Conversatie VIII

‘Mijn onderbroeken zijn een indicator.’
‘Waarvan? Dat ’t aantal strontvliegen in de buurt is toegenomen?’
‘Hahaha, ja. Dat zou ook kunnen. Maar ik kan er eigenlijk niet zo goed tegen ze rond te zien darren in de stront. & Moet er niet aan denken met een stokje er in te moeten wroeten.’
‘Je mag ’t me evengoed vertellen, hoor, wat jouw ondergoed je doet vertellen dat er iets aan de hand is.’
‘Nou, ’t is vooral als ik de was net uit de wasmachine heb gehaald & in de aanslag sta om ’t aan de lijn te hangen.’
‘De pas gewassen was.’
‘Eigenlijk is dat ook een indicator. Goed dat je dat zegt.’
‘Je moet toegeven dat ik je af & toe heus wel aanvoel.’
‘”Pas gewassen was” zingt altijd door m’n hoofd als ik de wastrommel leeg haal. & Dat kan een tijdje voortduren. ’t Hele zinnetje “De pas gewassen was die pas gewassen was” kan er voor zorgen dat ik de zin probeer te verlengen, variaties er op verzin, die allemaal met de was te maken hebben. Soms word ik er gek van, andere keren maakt ’t me juist rustig.’
‘& Dan kijk je naar je herenslips, netjes op een rij: & zingt ’t lied zacht sussend zichzelf voorbij.’
‘Was ’t maar zo. ’t Kan gebeuren dat ik vervolgens tijdens een fietstocht de verzonnen zinnen aan 1 stuk door m’n hoofd voel zigzaggen. Ergens op de achtergrond, maar ’t voelt alsof iemand 3 deuren verder 100 gaatjes in de muur aan ’t boren is. ’t Is ver weg, maar ’t is er wel.’
‘Maar nu over die indicatorfunctie van je pas gewassen was.’
‘Niet al m’n onderbroeken zijn groen.’
‘Dat is toevallig: die van mij ook niet.’
‘De meeste van mij wel.’
‘& Niemand die ’t ziet.’
‘Klopt. & Toch voel ik me er prettig bij.’
‘Ik vond je er de laatste tijd al gelukkig uitzien.’
‘Ze zijn al jaren groen.’
‘Je hebt er eerst aan moeten wennen, maar nu je ’t als een constante in je leven beschouwt, merk je dat er zich minder onrust buiten jezelf voordoet.’
‘Je bent erg grappig, maar je zit er niet eens zo ver naast.’
‘Nou vertel ’t maar. Je hebt heus wel door dat ik op randje stoel zit in afwachting van de onthulling.’
‘Sommige zijn niet groen.’
‘O, was dat ’t. Nou, dan ben ik op de hoogte. Volgende keer hebben we ’t over de vogeltjes die in je tuin fluiten, maar voor nu bedankt voor de thee & koekjes.’
‘Ik ben er bijna, maar als je je eigen grappen leuker vindt, dan gaan we daar gewoon mee verder.’
‘Dat doe ik evengoed wel, dat weet je.’
‘Nou, als ik die was ophang, dan moeten de onderbroeken bij elkaar gegroepeerd worden.’
‘Niet tussen de sokken.’
‘Nou, vooral op kleur & op patroon. Maar ik mag niet bewust kijken naar wat ik uit de stapel pak.’
‘Anders is ’t spel niet leuk genoeg?’
”t Is geen spel. Eerder een dwangneurose. Nou ja, dat is misschien overdreven.’
‘Maar dat maakt ’t wel leuker.’
‘Dus groen bij groen, zwart bij zwart, maar als ik de 1e onderbroeken verkeerd heb opgehangen, dan passen enkele die later uit de stapel komen niet meer op een goede bijpassende plaats. Mag niet, maar dan ga ik vals spelen.’
‘Kan je me die indicator-clue nu eindelijk duidelijk maken? Ik weet ondertussen genoeg van hoe jij dankzij onderbroekenlol de dag overleeft.’
‘Ik merk de laatste tijd dat ik ze kriskras door elkaar kan hangen.’
‘Dus morgen wordt ’t mooi weer?’

Maar de engeltjes bleven lekken op de hoofden in Zijperspace.

Connie

M’n nicht gaat dood.
M’n broer heeft ’t gister verteld. Hij onderhoudt contact.
Ze vindt ’t goed. Geen behandeling meer, want vorig jaar had wel resultaat, maar niet lang genoeg dus.
Ze zou wel een kaartje willen, zei Jan. & Gaf haar adres door.

Ik zal ’t me wel zo herinneren dat ’t ’t beste klinkt, maar haar vader vond m’n moeder de leukste zus. Een apart plekje, bij hem.
& Andersom.
We gingen niet voor niets na vakantie nog even aanwaaien in ’s Hertogenbosch & bleven daar slaapplaatsingewikkeld nog een nachtje logeren.

& Wij hoefden niet ons best te doen om door onze nichten, plus 1 neef, mee op avontuur te worden genomen. Hoewel enkelen daar al te oud voor waren. Maar dan nog was er altijd wel iets aan de hand. Een 1e vriendje bij de oudste, vrolijk gekwetter bij de 2e, somberspannende verhalen van de 3e & gebondenheid bij de tweeling.
& Kaj, de enigzoon, dribbelde daar ergens tussendoor.
Onze gezinnen waren even groot, maar zij hadden meer ervaring & hadden ’t pad uitgevonden die wij nog moesten gaan.

’t Was als vogelgekwetter, altijd iets aan de hand. Ook al was er meestal wel 1tje missend. Nog in bed, druk aan de studie of elders vertoevend. Afwezigheid betekende bij hun evengoed aanwezig zijn.
& Ik wilde daar deel van zijn, maar wist niet hoe. Want stuk voor stuk ouder, anders: veel ouder.

Jaren later gingen er neven dood. Waarvan 1tje mijn broer.
We zagen elkaar dus bij begrafenissen. Dronken wijn/bier. & Ik wilde weer bij hun zijn. Ze waren nog steeds ouder, maar hadden hun scherpe humor nog. Zonder zurigheid, dat was vooral zo leuk. & Ome Carel kwam langs om te zien of ik me wel gedroeg met z’n dochters. Zelf ook wijn, de laatste dan voor de thuisreis moest ingezet.

Ik ben zelf mee terug gereden naar Amsterdam met Connie & Jet. De begrafenis van Gerard was dat. Onderweg was een tosti nodig. Voor mij bier.
Ok, dan kon wijn ook wel.
Griekenland, huisartspraktijken, liefdesperikelen, gal, zon, vogelgekwetter opnieuw. Ik zong mee in vol ornaat.

’t Lijkt zo weinig, achteraf gezien. Die 5 zussen plus een broer die we hooguit 1 keer per jaar zagen. Maar we waren thuis bij hun, tegelijk op vakantie, op avontuur. Je wilde van ze houden, maar hield er rekening mee dat ’t weerzien waarschijnlijk weer een tijd zou duren.
’t Is dat die humor niet meer mogelijk is, nu Connie gaat. Dat sarcasme, die snauw naar de mensheid, de lach, een schater, & de serieuze ondertoon aan ’t eind.
‘Wel wat van je laten horen, hè!’
Waarbij ik wist dat zij, & haar zussen, dat ook niet zo goed konden.

Ik moet een kaartje sturen. Ik moet haar zussen zien. Ja, natuurlijk ook haar broer, maar ik kan dit soort dingen alleen maar met vrouwen, weet ik nu.
’t Is zo lang gelee dat ik dat nog niet wist & ’t me alleen maar overkwam.

Hé Connie, groeten uit Zijperspace.

Om-x

De app crasht. Steeds weer. Er worden geen punten geteld & je raakt gefrustreerd. ’t Ommetje, de methode, was een middel om je te gedragen zoals je idealiter zou willen. Maar nu ’t falen van de techniek geen substantiële dwang meer levert, lijkt de noodzaak daartoe in te kakken. De schouders gaan hangen, ’t tempo stagneert.

Zo is ’t nou 1maal zoals ’t werkt bij mij.
& Met mij zijn er velen die dat zo voelen, anders had niet de helft van de niet regelmatig sportende bevolking van dit land zich bekeert tot de Ommetjesapp.

De app geeft meer irritatie door dat crashen dan dat ’t iets oplevert dat ’t gevoel van de daarmee tevens gepaard gaande frustratie weg kan nemen door puntenbeloning.
Dus werd ’t tijd voor iets anders.

Onafhankelijkheid is daarbij een forte. Onafhankelijkheid van technische knowhow – hoe bouw je een app??? Onafhankelijkheid van anderen die dat wel kunnen => & je teleurstellen als bugs de boventoon gaan voeren. Onafhankelijkheid van stringente regels: iedereen moet er lol aan kunnen hebben.
& Lol is key.

Ik slaak warempel moderne taal uit. Waar ik vaak de opmerking toegeworpen krijg dat mijn woorden archaïsch overkomen.
Beter dat ik ’t vocabulaire gebruik dat tot begrip leidt.

’t Nieuwe concept is gebaseerd op pluriformiteit & vertrouwen.
Men zou dan vast graag willen opmerken dat goede nieuwe ideeën over ’t algemeen op drie basiseenheden is gebouwd, maar nr 3 is in dit geval zó vanzelfsprekend dat ’t haast overbodig is hem toch maar te noemen: beweging.

Die pluriformiteit uit zich in ’t gebruik van meerdere apps.
– 1 Om berichten naar de groep van gelijkgestemden te sturen (Signal, Telegram, Whatsapp).
– 1 Om je afgelegde route vast te leggen (Timeline Maps) ivm afgelegde afstand.
– 1 Om de tijd bij te houden (een stopwatch is bijna standaard met ’t opererend systeem van je smartphone meegeleverd).
Eventueel nog aangevuld met een app om aantekeningen mee te kunnen maken.

Voor de rest slechts enkele simpele spelregels die gebaseerd zijn op ’t eerder genoemde vertrouwen. Maar door ’t puntensysteem te larderen met vindingrijke mogelijkheden jezelf te verrijken met een goede score, hoeft men zich geen zorgen te maken om al te veel met vals spel te maken te krijgen.

Hoe ’t puntensysteem dan werkt?
Ommetje heeft aan de ene kant de lat gelegd waar ’t aan moet voldoen. De lat was echter niet hoog genoeg. Er kon nog wel wat cms bij in de vorm van puntenscores die op andere voordelen van een wandeling zijn gebaseerd.

Men krijgt nog steeds punten voor ’t 1 dagelijks ommetje, maar voortaan maar 3. Daar komen 2 punten bij als dit vóór 9 uur is gestart. Nog een mogelijkheid tot extra punten voor de wandeling zelf kan je verwerven voor elk volledig uur dat je hebt gelopen.
De regels van minimaal 20 min & 750 m lengte blijven staan.
Voor de 2e wandeling 2 punten. Nr 3 levert er 1 op.

’t Delen met de groep levert geen extra punten meer op. Delen is nu immers noodzakelijk. Je moet immers een overzicht geven van de verworven punten & de totaalstand.

Je mag jezelf een extra punt toebedelen als je onderweg iemand bent tegengekomen. Een 2e punt als je die al meer dan een jaar niet gesproken hebt & dat nu wel hebt gedaan.
Om de dag krijg je een punt als je onderweg van de gelegenheid gebruik hebt gemaakt om boodschappen te doen. 750-meter-regel blijft echter gehandhaafd.
Een punt als je een bijzonder beest/plant/whatevernatuur hebt waargenomen. Elke dag te innen.
Als je over je wandeling geschreven hebt, maakt niet uit op welke manier (gedicht, column, verhaal); delen is niet verplicht => 1 punt.
Is er je onderweg iets bijzonders gebeurd (delen wel verplicht): opnieuw een score van 1.
Een wandeling buiten de comfortzone van je eigen buurt (zeg maar: 5 km ervan verwijderd), doet de teller ook tikken. Evenals als je hierbij gezelschap had (tot een max extra score van 3).

’t Enige wat je hoeft te doen is een bericht te sturen met dat je wandeling is afgelopen & even later een opsomming van je gescoorde punten met korte omschrijving waarom. Plus de tussenstand.
Geen controle.

Dat geeft ’t vroegtijdig kort Zijperspace verlaten weer zin.

Ongelezenen

Mijn huis is een boekenboerderij. Vertaal dat in ’t engels & denk voor boeken dieren.
Niet elk van hen is nl even gelijk. Maar ik probeer ’t niet te laten merken.

Zo zijn de romans in aandacht opgeschoven & krijgen ze geen alfabetische volgorde meer. Niet dat daar nog veel bijkomt die mogelijke zorg noodzakelijk maakt, maar mocht ’t zo zijn, komen ze op de methode ‘zo min mogelijk arbeidsintensief’ op hun achterkant bovenop een rij staanden te liggen. Ik neem nog net de moeite de rug leesbaar te laten zijn. Voor latere referentie.

Maar ik kijk ze aan. Bewonder ze. M’n ogen strelen hun aanwezigheid, zeker die hier dicht in de buurt.
Dat wat uitsteekt geef ik af & toe een duwtje, bedenk me dan dat dit niet zonder reden was, want met z’n achterbuurman te groot voor de diepte van de plank. Loop ik om de kast heen & schuif de achterbuurman weer in positie & wrijf teruggekomen goedkeurend langs de voet van ’t boek, z’n tenen overboord.

Heel veel is ook nog niet gelezen.  Ze moeten gewoon aanwezig zijn. Voor ‘je weet maar nooit’ of om me dromend toe te wenden met de gedachte ‘Jij komt ook nog wel aan de beurt’.
Vooral rijtje Darwin dromen ze wat dat aangaat over een gouden toekomst. Ze zijn met velen, maar je voelt de hoop gloren.

Afdeling Insecten voelen zich in vergelijk enigszins weldadig & voornaam. Zij kunnen bij de minste gelegenheid opgepakt worden. Van bladzijden wapperend tot diepgaand raadplegend. Maar ook met bewondering aanschouwend voor een kort moment, plaatjes koekeloerend, dromend waarom de inhoud, ’t onderwerp, nog niet genoeg verklaard.

Er heerst echter ongelijkheid in natuurboekenland. Zo gegroeid omdat de mens jarenlang bevooroordeeld was. Beperkt interessegebied is daar historisch van de oorzaak. Vogels wat de klok slaat, want daar ging de aandacht voornamelijk naar uit. Dus probeerden velen er over te schrijven. & Wat goed is komt bovendrijven. Veel vogelboeken derhalve, die ik met veel plezier lees, want dat gaat altijd makkelijker met kwaliteitsliteratuur.

Men heeft jarenlang gedacht dat bomenboeken als hun onderwerp omvang moesten hebben, met grote illustraties van statuur. Daarbij vergetend dat tekst minstens zo belangrijk is.
Ik lees liever over de bomen, dat geeft ze meer leven. Pas de laatste tijd is men hier in uitgeversland NL er achter dat dergelijke boeken gretig aftrek genieten, ook al, vooralsnog vooral, afhankelijk van vertalingen.
Die kast staat vol met ongebruikt, alleen de determinatieboeken & ’t spaarzame leeswerk heeft z’n doel, gelezen te worden, daadwerkelijk bereikt.

Ze moeten er evengoed gewoon zijn, blijven ook. Al blijven de bladzijdes dicht aaneen gesloten. ’t Mag niet weg, ze zijn me alleen al voor ’t staan of soms liggen, even dierbaar, zoals m’n ouders over hun kinderen konden zeggen. Ook al kreeg de jongste grotere kado’s toen er meer geld kwam. Maar waar de jongste op jonge leeftijd z’n broers ’t huis al zag verlaten, krijgen de boeken bij meer geld alleen maar extra gezelschap.

Morgen koop ik met een timeslot & een stadspas gewapend de natuurafdeling van een kringloop in Zijperspace leeg.

Pre-volutie

Je weet niet waar ’t begint, verandering, maar opeens heeft ’t zich doen gelden, geuit, zijn aanwezigheid bepaald.
Zo bedacht ik, waarschijnlijk iets meer dan een half jaar geleden, om een boekenkast midden dwars in de woonkamer te zetten. De handeling was relatief snel gebeurd, maar ’t rijpen van dat plan, dat heeft wikken & wegen gevergd, meten met een centimeter, stappen ook, soms van elleboog tot hand of topje van middelvinger als maat hanterend, m’n verzameling van boeken beschouwen, in hoofd, als verschillende entiteiten waar ze van elkaar verschilden van onderwerp.

Zulke dingen gaan niet over 1 nacht ijs. Zeker niet als ’t uitzicht vanaf de dagelijkse stoel ingrijpend gaat worden gewijzigd.
Maar juist dat heeft de doorslag gegeven na weken van gepeins. Voortaan recht in de bek van een boel boeken kijken. Zo voor ’t grijpen, zo voor ’t denken wat er ook alweer allemaal in staat.

Voorbereiding is ’t halve werk, zullen wel vele wijzen mij voorgegaan zijn te bedenken, achteroverleunend in voldoening. Waarschijnlijk net zomin verzot op omzetting, herordening of verplaatsing van hoe alles gewoon was te staan of liggen.

Dus een 2e moest daarachter komen. & 2 Keer ’tzelfde doen, maakt zoiets haast tot een routine, waardoor de gewenning al gewend is er aan gewoon te raken. Zo snel kan ’t soms gaan.

Ik heb, toch bezig, er meteen tussendoor de vazen van stof ontdaan. De planken moesten immers vooraleer ze hun plek zouden vinden tussen de staanders opgekuist worden.
Maar zo gauw je begint met schoonmaken, afstoffen in mijn geval, dan dreigt ’t hek van de dam. Want overal is stof als je even niet opgelet hebt. M’n toetsenbord is waarschijnlijk ’t minst bestoft doorgaans stilstaand element in huis, waar ik ondanks dat toch regelmatig m’n vingers tussen de rijen toetsen laat gaan om ’t te ontdoen van weer een vers laagje.

Dat komt dan door dat stoffen. & Van ’t stofzuigen dat ik ook maar meteen heb opgepakt. Ze zouden een zuiger moeten ontwerpen waarbij de lucht in beroering komt, zodat ’t nog liggende niet tot leven wordt gewekt. Als ze niet door ’t mondstuk van mijn stofverzamelaar worden gegrepen rijzen ze als Lazarus op & leggen zich te ruste op een willekeurig andere plek.

Mensen, vrienden noemen zij zich, of anders begeleiders, zeggen dat dat goed is. Dat ik tot iets gezet word & dat ’t er van opknapt.
Ze gaan verder met wijzigheden als ‘wat van buiten ordening krijgt, zorgt voor meer overzicht van binnen’ & andere tegeltjes.
Maar daarbij zien ze niet dat er geen eindigheid is. Dat niets stopt. Dat we verdorie niet met dominosteentjes aan ’t spelen zijn, waar uiteindelijk de laatste valt, maar dat dit doordringt tot alle elementaire deeltjes. & Dan heb ik ’t niet over dat boek dat ik hier ergens in een kast heb staan, half gelezen, half bestorven. Al een tijdje ongewild dienend als een voor mij redelijk veilige vergaarbak van de stof die ik nooit meer hoef te zuigen & die hopelijk niet ongemakkelijk in beroering komt om me lastig te vallen met hun (want eigenlijk is ’t een meervoud van ongekend groot getal) aanvang aan een nieuw circulair bestaan.

Nee, dan Zijperspace, die vanwege zijn begin gebonden is aan een zekere eind.

WIA

Ik sta in een postzegel. ’t Heet natuur, maar ’t staat op zichzelf. Wat er niet is, moet heel veel moeite doen om er te komen, tenzij sterke vleugels. Maar als eenmaal aangekomen, zal ’t gekoesterd worden. Indien ’t niet alleen kwam, dat is.

Tineke vroeg mij: ‘Maar wat had je gedacht van dit gesprek? Dacht je dat je volledige WIA zou krijgen?’
‘Nee, ik dacht helemaal niets,’ antwoordde ik. ‘Ik dacht hooguit dat ik alleen maar gehoord zou worden, m’n verhaal kon doen.’
‘…maar ik zal wel iets van een gedeeltelijke WIA krijgen,’ voegde ik na enig privé-gemijmer daaraan toe.

Ik denk tegelijkertijd, ik wil me daarbij bedenken, dat dit een tijdelijk verhaal is. Tineke realiseert zich tegelijkertijd ’t volgende moment, wakker geschud door een binnengekomen bericht, dat ze zich moet laten testen. Ik heb een andere test, in ’t huidige, ’t nu, misschien wel ’t ‘historisch’ wordende heden, moeten ondergaan. Waar zij in ’t synchrone tijdstip, op een ander niveau, ook bezig is, maar met een ander, nu.
De echo klinkt alvast vooruit.
Maar ’t lijkt alsof we beiden in ’t oordeel van straks, zij mogelijk Corona, ik mogelijk WIA, tezamen veroordeeld, tezamen in afgesloten isolatie, al in een aflopend tijdperk zijn aangeland. Waar de hoofdletters zich doen gelden, waar de rug knakt door ’t gewicht van de importantie daarvan.
’t Is vreemd hoe historie 2 kanten op lijkt te groeien terwijl ’t nog bezig is genoteerd te worden.

Dat is: rolt, zwalkt, dreinst door/in m’n hoofd terwijl ik op een eiland sta, die postzegel, & contact heb met de buitenwereld, die ondanks mijn zelf verkozen afwezigheid mij altijd weet te bereiken.
We spreken met elkaar. Ik & de andere kant.

Ik moet diezelfde andere kant even interrumperen in z’n vloedgolf die hier binnenstormt.
‘Mag ik even tussendoor ajb nog even vertellen dat als je mij dingen zegt, dat ’t best kan zijn dat ik ze na ’t gesprek alweer kwijt ben? Als ik onder stress sta, lijkt ’t op dat moment wel enigszins tot me door te dringen, maar als me achteraf gevraagd wordt ’t te herhalen, blijkt er vaak niets meer van aanwezig.’
Ik verzwijg maar dat als ’t gesprek straks in een verleden is aangekomen ’t plots, op onschuldige momenten, weer tevoorschijn kan schieten. Op niets af.
Maar ik lijkt de woorden te voelen landen. Ik heb de dingen benoemd.
‘Ik zal proberen ’t kort te houden,’ klinkt er, waar ik begripvol voel in de toon.
Waar veel zou kunnen betekenen dat er ook veel verloren gaat.

Een half uur later ben ik een moderne mediator. Ik wissel gesprek na gesprek, m’n vingers typen zich gek. Weliswaar 2-vingerig, waar ik veilig thuis een toetsenbord van 10 beheer, maar ik woon nog steeds tijdelijk op een oud postzegelalbum, waar ik de enige filatelist ben, met plots opdoemende grootheidswaan.
& Ik blijf herhalen, woord voor woord, autocorrectie-bewust, dat ik ’t niet wist, niet weet, wat de betekenis is van ’t woord WIA.

Ik ben tijdelijk op een eiland, blijf nog even om na al die gesprekken te weten te komen wat hier allemaal woont, m’n verzameling weer wat completer te maken. Mijn vingers uiteindelijk ijskoud van ’t noteren bij deze wind die hier overal vat op heeft.
Neem afscheid, wend me excuses voor, u ziet: dit tijdelijk verblijf, waarbinnen zich een revolterende evolutie heeft plaatsgevonden, waar ik te oud ben om me deze frisse zuurstof ten volle te kunnen inhaleren.

Ik fiets terug naar Zijperspace, met ferme slagen over de golven van de Amstel, langs de stille zij de stad weer in.

Sprankeldwang

De arts tegenover me vroeg me of ik drugs gebruikte. Of gebruikt had.
Daarna zou hij vast verder gaan met vragen over alcoholgebruik, maar ik beantwoordde vraag 1 daar al mee. Want alcohol was tenslotte ook een drug.
De 1e die me dat zo open & bloot had durven vertellen was Juffrouw Küppers, conrectrice (later zou die functie ook voor haar conrector gaan heten) & non (dat bleef eeuwig ’tzelfde) in één lichaam verenigd. Ze bleek zelfs de moed te hebben te melden dat hasj & wiet softdrugs waren in tegenstelling tot alcohol.
Ik ben daardoor dus jarenlang enigszins voorzichtig met alcohol omgegaan, waar ik mijn softdrugsgebruik pas stopzette toen ik merkte dat daar mijn langzaam opbouwende paranoia vandaan was gekomen.

Ik vertelde de man tegenover me dat ik meer dan 25 jaar in ’t biervak had gezeten & dat bier drinken daar automatisch mee gepaard gaat. Momenteel 6 consumpties per dag; ik hou tegenwoordig de tel bij. & Dat ik vermoedde dat alcohol me kalmer maakt, socialer bovendien, maar dat tegelijkertijd de oorzaak van dit verschijnsel ’t er waarschijnlijk tevens voor zorgt dat ik er niet van houd door dronkenschap de controle te verliezen.
‘Komt ’t wel eens voor dat je zo rond 10 uur al een drankje neemt?’ vroeg de arts evengoed.
‘Nee,’ lachte ik, ‘ik zeg altijd dat de 3 in de klok moet zitten voordat ik begin.’
‘Er zit een 3 in 3 over 8.’
‘Dat was mijn grapje!’

Ik ben er in de loop der jaren achter gekomen dat een goed gesprek opgebouwd is uit momenten van onverwacht. ’t Moet je op je gemak stellen, een vertrouwde omgeving zijn, maar ’t wordt pas echt een belevenis als er 1 (of meer) onvoorspelbaarheid in voorkomt.
Een tekst evenzo.
Daarom zijn de openingszinnen zo verdomde moeilijk. Want dat is juist ’t moment dat de lezer verwacht 1st op z’n gemak gesteld te worden, een beetje licht in ’t nog onvertelde verhaal te zien gloren. Maar een goed begin dient dat tegelijkertijd tegen te spreken door een verrassing te presenteren.

Ik heb dagen dat er openingszinnen door m’n hoofd zingen. Uitschrijvend, schrappend, volgorde omgooiend, om dan uiteindelijk te denken dat ik daar wel wat mee kan.
Maar net op dat moment geen toetsenbord op voorraad. Dat uitschrijven & schrappen moet je bij mij niet letterlijk nemen.

Dus thuisgekomen achter m’n beeldscherm herbeginnen. Inmiddels de ervaring rijk dat mijn geheugen juist niet wil onthouden waarvan ik van ‘m wens dat wel te doen.

Daar komt de sprankeldwang om de hoek kijken. Vermomd in dorstig bier. ’t Beeld zat al in m’n hoofd nog voordat ik op de bureaustoel had plaatsgenomen, eigenwijs negerend dat ’t er toch van moest komen. ’t Prikkelende, verfrissende, de hop, de volheid van de mout. & M’n hoofd die voelt dat alcohol dat alles begeleidt, maar na de slokdarm een dwarsweg afslaat richting vervluchtiging, vervoering zo men wil.
Even wordt de somberheid verlaten, de verdoving ingezet, ’t niet meer kunnen voelen dat er eigenlijk niets van fantasie, originaliteit of talent aanwezig is in m’n geest.
Er daagt zelfs heel overmoedig ’t idee dat er iets is dat verteld moet worden, iets wat al een tijd in mij aanwezig was, maar dat de kaars was uitgewaaid & de tast van m’n vingers gevoelloos.

’t Optimisme doet z’n herintrede, overigens zonder dat ik ’t merk; ik ben een machine geworden gevoed met energie van enkele slokken gelegen in bier vermomde alcohol & gestuurd & gestuwd door de plots juiste woorden van van boven naar beneden richting vingers.

& Op de betere dagen, een enkele keer, heb ik niet meer dan de ochtend nodig.

& Komt ’t als vanzelf goed in Zijperspace.

Wist u dat… (Mossen)

We gaan weer eens de lezers van ’t Amstelveens Nieuwsblad echt ouderwets een reeks Wist-u-dat’s voorschotelen. Niet uit nostalgie, maar eerder omdat in deze tijd van het jaar er van het groen dat bijna iedereen zonder het te registreren bijna dagelijks tegenkomt, heel wat onbekende feiten te vertellen zijn. Maar het is haast overbodig om steeds weer te wist-u-datten, want er is over iets zó algemeen voorkomend dermate veel te melden dat je knettergek wordt van…
Ach, u weet wel.
Zet een streepje als nog onbekende informatie nieuw voor u was en daarbij onbewust ‘Wist u dat…’ heeft gedacht. Het zal u verbazen wat voor bijzonder leven de mossen leiden na afloop van het turven.

Eigenlijk zijn mossen de oudste planten. De bladeren hebben zeer ‘primitieve’ dunne wanden, miljoenen jaren geleden ontstaan, van slechts één cel dik. Er zijn soorten waarvan de dode cellen nog steeds een belangrijke taak uitvoeren. Die dienen als opslag van water.

Dus als langs de bast van een boom water loopt en daarbij mossen tegenkomt, zorgt dat ervoor dat het even duurt voordat dit daadwerkelijk de grond bereikt.
Dat vindt de boom eigenlijk wel een goede oplossing. Het zou de overvloed aan water anders weg moeten laten stromen. Via deze manier kan ze later profiteren van wat er in de mossenvoorraad zit.
Als je tijdens een behoorlijke regenbui onder een boom gaat staan, kan je dicht tegen de stam staand nog best droog blijven. De druppels vallen op bladeren, volgen daarna de loop van de takken, waardoor vervolgens een goede kans is dat ze mossen tegenkomen. Het water wordt daar op de puntjes van de mossenblaadjes, op de eventuele haren en in de cellenvoorraadkamers opgehouden op hun route naar beneden.

Mossen ‘parasiteren’ dus niet op bomen. Ze zijn epifyten. Wat zoveel wil zeggen dat ze wel profiteren van hun aanwezigheid op een boom, maar daar heeft die laatste eigenlijk meer profijt dan last van.

Waar mossen op de bast van een boom zitten, voelen schimmeldraden zich onder diezelfde bast extra lekker. Er komen meer van deze schimmelwortels onder mosbedekte bomen voor dan waar mos niet te vinden is. Mos zorgt voor een lekkere vochtige atmosfeer, wat de schimmels goed kunnen gebruiken tijdens het afbreken van boomonderdelen.

Insecten en andere kleine organismen vinden een veilige plek in mos om hun nageslacht in achter te laten.
(Bovenstaande verscheen eerder in ‘t Amstelveens Nieuwsblad)

Maar ook Nederland is blij met mos, ook al groeien die helden soms over de grens. Ze groeien op de weg die water aflegt richting rivieren en houden zodoende water langer vast. Daar is landbouw afhankelijk van, wat kan leiden tot een rijkere oogst.

Tel nu hoeveel u heeft geturfd.

Weer een bijdrage aan ’t natuurbewustzijn van de bevolking van Amstelveen vanuit Zijperspace.

Hoi R.

Hoi R.,

Ondanks dat ik sinds gister na 2 jaar ziektewet officieel geen werk meer heb, had ik ’t afgelopen 2 dagen behoorlijk druk. Dat komt deels doordat allerlei instanties nu aan me trekken en tegelijkertijd andere bezig zijn me daarbij te helpen. En dan is ’t ook nog eens zo dat opeens allerlei dingen op me af lijken te komen. Zoals bijv dat vrijwilligerswerk in de bibliotheek waar ik ’t eerder over had.

Ik vind jouw verhaal over je tuin in Frankrijk heerlijk om te lezen, doet me denken aan één van m’n favoriete boeken van de laatste jaren, ‘Geroezemoes in het gras’ van Dave Goulson. Hij startte ook een tuin in Frankrijk om daar te proberen van bijna uitgeput land bij een oude boerderij, een gebied te creëren dat opnieuw aantrekkelijk zou worden voor insecten. Ik ga er eigenlijk van uit dat je dat boek wel kent gezien jouw verhaal.

Ik schrijf dit in antwoord op je vraag hoe ik aan al die uitgaven kom. En ik, die door een burn-out mezelf heb laten diagnosticeren op autisme en adhd, ben dan geneigd om ’t hele verhaal te vertellen. Skip dit maar als ’t je niet interesseert van een Marktplaatsverkoper. Maar je stelde die vraag, dus moet ik wel, gezien mijn blijkbaar door die 2 ‘afwijkingen’ ingeblazen eerlijkheid.

Ik heb bijna 26 jaar in ’t bier gezeten, nadat ik op 1 of andere manier niet in staat leek om aan een scriptie voor Film- & TV-Wetenschap te beginnen. Als je m’n naam googelt kom je afbeeldingen als vanzelf wel tegen. Ondanks niet al te hoge beloningen daarvoor was ’t de tijd van m’n leven. Ik wist alles over bier en kon er goed over vertellen.
En, andermaal ondanks, ben ik samen met m’n toenmalige vriendin begonnen aan een cursus Natuurgids begonnen. Wat enigszins schorvoetend begon bleek een nieuw onderwerp waar ik me volledig in kon storten. Waarbij vooral de interesse voor insecten prevaleerde. En boeken, maar dat was me eigenlijk al ingegeven vanaf ’t moment dat ik de kinderbijbel van m’n oudere broer begon te lezen.

Gezien m’n minimale budget ben ik door m’n nieuwe hobby continu op zoek gegaan om zo goedkoop mogelijk aan interessante natuurboeken te komen. Ik kocht van alles in goedkope kringloopwinkels, kreeg ook veel van gepensioneerde natuurgidsen en wist me bovendien binnen te werken in de bibliotheek waar ik vanmiddag ondanks de lockdown weer kon komen werken. Daar hadden ze bij m’n 1e entree een overschot aan ‘dubbele’ boeken, dankzij schenkingen uit ’t nalatenschap van overleden natuurvorsers. Ze wisten niet wat ze met dat overschot aan boeken moesten op een gegeven moment en ik was 1 van de weinigen die de weg naar deze bieb wist te vinden.

Toen ik in de ziektewet terechtkwam heb ik op een gegeven moment besloten, ook omdat een mij aangewezen jobcoach van mij verlangde dat ik opnieuw werkervaring opdeed, op een ander vlak dan ’t door noodzaak gedwongen te verlaten biervak, en zodoende vrijwilligerswerk te beginnen bij die bibliotheek.
Daar hadden ze inmiddels besloten om dat teveel aan boeken weg te laten stromen door wekelijks dozen met boeken gratis af te leveren aan verkopers op ’t om de hoek gelegen ***markt. Ik heb in mijn begintijd als vrijwilliger daar voorgesteld dat ik ook tbv de instelling boeken kon aanbieden op Marktplaats, maar dat was geen mogelijkheid. Men wilde niet verdienen aan schenkingen en wist vanwege ruimtegebrek buiten de papierbak geen ander voortijdig einde voor de boeken te verzinnen dan marktkooplui te laten profiteren van ’t overschot.

Een rare situatie vond ik. Ik zat met een minimaal budget en marktkooplui kregen gratis fantastische natuurboeken aangeleverd, zonder dat ze wisten wat ze verkochten.
Dus heb ik op een gegeven moment voorgesteld dat ik ze ook zelf op Marktplaats kon zetten. Dat vonden ze een goed idee, want dan wisten ze, na mijn uitleg, dat ’t uiteindelijk op een goede plek terecht zou komen.

’t Heeft door mijn problemen mbt m’n burn-out nog behoorlijk lang geduurd voordat ik daadwerkelijk met dat project kon beginnen. Ik heb dat wel eens omschreven als dat ik ‘geen spieren in m’n daadkracht’ had. Maar iets meer dan een week geleden is me ’t op een vreemde manier toch gelukt om advertenties te plaatsen.

En daarom ben ik heel blij dat jullie belangstelling tonen. Ik heb voor ik prijzen ging bepalen rondgekeken wat anderen voor dergelijke WM’s vroegen en heb besloten om daar onder te willen zitten. Ik wil geen geld graaien. Ik wil dat mensen dergelijke vergeten publicaties opnieuw ontdekken. ’t Enthousiasme voor minuscule natuuronderwerpen en hun details. Als ik ’t gratis aanbied komen de graaiers opnieuw als geïnteresseerden bovendrijven en verliest ’t opnieuw z’n belangwekkende waarde, heb ik ’t gevoel.

Ik heb gister een gesprek gehad met een arts van ’t UWV, dit om die instelling te laten bepalen wat voor soort uitkering ik op korte termijn moet gaan krijgen. Toen ik die arts moest uitleggen waarom ik tijdens de strenge lockdown vrijwillig boeken ging bezorgen voor een nabijgelegen boekhandel, kreeg ik, voor mij onverwachts, tranen in de ogen, maar er kwam evengoed nog net uit m’n mond dat ik ’t belangrijk vond dat mensen boeken lazen.
Oók… Nee: júist nu.

Zo, nu heb je een mooi verhaal om aan de mensen die je tuin komen bezoeken hoe je aan de WM’s bent gekomen.
En ik hoop tevens dat je door bovenstaande begrijpt dat voor mij op dit moment nog niet alles vanzelfsprekend gaat. ’t Zal me moeite kosten om uit te zoeken wat de beste en goedkoopste manier is om je de WM’s toe te sturen en alles wat daar op moet volgen.
Geen excuus, maar eerder een uitdaging die ik met veel plezier aanga. Kijken of ik in een andere fase terecht kan komen. Meer daadkracht, meer spieren.
En ik hoop dat je tot ’t eind van dit verhaal kan komen en niet bent gaan denken dat ik op zoek ben geweest naar medelijden. Ik hou gewoon van natuur, van boeken, van schrijven en door m’n afwijkingen die afgelopen 2 jaar gediagnosticeerd zijn, heb ik op die vlakken momenteel niet al te veel remmingen; en buiten dat van kindsbeen af ’t gevoel dat ik volledig moet zijn in mijn verhalen.

Ik hoop morgen tijd te hebben uit te zoeken hoe & wat mbt verzending vanuit Zijperspace.

Cursus Lijfloggen, Deel 17

Zwicht!

Onderweg naar de fysio gleed ik uiteindelijk toch uit. Onderaan de brug over de Amstel. Tijdens de bocht naar rechts wilde mijn voorwiel nog wat verder rechtdoor. Mijn lichaam trachtte nog een kort moment het evenwicht te bewaren door de schouder naar links te drukken, maar een oneffenheid op het fietspad veroorzaakt door opgehard sneeuw dwong mij toch tot een nadere kennismaking met de harde realiteit van stenen onder een laken van wit.

Er reden auto’s aan mij voorbij. Ik voelde blikken branden. Terwijl mijn knie aanvoelde als snel veranderend van olijk rood (ik had ‘m vanochtend nog bij het verlaten van mijn bed tevreden mogen aanschouwen) in beursblauw, gelijk optrekkend met pijnlijk paars, zette ik mijzelf ertoe weer zo snel mogelijk, nonchalant bovendien, op te krabbelen. Ik wilde geen verwijt van passanten bemerken, gezichten die afkeuring zouden tonen met een blik dat het toch écht ondoenlijk was om met dit weer de fiets te gebruiken. Trots, maar daar vooral niets van tonend in mijn uitdrukking, ijskoud zogezegd, zeker gezien mijn blozende wangen, stapte ik weer op mijn fiets en vervolgde mijn weg richting fysiotherapeut.

Bovenstaand gebeuren had ik u nooit verteld, ware het niet dat een andere patiënt in de wachtkamer de opmerking maakte dat men zich tóch goed moest aankleden met dit weer.
‘Ja, vooral de kniebeschermers niet vergeten,’ was daarop mijn opmerking.
Ik had me voorgenomen om niets van het voorval onderweg los te laten, pijn te negeren, en gewoon me te onderwerpen aan dat waar ik voor gekomen was, maar toch glipte me deze verwijzing naar wat me overkomen was me door de mond.
Het ontging de vrouw echter.
‘Ach, ben jij op de fiets?’ vroeg ze vol bewondering.
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
‘Ik vind jullie toch zo dapper,’ ging ze verder, alsof met mij een colonne fietsers het pand was binnengereden. ‘Ja, ik kan het niet. Ik heb mijn pols gebroken bij mijn vorige fietstocht. Daarvoor ben ik hier. Om weer te revalideren.’
Mijn fysiotherapeut kwam mij het volgende moment ophalen. Met gestrekte rug, in vol ornaat, als een triomfator, liep ik achter de man aan om me aan mijn pijn in de nek te laten behandelen.

Ik wil er niet mee te koop lopen, met die kleine pijntjes. Zeker niet als ik me nog normaal kan voortbewegen. Je moet eerst een reden hebben het te vertellen en dan pas mag je van wal steken met je lijdensverhaal. Als je bijvoorbeeld er raar van gaat lopen. Of aan het eind van de werkdag vermoeid de rug strekt en halverwege blijft hangen. Om enkele voorbeelden te noemen.

Hoewel een vroegere schoonpapa van mij het wel heel bont maakte.
‘Zit je weer te piepen,’ zei hij als ik hinkend van een zere knie zijn huis, waar ook een zekere schone woonde, kwam bezoeken.
Ik was enkele dagen eerder gevallen, had m’n knie bezeerd en om onverklaarbare redenen was deze gaan zweren. Naarmate de knie zich roder en dikker toonde, werd het lopen mij bemoeilijkt en het hinken op één been door mij aantrekkelijker bevonden als manier van voortbewegen.
‘Loop toch niet zo theatraal door mijn huis,’ was zijn commentaar. ‘Of ga anders bij mijn dochter op de kamer zitten grienen.’
Er mocht geen pijn getoond worden in deze familie, alle leed moest keihard genegeerd worden, de hernia waar de vader/bouwvakker aan leed zo lang mogelijk ontkent.
Toen het zweren aan mijn knie zijn hoogtepunt bereikte, kwam er een klein sprietje uitstulpen. Het schuurde tegen de binnenkant broek aan. Ik ontblootte mijn knie, zette twee nagels tegenover elkaar, sprietje ertussen en kneep het kleinood er uit. Een dunne houtsplinter van vijf centimeter lengte voelde zich vervolgens vanonder mijn knieschijf bevrijd worden.

Ik heb het tegenover mijn toenmalige schoonvader verzwegen, maar triomfantelijk liet ik het stukje hout aan mijn vriendin zien.

Als je de hele tijd over pijntjes en kwaaltjes zit te jeremiëren word je al snel niet meer serieus genomen, is mijn ervaring. Ik doe er meestal in de wachtkamer het zwijgen toe, duik in een meegenomen boek, om personen die zichzelf dit niet beseffen niet de gelegenheid te geven tegen mij uit te wijden over hun leed, dat altijd veel grootser en ondraaglijker is dan dat waarvoor ik ben gekomen.
Maar soms moet je wel. Als het verhaal achter de kommer die jou overkomen is meeslepend genoeg is om verteld te worden. Als het gebeurde een verhaal op zich is, het verdient om verteld te worden. Als het ontroerend is vanwege of dankzij jouw eigen kleinzieligheid. Als de gedachtes die jou met betrekking ermee hebben bezig gehouden het waard zijn om door anderen aangehoord te worden. Als het meer is dan alleen maar klagen en aandacht vragen. Of als je nog net een stukje moet schrijven voor je weblog. Of een cursus lijfloggen.
Dan mag je, wat mij betreft, zwichten. Voor het verhaal, niet voor de pijn.

Huiswerk: Vertel zo dramatisch mogelijk over de laatste schuiver die je gemaakt hebt.


(Deel 0 staat hier, als introductie op wat ik 50 afleveringen lang heb volgehouden te schrijven voor ‘t weblogmagazine about:blank, maar verloren werd gewaand. Dl 1, Dl 3  [daar kan je ook lezen wat er aan de hand is met Dl 2], Dl 4, Dl 5, Dl 6, Dl 7, Dl 8, Dl 9, Dl 10, Dl 11, Dl 12, Dl 13, Dl 14, Dl 15 & Dl 16 zijn reeds herverschenen alhier. De komende tijd zal ik de rest van ‘t materiaal dat ik ondertussen geheel heb teruggevonden alsnog hier gaan publiceren.)