
Met tussenpozen dus, dat wel. Maar daar hebben ze boeken & geduld voor uitgevonden. & Mensen die je niet zou verwachten.

Daar blijken er best veel van in dat meest rustige plekje van Zijperspace.

Nietmeerweetmeer

Als een kind dat z’n vinger in z’n neus steekt.
Zo sta ik (zit eigenlijk) dan. Waarbij ik alweer ga twijfelen of ‘ik’ buiten of binnen de haakjes moet staan. Maar waar dan?

Zoals iedereen z’n twijfels heeft natuurlijk. Waar ik echter schrijf. Geen vertraging wil. Door wil gaan. Want nu zit alles immers in m’n hoofd. Net rond middernacht. Vinger richting neus, want zo schreef Guus Kuijer immers ooit dat dat een teken van wijsheid was (de Egyptenaren, zo zei hij): ’t naar binnen treden van een kind. De eigen gedachte.

Vooral paniek. Dat ’t voorlopig niet goed gaat komen. Waar al m’n, wellicht tijdelijke, problemen me tegen ’t hoofd stoten.
Bonk, een paal, tijdens dagdromerige wandeling tussendoor onbekommerde natuur.
Ik zal u de lantaarnpaal waar mijn broer me ooit ogendicht toe leidde ditmaal onthouden.

Ik durf wel te beweren dat m’n darmen me dan ook niet helpen. Ze schreeuwen er op los. Blubber & borrel. Dat hoort bij de normale verschijnselen, maar ditmaal is ’t alsof de paniek heeft toegeslagen & zij de woordvoerders zijn. Om beurten, meestal een spreekbeurt van rechts naar links. Klein commentaar ergens onderin als tussendoortje, misschien als tijdelijk eindakkoord.
Morgenochtend krijg ik ’t volledige verslag. Dan kan ik beter een ongelezen boek klaar hebben liggen om de verloren minuten/kwartieren/halfuren nuttig door te komen.

Maar ’t niet meer weten weer. Dat dat terug gekomen is. Als een klein kind dat door een toevallige buurtbewoner achterop de fiets genomen is omdat ze zich niet bekommerde om een mogelijke doorlekkende broek. Of een vroeg generend kind dat schaamte krijsend was.
Ze belde aan. & Daar was ik. 5 Min later schoon. Ruw maar zorgzaam afgeborsteld door moeders.

Dat zijn weliswaar eeuwige overblijfsels, kan ik waarschijnlijk altijd, niet aflatend, doen opborrelen, je moet er echter een reden voor hebben om ’t te laten bloepen. Tevoorschijn. Opeens uit ’t vergetensdal terug.

Maar daarnet was internet weer eens een keertje stuk. Was m’n hele jeugd daardoor kwijt dat ik op dat moment in mijn hoofd had. & Heb ik een nieuwe versie moeten verzinnen.
De woede vanwege dat gemis was echter dermate, dat ik de kracht had de toetsen te dwingen dan maar de waarheid op te biechten.

Zelden dat men over poep praat in Zijperspace tenslotte.

Junkie

Dan ben ik een junkie, middernachts. Te grote behoefte aan schrijven, te verwoorden, mezelf te laten leven.
Nooit meer sterven waarschijnlijk ook.

Soms hopeloos in de war dat ik geen woorden kan vinden. Of in ieder geval niet ’t 1e woord. Er moet tenslotte ergens mee begonnen worden: ’t mogelijke verhaal, te beginnen bij dát 1e woord.
Hoewel mijn verhalen niet daadwerkelijk van dat soort vertellingen zijn. In de betekenis van, opnieuw, ’t woord. Meer mijmeren, proberen te articuleren, te duiden, maar er niet altijd uit zien te komen.
Dat laatste minstens zo belangrijk.

Zo probeerde ik in m’n jeugd plattegronden te tekenen van de buurt waarin ik woonde. Wellicht al eerder over geschreven, maar belangrijk: ik kwam er dus niet uit. Ik kon er een plattegrond naast leggen, van alle straten waar ik me overdag over begaf, richting school, de krantenwijk, een fietstocht naar een vriend in een belendende wijk: ik had ’t zo goed in m’n hoofd, maar de poging tot kaart klopte uiteindelijk nooit.
Terwijl ’t zo helder in m’n hoofd zat. Ik kon mijn weg onderweg naar welke bestemming ook nooit verliezen.

Ik wist een ietwat later vriendinnen te ontdekken. Dat soort stiekem ontwikkelende liefdes te vinden, precies op ’t moment dat ze ’t volgende moment met ouders op vakantie waren vertrokken. De route richting haar huis tegelijkertijd te verliezen als ’t vakantieleed m’n verlangen had doen verslijten. Zij ondertussen wél thuis.
Of juist wegen te kiezen die me mogelijk richting onverslijtbaarheid lieten leiden. Je moet overleven, toch, op die leeftijd.
Ach, welke leeftijd niet.

Maar dat alles op m’n fiets.
Ik wist toen fietswijs niet dat de wereld veel groter was. Dat er een onnoemelijke hoeveelheid meisjes nog te ontdekken was met mijn vervoermiddel. Dorpen- & stedenvol. Hoewel ietwat kinderformaat, net als ik, maar de mogelijkheid was er. Wellicht dat ik nog wat haren had moeten laten groeien, maar die waren onder mijn kin nog niet aanwezig. Die groeihormonen, die lieten zich pas laat melden.
Waar vrouwen, meisjes in die tijd, hun borsten op een gegeven moment voelden groeien in die dagen, moest ik ondertussen lang wachten op mijn manzijn.

Ik heb altijd ’t idee gehad dat ik pas veel later serieus werd genomen.
Dagboeken schrijven, ik hoor ’t een campingbaas nog lacherig zeggen tijdens 1 van m’n 1e wandeltochten, mijn schrift voor me, was niks voor mannen.

& M’n vriendinnen, waar ik zelden/nooit seks mee had & die ik ook niet allemaal toegang tot alles gaf: achteraf denk ik dat ze ’t wel fascinerend vonden, dat wat ik schreef, dat wat ik deelde van m’n dagboek.
Eindelijk een man. Hoofs, maar man.

Maar seks, daar moest ik uiteindelijk lang op wachten. Alle seks hierboven geïnsinueerd, dat heb ik pas laat geconsumeerd, als ik dat zo mag uitdrukken. ’t Waren oefeningen, handarbeid, dromen van een mooie toekomst.
U weet wel. Denken dat er een toekomst is.
Zeg ’t nog maar een keer.
Maar tegelijkertijd realiseren dat ’t niet zo is.

Hier terechtgekomen uit dat rare Zijperspace.

Hoi Patrick (1138)

Hoi Patrick,

Erg blij met je opmerkingen/analyses. Soms schrijf ik maar wat, begin ergens, kijk wat er uitkomt, maar tegelijkertijd moet ’t evengoed zin hebben, inhoud, literaire kwaliteit bovendien.
Maar omdat ik al jaren zo weinig reacties daarop krijg begint er zich wel eens een minderwaarsdigheidscomplex te ontwikkelen. Durf ik niet te schrijven, twijfel over de inhoud, & zoals eerder gemeld: gaat ’t mij de volgende ochtend lukken om de tekst op zijn kwaliteit te beoordelen als iemand de tekst geliket heeft? Durf ik terug te kijken?

Je sleurt me door dat soort twijfels heen. ’t Geeft me ’t gevoel dat ’t zin heeft, kwaliteit misschien ook heeft, doet ’t tegelijkertijd m’n schouders rechten.
Over m’n natuurcolumns ben ik ondertussen minder onzeker evengoed. Ik weet me met kwinkslagen, verborgen grapjes, & mss wel verrassende info de mensen te vermaken, vaak zonder daarbij te twijfelen of mensen ’t leuk zullen vinden.

Maar ja, zoiets persoonlijks als mijn eigen leven, gevoel, geschiedenis, dat lijk ik daarom vooral ’s middernachts te zijn gaan doen. Niemand die meteen kijkt. Terwijl ik mezelf ondertussen verdoofd heb met een bepaalde mate van alcohol. Hoef ik daar ook niet aan te denken terwijl ik de toetsen als vanzelf voort hoor tikken. Minder belemmering bij ’t schrijven ook, een kleinere rem.
Daarnaast de volgende ochtend een mogelijkheid om dingen om me voor te schamen er uit te corrigeren, ’t geheel op te poetsen evenzo, vooraleer de mensen, de mogelijke bezoekers tijd hebben gehad om me daar op te betrappen.

Dus je woorden worden als feedback zeer gewaardeerd. Hoewel ik niet altijd weet hoe ik moet reageren. Want ’t gaat wel om (soms zeer) persoonlijke teksten. Waarbij ik de volgende ochtend ook niet weet hoe ik daarmee om moet gaan. Trots of schaamte, is dan de vraag. Jij maakt de keuze tussen die 2 uitersten gemakkelijker.
Thx!

‘1138’ Zegt men er dan automatisch achteraan in Zijperspace.

Deelzaamheid

Ik werd er al vroeg op gewezen dat ik m’n pen moest gebruiken. Scheidegger, verplicht door m’n vader de directeur van een zogeheten huishoudschool, was een goede uitkomst. Zo bleek later althans.
Pennen zijn traag, gezien vanuit ’t toen gewoon heersende regime. 10 Vingers kunnen veel meer, in dat luttel tijdsbestek dat een mens heeft. Hoewel ’t 2-vingerregime momenteel een goede inhaalslag aan ’t maken is.
Ik twijfel echter of die laatste dan weer de zorgvuldigheidsslag zal winnen. Maar daar ben ik wellicht de oude man.

’t Heeft evengoed m’n leven gered.
Ik zou al minstens 10 keer kopje onder zijn gegaan. Geen woord hebben uitgesproken als ik ’t toetsenbord niet opnieuw had uitgevonden (als: gelijkgesteld aan de typemachien waar ik een van mijn spaarzame diploma’s aan heb te danken).
Stel voor: m’n vingers, linker- & rechterwijs, zorgvuldig op zoek, tuurlijk met een redelijke geroutineerdheid, verhalen vertellend die uren duren. Zo traag als me verweten wordt als ik mezelf aan anderen uit wil leggen, mondeling. Je weet wel, zonder telefoon. Als: traag, te veel omvattend, duizelende details.
Ach, ik begin weer…
& Dat dus met een 2-vingertoetsenbord, in veelvuldige situaties van huidendaagse afstand.

Dan ben ik dus blij met m’n toetsenbord waar Scheidegger in de steentijd voor uitgevonden is.

Maar ik moest m’n ‘pen’ dus gebruiken. Want ik scheen iets te kunnen vertellen.
Daar had ik 1st een dagboek voor nodig. Dat hoorde je als jongen echter niet te vertellen. Toen. Meer meisjesiets…
Kwam goed uit, want ik ging alleen maar met meisjes om, vooral in de buurt van hun ‘vrouw worden’, van die leeftijd waren wij, durfde ik dat. We hadden alleen nog geen internet uitgevonden, dus deelde ik, slechts spaarzaam, mijn geleidelijk groeiende dagboek met hun. Krijg je meer vriendinnen van, kwam ik achter.
Maar deelzaamheid heeft z’n grens.
Ze doen er tenslotte niet allemaal ’tzelfde mee, anders dan wat je zou verwachten. Deelzaamheid blijkt uiteindelijk dezelfde eenzaamheid aan ’t eind.

Daar heb ik uiteindelijk m’n toetsenbord een aanzoek gedaan. 9 September 2001.
2 Dagen later gebeurde er iets veel belangrijkers.
& Precies op die datum had ik jaren later kennis met een vriendin die bang was nooit meer haar verjaardag te kunnen vieren om dat laatste feit.

De rest is geschiedenis in Zijperspace.

Mooidag

O, wat een mooidag dat gaat worden. Waarbij de vogels genoeg vocht in de keel hebben ’t te befluiten. De fietsers de straat opgaan ook al bestaat er geen arbeidsplicht die dag.
De koelte, relatief, genoten kan worden. We elkander aankijken van zokanhetook. Soms weliswaar, maar zokanhetook.
Het hoeft niet gewezen te zijn, voorbestemd, altijd, van nooitafgelopen, zulke samenstellingen zijn inmiddels ontstaan, maar zoiets van niet voortbestendig, nietmeer.
De woorden werden geplakt op zeker moment, maar je voelde de hittedruppels ervanaf druipen, de puntkomma’s overbodig; ’t scheelde een extra handeling op ’t vochtbestendige toetsenbord. Waar de volgende gen al overgestapt was op crosswordsamenstellingen, energiezuinig, slipstreamstrelingen op ’t beeldscherm.

Bij de mooidag zullen de vlaggen schijnen, de lampen fladderen, hun weerschijn de hoek om kijken, insecten weerkomen, hun kriebel als vanzelfsprekend schijnen zoals de zon, de overmatige zon, dat vroeger deed.
Maar geaccepteerd als een bevrijding, zokanhetook, zokanhetook, klinkt ’t uit de koele schuilkelders tegelijkertijd, waar langzaamaan lichamen uit tevoorschijn opduiken, waar woorden aanelkaar zijn kleven, de interpunctie niet meer belangrijk leek, overbodigheidjes werden, de spaarzame communicatie geen behoefte meer had aan teveel. Als Orwelltalkcombi’s, maar de mensen opeens beginnen te realiseren dat spaarzaamheid op speeksel, zoals enig Huxleyvoorspellingen, hij over zijn voorvader (gedarwind, met nuttig resultaat), weet niet of de leeflangvogels die er dan nog zijn ’tzelfde zullen voelen, geen noodzakelijkheid meer zijnzullenzijn, dat happen in zand minder vocht oplevert dan die van adem, ademademen. Waar ’t vrouwelijke werkwoord ge-eva’t wordt, want alles is gelijk bij een mogelijk nieuw herleven.

& We scheiden de af zonderlijk heid vanaf dan. We gaan meer 1 zijn, we schijnen meer, we zien de vogels, de fluitsels, de resten van, ook de krabbelende, kriebelende, misschien spaarzaam vliegende torren, wantsen, niet opgedroogde andere vliegende insecten. Plus alles wat in de resterende beekjes leeft. Naast de overvloedende zee, plus de donderenddruppelende buien.

Want ook zij zijn gestopt in hortendstotende taal hun aarde te bevloeien.
De fietsen wellicht verroest, als al dat vocht teruggedeinsd is, maar Noach heft zijn staf, zoals zijn nananazaat deed, & alles komt goed.

& De profeet niet meer leeft, ook niet in Zijperspace.

Kristal

Nieuw, waar oud uiteindelijk moest gaan klinken. Want zo zijn we toch, evengoed onverwachts geworden, ooit gewezen, gekristalliseerd.
Ik praat met Marjan, terwijl ik terugdenk dat ik met haar & zus Inge & Suus naakt over ’t strand heb gehuppeld, & alles was normaal.

De moeder van Suus zei dat ze eindelijk een normale piemel zag.
& Ik in m’n onverwachte vrijheid dacht dat dit m’n leven lang zo zou blijven: bloot, geen onrust, & een behoorlijke dosis aan eerlijkheid. Op een familiebijeenkomst aan ’t Helderse strand gewoon bij gebrek aan zwembroek met zwabberende flabber m’n nichten aanmoedigend ’t voorbeeld van mij te volgen.
Ik kan me hun borsten niet herinneren, dus ze zullen mij vast niet nagevolgd zijn zoals ik me dat had voorgesteld.

Terug in ’t nu ben ik opnieuw preuts. Weliswaar in beperkte mate, maar broers van mij zijn nudisten.
Dat lukt mij niet.
Ik ben die fase voorbij. Als in: ik voel me alleen.

Eens op vakantie geweest met een ex, m’n broer werkte toen op een naturistencamping in een toen al veel te hete regio in Frankrijk, wist ik ’t te normaliseren. Iedereen bloot.
Maar daarna vergeten. Mezelf verzwegen. Dat vriendinnen, die van de echte, hun blootheid er niet toe doet. Ze zijn mooi, hun borsten, hun tepels, de rest van waar je interesse ligt. Maar hún normaal. Vriendinnen, waar ik vrienden zou moeten zeggen.

Ik voel me soms eenzaam bij gebrek aan normaal, ’t oude normaal. De nieuwe preutsheid voorbij.

Maar ik ben oud, Zijperspace groeit, hopelijk de rest ook.

Flubberhuid

’t Zijn 3 puntjes, een vage gloed van nummer 4. Maar die laatste heeft zich niet hoeven ontwikkelen tot een uitstekend rood puntje. Waarschijnlijk door de dosering, wellicht omdat ik ’t giftige wijfje in m’n slaap te pakken had. In een lichaamsomdraai, traag plettend.

’t Bolde, dat hele goedje bijeen, kleurde allengs rood & liet zich ook zo gloeiend gevoelen. Waardoor Oma Zijp (dat schrijf je inderdaad met 2 hoofdletters) me weer gewaar werd. Dat kleine licht mollig vrouwtje, dat in haar oudere jaren door gezondheidsomstandigheden haar huid liet flabberen.

Ze was de dood van haar man al jaren voorbij, had al enkele ziekenhuisopnames achter de rug, & slechts 1 zoon in de nabijheid van wie ze vanzelfsprekende aandacht kon verwachten. Plus m’n aangetrouwde moeder.

& Wij snapten dat niet altijd. De zondagmiddag tot 8.30 uur ’s avonds met haar door te moeten brengen. Van Koot & Bie begreep zij immers niets. M’n vader mistte daardoor ook de clou, want hij was de taxi & bij terugkomst was alles alweer voorbij.

Maar haar huid kwakkelde in haar laatste jaren. Wat waarschijnlijk een proces van zo’n 10 jaar zal zijn geweest, maar overdrijving van mijn geheugen kan van toepassing zijn.
’t Floeberde. Huidzakken. Daar waar ’t 1st vol van vlees gloeide, ’t bolde zoals mijn huid aan de rechterarm de afgelopen dagen zag.
Slechts m’n rechter onderarm, dat wel, onder invloed van een mug of een anderszins prikkel.

Ik ging er enkele dagen mee naar bed & stond er de volgende ochtend met z’n volle aanwezigheid mee op, elke dag een ietsje meer. 3 Rode puntjes, waarschijnlijk gedurende de nacht tot bloedpuntjes gejeukt, & een kleinere broeder, bloed- maar niet jeukloos, daar rechtsboven.

Terwijl ik dit typ laat ik voor de 100-tigste keer m’n linkerhand de toestand aan de rechterkant controleren, de jeuk daarbij enigszins proberen te beheersen, te voelen hoe de huid ondertussen die van Oma Zijp begint te naderen. 1st Vol in spanning, nu gelaten in de veronderstelling dat ’t begint te flubberen.
De ontspanning is daar. De aankomende gelatenheid.

M’n Oma moest alleen nog terug naar huis gebracht worden onder begeleiding van een bij opstaan van de bank tegenover de tv (private) scheet, die wij geen van allen ooit gehoord hadden.

Dat vertelden we elkaar pas na afloop in Zijperspace, dat we allen van niets wisten ooit iets gehoord te hebben.